Terug naar bibliotheek
Rechtbank Overijssel

ECLI:NL:RBOVE:2025:5090 - Rechtbank Overijssel - 1 augustus 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBOVE:2025:50901 augustus 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 11753256 \ CV EXPL 25-1884

Vonnis in kort geding van 1 augustus 2025

in de zaak van

[eiser], wonende in [woonplaats 1], eisende partij, hierna te noemen: [eiser], gemachtigde: mr. K.J.T.M. Hehenkamp,

tegen

[gedaagde], wonende in [woonplaats 2], gedaagde partij, hierna te noemen: [gedaagde], gemachtigde: mr. U. Yildirim.

1 Waar deze zaak over gaat

1.1. [eiser] en [gedaagde] hadden een affectieve relatie met elkaar. [eiser] is eigenaar van het perceel [adres 1] en [adres 2] te [plaats 1]. [eiser] en [gedaagde] hebben samengewoond in de woning aan de [adres 2] in [plaats 1]. [gedaagde] gebruikt het pand aan [adres 1] voor zijn autohandel. Daarnaast is [eiser] eigenaar van een woning in [plaats 2]. Tegen betaling mocht [gedaagde] deze woning als zijn postadres mag gebruiken.

1.2. Na in mei 2025 door [gedaagde] te zijn mishandeld heeft [eiser] de affectieve relatie beëindigd. [gedaagde] heeft vervolgens zijn intrek genomen in het pand aan de [adres 1] in [plaats 1].

1.3. [eiser] vordert in dit kort geding ontruiming van het pand aan de [adres 1] in [plaats 1] en de woning in [plaats 2]. Verder vordert zij een straat- en contactverbod. De kantonrechter wijst de ontruimingsvorderingen toe en bepaalt dat [gedaagde] beide woningen binnen één maand moet ontruimen. Daarnaast wijst de kantonrechter het contactverbod toe voor een periode van één jaar en het gebiedsverbod voor de duur van één jaar voor een straal van 175 meter rondom de woning van [eiser] in [plaats 1].

2 De procedure

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties 1 tot en met 8, uitgebracht op 4 juli 2025,

  • de wijziging van eis,

  • de producties 9 tot en met 15 van eiser,

  • de e-mail van gedaagde van 17 juli 2025 met vier bijlagen,- de mondelinge behandeling van 18 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,- de pleitnota van [gedaagde].

2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1. Eind 2017 hebben [eiser] en [gedaagde] een affectieve relatie gekregen. [eiser] en [gedaagde] zijn vervolgens gaan samenwonen in dedoor van [eiser] aangekochte woning aan de [adres 3] in [plaats 2] (hierna: de woning in [plaats 2]). Het betreft de voormalig echtelijke woning van [gedaagde] en zijn ex.

3.2. Eind 2020 heeft [eiser] het perceel met

gekocht. Partijen zijn vervolgens gaan samenwonen in de woning aan de [adres 2] in [plaats 1]. [gedaagde] gebruikt de onroerende zaken aan de [adres 1] voor zijn onderneming (in- en verkoop van auto’s).

3.3. Eind 2021 hebben [eiser] en [gedaagde] een huurovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten voor de woning in [plaats 2]. Deze overeenkomst is geëindigd in oktober 2023. De overeenkomst is daarna omgezet in een overeenkomst waarmee [gedaagde] het recht krijgt het adres van de woning in [plaats 2] als zijn postadres te gebruiken.

3.4. In 2021 heeft [eiser] bij de politie melding gemaakt van mishandeling door [gedaagde].

3.5. Op 5 mei 2025 heeft [eiser] aan [gedaagde] gezegd dat zij de relatie beëindigd. In de ochtend van 6 mei 2025 heeft een incident plaatsgevonden waarvan [eiser] aangifte heeft gedaan bij de politie. De aangifte houdt, voor zover van belang, het navolgende in:

