Terug naar bibliotheek
Regeling nationale EZK- en LNV-subsidiesBijlage 2.5.1. behorende bij artikel 2.5.7 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies

Bijlage 2.5.1. behorende bij artikel 2.5.7 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies

Laatste versie

Bijlage 2.5.1: behorende bij artikel 2.5.7 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies

Overeenkomst tussen: 1. De Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur,hierna te noemen: de Staat; 2. [..], [*indien van toepassing:*te dezen handelende zowel voor zichzelf als voor en namens al haar dochterondernemingen], hierna te noemen: de Financier; hierna samen te noemen: Partijen. Partijen zijn het volgende overeengekomen:

I: ALGEMENE BEPALINGEN

1: Definitiebepalingen

1. De begrippen die in het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies en in artikel 1.1. en titel 2.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies zijn gedefinieerd hebben in deze overeenkomst de in deze regelingen gegeven betekenis. 2. Voorts wordt in deze overeenkomst verstaan onder:

financieringsfaciliteit: krediet of lening of een deel van een krediet of lening waarvoor de Staat niet borg of garant staat; kredietovereenkomst: overeenkomst uit hoofde waarvan:

1°. de Financier aan een LV-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of 2°. de LV-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Financier, of 3°. de Financier tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Financier in een groep verbonden is, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de LV-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Financier van invloed is;

omschakelkapitaal: nieuwe investeringen voor de extra kosten, waaronder begrepen een beperkt exploitatie- en liquiditeitstekort voor een specifiek bepaalde periode, die moeten worden gedaan om de lopende bedrijfsvoering van de LV-onderneming aan te passen en uit te breiden tot biologische productie in de zin van Verordening (EU) 2018/848 (verordening); uitwinning:

1°. uitwinning door de Financier, naar normaal bancair gebruik, van de door de LV-ondernemer aan de Financier verstrekte zekerheden; 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Financier door de LV-ondernemer van zijn vermogensbestanddelen, inning van vorderingen daaronder begrepen; 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de LV-ondernemer en 4°. onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder indien het faillissement van de LV-ondernemer is uitgesproken of aan hem surséance van betaling is verleend;

  1. vissersvaartuig: vissersvaartuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, punt 4, van verordening (EU) nr. 1380/2013 (verordening) van het Europees parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 (verordening) en (EG) nr. 1224/2009 (verordening) van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 (verordening) en (EG) nr. 639/2004 (verordening) van de Raad en Besluit 2004/585/EG (verordening) van de Raad (PbEU 2013, L 354), dat is ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie vissersvaartuigen 1998.

2: Borgstelling

De Staat stelt zich borg ten behoeve van de Financier voor de terugbetaling van LV-borgstellingskredieten die met inachtneming van het besluit, titel 2.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst door de Financier worden verstrekt, met dien verstande dat deze borgstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

3: Voorwaarden LV-borgstellingsovereenkomst

De toepasselijkheid van deze LV-borgstellingsovereenkomst op een krediet of een deel van een krediet kan uitsluitend worden ingeroepen indien: a. de kredietovereenkomst tussen de Financier en de LV-ondernemer na de beslissing door de minister, bedoeld in artikel 8, tot stand is gekomen; b. binnen 35 dagen na de beslissing, bedoeld onder a, de door de minister op grond van artikel 2.5.4 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en artikel 11 vastgestelde provisie door de Financier aan de Staat is betaald; c. en voor zover door de beslissing, bedoeld onder a, de som van de in een kalenderjaar goedgekeurde kredieten of delen daarvan het door de minister op grond van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde subsidieplafond niet is overschreden; d. de natuurlijke persoon die direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft aan de LV-ondernemer niet zijnde een natuurlijke persoon, zich borg heeft gesteld voor de nakoming door de LV-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het LV-borgstellingskrediet wordt verstrekt, tot aan een bedrag ter grootte van ten minste 25 procent van het LV-borgstellingskrediet en met een minimum van € 5.000; e. het LV-borgstellingskrediet niet meer bedraagt dan het tekort aan zekerheden dat bij de Financier ten tijde van het sluiten van de kredietovereenkomst bestaat; f. de Financier in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het LV-borgstellingskrediet wordt verstrekt een verplichting voor de LV-ondernemer heeft opgenomen om alle medewerking te verlenen aan het uitoefenen door de Staat van de in artikel 25 genoemde bevoegdheden; g. de Financier in de door haar gesloten kredietovereenkomst met betrekking tot de nakoming door de LV-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de LV-borgstellingsovereenkomst uit hoofde waarvan het LV-borgstellingskrediet wordt verstrekt een beding ten behoeve van de Staat heeft opgenomen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de Staat en de Financier geen bedingen heeft opgenomen, ertoe leidende dat:

