Terug naar bibliotheek
Rechtbank Gelderland

ECLI:NL:RBGEL:2025:6856 - Rechtbank Gelderland - 14 augustus 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBGEL:2025:685614 augustus 2025

Uitspraak inhoud

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht Kantonrechter

Zittingsplaats Nijmegen

Zaaknummer: 11749649 \ VV EXPL 25-43

Vonnis in kort geding van 14 augustus 2025

in de zaak van

[eiser in conv], wonende te [woonplaats] , eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie, hierna te noemen: [eiser in conv] , gemachtigde: mr. N. Ligthart,

tegen

[gedaagde in conv], wonende te [woonplaats] , gedaagde partij in conventie, eisende partij in reconventie, hierna te noemen: [gedaagde in conv] , procederend in persoon.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties

  • de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie met producties

1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgehad op 31 juli 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

1.3. Hierna is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. [gedaagde in conv] had sinds 2019 een affectieve relatie met de dochter van [eiser in conv] .

2.2. Op 1 december 2021 heeft [eiser in conv] in verband met zijn verhuizing goederen uit zijn voormalige loodgietersbedrijf en woning tijdelijk opgeslagen bij [gedaagde in conv] .

2.3. De affectieve relatie tussen [gedaagde in conv] en de dochter van [eiser in conv] is in augustus 2024 geëindigd.

2.4. [gedaagde in conv] heeft op 26 oktober 2024 aan [eiser in conv] een factuur gestuurd met een totaalbedrag van € 15.502,00. Op de factuur staan diverse verrichte werkzaamheden vermeld alsmede de overname van verschillende tuingereedschap en meubels.

2.5. De gemachtigde van [gedaagde in conv] heeft hierop bij brief van 6 november 2024, voor zover van belang, als volgt gereageerd:

“(…) Cliënt heeft geen enkele betalingsverplichting jegens u en zal daarom ook niet tot betaling overgaan ! Cliënt heeft op geen enkele wijze een overeenkomst met u gesloten, op grond waarvan hij tegen betaling gebruik zou maken van uw diensten. (…) Ten aanzien van de zaken die (…) vermeld staan onder ‘overname’ wenst cliënt op te merken dat hij in het geheel niets heeft overgenomen van u. U had geen ruimte en heeft uw goederen derhalve bij cliënt opgeslagen. Cliënt heeft ook geen behoefte aan deze goederen en u kunt deze dan ook ophalen. Ik verneem dan ook graag (…) wanneer u uw zaken wenst op te halen bij cliënt, zulks tegen betaling van redelijke opslagkosten vanaf december 2021. (…)”

2.6. [gedaagde in conv] heeft op 18 november 2024 een factuur aan [eiser in conv] gestuurd ten bedrage van € 13.500,00. In de factuur zijn onder meer stallingskosten, 48 granieten stenen, de inrichting van een garagebox met materialen (waaronder ophangrails, leggers en schapdragers), geleverde diensten en kilometerkosten in rekening gebracht.

3 Het geschil

in conventie

3.1. [eiser in conv] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde in conv] tot teruggave van zijn eigendommen en de veroordeling van [gedaagde in conv] om [eiser in conv] binnen 24 uur na betekening van het te wijzen vonnis in de gelegenheid te stellen om zijn eigendommen op te halen, zoals vermeld op de lijst die als productie 1 bij dagvaarding is overgelegd en wel in volledig goede staat dan wel in de staat waarin [gedaagde in conv] deze in bewaring heeft ontvangen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde in conv] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,00, met veroordeling van [gedaagde in conv] in de proceskosten.

3.2. [eiser in conv] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde in conv] zijn eigendommen zonder recht onder zich houdt.

3.3. [gedaagde in conv] voert verweer en concludeert niet-ontvankelijkheid dan wel afwijzing van de vorderingen met, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, veroordeling van [eiser in conv] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

in reconventie

3.4. [gedaagde in conv] vordert, na wijziging van eis, de veroordeling van [eiser in conv] primair tot teruggave van 48 granieten stenen en een op maat gemaakte garageboxinrichting, bestaande uit onder meer ophangrails, leggers en schapdragers en subsidiair betaling van de waarde van deze goederen met veroordeling van [eiser in conv] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.5. [gedaagde in conv] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [eiser in conv] goederen van hem zonder recht onder zich houdt.

3.6. [eiser in conv] voert verweer en concludeert afwijzing van de vorderingen. Op de inhoud van het verweer zal hierna, waar nodig, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en reconventie

4.1. Het gaat hier om in kort geding gevorderde voorlopige voorzieningen. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [eiser in conv] en [gedaagde in conv] ten tijde van dit vonnis bij die voorzieningen een spoedeisend belang hebben. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.