Vanmorgen, dinsdag 6 mei 2025 omstreeks 09.00 uur, kwam ik beneden en zag ik dat [gedaagde] nog op de bank in de huiskamer lag. Ik zei toen tegen [gedaagde], dat we het gesprek af moesten maken, dat onze relatie voorbij is en dat we dat moesten gaan regelen. Ik zag dat [gedaagde] wederom heel erg boos werd. Hierop verloor ik ook een deel van mijn beheersing. Ik gooide mijn kopje koffie hierbij over tafel. Ik zag dat [gedaagde] opstond en in mijn richting kwam lopen. Ik zag dat [gedaagde] zijn vuist balde en op mij af kwam. Ik zag vervolgens dat [gedaagde] zich heel breed maakte. Ik zag dat [gedaagde] met zijn gebalde rechtervuist heel dreigend op mij af kwam lopen. [gedaagde] was al heel erg dichtbij mij. Ik voelde en zag dat [gedaagde] mij met zijn rechtervuist op mijn gezicht sloeg. Ik probeerde [gedaagde] van mij af te weren. Dit lukte mij niet. Ik heb geprobeerd om [gedaagde] van mij af te duwen om mijzelf te verdedigen. Ik voelde en zag dat [gedaagde] mij overal waar hij mij maar kon raken sloeg. Ik probeerde om terug te vechten maar ik was niet tegen [gedaagde] opgewassen. Ik zag dat [gedaagde] buiten zinnen was en mij sloeg om mij ook echt pijn te doen. [gedaagde] ging maar door met slaan en gooide mij vervolgens tegen de deurpost van de bijkeukendeur aan. Ik klapte met mijn hoofd tegen de deurpost aan en viel daarna met mijn hoofd op de grond. Het werd zwart voor mijn ogen en ik weet niet meer wat er toen gebeurde. Ik werd wakker doordat ik water in mijn mond proefde. Ik zag toen dat [gedaagde] zich over mij heen had gebogen en mij water in de mond goot.

Een dag later heeft huisarts M.E. Bolt bij [eiser] een forse hersenschudding en blauwe plekken bij haar pols, ellenboog, bovenbuik en rechterbovenbeen geconstateerd. Op 19 mei 2025 heeft chirurg Roerdink (alsnog): “Waist fractuur Scaphoid link” geconstateerd.

3.6. [gedaagde] heeft na 6 mei 2025 zijn intrek genomen in het appartement aan de [adres 1].

4 Het geschil

4.1. [eiser] vordert na wijziging eis (samengevat): a. ontruiming van de loods met buitenterrein, kantoor en appartement aan de [adres 1] in [plaats 1] op straffe van een dwangsom, b. ontruiming van de woning aan de [adres 3] in [plaats 2] op straffe van een dwangsom, c. een contactverbod voor twee jaren op straffe van een dwangsom, d. een gebiedsverbod van vijfhonderd meter rondom de woning aan de [adres 2] in [plaats 1] voor één jaar op straffe van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

4.2. [eiser] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Na beëindiging van de relatie en de daaropvolgende mishandeling door [gedaagde] wil zij niet langer dat [gedaagde] van haar onroerende zaken gebruik maakt. Er was al vanaf 2021 sprake van een patroon van agressief en gewelddadig gedrag, waarbij [gedaagde] haar ook met de dood heeft bedreigd. Ze vreest voor escalatie. [eiser] heeft dan ook recht en belang bij de gevorderde ontruimingen en het straat- en contactverbod.

4.3. [gedaagde] voert verweer.

4.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1. Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij de voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarna moet de kantonrechter beoordelen of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. In deze procedure is geen plaats voor bewijslevering.

Er is sprake van een spoedeisend belang

5.2. Uit de aard van de vorderingen vloeit, naar het oordeel van de kantonrechter, het spoedeisend belang voort.

Het is voldoende aannemelijk dat [gedaagde] [eiser] heeft mishandeld

5.3. [eiser] heeft aangegeven dat [gedaagde] haar heeft mishandeld in de ochtend van 6 mei 2025, op de wijze als in de aangifte is weergegeven.

5.4. [gedaagde] heeft een andere visie op de gebeurtenissen in de ochtend van 6 mei 2025. Volgens [gedaagde] waren hij en [eiser] ’s ochtends met elkaar aan het praten. [eiser] heeft toen zijn bril gepakt en deze kapot geknepen en hem op zijn hoofd en ellenboog geslagen met een stenen kopje. [gedaagde] heeft [eiser] met zijn vlakke hand een klap gegeven op haar wang. [eiser] heeft ook met haar vuisten op het hoofd van [gedaagde] geramd waarna [gedaagde] haar heeft afgeweerd. Toen is [eiser] gevallen. [gedaagde] is vervolgens weggelopen, omdat hij boos was dat [eiser] hem had geslagen. Daarna is hij gaan kijken en zag hij [eiser] op de grond liggen. Volgens [gedaagde] heeft hij [eiser] niet zien vallen en heeft hij haar ook niet op de grond gegooid. [gedaagde] heeft aangegeven niet te weten of [eiser] met haar hoofd tegen de deurpost is gekomen.

