Terug naar bibliotheek
Subsidieregeling Verduurzaming en Onderhoud Huurwoningen (SVOH)Artikel 11. Afwijzingsgronden

Artikel 11. Afwijzingsgronden

Laatste versie

1. De Minister wijst de aanvraag voor een subsidie af voor zover:

a. de aanvrager reeds subsidie heeft ontvangen van een ander of hetzelfde bestuursorgaan voor het uitvoeren van dezelfde maatregelen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, bij dezelfde huurwoningen of monumentale huurwoningen; b. de aanvraag een subsidie betreft als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, en er reeds door een ander of hetzelfde bestuursorgaan subsidie is verstrekt aan de aanvrager voor het uitvoeren van dezelfde maatregel, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, bij dezelfde huurwoningen of monumentale huurwoningen; c. de aanvraag een subsidie betreft als bedoeld in de artikelen 5, 5a of 7 staatssteun bevat die gerechtvaardigd wordt op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening en:

1°. er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 2°. er sprake is van een onderneming in moeilijkheden als bedoeld artikel 2, achttiende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening of een onderneming ten aanzien waarvan een bevel tot terugvordering van steun uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onder a, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 3°. een bedrag aan subsidie verstrekt zou worden dat hoger is dan geoorloofd is op grond van artikel 38 bis, elfde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; 4°. als de subsidieontvanger een onderneming is of als de subsidiabele kosten worden gemaakt en betaald door een onderneming, de gekozen maatregelen niet gezamenlijk leiden tot een verbetering van de energieprestatie van het gebouw, gemeten in primaire energie van ten minste 20%; 5°. een bedrag aan subsidie verstrekt zou worden dat hoger is dan geoorloofd is op grond van artikel 41, zevende lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of 6°. een bedrag aan subsidie verstrekt zou worden dat hoger is dan geoorloofd is op grond van artikel 49, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening; of.

d. de aanvraag een subsidie betreft als bedoeld in de artikelen 5, 5a, 6 of 7 die wordt verleend met toepassing van de de-minimisverordening en een bedrag aan subsidie verstrekt zou worden dat hoger is dan geoorloofd is op grond van die verordening.

2. De Minister wijst een aanvraag voor subsidie voor maatregelen af indien:

a. de aanvraag voor subsidie € 25.000 of meer betreft en de maatregelen reeds zijn uitgevoerd, in welk geval de Minister tevens kan besluiten tot vaststelling van de subsidie ter hoogte van het bedrag € 24.999; b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een investering ten behoeve van het realiseren van een vergroting van het woonoppervlakte of de wooninhoud, waarvan in ieder geval sprake is bij:

1°. het realiseren van een nieuwe aanbouw; 2°. het realiseren van een nieuwe dakkapel; 3°. het betrekken van een aan- of inpandige garage bij de woning; 4°. het vergroten van het dak, de gevel, de vloer of de glasoppervlakte;

c. meer dan 24 maanden zijn verstreken tussen het installeren of aanbrengen van de maatregel of maatregelen en de aanvraag voor subsidie in het geval de subsidieaanvraag een subsidiebedrag van minder dan € 25.000 betreft; of d. meer dan 24 maanden zijn verstreken tussen de aanvraag voor subsidie en het installeren of aanbrengen van de maatregel of maatregelen in het geval de subsidieaanvraag een subsidiebedrag van ten minste € 25.000 betreft.

3. De Minister wijst een aanvraag voor subsidie voor maatregelen als bedoeld in artikel 5a af indien:

a. de installatie waar de investering betrekking op heeft, is of wordt geïnstalleerd om te voldoen aan de wettelijke voorschriften, bedoeld in afdeling 4.4 van het Besluit bouwwerken leefomgeving; b. de aanvraag voor subsidie betrekking heeft op een gebruikte installatie; of c. het een aanvraag voor subsidie betreft voor een lucht-waterwarmtepomp, grondwaterwarmtepomp of water-waterwarmtepomp als bedoeld in artikel 5a, onderdeel a, met een thermisch vermogen tussen 1 kW en 70 kW behorend tot een energie-efficiëntieklasse lager dan A++ en deze is of wordt aangebracht op of na 1 januari 2024.