Terug naar bibliotheek
Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2025:15587 - Rechtbank Den Haag - 8 augustus 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBDHA:2025:155878 augustus 2025

Rechtsgebieden

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34789
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Bij besluit van 22 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 29 juli 2025 de maatregel van bewaring opgeheven, omdat eiser zijn asielaanvraag van 22 juli 2025 heeft ingetrokken.
De rechtbank heeft het beroep op 6 augustus 2025 op zitting behandeld. Zowel eiser als verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
  1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Ambtshalve toetsing
  1. Eiser heeft geen gronden gericht tegen de maatregel van bewaring. De rechtbank is gehouden ambtshalve te toetsen of aan de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring is voldaan, zoals volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858). Ook met inachtneming van deze toets ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
  1. Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.