1°. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken, 2°. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van artikel 869 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;

h. door de Financier gelijktijdig met het sluiten van de kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een LV-borgstellingskrediet aan de LV-ondernemer wordt verstrekt, met de LV-ondernemer een kredietovereenkomst is gesloten uit hoofde waarvan de LV-ondernemer over een financieringsfaciliteit beschikt, die niet bestemd is en niet gebruikt wordt voor de aflossing van financieringsfaciliteiten waarover de LV-ondernemer beschikt bij de Financier of aan een rechtspersoon waarmee de Financier in een groep verbonden is; i. de financieringsfaciliteit, bedoeld in onderdeel h, ten minste 50 procent bedraagt van het LV-borgstellingskrediet; j. de looptijd van de in onderdeel h bedoelde financieringsfaciliteit ten minste even lang is als de looptijd van het LV-borgstellingskrediet; k. de Financier in de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan de LV-ondernemer over de financieringsfaciliteit, bedoeld in onderdeel h, beschikt, een beding heeft opgenomen waarmee geborgd wordt dat de financieringsfaciliteit gedurende de gehele looptijd, bedoeld in onderdeel j, ten minste 50 procent van het LV-borgstellingskrediet blijft bedragen.

4: Criteria voor LV-ondernemer bij verstrekken LV-borgstellingskrediet

  1. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een LV-borgstellingskrediet aan een LV-ondernemer wordt verstrekt, moet de LV-ondernemer aan de volgende criteria voldoen:

a. ten aanzien van de LV-ondernemer staat geen bevel tot terugvordering uit ingevolge een besluit van de Europese Commissie waarin steun onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt van de Europese Unie is verklaard; b. de LV-ondernemer:

1°. houdt geen onderneming in moeilijkheden in stand als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. beschikt over onvoldoende financiële middelen om zijn LV-onderneming op economisch verantwoorde wijze in stand te houden; 3°. voert een substantieel deel van de activiteiten van zijn LV-onderneming in Nederland uit; 4°. houdt geen LV-onderneming in stand waarvan de laatste jaaromzet voor 50 procent of meer is verkregen, of, indien de LV-onderneming nog geen heel jaar is gedreven, waarvan de omzet naar verwachting voor 50 procent of meer zal worden verkregen, uit:

de uitoefening van het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf, of het financieren van een of meer andere ondernemingen, of het verwerven, vervreemden, beheren of exploiteren van onroerende zaken of het ontwikkelen van onroerende zaakprojecten;

5°. is door de Financier naar normaal bancair gebruik getoetst aan de eisen van maatschappelijk verantwoord ondernemen;

c. er is een tekort aan zekerheden bij de LV-onderneming, waardoor de Financier naar normaal bancair gebruik het krediet niet geheel voor eigen rekening en risico kan verstrekken; d. de rentabiliteits- en continuïteitsperspectieven van de LV-onderneming zijn bevredigend.

5: Criteria kredietovereenkomst: investeringen algemeen

1. De Staat verleent uitsluitend een LV-borgstellingskrediet aan de Financier indien in de kredietovereenkomst is opgenomen dat het door de Financier te verstrekken krediet of een deel van het krediet betrekking heeft op nieuwe investeringen uiteengezet in een investeringsplan van de LV-ondernemer voor onder meer:

a. de bouw, verwerving, leasing of verbetering van onroerende zaken of vissersvaartuigen; b. de koop of leasing van machines en uitrusting, tot maximaal de marktwaarde van de activa; c. de aankoop of ontwikkeling van computersoftware en de verwerving van octrooien, licenties, auteursrechten en handelsmerken en de daarmee rechtstreeks verband houdende algemene kosten.

2. In afwijking van het eerste lid verleent de Staat uitsluitend een LV-borgstellingskrediet voor omschakelkapitaal indien het door de Bank te verstrekken krediet of een deel van het krediet betrekking heeft op nieuwe investeringen uiteengezet in een investeringsplan gericht op het aanpassen of uitbreiden van de lopende bedrijfsvoering van de LV-onderneming tot biologische productie in de zin van Verordening (EU) 2018/848 (verordening) van de LV-ondernemer. 3. In de in het tweede lid bedoelde kredietovereenkomst wordt opgenomen dat de LV-ondernemer na het verstrekken van het LV-borgstellingskrediet een certificaat verkrijgt betreffende biologische productie van de Stichting Skal volgens de toepasselijke Unierechtelijke en nationale wet- en regelgeving.

