Terug naar bibliotheek
Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2025:11776 - Rechtbank Noord-Holland - 27 maart 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBNHO:2025:11776•27 maart 2025
Formele relaties
Uitspraak inhoud
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/3747
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2025 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Buiter),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, het CBR
(gemachtigde: P. Leerenveld).
Inleiding
- Deze uitspraak gaat over het besluit van het CBR om aan eiser een educatieve maatregel gedrag en verkeer (EMG) op te leggen.
1.1. Met het bestreden besluit van 31 mei 2024 op het bezwaar van eiser is het CBR bij de EMG gebleven.
1.2. Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2.1. Op 30 januari 2024 ontving het CBR van de politie een mededeling op grond van artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). De mededeling zag op het rijgedrag van eiser op 25 januari 2024, waardoor de verbalisant van de politie het vermoeden had dat eiser niet langer beschikt over de rijvaardigheid die vereist is voor het besturen van een auto.
2.2. De waarnemingen van de verbalisant zijn opgenomen in het mutatierapport van 25 januari 2024 (het mutatierapport). Daarin is het volgende opgenomen:
"Rapp zag tijdens surveillance over de Eeuwigelaan in Bergen (nh) genoemd voertuig rijden. Was rapp bekend dat [eiser] hier vaak hard en gevaarlijk mee reed. Rapp reed zelf in een onopvallend voertuig. Uit het zicht van [eiser] gekeerd en achteraan gereden. Rapp zag dat de tussenafstand flink vergroot was op de Eeuwigelaan richting Bergen Aan Zee. Met ruim 100 km/u er achteraan gereden. De afstand leek niet kleiner te worden. Bij de rotonde Herenweg/Zeeweg was het voertuig niet meer in zicht. Met hoge snelheid de Zeeweg op gereden richting BAZ. Hier gemiddeld 130 gereden en pas bij de rotonde einde Zeeweg het voertuig gezien. Deze reed over de Zeeweg BAZ binnen. Bij de kruising met de Paulineweg zag rapp dat het voertuig een noodstop maakte en dat de remlichten knipperden. Hierna kwam er witte rook onder de auto vandaan en ging op de linker weghelft rijden. Hierop heeft rapp stop-voor aangezet. Rapp zag dat voertuig weer snelheid maakte en de tweede afslag rechts van de Van Hasseltweg inreed, de laatste afslag voor de rotonde met Van Der Wijckplein. Hierna zag rapp dat het voertuig met verhoogde snelheid de Van Hasseltweg inreed en direct links, op de oprit van het appartementencomplex de auto stilzette en de bestuurder direct de auto uitrende richting de achterzijde van zijn auto, om vervolgens richting zijn appartement te rennen. Rapp herkende de bestuurder als de tenaamgestelde [eiser] ."
2.3. Bij e-mail van 13 februari 2024 heeft de verbalisant op navraag van het CBR een aanvullende verklaring gegeven over het rijgedrag van eiser op 25 januari 2024 (de aanvullende verklaring). In de aanvullende verklaring is het volgende opgenomen:
"Ik zag het voertuig rijden over de Hoflaan in Bergen (nh). Daar ben ik gekeerd en heb het voertuig over de Eeuwigelaan gevolgd. De tussenafstand was al erg ruim. De maximumsnelheid is daar 50 km/u. Ik heb getracht het voertuig bij te halen, maar met ongeveer 100 km/u leek de afstand niet kleiner te worden. Richting het einde van de Eeuwigelaan gaat een bocht naar links en na ongeveer 300 meter is er een rotonde met de Heerenweg en de Zeeweg. Daar zag ik het voertuig niet meer. Ik ben toen met hoge snelheid de Zeeweg (N510) op gereden, richting [woonplaats] . Dit is een maximum van 80. Op deze weg van totaal 2.24 kilometer (van rotonde tot rotonde), waren deels ook wegwerkzaamheden. Hier stonden borden met max 50 km/u. Er waren geen werkzaamheden op dat moment. Deze weg is een slingerende 2-baansweg waar aan beide zijden veel bomen staan. Ik heb het voertuig op deze weg niet zien rijden totdat ik bij de rotonde aan het begin van [woonplaats] aankwam. Ik weet niet zeker meer met welke snelheid ik daar heb gereden. Ik denk dat dit rond de 130 km/u was.
