Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders bepaald, verstaan onder:
- bevoegd gezag: orgaan dat als zodanig wordt aangeduid in de wettelijke regeling op grond waarvan de desbetreffende instelling of cursus wordt bekostigd;
- cursus:
1°. cursus in de zin van de Wet voortgezet onderwijs 2020; 2°. onderwijs aan een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, voor zover het geen volledig onderwijs betreft; 3°. op grond van de Experimentenwet onderwijs uit de openbare kas bekostigde cursus, voor zover het voortgezet onderwijs betreft; 4°. beroepsopleiding of opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, die aan een regionaal opleidingencentrum of beroepscollege als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs ten laste van ’s Rijks kas wordt verzorgd, niet gevolgd aan een instelling;
- instelling: instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover het betreft een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in die wet of een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die voldoet aan artikel 2.17 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
- onderwijsdeelnemer: degene die is toegelaten tot het onderwijs aan een instelling of cursus als bedoeld in artikel 2;
- onderwijsnummer: door Onze Minister uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt;
- Onze Minister: Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- studiejaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend.