Artikel 14. Verbod van discriminatie (Verbod van discriminatie)
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Uitleg in duidelijke taal
Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Dit artikel schrijft voor dat het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, verzekerd moet worden zonder enig onderscheid op welke grond ook. Dit betekent dat er geen enkel onderscheid mag worden gemaakt op gronden zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.
Rechtspraak waarin dit artikel wordt benoemd
ECLI:NL:RBDHA:2025:14976 - Rechtbank Den Haag - 11 augustus 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:14301 - Rechtbank Den Haag - 31 juli 2025
ECLI:NL:RVS:2025:2935 - Raad van State - 1 juli 2025
ECLI:NL:PHR:2025:785 - Parket bij de Hoge Raad - 11 juli 2025
ECLI:NL:CRVB:2025:1353 - Geen prestatiebeurs voor WO-master na HBO-bachelor ondanks ongelijke behandeling - 16 september 2025
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het onderscheid in studiefinanciering tussen een hbo-master en een wo-master na een hbo-bachelor een bewuste keuze van de wetgever is. Deze ongelijke behandeling valt binnen de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever op het terrein van sociaal beleid.
ECLI:NL:RBDHA:2025:16668 - Rechtbank Den Haag - 3 september 2025
ECLI:NL:RBGEL:2025:5414 - Rechtbank Gelderland - 9 juli 2025
ECLI:NL:HR:2025:1389 - Hoge Raad: Toerekening vermogen familiestichting aan erfgenaam is niet disproportioneel - 26 september 2025
De Hoge Raad oordeelt dat de APV-regeling op stelselniveau de toets van artikel 1 EP en 14 EVRM doorstaat. De keuze van de wetgever om ter voorkoming van een heffingsvacuüm vermogen toe te rekenen aan erfgenamen is niet kennelijk ontbloot van redelijke grond.