Vanaf de rotonde BAZ in, is de max snelheid 50 kilometer per uur. Dit geldt 300 meter tot aan de kruising met de Paulineweg. Ik zag dat het voertuig met veel hogere snelheid tot aan de Paulineweg reed. Ik reed vanaf de rotonde zo snel mogelijk, dit werd ruim boven de 50 km/u, vermoedelijk richting de 80. Ik zag dat het voertuig thv de Paulineweg een noodstop maakte. Ik zag dat de remlichten snel knipperden en witte rook onder het voertuig vandaan komen. Ik zag dat het voertuig op de linker weghelft van de rijbaan korte tijd tot stilstand kwam. Ik zette hierbij het stop-transparant van mijn dienstvoertuig aan. En ik zag vervolgens het voertuig weer met hoge snelheid over de Zeeweg reed. Vanaf hier geldt 30 kilometer per uur. Ook hier werd te hard gereden. Ik weet dat ik rond de 50 km/u erachteraan had gereden. Ik zag dat het voertuig na ongeveer 150 meter, de tweede afslag naar rechts, Van Hasseltweg, inreed met hoge snelheid. Ik zag dat het voertuig stilgezet werd bij de centrale oprit van een appartementencomplex en dat de bestuurder, die ik herkende als [eiser] , de tenaamgestelde van de auto, voor mijn auto langs rende en het complex in rende."
2.4. In het primaire besluit heeft het CBR aan eiser een EMG opgelegd. Volgens het CBR volgt uit het mutatierapport en de aanvullende verklaring dat eiser op 25 januari 2024 meerdere malen met een hogere snelheid heeft gereden dan het overige verkeer en dan ter plaatse was toegestaan. De kosten van de EMG komen voor rekening van eiser. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
2.5. In de in beroep bestreden beslissing op het bezwaar van eiser van 31 mei 2024 laat het CBR de EMG in stand (het bestreden besluit).
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt het besluit van het CBR om de aan eiser opgelegde EMG in stand te laten. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
- Het beroep is ongegrond*.* Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het wettelijk kader
- In artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 is onder meer bepaald dat een daarvoor aangewezen persoon een mededeling doet bij het CBR, wanneer een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid, vereist voor het besturen van het voertuig waarvoor het rijbewijs is afgegeven.
In artikel 131, eerste lid, van de Wvw 1994 is bepaald dat het CBR na een mededeling besluit tot oplegging van een EMG in de bij ministeriële regeling aangegeven gevallen.
In artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) is bepaald dat het CBR een EMG oplegt indien de betrokkene tijdens een rit herhaaldelijk gedragingen heeft verricht als genoemd in de bij de Regeling behorende bijlage 1, onder A, onderdeel III, Rijgedrag.
Daarin is in het derde lid, sub a, genoemd: Incorrect samenspel met andere verkeersdeelnemers in het verkeer, dat blijkt uit rijden met een niet aan de snelheid van de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid.
Het bestreden besluit
- Het CBR stelt in het bestreden besluit dat de verbalisant van de politie op 25 januari 2024 heeft geconstateerd dat eiser op meerdere wegen met een hogere snelheid heeft gereden dan het overige verkeer, en dan ter plaatse was toegestaan. Dit volgt uit het mutatierapport en de aanvullende verklaring. Deze gedragingen voldoen aan de criteria uit de Regeling om aan eiser een EMG op te leggen. De verbalisant wordt hierbij als ervaringsdeskundige zeer goed in staat geacht om rijgedrag te observeren en te registreren. Hij heeft er geen enkel belang bij om juiste informatie over eiser te vermelden. Op grond van de jurisprudentie mag het CBR dan ook uitgaan van de informatie van de verbalisant. Omdat eiser er – in tegenstelling tot de verbalisant – wel alle belang bij heeft om de informatie uit de mededeling als onjuist te bestempelen, is de enkele ontkenning van de gedragingen onvoldoende om het tegendeel te bewijzen of op zijn minst aannemelijk te maken.
Verder stelt het CBR dat het feit dat aan eiser voor de genoemde gedragingen geen boetes zijn opgelegd, niet betekent dat geen bestuurlijke maatregel opgelegd kan worden. Dit staat namelijk los van de strafrechtelijke procedure.[1] De feiten waarop het vermoeden van de verbalisant is gebaseerd behoeven, anders dan in het strafrecht, dan ook niet wettig en overtuigend bewezen te worden.[2]
Een proces-verbaal?
