Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2025:6590 - Rechtbank Midden-Nederland - 12 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2025:659012 december 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/349
(gemachtigde: mr. R.A.M. Verkoijen),
en
(gemachtigde: B. van den Berg).
Partijen worden hierna aangeduid als: de VvE en het college.

Procesverloop

1.1. Deze zaak gaat over het besluit van het college om de oude smederij aan de [adres 1] in [plaats] (het pand) niet aan te wijzen als gemeentelijk monument.
1.2. Op 29 augustus 2025 heeft de rechtbank in deze zaak een tussenuitspraak (de tussenuitspraak) gedaan. Voor het procesverloop tot dat moment verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het geconstateerde gebrek in het besluit op bezwaar te herstellen.
1.3. In de tweede tussenuitspraak van 8 oktober 2025 (de verlengingsuitspraak) heeft de rechtbank de termijn die zij het college heeft gegeven om het gebrek te herstellen, verlengd tot acht weken na verzending van de tussenuitspraak.
1.4. Het college heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering (de aanvullende motivering) ingediend. De VvE heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.
1.5. De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 18 november 2025 gesloten.

Overwegingen

Beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
  1. Deze procedure is gestart met het beroep dat de VvE heeft ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De VvE had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college om het pand niet aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het college moest op dit bezwaar beslissen, maar die beslissing bleef uit. Daarom heeft de VvE beroep ingesteld.
  1. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank de beslissing op dit beroep van de VvE tegen het niet tijdig nemen van een besluit aangehouden. Zij beslist daarop in deze einduitspraak als volgt.
  1. De rechtbank moet ambtshalve de vraag beantwoorden of de VvE nog procesbelang heeft bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Met procesbelang wordt bedoeld het belang dat iemand heeft bij de uitkomst van de aanhangige procedure. Met het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit wilde de VvE bereiken dat het college alsnog een besluit zou nemen op haar bezwaar. Met het besluit van 16 januari 2025 heeft het college alsnog op het bezwaar van de VvE beslist. Het doel van de VvE met haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarmee bereikt. Daarmee is het (proces)belang van de VvE bij een beslissing op haar beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit weggevallen. Daarom is dit beroep niet-ontvankelijk.
  1. Zoals reeds vermeld in de tussenuitspraak, heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit van rechtswege mede betrekking op het alsnog genomen besluit op bezwaar.[1] De rechtbank heeft dit beroep tegen de beslissing op bezwaar in de tussenuitspraak inhoudelijk beoordeeld en zij zal dit ook in het vervolg van deze einduitspraak doen.
Tussenuitspraak
  1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. Daarin heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het besluit op bezwaar onvoldoende heeft gemotiveerd. Het college had in dit besluit de door de VvE gestelde negatieve gevolgen van het besluit om het pand niet aan te wijzen als gemeentelijk monument inzichtelijk in de belangenafweging moeten betrekken en duidelijk moeten maken welke gevolgen die belangenafweging heeft voor de VvE. Dit heeft het college niet gedaan. Het college heeft in het besluit op bezwaar niet gereageerd op het standpunt van de VvE dat doordat de toenmalige eigenaar als gevolg van de voorbescherming tijdens de voorbereidingsprocedure werd verplicht om bij herbouw van het pand onderhoudsgevoelige materialen te gebruiken, de VvE nu met hoge onderhoudskosten wordt geconfronteerd. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld dit motiveringsgebrek te herstellen. Als het college daarbij tot de beoordeling zou komen dat deze gevolgen voor rekening van de VvE komen, moest hij uitleggen waarom de door de VvE gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.
  1. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen.