6

Vervallen.

6a

Vervallen.

7

Vervallen.

7a

Vervallen.

7b

Vervallen.

8: Verlening LV-borgstellingskrediet

1. De Financier meldt het krediet of het deel van het krediet dat uit hoofde van de kredietovereenkomst aan de LV-ondernemer zal worden verstrekt. 2. De minister beslist binnen 35 dagen tot verlening van het LV-borgstellingskrediet. 3. Voor de toepassing van artikel 3, eerste lid en onderdeel c, is de volgorde van ontvangst van de meldingen door de minister bepalend.

9: Voorwaarden LV-borgstellingskrediet -algemeen-

Een LV-borgstellingskrediet wordt niet verleend indien: a. het wordt aangewend voor de herfinanciering van schulden, met uitzondering van herfinanciering van een LV-borgstellingskrediet als bedoeld in artikel 14, achtste lid, daaronder mede begrepen niet door enige financier verstrekte leningen alsmede leningen welke worden aangegaan om kapitaalbehoefte, ontstaan door het uittreden van een commanditaire vennoot uit een commanditaire vennootschap, te dekken, behoudens in geval van overmacht; b. ten aanzien van de investeringen waarvoor de kredietovereenkomst is aangegaan reeds een krediet of deel van een krediet is verstrekt of onvoorwaardelijk is toegezegd; c. aan de LV-ondernemer voor kredieten voor investeringen als bedoeld in artikel 5, reeds een borgstelling door de minister of het bestuur van de Stichting Borgstellingsfonds voor de Landbouw is verstrekt en het totaalbedrag aan LV-borgstellingskredieten aan de LV-ondernemer in totaal hoger wordt dan € 2.500.000; d. de LV-onderneming wordt uitgeoefend door een commanditaire vennootschap, tenzij uit de betrokken vennootschapsovereenkomst blijkt dat die overeenkomst ten minste een looptijd heeft die gelijk is aan de looptijd van het LV-borgstellingskrediet.

10: Voorwaarden LV-borgstellingskrediet -voorkomen onrechtmatige staatssteun-

1. Een LV-borgstellingskrediet wordt niet verstrekt indien:

a. uit hoofde van de kredietovereenkomst het krediet of een deel van het krediet wordt verstrekt voor investeringen die verband houden met:

1°. de uitvoer naar derde landen of lidstaten van de Europese Unie; 2°. het oprichten en exploiteren van een distributienet ten behoeve van de uitvoer, of 3°. andere lopende kosten in verband met exportactiviteiten;

b. uit hoofde van de kredietovereenkomst het krediet of een deel van het krediet wordt verstrekt voor investeringen die niet in overeenstemming zijn met de voor de LV-ondernemer in Nederland geldende milieuwet- en regelgeving.

2. Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een LV-borgstellingskrediet aan een LV-ondernemer wordt verstrekt, draagt de Financier er zorg voor dat:

a. zij de LV-ondernemer in kennis heeft gesteld dat hij ingevolge de verstrekking van het krediet steun van de overheid ontvangt en dat deze steun wordt aangemerkt als steun die valt onder de algemene groepsvrijstellingsverordening; b. de LV-ondernemer schriftelijk heeft verklaard dat, voor zover het ontvangen van steun ingevolge de verstrekking van het krediet samen gaat met het ontvangen van staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten, of samen gaat met staatssteun ten behoeve van dezelfde risicofinancieringsmaatregel, dit niet leidt tot een overschrijding van de hoogste toepasselijke steunintensiteit of het hoogste toepasselijke steunbedrag dat in dit geval geldt ingevolge de algemene groepsvrijstellingsverordening, de groepsvrijstellingsverordening landbouw , de groepsvrijstellingsverordening visserij of een besluit dat de Europese Commissie heeft vastgesteld.

11: Provisie

1. Het tarief van de provisie voor de borgstelling bedraagt eenmalig:

a. 3 procent van het bedrag van het LV-borgstellingskrediet; b. 1 procent van het bedrag van het LV-borgstellingskrediet indien de LV-ondernemer een starter of overnemer is.