- In het beroepschrift voert eiser aan dat het CBR zich bij de constatering van de gedragingen op 25 januari 2024 niet mocht baseren op het mutatierapport en de aanvullende verklaring, maar dat aan de constatering een proces-verbaal ten grondslag dient te liggen. Deze beroepsgrond heeft eiser op de zitting ingetrokken.
De grondslag voor het opleggen van de EMG?
8.1. Eiser voert aan dat onduidelijk is wat de grondslag is van de aan hem opgelegde EMG. In de mededeling van de politie van 30 januari 2024 wordt niet genoemd dat eiser te hard zou hebben gereden. Onder de kop 'Rijgedrag' staat alleen dat eiser gedrag heeft vertoond in strijd met de verkeersregels en verkeerstekens voor de plaats op de weg, en voor het naar links of rechts afslaan.
8.2. De rechtbank stelt vast dat in het primaire besluit en het bestreden besluit is opgenomen dat de EMG is gebaseerd op artikel 131 van de Wvw 1994 en artikel 14, eerste lid, en bijlage 1, onder A, onderdeel III, van de Regeling. Volgens het CBR heeft eiser meerdere malen met een hogere snelheid dan het overige verkeer en dan ter plaatse was toegestaan gereden.
In het bestreden besluit staat dus duidelijk vermeld wat de juridische en feitelijke grondslag is voor de oplegging van de EMG door het CBR. Daarbij is het CBR niet gehouden aan wat de politie onder het kopje 'Rijgedrag' heeft opgenomen. Het CBR heeft op de zitting uitgelegd dat het de mededeling van de politie zelfstandig beoordeelt op de criteria uit de Wvw 1994 en de Regeling. Hierbij beoordeelt het CBR alle onderdelen van de mededeling, en niet alleen het gedrag zoals genoemd onder de kop 'Rijgedrag'. Zo heeft het CBR ook het gedrag beoordeeld dat volgt uit het mutatierapport (de bijlage bij de mededeling) en de aanvullende verklaring. De rechtbank kan die werkwijze volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Het mutatierapport en de aanvullende motivering
9.1. Eiser voert aan dat hij op 25 januari 2024 niet te hard heeft gereden, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden en dus onterecht aan hem een EMG is opgelegd. Als belangrijkste argument voert eiser aan dat het onderzoek van het CBR naar zijn rijgedrag in de betreffende nacht onzorgvuldig is geweest. De verslaglegging door de verbalisant in het mutatierapport en de aanvullende verklaring kunnen niet – zonder nader onderzoek van het CBR – ten grondslag worden gelegd aan het bestreden besluit.
Eiser ziet een aanwijzing hiervoor in de omstandigheid dat de twee verklaringen van elkaar afwijken. Eiser voert aan dat in het mutatierapport de verbalisant eiser tegenkomt op de Hoflaan. In de aanvullende verklaring komt de verbalisant eiser tegen op de Eeuwigelaan. Eiser stelt dat hij over de Mosselenbuurt naar de Eeuwigelaan is gereden, en dus niet op de Hoflaan is geweest die nacht. Ook wijken volgens eiser de genoemde gereden snelheden in beide verklaringen van elkaar af. In de aanvullende verklaring weet de verbalisant niet meer zeker hoe hard hij heeft gereden op de Zeeweg, terwijl hij in het mutatierapport stelt dat hij gemiddeld 130 km/u over de Zeeweg heeft gereden.
Als tweede aanwijzing voert eiser aan dat de verbalisant niet heeft kunnen constateren dat eiser te hard zou hebben gereden omdat hij eiser voor een groot deel van de rit niet kon zien. Nadat de verbalisant eiser tegenkwam, moest de verbalisant eerst keren. Dit gaat lastig op de Eeuwigelaan, zodat de verbalisant bij 'de achtervolging' een behoorlijke achterstand had op eiser. Pas bij de rotonde op de Zeeweg had de verbalisant eiser weer in het vizier. Dat de verbalisant over de Zeeweg naar zeggen 130 km/uur moest rijden om eiser bij te halen, is daardoor ook niet gek, aldus eiser.
