Terug naar bibliotheek
Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2023:5647 - Rechtbank Noord-Nederland - 20 december 2023
Uitspraak
ECLI:NL:RBNNE:2023:5647•20 december 2023
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Zittingsplaats Assen
Zaaknummer: C/19/141225 / HA ZA 22-151
Vonnis van 20 december 2023
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. G. Raaben te Assen,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. M.J. Blokzijl te Groningen.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 16 november 2022; - het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 april 2023, met aangehecht de spreekaantekeningen van beide partijen en de door [gedaagde] ter zitting overgelegde stukken, te weten een overeenkomst van geldlening en een bankafschrift; - de akte uitlating van [gedaagde] van 19 april 2023; - de antwoordakte van [eiser] van 3 mei 2023.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De feiten
2.1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.
2.2. [eiser] en [gedaagde] zijn getrouwd geweest. Tijdens hun huwelijk dreven [eiser] en [gedaagde] gezamenlijk een reisbureau onder de naam ' [bedrijf] B.V.'.
2.3. [eiser] heeft in 1994 met [bedrijf] B.V. een pensioenovereenkomst gesloten. De pensioenbrief van 30 oktober 1994, waarin de pensioenaanspraken van [eiser] staan beschreven, is namens de vennootschap ondertekend door [eiser] , en is voor akkoord ondertekend door zowel [eiser] als [gedaagde] .
2.4. [eiser] is geboren op [geboortedatum] 1944. De pensioenovereenkomst voorziet in een aanspraak van [eiser] op een overbruggingspensioen met ingang van [datum] 2004 (60-jarige leeftijd) van € 5.329, - bruto per jaar, en een levenslang ouderdomspensioen met ingang van [datum] 2009 (65-jarige leeftijd) van € 9.688,00 bruto per jaar, oftewel € 807,34 bruto per maand.
2.5. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden op 12 april 1996. In het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding zijn de aandelen in [bedrijf] B.V. toegedeeld aan [gedaagde] . Zij heeft vervolgens als enig bestuurder en enig (indirect) aandeelhouder van de vennootschap de exploitatie van het reisbureau enige tijd voortgezet.
2.6. De statutaire naam van [bedrijf] B.V. is op 29 juli 1996 gewijzigd naar ' [nieuwe bedrijfsnaam] B.V.' (verder te noemen: [nieuwe bedrijfsnaam]).
2.7. De reisbureau activiteiten van [nieuwe bedrijfsnaam] zijn per 31 december 1998 gestaakt en verkocht aan een derde, [huurder] . [nieuwe bedrijfsnaam] verhuurde haar bedrijfspand, gelegen aan de [adres] , sindsdien aan [huurder] . Behalve deze verhuur verrichtte [nieuwe bedrijfsnaam] geen bedrijfsactiviteiten meer.
2.8. Per brief van 20 september 2004 heeft de accountant van [eiser] , de heer [accountant] ., aan [eiser] geschreven dat de laatst bekende pensioenberekening dateert van december 1994, die de opgebouwde pensioenreserve berekent op ƒ 346.897 (€ 157.415). [accountant] schrijft in de brief dat uit de huidige jaarstukken van [nieuwe bedrijfsnaam] blijkt dat deze reserve aanwezig is in de vorm van bezit onroerend goed.
2.9. [nieuwe bedrijfsnaam] heeft in april 2007 haar bedrijfspand verkocht voor € 405.000,00. Alle activiteiten van [nieuwe bedrijfsnaam] waren daarmee geëindigd.
