Artikel 10.14
1. Ieder bestuursorgaan houdt rekening met het geldende circulair materialenplan bij het uitoefenen van een bevoegdheid krachtens deze wet of bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens artikel 4.1 van de Omgevingswet, voor zover de taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend met betrekking tot afvalstoffen.
2. Voor zover het circulair materialenplan niet voorziet in het onderwerp met betrekking waartoe de taak of bevoegdheid wordt uitgeoefend, houdt het bestuursorgaan rekening met de voorkeursvolgorde, aangegeven in artikel 10.4, en de criteria, genoemd in artikel 10.5, eerste lid.
3. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing bij het uitoefenen van een taak of bevoegdheid krachtens de EG-verordening overbrenging van afvalstoffen.
4. Indien een bestuursorgaan bij de toepassing van het eerste lid in een ontwerpbesluit of besluit afwijkt van het geldende circulair materialenplan, verstrekt het bestuursorgaan aan Onze Minister afschrift van dat ontwerpbesluit of besluit binnen een week na de dag waarop:
a. het ontwerpbesluit op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage is gelegd; b. het besluit is bekendgemaakt.
Details
[Wijziging(en) zonder datum inwerkingtreding aanwezig. Zie het wijzigingenoverzicht.]