9.2. Eiser voert ook andere punten aan die voor het CBR aanleiding zouden moeten zijn geweest voor nader onderzoek. Zo noemt de verbalisant in het mutatierapport zaken uit het verleden, wat een indicatie had moeten zijn van willekeur. Dit is niet onderzocht. Ook is niet onderzocht of de verbalisant als ervaringsdeskundige goed in staat is om rijgedrag (belangeloos) te observeren. Daarnaast heeft zowel de verbalisant als het CBR niet naar de situatie ter plaatse gekeken en is nooit vastgesteld dat eiser de bestuurder van de auto was.
10.1. De rechtbank overweegt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) volgt dat voor het opleggen van een EMG slechts een vermoeden van rijongeschiktheid hoeft te worden vastgesteld. Dit vermoeden kan worden gebaseerd op een mutatierapport, tenzij aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van dat mutatierapport. In deze bestuursrechtelijke procedure gelden daarbij niet de strafrechtelijke bewijsregels, zodat niet van belang is of de (snelheids)overtreding wettig en overtuigend bewezen is.[3] Hierbij overweegt de rechtbank ook dat verbalisanten van de politie in beginsel voldoende in staat zijn om rijgedrag te observeren en registreren en zij in beginsel geen eigen belang hebben bij onjuistheden in een rapport.[4]
10.2. Op de zitting heeft het CBR toegelicht dat bepaalde personen bekend kunnen zijn bij het CBR en de politie, omdat zij vaker vervelend rijgedrag vertonen. Daarom is de opmerking van de verbalisant over eiser in de aanvullende verklaring volgens het CBR niet zo gek. Hierop heeft eiser gereageerd dat hij sinds 2017 niet meer in aanraking is geweest met de politie en geen boetes heeft gehad.
10.3. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ten aanzien van mogelijke willekeur ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en juistheid van het mutatierapport en de aanvullende verklaring. De auto van eiser viel voor de verbalisant kennelijk op, omdat hij ermee bekend was dat eiser hier "vaak hard en gevaarlijk mee reed". Die enkele opmerking is onvoldoende om te vrezen voor willekeur en te twijfelen aan de integriteit van de verbalisant.
10.4. De rechtbank volgt eiser ook niet in het standpunt dat het mutatierapport en de aanvullende verklaring door tegenstrijdigheden aanleiding geven om daaraan te twijfelen, zodat het CBR daar – zonder nader onderzoek – niet vanuit mocht gaan. Feit is dat de Hoflaan en Eeuwigelaan in Bergen in elkaar overlopen. In de aanvullende verklaring beschrijft de verbalisant geen rijgedrag van eiser op de Hoflaan. Ook als de uitleg van eiser wordt gevolgd dat hij niet op de Hoflaan is geweest die nacht, geldt het volgende. Deze enkele – in dat geval – foutief opgenomen waarneming dat de verbalisant eiser zag rijden op de Hoflaan, geeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de verdere waarnemingen die in het mutatierapport en de aanvullende verklaring staan opgenomen. Zeker met het oog op het feit dat de Hoflaan en de Eeuwigelaan in elkaar overlopen. Bovendien baseert het CBR de oplegging van de EMG op de waarnemingen van rijgedrag op de Eeuwigelaan, en tweemaal de Zeeweg, en niet op rijgedrag op de Hoflaan. Anders dan eiser stelt, heeft het CBR in de gestelde tegenstrijdigheid terecht geen aanleiding gezien om extra onderzoek te doen.