4.2. Het spoedeisend belang bij de vorderingen van [eiser in conv] volgt uit de aard van de vordering, die ziet op revindicatie van eigendommen waarvan is gesteld dat [gedaagde in conv] deze zonder recht onder zich houdt en dreigt te verkopen of te vernietigen. Ten aanzien van de vorderingen van [gedaagde in conv] , neemt de kantonrechter het spoedeisend belang aan bij zijn primaire vordering. Dit is anders bij ten aanzien van zijn subsidiaire vordering. Zonder nadere toelichting ontbreekt het spoedeisend belang bij een waardevergoeding, zodat zijn subsidiaire vordering niet toewijsbaar is.

De vorderingen van [eiser in conv]

4.3. Tussen partijen is in conventie in geschil of [gedaagde in conv] gehouden is de goederen van [eiser in conv] die bij hem staan opgeslagen terug te geven. In dat verband staat als onweersproken vast dat [eiser in conv] eigenaar is van de goederen die zijn opgenomen in de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde lijst. Voor die goederen staat het eigendomsrecht van [eiser in conv] dan ook vast. Op grond van artikel 5:2 BW is de eigenaar bevoegd zijn zaak op te eisen van een ieder die haar zonder recht onder zich houdt. [gedaagde in conv] erkent dat hij een deel van de goederen onder zich houdt, maar weigert deze af te geven zolang [eiser in conv] de stallingskosten niet heeft voldaan. Hij beroept zich in dat verband, naar de kantonrechter begrijpt, op een retentierecht. Voor een geldig retentierecht is vereist dat sprake is van een opeisbare vordering en van voldoende samenhang tussen die vordering en de zaak waarop het retentierecht wordt uitgeoefend.

4.4. [gedaagde in conv] lijkt zich op het standpunt te stellen dat sprake is van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:201 BW. Daarbij stelt [gedaagde in conv] dat zijn tegenvordering bestaat uit niet door [eiser in conv] betaalde huurpenningen. Artikel 7:201 BW bepaalt dat huur de overeenkomst is waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Een huurovereenkomst vereist aldus dat het gebruik van een zaak wordt verstrekt tegen een overeengekomen tegenprestatie. In dit geval is niet aannemelijk geworden dat bij aanvang van de opslag van de goederen door [eiser in conv] een tegenprestatie is bedongen of dat [eiser in conv] heeft ingestemd met het betalen van stallingskosten. De enkele vermeende mededeling van [gedaagde in conv] aan [eiser in conv] dat hij de goederen “niet voor niets” zou opslaan, is daarvoor onvoldoende. Dat hij pas een factuur heeft gestuurd nadat de relatie met de dochter van [eiser in conv] was geëindigd, ondersteunt eerder het standpunt dat partijen destijds geen betalingsafspraak hebben gemaakt. Voorshands is dan ook niet aannemelijk dat sprake is van een huurovereenkomst.

4.5. Voor zover [gedaagde in conv] heeft bedoeld te stellen dat sprake is van bewaarneming als bedoeld in artikel 7:600 BW, geldt dat hiervoor vereist is dat de bewaarnemer zich verbindt zaken die de bewaargever hem toevertrouwt of zal toevertrouwen, te bewaren en terug te geven. [gedaagde in conv] heeft niet gesteld dat [eiser in conv] de goederen aan hem heeft toevertrouwd, waardoor hij de verplichting tot zorgvuldige bewaring en verzorging op zich heeft genomen dan wel dat hij hier feitelijk uitvoering aan heeft gegeven. Integendeel, uit de door hem overgelegde foto’s blijkt dat de goederen verstoft zijn en verspreid liggen opgeslagen in zijn loods. Daarmee is voorshands ook niet gebleken van een overeenkomst tot bewaarneming.

4.6. De kantonrechter kwalificeert de rechtsverhouding voorshands als een bruikleenovereenkomst in de zin van artikel 7A:1777 BW. Kenmerkend voor de overeenkomst van bruikleen is dat de gebruiker van de zaak geen vergoeding is verschuldigd voor het gebruik, tenzij uitdrukkelijk anders is overeengekomen. Van een dergelijke afspraak is in dit geval, gelet op het vorenstaande, geen sprake. Voorshands oordelend ontbreekt dan ook een grondslag voor enige vergoeding.

4.7. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde in conv] geen opeisbare vordering op [eiser in conv] heeft. Daarmee ontbreekt de grondslag voor een retentierecht. [gedaagde in conv] dient de goederen van [eiser in conv] die hij zonder recht onder zich houdt dan ook terug te geven aan [eiser in conv] .