2.10. [gedaagde] heeft in haar hoedanigheid van enig aandeelhouder van [nieuwe bedrijfsnaam] besloten tot verlaging van het in [nieuwe bedrijfsnaam] geplaatste kapitaal tot € 18.217,20. Voor dit besluit tot kapitaalvermindering is een ministeriële verklaring van geen bezwaar verkregen. [nieuwe bedrijfsnaam] heeft op 21 juli 2009 in het [dagblad] de neerlegging van het aandeelhoudersbesluit gepubliceerd. [gedaagde] heeft [eiser] niet geïnformeerd over de voorgenomen kapitaalvermindering. Er zijn geen schuldeisers in verzet gekomen in de zin van artikel 2:209 Burgerlijk Wetboek (oud). De kapitaalverlaging is geeffectueerd op 9 oktober 2009 door middel van een akte statutenwijziging. De verlaging bedroeg € 163.954,80 welk bedrag door [nieuwe bedrijfsnaam] is uitbetaald aan aandeelhouder [gedaagde] .
2.11. Op 2 mei 2013 heeft [nieuwe bedrijfsnaam] een woonhuis gelegen aan het Hageneind 20 te [woonplaats] verworven voor een koopsom van € 130.000. [nieuwe bedrijfsnaam] heeft dit woonhuis op 3 april 2018 in eigendom overgedragen aan [gedaagde] voor een koopsom van € 150.000. De notariële leveringsakte vermeldt dat de koopsom door [gedaagde] door verrekening is voldaan.
2.12. [nieuwe bedrijfsnaam] is aanvankelijk haar pensioenverplichtingen jegens [eiser] correct nagekomen. Vanaf het jaar 2020 werd de maandelijkse pensioenuitkering niet steeds op tijd betaald. Sinds maart 2021 heeft [nieuwe bedrijfsnaam] geen pensioenuitkering meer betaald aan [eiser] .
[eiser] heeft vervolgens [nieuwe bedrijfsnaam] en [gedaagde] gedagvaard voor de kantonrechter tot betaling van zijn pensioenuitkering. In het proces-verbaal van het mondeling vonnis van 24 mei 2022 staat ten aanzien van de vordering van [eiser] jegens [gedaagde] vermeld:
"1. De kantonrechter stelt allereerst vast dat partijen op de mondelinge behandeling akkoord zijn gegaan met intrekking door [eiser] van de vordering tegen [gedaagde] zonder dat daar kosten voor [eiser] in rekening voor worden gebracht, waartegenover staat dat voor de dagvaarding geen punt conform het liquidatietarief wordt toegekend bij een kostenveroordeling van [nieuwe bedrijfsnaam] ."
2.13. De kantonrechter heeft bij mondeling vonnis van 24 mei 2022 [nieuwe bedrijfsnaam] veroordeeld, samengevat, tot betaling aan [eiser] van achterstallige pensioenuitkeringen vanaf maart 2021 en tot betaling van de levenslange maandelijkse pensioenaanspraken van [eiser] . [nieuwe bedrijfsnaam] heeft niet aan de veroordeling voldaan en biedt geen verhaal.
3 Het geschil
3.1. [eiser] vordert – samengevat – uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 129.332,00, vermeerderd met rente en kosten.[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door te bewerkstelligen dat [nieuwe bedrijfsnaam] haar verplichtingen uit de met hem gesloten pensioenovereenkomst niet meer kan nakomen. De schade bedraagt volgens hem in totaal € 129.332,00.
3.2. [gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4 De beoordeling
Ontvankelijkheid
4.1. Volgens [gedaagde] moet [eiser] niet-ontvankelijk worden verklaard of moet diens vordering worden afgewezen omdat de kantonrechter in het mondeling vonnis van 24 mei 2022 de vordering van [eiser] jegens [gedaagde] al heeft afgewezen. De rechtbank verwerpt dit verweer van [gedaagde] . Uit het proces-verbaal mondeling vonnis (zie punt 2.12 hierboven) blijkt namelijk dat de vordering niet is afgewezen maar dat [eiser] zijn vordering tegen [gedaagde] ter zitting heeft ingetrokken. Een intrekking van de vordering geldt als een vermindering van de eis tot nihil. Er wordt dan geen uitspraak gedaan over de materiële rechtsverhouding tussen partijen. De procedure bij de kantonrechter heeft dus niet geleid tot een beslissing met gezag van gewijsde dat [eiser] geen vordering jegens [gedaagde] heeft. Anders dan [gedaagde] heeft betoogd, is het intrekken van een vordering niet gelijk te stellen aan het doen van afstand van het vorderingsrecht. Niet gesteld of gebleken is dat [eiser] met [gedaagde] een overeenkomst heeft gesloten tot afstand van zijn vorderingsrecht in de zin van artikel 6:160 Burgerlijk Wetboek (BW).