10.5. De rechtbank stelt vast dat de verbalisant eiser na het keren over de Eeuwigelaan is gevolgd naar de Zeeweg. De rechtbank gaat niet mee in het standpunt van eiser dat de snelheden die eiser volgens de verbalisant zou hebben gereden op (het eerste stuk van) de Zeeweg in het mutatierapport en de aanvullende verklaring van elkaar afwijken. In beide verklaringen stelt de verbalisant dat hij met hoge snelheid over de Zeeweg heeft gereden om te proberen eiser bij te halen. In het mutatierapport staat dat de verbalisant over het eerste deel van de Zeeweg, tot aan de rotonde bij Bergen aan Zee, gemiddeld 130 km/uur reed. In de aanvullende verklaring geeft de verbalisant meer details over de rit over de Zeeweg. Alleen weet hij niet meer zeker hoe hard hij heeft gereden, maar hij denkt dat dit rond de 130 km/uur was. De enige vermelding dat de verbalisant niet meer zeker weethoe hard hij heeft gereden, en hij denktdat dit rond 130 km/uur was, is onvoldoende om aan de waarneming van de verbalisant te twijfelen. De genoemde snelheid wijkt immers niet af van de genoemde snelheid in het mutatierapport. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
10.6. De rechtbank volgt verder het standpunt van het CBR dat eiser herhaaldelijk gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond met afzonderlijke gedragingen, die het risico doen ontstaan voor gevaar voor andere weggebruikers. De rechtbank volgt hierbij ook de uitleg van het CBR dat het logisch is dat de aanvullende verklaring meer details bevat dan het mutatierapport, omdat het CBR daarom had verzocht. Volgens de verklaringen van de verbalisant vonden twee van de gedragingen plaats in het zicht van de verbalisant, en één buiten zicht. De volgende twee gedragingen vonden plaats in het zicht van de verbalisant:
• Op de Eeuwigelaan is de verbalisant eerst gekeerd en daarna achter eiser aangereden. In de aanvullende verklaring staat: *"De tussenafstand was al erg ruim. De maximumsnelheid is daar 50 km/uur. Ik heb getracht het voertuig bij te halen, maar met ongeveer 100 km/uur leek de afstand niet kleiner te worden. Richting het einde van de Eeuwigelaan gaat een bocht naar links en na ongeveer 300 meter is er een rotonde met de Heerenweg en de Zeeweg. Daar zag ik het voertuig niet meer."*De verbalisant reed op de Eeuwigelaan de dubbele toegestane snelheid, maar de afstand tot eiser werd niet kleiner. Dit betekent dat eiser te hard heeft gereden, en daarbij zelfs nog verder uit zicht raakte.
• In Bergen aan Zee zag de verbalisant eiser weer op de Zeeweg. In de aanvullende verklaring staat: *"Ik zag dat het voertuig met veel hogere snelheid tot de Paulineweg reed. Ik reed vanaf de rotonde zo snel mogelijk, dit werd ruim boven de 50 km/uur, vermoedelijk richting de 80. […] En ik zag vervolgens het voertuig weer met hoge snelheid over de Zeeweg reed. Vanaf hier geldt 30 km/uur. Ook hier werd te hard gereden. Ik weet dat ik rond de 50 km/uur erachteraan had gereden."*Hieruit blijkt dat eiser op dit deel van de Zeeweg ook te hard heeft gereden.
Het stuk op de Zeeweg van rotonde tot rotonde – het stuk waarop de verbalisant denkt 130 km/u te hebben gereden – lijkt eiser buiten het zicht van de verbalisant te hebben gereden. Echter stelt het CBR terecht dat eiser ook als dit deel buiten beschouwing wordt gelaten, twee keer, en dus herhaaldelijk, te hard heeft gereden. Bovendien volgt uit de verklaringen dat eiser de bestuurder van het voertuig was. Overigens geven de beschrijvingen van de verbalisant over alle drie de gedragingen naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding voor twijfel aan de constatering dat herhaaldelijk te hard is gereden. Immers is niet vereist dat de overtredingen wettig en overtuigend bewezen zijn. De beroepsgrond slaagt dus niet.
10.7. Hetgeen eiser voor het overige heeft aangevoerd over waarom het CBR extra onderzoek had moeten doen, kan niet slagen. De verklaringen van de verbalisant over de noodstop ter hoogte van de Paulineweg in Bergen aan Zee, het in het midden van de weg of op de linker weghelft rijden, het al dan niet krijgen van een stopteken, de rook die al dan niet onder het voertuig vandaag zou zijn gekomen en de strafrechtelijk opgelegde boetes liggen immers niet ten grondslag aan het vermoeden en de oplegging van de EMG. Het standpunt van eiser dat al deze punten tezamen moeten worden beoordeeld gaat niet op. De beroepsgrond slaagt niet.
- De rechtbank is al met al van oordeel dat hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de juistheid van het mutatierapport en de aanvullende verklaring. Het CBR heeft dus mogen afgaan op de waarnemingen van de verbalisant. De waarnemingen dat tijdens de rit herhaaldelijk niet is gereden met een aan de overige gelijksoortige verkeersdeelnemers aangepaste snelheid, bieden voldoende grondslag voor het opleggen van de EMG door het CBR.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de EMG in stand blijft. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. de Regt, rechter, in aanwezigheid van mr.I.A. Bakker, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het CBR verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2551.
Het CBR verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3473.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 25 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3832, ro. 3.1.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 maart 2021, ECLI:NLRVS:2021:490, ro. 4.3. - - - ## Voetnoten