4.8. [eiser in conv] heeft gevorderd dat [gedaagde in conv] alle goederen afgeeft die in de bij dagvaarding als productie 1 overgelegde lijst zijn vermeld. [gedaagde in conv] heeft erkend dat hij een deel van deze goederen onder zich heeft, maar betwist dat dit geldt voor alle genoemde zaken. De kantonrechter overweegt dat in kort geding geen plaats is voor nadere bewijslevering. Dat betekent dat slechts kan worden beslist ten aanzien van de goederen waarvan voldoende aannemelijk is dat [gedaagde in conv] deze onder zich heeft. Dat betreft de goederen die [gedaagde in conv] door middel van het streepje op de lijst heeft erkend dat deze zich bij hem bevinden. Voor het overige is in deze procedure onvoldoende aannemelijk geworden dat de betwiste zaken zich (nog) bij [gedaagde in conv] bevinden of zich ooit daar hebben bevonden. De vordering wordt daarom in zoverre toegewezen en voor het overige afgewezen. De kantonrechter gaat er daarbij vanuit dat [gedaagde in conv] , indien hij andere goederen van [eiser in conv] aantreft, deze goederen eveneens aan [eiser in conv] zal retourneren

4.9. [eiser in conv] heeft gevorderd dat de goederen worden afgegeven “in volledig goede staat, dan wel in de staat waarin [gedaagde in conv] deze in bewaring heeft ontvangen”. Die vordering zal worden afgewezen nu onvoldoende is gesteld over de staat waarin de goederen zich bevonden bij aanvang van de opslag. Daarnaast heeft [eiser in conv] een hoofdelijke veroordeling van [gedaagde in conv] gevorderd. Nu [gedaagde in conv] echter de enige gedaagde is ontbreekt daarvoor een rechtsgrond. Ook dit deel van de vordering wordt daarom afgewezen.

4.10. De gevorderde dwangsom op de veroordeling tot teruggave zal worden gematigd tot € 100,00 per dag of dagdeel en zal worden gemaximeerd tot € 2.500,00.

De vorderingen van [gedaagde in conv]

4.11. [gedaagde in conv] stelt dat [eiser in conv] nog goederen van hem onder zich heeft, namelijk 48 granieten stenen en materialen die [gedaagde in conv] heeft gebruikt voor de inrichting van de garagebox van [eiser in conv] . Ten aanzien van de granieten stenen stelt [gedaagde in conv] dat hij deze op basis van een koopovereenkomst aan [eiser in conv] heeft geleverd. Omdat betaling is uitgebleven vordert [gedaagde in conv] primair teruggave van de stenen. [eiser in conv] betwist dat een koopovereenkomst tot stand is gekomen en heeft bovendien onweersproken gesteld dat de stenen zich bij zijn kleinzoon bevinden. [gedaagde in conv] heeft de stenen daar zelf afgeleverd. De kantonrechter overweegt dat niet aannemelijk is geworden, ook niet nadat de kantonrechter [gedaagde in conv] daarover op zitting heeft bevraagd, dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Verder geldt ook dat niet aannemelijk is geworden dat [eiser in conv] de feitelijke macht uitoefent over de granieten stenen. De gevorderde revindicatie is daarom niet toewijsbaar. De vordering ter zake zal dan ook worden afgewezen.

4.12. Voor wat betreft de materialen die zijn gebruikt in de garagebox en werkzaamheden die zijn verricht stelt [gedaagde in conv] dat hij deze ten behoeve van [eiser in conv] heeft geleverd en verricht. De kantonrechter overweegt dat deze handelingen plaatsvonden gedurende de periode waarin [gedaagde in conv] een affectieve relatie had met de dochter van [eiser in conv] . De kantonrechter acht het voorshands aannemelijk dat sprake was van een schenking. De omstandigheid dat pas na het verbreken van de relatie een factuur is gestuurd ondersteunt dat oordeel. Niet is gebleken van een concrete afspraak over een financiële tegenprestatie. Ook deze vordering wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

4.13. De proceskosten in conventie zullen, gelet op de uitkomst van de procedure, worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4.14. [gedaagde in conv] wordt in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De kantonrechter karakteriseert de vordering in reconventie als eenvoudig, zodat de proceskosten van [eiser in conv] worden begroot op:

5 De beslissing

De kantonrechter

rechtdoende als voorzieningenrechter

in conventie

5.1. veroordeelt [gedaagde in conv] om [eiser in conv] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis in de gelegenheid te stellen om de volgende goederen op te halen:

5.2. veroordeelt [gedaagde in conv] om aan [eiser in conv] een dwangsom te betalen van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.6. wijst de vordering van [gedaagde in conv] af,

5.7. veroordeelt [gedaagde in conv] in de proceskosten van € 406,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde in conv] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.

26396 \ 51588