Artikel 4a
1. Op verzoek van de Minister brengt het Adviescollege het eerste advies bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, uit op een eerder tijdstip dan het in artikel 4, tweede lid bedoelde tijdstip in geval de tenuitvoerlegging van de in het buitenland opgelegde levenslange straf is overgedragen aan Nederland op grond van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties of op grond van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen.
2. Het eerste advies van het Adviescollege, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder a, wordt uitgebracht uiterlijk drie jaar voor het tijdstip van de beoordeling van de mogelijkheid tot gratieverlening dat is opgenomen in het besluit van de Minister ten aanzien van de strafoverdracht.
3. Het eerste advies van het Adviescollege, bedoeld in artikel 4, eerste lid onder a, wordt uitgebracht uiterlijk drie jaar nadat de levenslanggestrafte bij de Minister een verzoek heeft ingediend indien uit het besluit van de Minister ten aanzien van de strafoverdracht blijkt dat voor de aanvang van de advisering een verzoek van de levenslanggestrafte nodig is.
4. Artikel 4, tweede en derde lid is van toepassing indien uit het besluit van de Minister ten aanzien van de strafoverdracht blijkt dat voor de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening op het in dat besluit genoemde tijdstip een verzoek van de levenslanggestrafte nodig is en de levenslanggestrafte heeft nagelaten een dergelijk verzoek in te dienen.
5. Uiterlijk drie jaar na het in het tweede lid bedoelde tijdstip wordt aan de hand van een voorstel tot gratieverlening als bedoeld in artikel 19 van de Gratiewet de mogelijkheid tot gratieverlening beoordeeld.