5.5. De kantonrechter is voorshands van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [eiser] door [gedaagde] is mishandeld in de ochtend van 6 mei 2025. Tussen partijen is niet in geding dat een incident heeft plaatsgevonden waarbij [eiser] enige tijd bewusteloos is geweest.Direct na het incident heeft [eiser] aangifte gedaan. Die aangifte bevat een coherente verklaring waarvan de juistheid bevestigd wordt door het door de huisarts opgemaakte journaal en de bevinding van de chirurg. Naar het voorshandse oordeel van de kantonrechter past het door de artsen vastgestelde letsel niet of in veel mindere mate bij de door [gedaagde] ter zitting opgegeven verklaring, en wel of in veel grotere mate bij de door [eiser] bij de politie afgelegde verklaring. De verklaring van [gedaagde] komt de kantonrechter dan ook niet aannemelijk voor. Het komt de kantonrechter ook onaannemelijk voor dat [gedaagde] enerzijds de wijze waarop [eiser] bewusteloos is geraakt niet heeft waargenomen, maar anderzijds wel precies kan aangegeven wat hij direct daarvoor en daarna zou hebben waargenomen. Bij deze stand van zaken gaat de kantonrechter voorhands uit van de juistheid van de door [eiser] bij de politie afgelegde verklaring.

5.6. De kantonrechter zal de vorderingen dus beoordelen in het licht van de conclusie dat [gedaagde] [eiser] zodanig ernstig heeft mishandeld dat zij enige tijd haar bewustzijn heeft verloren.

De vordering tot ontruiming van de onroerende zaken aan de [adres 1]

5.7. Voor wat betreft de onroerende zaken aan de [adres 1] heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat [gedaagde] daar zonder recht of titel verblijft en zij zijn verblijf aldaar niet langer hoeft te dulden. Voor zover al zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde] de onroerende zaken aan de [adres 1] huurt, dient [gedaagde] – vooruitlopend op ontbinding van de huurovereenkomst – deze zaken te ontruimen, omdat hij zich niet als een goed huurder heeft gedragen.

5.8. Volgens [gedaagde] is sprake van een huurovereenkomst. Het is voor hem niet mogelijk (op korte termijn) de onroerende zaken te ontruimen; hij zou dan geen verblijfplaats meer hebben en bovendien heeft hij geen andere ruimte voor de auto’s uit de bedrijfsvoorraad van zijn onderneming.

5.9. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een huurovereenkomst. Op grond van artikel 7:201 lid 1 BW is sprake van een huurovereenkomst als de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, om een zaak in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Een tegenprestatie kan het betalen van een maandelijkse huurprijs zijn, maar kan ook een geringe vergoeding zijn die verband houdt met het genot dat de huurder aan het gehuurde ontleent.[1] Partijen zijn het erover eens dat [eiser] aan [gedaagde] de onroerende zaken in gebruik heeft verstrekt. Dat partijen het eens zijn geworden over de tegenprestatie is echter niet gebleken. Volgens [gedaagde] betaalt hij maandelijks € 600,00 voor zowel het gebruik van het perceel in [plaats 1] als voor het aanhouden van het postadres bij de woning in [plaats 2]. [gedaagde] heeft dit onderbouwd met twee bankafschriften. Op het eerste bankafschrift staat een betaling aan [eiser] op 26 mei 2025 van € 600,00 met de omschrijving “huur [code 1]/ [code 2] mei 25”. Daarbij verwijst [code 1] naar de postcode en het huisnummer van de woning te [plaats 2] en [code 2] naar de postcode en het huisnummer van de [adres 1] te [plaats 1]. Op het tweede bankafschrift staat een betaling aan [eiser] op 5 juni 2025 van € 600,00 met de omschrijving “huur [code 1] mei 25”. Volgens [eiser] betaalt [gedaagde] alleen voor het aanhouden van zijn postadres bij de woning in [plaats 2]. Zij heeft daarvan een schriftelijke overeenkomst in het geding gebracht. Daarnaast heeft [eiser] aangegeven dat zij de betaling van het eerste bankafschrift direct aan [gedaagde] heeft teruggestort. Dit is niet door [gedaagde] weersproken. De kantonrechter acht het hierdoor voldoende aannemelijk dat [gedaagde] maandelijks € 600,00 betaalt enkel voor het aanhouden van zijn postadres bij de woning in [plaats 2] en niet voor het gebruik van het perceel in [plaats 1]. [gedaagde] heeft verder gewezen op verschillende kostenposten die als tegenprestatie zouden moeten worden aangemerkt. Hij noemt in dat verband vaste lasten, ‘inkomstenbelasting over het perceel in [plaats 1]’, de kosten van een overlijdensrisicoverzekering en abonnementskosten. Van enige relatie van deze kosten met het woongenot is echter niet gebleken. Dat deze kosten als tegenprestatie voor het huurgenot kunnen worden aangemerkt is dan ook niet aannemelijk geworden. De kantonrechter gaat er dus vanuit dat geen sprake is van een huurovereenkomst.

5.10. Aangezien [gedaagde] zonder recht of titel gebruik maakt van de onroerende zaken aan de [adres 1], heeft [eiser] als eigenaar recht en belang bij ontruiming door [gedaagde]. [eiser] is niet verplicht om [gedaagde] onderdak te verschaffen, ook al hebben partijen een relatie gehad en op het perceel samengewoond. Dat geldt eens te meer nu vast is komen te staan dat de affectieve relatie tussen partijen is geëindigd en [gedaagde] [eiser] heeft mishandeld.

5.11. Zelfs als wel sprake zou zijn van een huurovereenkomst tussen partijen, dan moet [gedaagde] volgens de kantonrechter de onroerende zaken aan de [adres 1] ontruimen. In dat geval zou voldoende aannemelijk zijn geworden dat [gedaagde] tekort is geschoten in zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door zich niet als een goed huurder te gedragen. De mishandeling van [eiser] is van zodanige ernst dat aangenomen kan worden dat de huurovereenkomst in dat geval zou worden ontbonden.

5.12. De kantonrechter zal de vordering tot ontruiming van de onroerende zaken aan de [adres 1] toewijzen. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de gevorderde ontruimingstermijn van één maand, zodat ontruiming op deze termijn toewijsbaar is. Daarnaast zal de kantonrechter de dwangsom toewijzen op de wijze als in de beslissing is gemeld.

De vordering tot ontruiming van de woning in [plaats 2]

5.13. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] tegen betaling de woning in [plaats 2] als postadres mag gebruiken. Uit de overeenkomst volgt dat [gedaagde] de woning moet kunnen betreden om zijn post op te kunnen halen. Het betreft aldus een duurovereenkomst, omdat partijen voor onbepaalde tijd verplichtingen zijn aangegaan. Toewijzing van de vordering tot ontruiming leidt ertoe dat [gedaagde] geen toegang meer heeft tot de woning. De vraag die dus aan de orde is, is of [eiser] deze duurovereenkomst mag opzeggen en of van [gedaagde], vooruitlopend op deze opzegging, gevergd kan worden de woning niet meer te betreden.

5.14. Partijen kunnen in een duurovereenkomst afspraken maken over hoe deze overeenkomst mag worden opgezegd. Als partijen hier niets over afspreken, dan kan worden opgezegd overeenkomstig de regels van redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW). In beginsel zijn duurovereenkomsten opzegbaar. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen echter meebrengen dat opzegging alleen mogelijk is als er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat. Dit hangt af van de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval.[2] Ook kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat opzegging samen moet gaan met een aanbod tot betaling van (schade)vergoeding.[3]

5.15. Partijen hebben in dit geval geen afspraken gemaakt over hoe de overeenkomst over de woning in [plaats 2] mag worden opgezegd. Dat betekent dat aan de hand van de eisen van redelijkheid en billijkheid moet worden bepaald of [eiser] de overeenkomst mag opzeggen.

5.16. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat [eiser] een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging heeft. Tegenover het belang van [gedaagde] tot toegang tot de woning om de post op te kunnen halen staat het belang van [eiser] om ook in deze woning niet geconfronteerd te worden met [gedaagde]. Gelet op het einde van de affectieve relatie gevolgd door de mishandeling van [eiser] door [gedaagde] moet worden aangenomen dat [eiser] de overeenkomst kan opzeggen. Vooruitlopend daarop kan [gedaagde] de toegang tot de woning worden ontzegd en is de vordering tot ontruiming dus toewijsbaar.

5.17. De kantonrechter acht een ontruimingstermijn van een maand toewijsbaar, nu [gedaagde] zich niet specifiek tegen deze termijn heeft verweerd. De kantonrechter zal de dwangsom toewijzen op de wijze als in de beslissing is gemeld als prikkel voor [gedaagde] om over te gaan tot ontruiming.

Contact- en gebiedsverbod

5.18. De kantonrechter stelt voorop dat een contact- en gebiedsverbod een inbreuk vormt op het recht van ieder persoon om vrijelijk contact op te nemen met een ander en om zich vrijelijk te verplaatsen. Voor het toewijzen van deze ingrijpende maatregel moet sprake zijn van een hoge mate van aannemelijke feiten en omstandigheden die deze inbreuk kunnen rechtvaardigen.