4.2. [gedaagde] meent daarnaast dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat een toewijzend vonnis, naast de eerdere veroordeling van [nieuwe bedrijfsnaam] , aan [eiser] tweemaal recht zou geven op betaling van exact dezelfde vorderingen. De rechtbank volgt [gedaagde] daarin niet. Vast staat dat [nieuwe bedrijfsnaam] geen verhaal biedt voor de pensioenvordering van [eiser] . Ook volgens de eigen stellingen van [gedaagde] is het vermogen in de vennootschap "op" en is er onvoldoende vermogen om [eiser] door te betalen. De veroordeling van [nieuwe bedrijfsnaam] tot nakoming van de pensioenovereenkomst staat niet in de weg aan een vordering tot vergoeding van schade wegens onrechtmatige daad jegens [gedaagde] , en vormt geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring.
4.3. Naar het oordeel van de rechtbank is [eiser] wel ontvankelijk in zijn vorderingen.
Rechtsverwerking
4.4. [gedaagde] beroept zich op rechtsverwerking omdat [eiser] in de vorige procedure zijn vordering op [gedaagde] prijs heeft gegeven. Van rechtsverwerking kan sprake zijn als het ter zitting intrekken van de vordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens uitoefenen van het vorderingsrecht doordat gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiser] zijn recht of bevoegdheid niet (meer) zal uitoefenen of doordat de positie van [gedaagde] onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard als [eiser] zijn recht of bevoegdheid alsnog zou uitoefenen. [gedaagde] heeft daarover echter niets gesteld, zodat de rechtbank het beroep op rechtsverwerking verwerpt.
Aansprakelijkheid wegens onrechtmatige daad
4.5. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis, zoals in dit geval de uitbetaling van pensioen, is uitgangspunt dat alleen de vennootschap zelf aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Maar onder bijzondere omstandigheden kan ook een bestuurder van de vennootschap verplicht zijn om de schade te vergoeden die de schuldeiser lijdt door het onbetaald blijven van zijn vordering. Een bestuurder kan voor schade van de schuldeiser aansprakelijk worden gehouden indien zijn (of haar) handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat de door hem/haar bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.[1] Er kunnen zich daarnaast ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt van de bestuurder kan worden aangenomen.Daarnaast kan onder omstandigheden niet alleen een bestuurder, maar ook een aandeelhouder tegenover de crediteur(en) van de vennootschap aansprakelijk zijn wegens onrechtmatige daad. Dat kan het geval zijn als de aandeelhouder door uitoefening van zijn stemrecht de totstandkoming van een besluit heeft bewerkstelligd waarvan hij wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat dit besluit tot gevolg zou hebben dat de vennootschap haar verplichtingen niet meer zou kunnen nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade.
[gedaagde] was (en is) enig bestuurder en enig (indirect) aandeelhouder van [nieuwe bedrijfsnaam] , zodat de rechtbank voor de beoordeling van de vraag of zij jegens [eiser] onrechtmatig heeft gehandeld, toepassing zal geven aan de hiervoor geformuleerde maatstaf.
4.6. [eiser] stelt dat na de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten en de daaropvolgende verkoop van het bedrijfspand, de pensioenverplichting de enige resterende verplichting van [nieuwe bedrijfsnaam] was en dat [gedaagde] als bestuurder van [nieuwe bedrijfsnaam] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door te bewerkstelligen dat [nieuwe bedrijfsnaam] haar pensioenverplichting jegens hem niet meer kan nakomen. [eiser] meent dat [gedaagde] zijn belangen grovelijk heeft veronachtzaamd. [eiser] wijst ter onderbouwing daarvan op de kapitaalvermindering waardoor het vermogen van [nieuwe bedrijfsnaam] met € 163.954,80 is gedaald en hij wijst op de aankoop door [nieuwe bedrijfsnaam] van de woning aan het [adres] welke woning vervolgens is doorverkocht aan [gedaagde] met verrekening van de koopsom.