2. Indien overeenkomstig artikel 3, onderdeel b, een provisie is betaald met betrekking tot een LV-borgstellingskrediet en indien het desbetreffende krediet of deel van het krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de LV-ondernemer of aan de Financier, wordt de provisie door de Staat terugbetaald aan de Financier mits de Financier binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de Staat heeft gedaan.

12: Maximale omvang van het LV-borgstellingskrediet

1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt een krediet of een deel van een krediet slechts in aanmerking genomen voor zover door de verstrekking van dat krediet het totaal van de aan een LV-ondernemer verstrekte LV-borgstellingskredieten een bedrag van € 2.500.000 niet overschrijdt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid is de toestand op het tijdstip onmiddellijk na het sluiten van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het LV-borgstellingskrediet is verstrekt bepalend. 3. Voor de toepassing van het eerste lid worden:

a. LV-borgstellingskredieten die op een eerder tijdstip overeenkomstig artikel 8 zijn gemeld, slechts voor het met overeenkomstige toepassing van de artikelen 14 en 15 berekende gedeelte van die LV-borgstellingskredieten in aanmerking genomen; b. kredieten, voor zover de Staat daarvoor op grond van het Kaderbesluit EZ-subsidies, het besluit, het Besluit borgstelling MKB-kredieten, of het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997 nog borg staat, als LV-borgstellingskredieten in aanmerking genomen.

13

Vervallen.

14: Berekening omvang en duur van de borgstelling

1. Voor de berekening van de omvang van de borgstelling wordt het na toepassing van artikel 12 in aanmerking te nemen krediet of deel van het krediet na verloop van ieder kalenderkwartaal verminderd met een zodanig vast bedrag, dat het LV-borgstellingskrediet op de laatste datum waarop het moet zijn afgelost, maar uiterlijk na verloop van 6 jaar, nihil bedraagt. 2. Indien het LV-borgstellingskrediet voor meer dan 50% nieuwe investeringen betreft als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onderdeel a, waarbij die onroerende zaken of vissersvaartuigen voor ten minste de helft gebruikt worden door de LV-onderneming van de LV-ondernemer, geldt in afwijking van het eerste lid dat het LV-borgstellingskrediet op de laatste datum waarop het lineair moet zijn afgelost, maar uiterlijk na verloop van 12 jaar, nihil bedraagt. 3. Voor de toepassing van het eerste lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van het derde kwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het krediet is verstrekt, is gesloten. 4. Voor de toepassing van het tweede lid vangt het eerste kalenderkwartaal uiterlijk aan op de eerste dag van zevende kwartaal dat volgt op het kalenderkwartaal waarin de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het krediet is verstrekt, is gesloten. 5. De Financier kan de vermindering, bedoeld in het eerste en tweede lid, gedurende een periode van ten minste een kalenderkwartaal opschorten indien:

a. de Financier voor ten minste de duur van de opschorting uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van het krediet; b. de Financier uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van alle financieringsfaciliteiten gedurende de duur van de opschorting, dan wel uitstel verleent van de verplichting tot aflossing van een gedeelte van de financieringsfaciliteiten, waarbij de som van de aflossingsbedragen ten minste 50% is van de som van de aflossingsbedragen waarvoor de Financier uitstel verleent als bedoeld onder a; c. de Financier de opschorting meldt binnen 35 dagen na aanvang van de opschorting onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. De minister bevestigt de melding binnen 35 dagen na ontvangst.

6. De in het vijfde lid bedoelde opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor een totaal van acht kalenderkwartalen plaats. 7. De in het vijfde lid bedoelde opschorting van de vermindering vindt ten hoogste voor een totaal van twaalf kalenderkwartalen plaats indien het krediet is verstrekt aan een starter of overnemer. 8. Indien een LV-borgstellingskrediet wordt aangewend voor herfinanciering van een LV-borgstellingskrediet, is de nieuwe periode ten hoogste gelijk aan de periode waarvoor het krediet nog zou hebben gelopen zonder herfinanciering.

15: Schorsing vermindering borgstelling

1. De vermindering van de borgstelling, bedoeld in artikel 14, wordt geschorst met ingang van de dag waarop het krediet is opgeëist. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de vermindering van de borgstelling pas geschorst door de aanvang van de uitwinning, indien met die uitwinning geen aanvang is gemaakt binnen twee maanden na de dag waartegen het krediet door de Financier is opgeëist. 3. De vermindering van de borgstelling wordt tevens geschorst zolang de LV-ondernemer in staat van faillissement verkeert of aan hem surséance van betaling is verleend.