5.19. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat de mishandeling van [eiser] door [gedaagde] en de vrees van [eiser] voor escalatie een inbreuk op de rechten van [gedaagde] rechtvaardigen. Het belang van [eiser] om gevrijwaard te zijn van de dreiging van [gedaagde] weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] om vrijelijk contact met [eiser] op te nemen en zich vrijelijk in haar woonomgeving te kunnen verplaatsen. Daar komt bij dat [gedaagde] geen verweer heeft gevoerd tegen het contact- en gebiedsverbod.

5.20. De kantonrechter zal het gevorderde contactverbod toewijzen, met dien verstande dat vanwege de eisen van proportionaliteit de duur zal worden beperkt tot één jaar.

5.21. De kantonrechter acht het oplegging van een gebiedsverbod met een straal van 500 meter rondom de woning van [eiser] aan de [adres 2] in [plaats 1] te verstrekkend. Daarom zal de kantonrechter een gebiedsverbod opleggen met een straal van 175 meter rondom deze woning. Ook zal de kantonrechter de voor het gebiedsverbod gevorderde termijn van één jaar toewijzen.

5.22. De kantonrechter zal het contactverbod direct na betekening in laten gaan. Het gebiedsverbod zal de kantonrechter laten ingaan vanaf één maand na betekening van dit vonnis, zodat dit verbod in de pas loopt met de toegewezen ontruimingstermijn. De kantonrechter zal de dwangsom toewijzen op de wijze als in de beslissing is gemeld en machtiging verlenen om het gebiedsverbod ten uitvoer te laten leggen met behulp van de sterke arm van politie en justitie.

Proceskosten

5.23. [gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

6. De beslissing

De kantonrechter

6.1. veroordeelt [gedaagde] om binnen één maand na betekening van dit vonnis de loods met buitenterrein en kantoor en daarboven gelegen appartement gelegen aan de [adres 1] te [plaats 1] met de daarin vanwege [gedaagde] aanwezige goederen en personen te verlaten, te ontruimen en ontruimd te houden, met afgifte aan [eiser] van de sleutels en al hetgeen tot de loods met kantoor en daarboven gelegen appartement behoort ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel daarvan indien [gedaagde] hier niet aan voldoet,

6.2. verbiedt [gedaagde] om binnen één maand na betekening van dit vonnis gebruik te maken van de woning gelegen aan de [adres 3] te [plaats 2] en veroordeelt [gedaagde] deze woning te verlaten en de daarin vanwege [gedaagde] aanwezige goederen en personen te ontruimen en ontruimd te houden, met afgifte aan [eiser] van de sleutels en al hetgeen tot deze te [plaats 2] gelegen woning behoort ter vrije en algehele beschikking van [eiser] te stellen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of deel daarvan indien [gedaagde] hier niet aan voldoet,

6.3. verbiedt [gedaagde], na betekening van dit vonnis, gedurende een periode van één jaar, anders dan via haar advocaat, met [eiser] in contact te treden door vanaf de openbare weg (beledigingen) te roepen naar [eiser] en/of telefonisch contact te zoeken en/of de voicemail in te spreken en/of op andere wijze in woord, gebaar of geschrift contact te zoeken met [eiser], een en ander op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere keer dat [gedaagde] dit verbod overtreedt,

6.4. verbiedt [gedaagde] zich, vanaf één maand na betekening van dit vonnis, gedurende een periode van één jaar zich te bevinden dan wel op te houden binnen een straal van tweehonderd vijftig meter rondom het perceel van [eiser] gelegen aan de [adres 2] te [plaats 1], zulks met machtiging van [eiser] om de naleving van dit verbod zo nodig te bewerkstelligen met hulp van de sterke arm van politie en justitie, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom bij iedere overtreding van het gegeven verbod van telkens € 500,00 per overtreding,

6.5. bepaalt dat [gedaagde] uit hoofde van dit vonnis maximaal een bedrag van in totaal € 10.000,00 aan dwangsommen zal kunnen verbeuren,

6.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.328,92, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

6.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 1 augustus 2025.

ECLI:NL:HR:2017:1131.

ECLI:NL:HR:1999:AA3821.

ECLI:NL:HR:2011:BQ9854.


Voetnoten

ECLI:NL:HR:2017:1131.

ECLI:NL:HR:1999:AA3821.

ECLI:NL:HR:2011:BQ9854.