  1. In de aanvullende motivering geeft het college aan dat het pand binnen een gebied ligt waarop op grond van het bestemmingsplan ' [bestemmingsplan] ' (het bestemmingsplan) uit het omgevingsplan van de gemeente Baarn de dubbelbestemming 'Waarde-Beschermd dorpsgezicht' rust. In de regels van het bestemmingsplan is bepaald dat de gronden binnen deze dubbelbestemming zijn bestemd voor het behoud en herstel van de karakteristieke hoofdvorm van de gebouwen. Door deze aanduiding hebben de panden aan de [locatie] een hoge beschermingswaarde en worden de aanvragen voor omgevingsvergunningen voor deze panden door het college altijd voorgelegd aan de commissie Ruimtelijk Kwaliteit. Die commissie beoordeelt of met de beoogde werkzaamheden de waarde van het beschermd dorpsgezicht niet wordt aangetast. Over het algemeen houdt dit volgens het college ook in dat de materiaalkosten vaak hoger liggen, doordat de waarde van het beschermd dorpsgezicht beschermd moet worden. Er moet altijd een welstandsadvies aan de commissie worden gevraagd. Daarbij kijkt de commissie juist expliciet naar de waarde die beschermd moet worden bij het gebruik van de gekozen materialen en stelt hieraan hoge eisen. Het college bestrijdt dat de VvE extra kosten maakt omdat het pand geen gemeentelijk monument is geworden. De bij de herbouw gekozen materialen waren ook noodzakelijk geweest binnen het beschermd dorpsgezicht. Het klopt dat nu het pand niet als gemeentelijk monument is aangewezen de VvE bij toekomstig onderhoud geen aanspraak maakt op gemeentelijke subsidies. Maar dat maakt geen enkele bewoner die binnen het beschermd dorpsgezicht woont waarvan de woning niet is aangewezen als gemeentelijk monument. Het is algemeen bekend dat oudere panden meer last hebben van vocht en tocht en hierdoor aan deze panden hogere onderhoudskosten zijn verbonden. Volgens het college is het wel mogelijk om door op een creatieve manier te kijken naar wat wel mogelijk is binnen de dubbelbestemming de onderhoudskosten te drukken. Het college noemt daarbij het voorbeeld van het gebruiken van voorzetramen om de stookkosten te verlagen. Door in dit geval een gedeelte van de kosten voor rekening van het college te nemen zou willekeur ontstaan naar andere mensen die ook een pand hebben binnen het beschermd dorgezicht maar wel zelf alle kosten voor zich moeten nemen. De werkzaamheden die door de VvE zijn beschreven, zijn volgens het college ook van toepassing binnen het beschermd dorpsgezicht.
Beoordeling door de rechtbank
  1. De rechtbank merkt als eerste op dat zij de herstelpoging van het college buiten de in de verlengingsuitspraak aan het college gegeven termijn heeft ontvangen. Het college geeft in zijn begeleidende e-mailbericht aan dat hij de aanvullende motivering tijdig al per gewone post aan de rechtbank zou hebben gezonden. De rechtbank heeft dit stuk niet ontvangen. Waarom het college de aanvullende motivering niet meteen in eerste instantie ook per e-mail aan de rechtbank heeft gezonden, is de rechtbank niet duidelijk. Juist in een procedure waarbij de voorbereidingsprocedure voor het primaire besluit vijf jaar heeft geduurd, de procedure bij de rechtbank is gestart met een beroep vanwege het niet tijdig op het bezwaar van de VvE beslissen en de rechtbank op verzoek van het college al een verleningsuitspraak heeft gedaan, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het college gelegen om zich er van te vergewissen dat de aanvullende motivering tijdig bij de rechtbank zou zijn ingediend.
  1. De rechtbank zal de aanvullende motivering ondanks dat deze te laat is ingediend wel bij de beoordeling van het besteden besluit betrekken. De rechtbank acht dit in het belang van de VvE. Als de rechtbank de aanvullende motivering niet bij haar beoordeling zou betrekken, zou zij het besluit op bezwaar vanwege het motiveringsgebrek moeten vernietigen en het college de opdracht moeten geven een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Dit zou betekenen dat het geschil niet finaal zal zijn beslecht en de procedure voor de VvE nog langer gaat duren. Dit acht de rechtbank niet gewenst. Daarom zal de rechtbank de aanvullende motivering in het vervolg van deze uitspraak inhoudelijk beoordelen. Ook zal de rechtbank aangeven wat de gevolgen van deze beoordeling zijn.