16: Verzoek om betaling uit hoofde van de LV-borgstellingsovereenkomst

1. De Financier kan, zodra er sprake is van een wanbetaling onder een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een LV-borgstellingskrediet is verstrekt, een verzoek doen aan de Staat tot betaling uit hoofde van deze LV-borgstellingsovereenkomst. Dit verzoek wordt ingediend in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het krediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na datum van faillissement. 2. Voor de toepassing van het eerste lid is sprake van wanbetaling wanneer een LV-ondernemer een achterstand heeft van meer dan 90 kalenderdagen in de betaling van een verplichting onder de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een LV-borgstellingskrediet is verleend. 3. Het verzoek wordt ingediend onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister vastgestelde informatie. 4. De minister bevestigt de ontvangst van het verzoek om betaling binnen 35 dagen na de ontvangst en reageert op het verzoek binnen negen maanden na de bevestiging.

17: Berekening omvang borgstelling bij uitbetalen

  1. De omvang van de borgstelling bedraagt per LV-ondernemer 70 procent van hetgeen de LV-ondernemer ten tijde van het overeenkomstig artikel 16 ingediende verzoek uit hoofde van het LV-borgstellingskrediet of de LV-borgstellingskredieten pro resto verschuldigd is, doch

a. ten hoogste 70 procent van de met toepassing van de artikelen 12 tot en met 15 berekende omvang van het LV-borgstellingskrediet of de LV-borgstellingskredieten, en b. ten hoogste tweemaal de som van de bestaande en verstrekte financieringsfaciliteiten van de Financier voor de LV-ondernemer met ingang van de dag waarop het krediet is opgeëist.

18: Betaling door de Staat

1. De minister betaalt hetgeen de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met het oog op de door de Financier in haar verzoek bedoelde LV-borgstellingskrediet verschuldigd is. 2. Voor zover de Financier bij haar verzoek om betaling aannemelijk maakt dat er bijzondere omstandigheden waren die het naar normaal bancair gebruik noodzakelijk maakten de andere financieringsfaciliteiten sterker in omvang terug te brengen dan de LV-borgstellingskredieten, blijft artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel b, buiten toepassing. 3. De Staat is niet verplicht tot betaling op het verzoek van de Financier:

a. indien de Financier niet voldaan heeft aan een verzoek als bedoeld in artikel 25; b. indien de Financier in het kader van het verzoek gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op het verzoek zou hebben geleid.

4. Betalingen door de Staat aan de Financier en door de Financier aan de Staat geschieden door debitering respectievelijk creditering door de Financier van een rekening die de Financier zal aanhouden ten name van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met vermelding van ‘verliesdeclaraties LV-borgstellingskredieten’. 5. Over het debet- of creditsaldo van de rekening zal een rente berekend worden gelijk aan zesmaands Euribor.

19: Inspanningsverplichting tot uitwinning LV-borgstellingskrediet

1. Gedurende vijf jaar nadat de Financier uit hoofde van het LV-borgstellingskrediet door de Staat is betaald, is de Financier gehouden die pogingen in het werk te stellen om namens de Staat het door de Staat betaalde bedrag in te vorderen, die de Financier in het werk zou hebben gesteld indien het krediet voor eigen rekening en risico door de Financier zou zijn verstrekt. De Staat machtigt met het oog hierop de Financier tot invordering bij de kredietnemer van de door deze aan de Staat verschuldigde bedragen. 2. De Financier zendt binnen drie maanden na afloop van de in het eerste lid bedoelde periode de minister een overzicht van de door haar ondernomen activiteiten, waarin de door de minister vastgestelde informatie is opgenomen.

20: Verslag voortgang uitwinning bij verzoek om betaling borgstelling

1. Indien een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 16 is ingediend op een moment, waarop de uitwinning nog niet is voltooid en ook niet aannemelijk is geworden dat geen opbrengsten meer zijn te verwachten die in mindering komen op het LV-borgstellingskrediet, brengt de Financier de minister ten minste jaarlijks verslag uit over de voortgang van de uitwinning. 2. De minister kan over het verloop van de uitwinning binnen een door hem te stellen termijn nadere gegevens van de Financier verlangen.