4.7. [gedaagde] betwist dat sprake is van benadeling van [eiser] of onrechtmatig handelen van [gedaagde] . [gedaagde] voert aan dat de kapitaalvermindering plaatsvond met inachtneming van de wettelijke voorschriften en dat de terugbetaling eigenlijk een vereffening betrof van directiesalaris dat [gedaagde] nog tegoed had van [nieuwe bedrijfsnaam] . Volgens [gedaagde] heeft [nieuwe bedrijfsnaam] de woning in [woonplaats] aangekocht met behulp van twee leningen ten bedrage van totaal € 150.000,-. [gedaagde] voert aan dat zij die leningen privé heeft afgelost, zodat de verrekening bij verkoop van de woning aan [gedaagde] rechtmatig was.
Verrekening koopsom woning
4.8. Ten aanzien van verkoop van de woning onder verrekening van de koopsom wijst de rechtbank er op dat een verrekening van vorderingen, anders dan [eiser] heeft gesteld, op zichzelf niet leidt tot afname van het kapitaal van de vennootschap. [eiser] heeft niet gesteld dat het ging om verrekening met een onterechte of niet-bestaande tegenvordering van [gedaagde] , en daarvan is de rechtbank ook niets gebleken. Verrekening kan wel leiden tot vermindering van verhaalsmogelijkheden voor andere schuldeisers. Het staat een bestuurder in beginsel echter vrij om op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan. Onder bijzondere omstandigheden kan van een bestuurder worden gevergd dat die erop toeziet dat de vennootschap haar crediteuren gelijk behandelt, maar [eiser] heeft over dergelijke omstandigheden niets – althans niet voldoende – gesteld. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet komen vast te staan dat [gedaagde] bij de aankoop/verkoop van de woning door [nieuwe bedrijfsnaam] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] .
Ten aanzien van de kapitaalvermindering
4.9. De kapitaalvermindering met terugbetaling aan de aandeelhouder vond plaats in 2009. Op grond van de destijds geldende wetgeving[2] diende de vennootschap zo'n besluit neer te leggen bij de kamer van koophandel en dit te publiceren in een landelijk verspreid dagblad, en moest voor de statutenwijziging een ministeriële verklaring van geen bezwaar worden verkregen. Vast staat dat [nieuwe bedrijfsnaam] aan deze wettelijke verplichtingen heeft voldaan.
Schuldeisers konden binnen twee maanden na publicatie in verzet komen tegen de kapitaalvermindering. Als verzet werd aangetekend moest de vennootschap, op straffe van gegrondverklaring van het verzet, voor iedere schuldeiser die dit verlangt zekerheid stellen of hem een andere waarborg geven voor de voldoening van zijn vordering. Dit gold niet, indien de schuldeiser voldoende waarborgen had of de vermogenstoestand van de vennootschap voldoende zekerheid bood dat de vordering zal worden voldaan.
[eiser] heeft geen verzet aangetekend; hij heeft de advertentie in [dagblad] niet gezien en [gedaagde] heeft hem niet geïnformeerd. [eiser] raakte pas op de hoogte van de kapitaalvermindering nadat [nieuwe bedrijfsnaam] in 2021 zijn pensioenuitkering staakte.