  1. Als een bestuursorgaan in de rechtmatige uitoefening van zijn publiekrechtelijke bevoegdheid of taak schade veroorzaakt die uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en die een benadeelde in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treft, kent het bestuursorgaan de benadeelde desgevraagd een vergoeding toe.[2] De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de gestelde schade die de VvE stelt te lijden niet uitgaat boven het normale maatschappelijke risico en de VvE hierdoor in vergelijking met anderen die een pand bezitten dat onderdeel uitmaakt van het beschermd dorpsgezicht niet onevenredig zwaar wordt getroffen. De rechtbank is van oordeel dat het college met de aanvullende motivering de door de VvE gestelde negatieve financiële gevolgen voldoende inzichtelijk in de belangenafweging heeft betrokken en duidelijk heeft gemaakt welke gevolgen die belangenafweging voor de VvE heeft. De rechtbank kan de motivering van het college waarom de door de VvE gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt dan ook volgen.
  1. De zienswijze van de VvE op de aanvullende motivering maakt dit oordeel niet anders. De regels in het bestemmingsplan zien, zoals de VvE terecht aanvoert, op het behoud van de bestaande nokrichting en kapvorm. Maar het college heeft in de aanvullende motivering toegelicht dat de commissie Ruimtelijke Kwaliteit bij bouwplannen binnen het beschermd dorpsgezicht in het welstandsadvies ook hoge eisen stelt aan de te gebruiken materialen. De VvE wijst in haar zienswijze op het pand aan de [adres 2] dat ook onderdeel uitmaakt van het beschermd dorpsgezicht. Op dit pand zijn onlangs nieuwe dakpannen gelegd, terwijl de voormalige eigenaar bij de herbouw van het pand oude dakpannen moest gebruiken. Oude dakpannen zijn minder duurzaam dan nieuwe dakpannen. De rechtbank kan in deze procedure niet beoordelen of de situaties voor wat betreft de dakpannen bij het pand en het pand aan de [adres 2] vergelijkbaar zijn. Maar zelfs als de stelling van de VvE juist zou zijn dat bij de herbouw van het pand alleen door de voorbescherming oude pannen moesten worden gebruikt en niet omdat het pand onderdeel uitmaakt van het beschermd dorpsgezicht, blijft deze gestelde schade naar het oordeel van de rechtbank voor rekening van de VvE. De voormalige eigenaar heeft het risico op het ontstaan van die gestelde schade naar het oordeel van de rechtbank aanvaard, omdat zij niet met de herbouw van het pand heeft gewacht totdat er duidelijkheid was over de eventuele monumentale status.[3] Ten slotte is de rechtbank met het college van oordeel dat de VvE bepaalde gemaakte kosten niet nader heeft onderbouwd en niet duidelijk is geworden waarom deze kosten hoger zijn dan andere materialen.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar is niet-ontvankelijk.
  1. Gelet op het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek, is het beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit op bezwaar. Omdat het college met de aanvullende motivering het gebrek heeft hersteld, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit op bezwaar in stand. Dit betekent dat het pand geen gemeentelijk monument is en de VvE geen vergoeding voor de door haar gestelde schade krijgt.
  1. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet het college aan de VvE het door haar betaalde griffierecht vergoeden. Ook krijgt de VvE een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2,5 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus en 1 punt voor het verschijnen op de zitting), met een waarde per punt van € 907, - en bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 2.267,50.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar gegrond; - vernietigt het besluit op bezwaar; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand blijven; - draagt het college op het betaalde griffierecht van € 385, - aan de VvE te vergoeden; - veroordeelt het college in de proceskosten van de VvE tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.R. van Es-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak/tussenuitspraken. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 4:126, eerste lid, van de Awb.
Artikel 4:126, tweede lid, van de Awb. - - - ## Voetnoten
Artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Artikel 4:126, eerste lid, van de Awb.
Artikel 4:126, tweede lid, van de Awb.