21: (Terug)betalen LV-borgstellingskrediet

1. De Financier betaalt de vanaf het moment van de indiening van een verzoek om betaling als bedoeld in artikel 16 ontvangen opbrengsten die in mindering komen op het LV-borgstellingskrediet binnen twee maanden na ontvangst aan de Staat. 2. Voor zover de opbrengsten na de aanvang van de periode, bedoeld in artikel 19, eerste lid, ontvangen zijn, wordt de in het eerste lid bedoelde betalingsverplichting beperkt tot 80 procent van de ontvangen opbrengsten, tenzij opbrengsten ontvangen zijn uit hoofde van uitwinning. 3. De Financier zal de rekening, bedoeld in artikel 18, vierde lid, per de datum van verzending van het verzoek, bedoeld in artikel 16, en binnen twee maanden na die datum, debiteren voor het bedrag waarvoor betaling wordt gevraagd, vermeerderd met een rente over de periode die verstreken is sinds de dag waarop de vermindering, bedoeld in artikel 14, op grond van artikel 15 is geschorst. 4. De Financier zal de rekening op de datum van de reactie van de minister, bedoeld in artikel 16, vierde lid, en binnen twee maanden na die datum crediteren of debiteren voor respectievelijk het voor de Staat positieve of negatieve verschil tussen het bedrag waarvoor de rekening ingevolge het derde lid is gedebiteerd en het door de Staat blijkens de reactie, bedoeld in artikel 16, verschuldigde bedrag, vermeerderd met een over dat verschil te berekenen rente over de periode die is verstreken sinds de creditering of debitering, bedoeld in het derde lid, en de datum waarop de reactie is ontvangen. 5. De rente, bedoeld in het derde en vierde lid, is gelijk aan de zesmaands Euribor op het moment van de indiening van een aanvraag als bedoeld in artikel 16, vermeerderd met de door de Financier gehanteerde liquiditeitsopslag.

22: Voorwaarden schuldregeling LV-borgstellingskrediet

1. De Financier treft geen schuldregeling die inhoudt of mede inhoudt een gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van verplichtingen voortvloeiende uit een kredietovereenkomst, uit hoofde waarvan een LV-borgstellingskrediet is verstrekt, zonder voorafgaande toestemming van de minister. De minister kan aan zijn toestemming voorwaarden verbinden ten aanzien van de inhoud van een dergelijke regeling. 2. De minister beslist zo spoedig mogelijk op een verzoek om toestemming als bedoeld in het eerste lid.

23: Vervallen verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst

1. De verplichtingen van de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met betrekking tot een LV-borgstellingskrediet vervallen door schuldvernieuwing, door schuldoverneming en – voor het gedeelte waarin subrogatie plaatsvindt – door subrogatie van derden in de rechten van de Financier met betrekking tot het LV-borgstellingskrediet, al dan niet voorafgegaan door verpanding van het LV-borgstellingskrediet. 2. In afwijking van het eerste lid blijven de verplichtingen van de Staat met betrekking tot een LV-borgstellingskrediet van kracht, indien:

a. de LV-ondernemer aan wie het LV-borgstellingskrediet is verstrekt de LV-onderneming en alle voor het drijven van die onderneming bestemde activa en passiva inbrengt of overdraagt aan een door de LV-ondernemer voor het drijven van die LV-onderneming opgerichte rechtspersoon; b. de Financier met de onder a bedoelde rechtspersoon een overeenkomst sluit als gevolg waarvan die rechtspersoon bij de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het LV-borgstellingskrediet is verleend de plaats inneemt van de LV-ondernemer, en c. de LV-ondernemer zich naast de onder a bedoelde rechtspersoon hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming door die rechtspersoon van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst.

3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder rechtspersoon mede begrepen twee of meer rechtspersonen, indien die rechtspersonen gezamenlijk voldoen aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden en ieder van die rechtspersonen zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het LV-borgstellingskrediet is verstrekt.

24: Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Financier

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Financier zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, of dat de Financier de betalingsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, niet is nagekomen.