4.10. [gedaagde] heeft betoogd dat de kapitaalvermindering niet onrechtmatig kan zijn omdat daarbij alle wettelijke regels in acht zijn genomen. Dat standpunt is onjuist. Ook als het besluit op zichzelf geldig is, kan de uitvoering van het besluit tegenover derden, zoals schuldeisers van de vennootschap, toch onrechtmatig zijn, en kan ook het door uitoefening van het stemrecht bewerkstelligen van de totstandkoming van het besluit tegenover derden onrechtmatig zijn.[3] [gedaagde] wijst er op dat het aandeelhoudersbesluit tot kapitaalvermindering voor een ieder ter inzage is gelegd en in een landelijk dagblad is gepubliceerd. Dat doet naar het oordeel van de rechtbank echter niets af aan mogelijke aansprakelijkheid van [gedaagde] uit onrechtmatige daad. [eiser] heeft onweersproken gesteld dat hij niet op de hoogte was van de voorgenomen kapitaalvermindering. [gedaagde] heeft hem daarover ook niet geïnformeerd, hoewel het als bestuurder van [nieuwe bedrijfsnaam] , naar maatstaven van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, wel op haar weg lag om de enige en grootste crediteur van de vennootschap van dit belangrijke besluit op de hoogte te brengen. Het feit dat [eiser] niet tegen het besluit tot kapitaalvermindering in verzet is gekomen, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen en doet niets af aan eventuele onrechtmatigheid jegens [eiser] van het nemen van het besluit en de uitvoering daarvan. De rechtbank oordeelt over de (on-)rechtmatigheid als volgt.
4.11. Zoals [eiser] heeft gesteld en [gedaagde] onvoldoende heeft weersproken, was [eiser] de enige crediteur van [nieuwe bedrijfsnaam] . Dat volgt ook uit de toelichting van [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling. [nieuwe bedrijfsnaam] heeft haar bedrijfsactiviteiten in 1998 gestaakt en de vennootschap had na de verkoop van het bedrijfspand in 2007 geen inkomsten meer. Het was [gedaagde] bekend dat de pensioenverplichting aan [eiser] uitsluitend kon worden voldaan uit het nog beschikbare vermogen van [nieuwe bedrijfsnaam] . De kapitaalverlaging is geeffectueerd op 9 oktober 2009 door middel van een akte statutenwijziging. De verlaging bedroeg € 163.954,80 welk bedrag door [nieuwe bedrijfsnaam] is uitbetaald aan aandeelhouder [gedaagde] en dus niet meer beschikbaar was voor nakoming van de pensioenverplichting. Vanaf maart 2021 kon [nieuwe bedrijfsnaam] niet meer aan haar pensioenverplichtingen voldoen. Er waren, volgens de toelichting van [gedaagde] ter zitting, geen andere crediteuren en geen financiële tegenslagen waardoor het vermogen van de vennootschap kan zijn aangetast. Dat leidt tot de conclusie dat de betalingsonmacht van [nieuwe bedrijfsnaam] in 2021 het directe gevolg is van de kapitaalvermindering in 2009.
4.12. Indien een vennootschap ten gevolge van een uitkering aan de aandeelhouder niet kan voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden en daarvoor ook geen verhaal biedt, is de bestuurder die dat ten tijde van de uitkering wist of redelijkerwijs behoorde te voorzien maar desondanks heeft meegewerkt aan de uitkering, jegens de benadeelde schuldeiser aansprakelijk voor de schade wegens onrechtmatige daad. Dat geldt eveneens voor de aandeelhouder die wist of redelijkerwijze had moeten begrijpen dat het besluit tot kapitaalvermindering deze nadelige gevolgen zou hebben. De rechtbank overweegt in dat kader ten aanzien van [gedaagde] , enig aandeelhouder en bestuurder van [nieuwe bedrijfsnaam] , als volgt.
4.13. Ten tijde van de kapitaalvermindering in 2009 was [eiser] bijna 65 jaar oud. Het in [nieuwe bedrijfsnaam] resterende vermogen was slechts toereikend voor uitbetaling van pensioen tot maart 2021, [eiser] was toen 76 jaar. De gemiddelde levensverwachting van mannen in Nederland is, naar algemeen bekend mag worden verondersteld, hoger dan 76 jaar. [gedaagde] had daarom in 2009 redelijkerwijze kunnen en moeten begrijpen dat het vermogen van [nieuwe bedrijfsnaam] niet toereikend zou zijn om [eiser] levenslang jaarlijks € 9.688,00 bruto pensioen te voldoen indien zij € 163.954,80 aan liquide middelen aan de vennootschap zou onttrekken.
4.14. [gedaagde] voert aan dat de accountant van [eiser] in zijn brief van 20 september 2004 de pensioenaanspraak had berekend op ƒ 346.897, - / € 157.415, - en dat bij de kapitaalvermindering met dit bedrag rekening is gehouden. In deze brief, aangehaald onder 2.8 hierboven, wordt echter slechts de pensioenreserve vermeld die in december 1994 was opgebouwd. De brief vermeldt niet welk bedrag nodig zou zijn voor nakoming van de overeengekomen levenslange pensioenuitkering van € 9.688,00 bruto per jaar met bijbehorende fiscale lasten. Dat [gedaagde] geen commerciële waardeberekening heeft laten maken, zoals zij ter zitting verklaarde, alvorens tot kapitaalvermindering over te gaan, komt voor haar risico.
4.15. Volgens [gedaagde] moet de kapitaalvermindering, gevolgd door de terugbetaling van € 163.954,80 aan haar als aandeelhouder, worden beschouwd als een betaling van directiesalaris dat zij nog tegoed had van [nieuwe bedrijfsnaam] . [gedaagde] stelt dat zij enkele jaren de vennootschap heeft bestuurd, zonder dat daar een directeursvergoeding of managementfee tegenover stond of is uitbetaald. [eiser] betwist dat. [gedaagde] stelt dat zij op advies van haar accountant is overgegaan tot kapitaalvermindering om op die manier 'fiscaal vriendelijk' alsnog directiesalaris te ontvangen. De uitbetaling van het bedrag van € 163.954,80 heeft daarom volgens [gedaagde] niet geleid tot vermindering van vermogen van [nieuwe bedrijfsnaam] .
Nog daargelaten dat [gedaagde] haar beweerde directiesalarisvordering op geen enkele wijze heeft onderbouwd, terwijl [nieuwe bedrijfsnaam] haar bedrijfsactiviteiten al in 1998 heeft gestaakt zodat de vordering weinig aannemelijk is, stelt de rechtbank voorop dat bij een kapitaalvermindering met terugbetaling de aandeelhouder een vordering verkrijgt op de vennootschap en niet andersom. Verrekening met een (gestelde) vordering vanwege directiesalaris of managementfee is dan ook niet mogelijk. Het besluit tot vermindering van geplaatst kapitaal met terugbetaling aan de aandeelhouder leidt dan ook wel degelijk tot vermindering van eigen vermogen van de vennootschap, en in dit geval ook tot vermindering van het feitelijk beschikbare verhaalsvermogen aangezien een geldbedrag van € 163.954,80 werd uitgekeerd.
4.16. [gedaagde] voert nog aan – overigens zonder daar enige juridische conclusie aan te verbinden – dat [eiser] als directeur van de vennootschap zichzelf een veel te hoge pensioentoezegging heeft toebedeeld, wetende dat de vennootschap die niet kon nakomen. De rechtbank passeert deze stellingname omdat [gedaagde] wist van de pensioenverplichting van de vennootschap en daarmee heeft ingestemd. Bovendien is [nieuwe bedrijfsnaam] bij vonnis van 24 mei 2022 veroordeeld tot nakoming van de pensioenovereenkomst.
4.17. De rechtbank verwerpt ook het verweer dat sprake zou zijn van verjaring. Een rechtsvordering tot vergoeding van schade verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden (artikel 3:310 BW). [eiser] is, naar hij onweersproken heeft gesteld, niet eerder dan na maart 2021 bekend geworden met de schade, namelijk de onverhaalbaarheid van zijn pensioenvordering ten gevolge van de kapitaalvermindering. De vordering is dan ook nog niet verjaard.
4.18. De conclusie is dat [gedaagde] als bestuurder van [nieuwe bedrijfsnaam] , en naar het oordeel van de rechtbank ook als enig (indirect) aandeelhouder van [nieuwe bedrijfsnaam] , in 2009 onrechtmatig heeft gehandeld door te besluiten tot kapitaalvermindering met terugbetaling van € 163.954,80 en daaraan uitvoering te geven.
De schade
4.19. [gedaagde] is aansprakelijk voor de schade die [eiser] lijdt door haar onrechtmatig handelen. [eiser] heeft zijn schade berekend op € 129.332,00, welke schade hij onderbouwt met een actuariële pensioenberekening die als productie 11 bij dagvaarding is overgelegd. Het gestelde schadebedrag bestaat uit een commerciële bruto koopsom van € 115.607 voor een periodieke uitkering van € 9.688, - per jaar, vermeerderd met € 13.725, - aan achterstallige pensioentermijnen. [gedaagde] heeft slechts in algemene bewoordingen betwist dat [eiser] schade lijdt. Naar het oordeel van de rechtbank staat echter wel vast dat [eiser] schade lijdt aangezien hij sinds maart 2021 de overeengekomen pensioenuitkeringen mist. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de gestelde schade en heeft niet gereageerd op de door [eiser] overgelegde schadeberekening, zodat de gestelde schade als vaststaand kan worden aangenomen. De rechtbank merkt daarbij op dat de schade deels toekomstige schade betreft die de rechtbank direct, dat wil zeggen bij voorbaat kan begroten (artikel 6:105 BW). Het door [eiser] gehanteerde uitgangspunt dat de schade wordt begroot op basis van een koopsom waarmee een vergelijkbare periodieke uitkering kan worden verkregen, komt de rechtbank ook niet onredelijk voor aangezien [eiser] daarmee zoveel mogelijk in dezelfde positie kan worden gebracht als hij zou zijn geweest zonder de onrechtmatige uitholling van zijn pensioenvoorziening.
4.20. De gevorderde en door [gedaagde] niet (voldoende) betwiste schadevergoeding ten bedrage van € 129.332,- zal geheel worden toegewezen. Ook de (onweersproken) wettelijke rente is toewijsbaar, op de wijze als gevorderd door [eiser] .
Uitvoerbaar bij voorraad
4.21. [gedaagde] heeft verzocht om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren omdat anders de kans bestaat dat [eiser] haar huis, waarop hij beslag heeft gelegd, executoriaal zal verkopen. Uitgangspunt is echter dat een veroordeling, hangende een hogere voorziening, ten uitvoer kan worden gelegd. Daarbij blijft de kans van slagen van het rechtsmiddel in beginsel buiten beschouwing. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van [gedaagde] bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door haar ingestelde rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [eiser] bij de uitvoerbaarheid van het vonnis.[4] Het enkele feit dat mogelijk executoriale verkoop van de woning van [gedaagde] zal plaatsvinden, vormt op zichzelf geen omstandigheid die maakt dat ten nadele van [eiser] moet worden afgeweken van het uitgangspunt van uitvoerbaarheid bij voorraad. De rechtbank zal het vonnis daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
De (proces-)kosten
4.22. [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden vastgesteld op € 394,35 voor kosten deurwaardersexploten, € 314,00 voor griffierecht en € 1.880,00 voor salaris advocaat (1,0 punt × € 1.880,00), totaal € 2.588,35.
4.23. [gedaagde] is de partij die ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eiser] als volgt vastgesteld:
5 De beslissing
De rechtbank
5.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van een schadevergoeding van € 129.332,00;
5.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 807,34 vanaf de maandelijkse vervaldatum, voor het eerst vanaf 1 april 2021, tot en met augustus 2022 en tot betaling van de wettelijke rente over een bedrag van € 115.607,00 vanaf 6 september 2022 tot de dag der algehele voldoening;
5.3. veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.588,35,
5.4. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot dit vonnis vastgesteld op € 7.104,43,
5.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. van Gessel en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2023.
Hoge Raad 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen)
Artikelen 2:208, 2:209 en 2:235 BW oud
Vgl. Hoge Raad 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0401 (Nimox/Van den End)
vgl. Hoge Raad 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2026 - - - ## Voetnoten