25: Controle LV-borgstellingskrediet

1. De Financier en de LV-ondernemer voldoen aan hetgeen de door de minister aangewezen bij zijn ministerie werkzame personen verzoeken, voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor een goede uitvoering van het besluit, titel 2.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies en deze overeenkomst, en met het oog op de nakoming door de Staat van op de Staat rustende internationaalrechtelijke verplichtingen, en voor zover het betrekking heeft op de uit het besluit of deze overeenkomst voortvloeiende zelfstandige verplichtingen van de Financier of de LV-ondernemer aan wie het LV-borgstellingskrediet is verstrekt of de met deze LV-ondernemer gesloten kredietovereenkomsten, omtrent:

a. het toegang verlenen tot door hen gebruikte plaatsen; b. het verlenen van inzage in zakelijke gegevens en bescheiden; c. het maken van kopieën van de onder b bedoelde gegevens en bescheiden; d. het verlenen van medewerking aan het verstrekken van gegevens door anderen en e. het verstrekken van inlichtingen.

2. Alleen in daartoe aanleiding gevende gevallen zal aan de Financier of aan de LV-ondernemer, gevraagd worden de in het eerste lid bedoelde inlichtingen ook door haar interne accountant te doen verstrekken. 3. Van de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aanhef en onder a, zal alleen gebruik worden gemaakt indien een ernstig vermoeden bestaat dat de Financier of de LV-ondernemer onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt. 4. De Financier stelt de minister binnen 35 dagen na kennisname op de hoogte van de volgende feiten en verstrekt daarbij de door de minister vastgestelde informatie:

a. vervroegde volledige aflossing van het LV-borgstellingskrediet; b. het door de Financier in beheer nemen van het LV-borgstellingskrediet voor zover sprake is van wanbetaling door een debiteur als bedoeld in artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PbEU 2013, L 176); c. de verlening van surseance van betaling aan of de faillietverklaring van de LV-ondernemer; d. opeising van het LV-borgstellingskrediet.

5. De Financier meldt de Staat de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan de Financier, dan wel een verzoek tot faillietverklaring van de Financier.

26: Beheer

1. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een LV-borgstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Financier waken over de belangen van de Staat als borg. 2. De Financier zal er voor zorg dragen dat het LV-borgstellingskrediet niet wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de LV-ondernemer aan de Financier die het krediet verstrekt of aan een rechtspersoon waarmee de Financier in een groep verbonden is. 3. De Financier zal tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een LV-borgstellingskrediet is verleend in de door haar te sluiten overeenkomsten met allen, niet zijnde de Staat, die zich borg willen stellen voor de nakoming door de LV-ondernemer van de verplichtingen voortvloeiende uit de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan het krediet is verleend, een beding ten behoeve van de Staat opnemen, ertoe strekkende dat de omslagregeling van artikel 869 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet geldt ten opzichte van de Staat en de Financier zal geen bedingen opnemen, ertoe leidende dat:

a. een borg er zich op zou kunnen beroepen dat de Staat eerst zou moeten worden aangesproken; b. een borg zich zou kunnen onttrekken aan toepassing door de Staat van de omslagregeling van artikel 869 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

4. De Financier draagt er zorg voor dat de relaties tussen haar en de bij haar onderneming betrokkenen enerzijds, en de LV-ondernemer aan wie een krediet is verstrekt anderzijds transparant zijn.

27: Hardheidsclausule

Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een krediet of een deel van een krediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet of een deel van dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Financier om afwijking van deze overeenkomst.

28: Communicatie

Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Financier kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Financier ook geschieden in papieren vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.

29: Overige bepalingen

1. De inwerkingtreding van een wijziging van het besluit, of titel 2.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies leidt terzelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst. 2. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de Financier. 3. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Financier schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden. 4. In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien de Financier in strijd heeft gehandeld met het gestelde in deze overeenkomst. 5. In afwijking van het derde lid kan de Financier deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het besluit, na publicatie in de Staatscourant van een wijziging van titel 2.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies of een schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst. 6. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van het besluit of door intrekking van artikel 2.5.2 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies. 7. Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van LV-borgstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 8 zijn verleend en ten aanzien van LV-borgstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging. 8. Als het besluit en titel 2.5 van de Regeling nationale EZ-, LVVN- en KGG-subsidies gelijktijdig worden ingetrokken en vervangen door materieel identieke wettelijke voorschriften in een andere algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling dan is het zesde lid niet van toepassing. Aldus overeengekomen en in ()voud ondertekend De Staat der Nederlanden, te dezen vertegenwoordigd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, namens deze: (naam en functie vertegenwoordigers Financier) te ‘s-Gravenhage (statutaire naam van de Financier, naam en functie vertegenwoordiger(s) van de Financier)

Details

[Vervalt op 31-12-2030. Zie het wijzigingenoverzicht.]