Terug naar bibliotheek
Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2025:10387 - Rechtbank Gelderland - 3 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBGEL:2025:10387•3 december 2025
Uitspraak inhoud
Familie - en Jeugdrecht
Locatie Zutphen
Zaaknummer: C/05/457466 / FZ RK 25-2434
Datum uitspraak: 3 december 2025
Beschikking rechterlijke machtiging
op het verzoek van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voor
[naam betrokkene],
geboren op [geboortedatum] 1978 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen betrokkene,
wonend in [woonplaats] ,
advocaat mr. P.W.E. Hoezen uit Winterswijk.
1 Het verloop van de procedure
1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. Bij de zitting die plaatsvond op 9 juli 2024 zijn gehoord:
1.3. Bij beschikking van de Hoge Raad van 26 september 2025 is de beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2024 (zaaknummer C/05/437719 / FZ RK 24 1550) vernietigd waarin ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf was verleend. De Hoge Raad heeft het geding terugverwezen naar de rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
1.4. Namens betrokkene is per mail op 10 oktober 2025 aangegeven dat er geen behoefte is aan een nieuwe zitting.
2 Het standpunt van betrokkene ten aanzien van de terugverwijzing
2.1. Door de advocaat van betrokkene is in de mail van 10 oktober 2025 (opnieuw) geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Namens betrokkene is daartoe het volgende aangevoerd. De rechterlijke machtiging van 9 juli 2024 is inmiddels verlopen. Het verblijf van betrokkene in de instelling is voortgezet op grond van de bij beschikking van 22 november 2024 afgegeven machtiging. Er moet daarom een 'ex tunc' beoordeling volgen. Ten tijde van de beslissing van de rechtbank kon geen stoornis als bedoeld in de Wzd worden vastgesteld. Door de rechtbank is in de vernietigde beschikking overwogen dat de diagnose Korsakov voor haar niet is komen vast te staan. Volgens de Hoge Raad dient voor toepassing van artikel 24 lid 4 Wzd sprake te zijn van een psychische stoornis als bedoeld in de Wvggz. Dat van een dergelijke stoornis sprake was bij betrokkene is niet gebleken en kan niet (meer) worden vastgesteld.
3 Het verzoek zoals dat op 9 juli 2024 voorlag
3.1. Het CIZ verzoekt de rechtbank een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen voor de duur van zes maanden.
4 De feiten op 9 juli 2024
4.1. Ten behoeve van betrokkene is bij beschikking van 7 maart 2024 mentorschap ingesteld.
4.2. Ten aanzien van betrokkene is bij beschikking van 12 maart 2024 een zorgmachtiging op grond van de Wvggz afgegeven tot en met uiterlijk 12 september 2024.
5 De beoordeling
Hoe wordt het verzoek beoordeeld na terugverwijzing door de Hoge Raad?
5.1. De rechtbank beoordeelt het verzoek, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 26 september 2025, alsof die beoordeling op 9 juli 2024 plaatsvond.[1] Dat heeft ermee te maken dat de machtiging die is verleend bij beschikking van 9 juli 2024 inmiddels is komen te vervallen. De rechtbank moet dus beoordelen of op het tijdstip dat de vernietigde beslissing werd gegeven voldoende grond bestond voor het verlenen van de verzochte machtiging (beoordeling 'ex tunc').
Waar ging de uitspraak van de Hoge Raad over?
5.2. De Hoge Raad heeft de beschikking van deze rechtbank van 9 juli 2024 vernietigd, omdat de rechtbank toepassing gaf aan artikel 24 lid 4 Wzd zonder dat zij daarbij (kenbaar) had vastgesteld dat er bij betrokkene sprake was van een psychische stoornis in de zin van de Wvggz.
Wat is de beslissing van de rechtbank na terugverwijzing?
5.3. De rechtbank verleent de gevraagde machtiging. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. De diverse standpunten van betrokkene, de medici en de mentor worden in die uitleg meegenomen.
Is bij betrokkene sprake van het syndroom van Korsakov als bedoeld in het Besluit zorg en dwang?
5.4. De diagnose Korsakov is bij betrokkene in 2023 gesteld na een klinisch neuropsychologisch onderzoek bij Tactus. De diagnose is vervolgens herhaald door een onafhankelijk psychiater in de medische verklaring van 13 juni 2024. Ter zitting geeft betrokkene aan dat er door de instelling Dimence geconcludeerd is dat er bij betrokkene geen sprake is van het syndroom van Korsakov. Daar staat tegenover de verklaring ter zitting van de EVV'er dat er feitelijk geen second opinion door Dimence heeft plaatsgevonden, maar betrokkene enkel een gesprek heeft gehad met een klinisch psycholoog van Dimence. Die psycholoog beoordeelde of het toestandsbeeld van betrokkene was veranderd en of dat reden was om opnieuw onderzoek te doen. Er werd echter geen ander beeld gezien en dus geen nieuw diagnostisch onderzoek gedaan. De EVV'er geeft daarbij wel aan dat Dimence inderdaad zei dat er volgens Dimence geen sprake was van Korsakov. Dat komt omdat Dimence andere standaarden hanteert dan Tactus. De mentor van betrokkene heeft ter zitting verteld over de terugkoppeling die zij van Dimence heeft gehad over dit 'onderzoek'. Wat volgens de mentor vaststaat is dat er cognitieve problemen zijn bij betrokkene, maar dat Dimence de onderzoeksresultaten anders interpreteert dan Tactus. Dimence heeft volgens de mentor wel gezegd het eens te zijn met de uitkomst van het onderzoek en dat het onderzoek goed is afgenomen. Het onderliggende onderzoek hoeft volgens de mentor daarom niet opnieuw gedaan te worden.
5.5. Betrokkene vindt dat zij geen Korsakov heeft. Haar advocaat voegt daaraan toe dat, zelfs indien er sprake zou zijn van Korsakov, daarmee nog niet is vastgesteld dat de Korsakov van betrokkene ook een gelijkgestelde aandoening is in de zin van art. 1a.1 lid 1 onder a van het Besluit zorg en dwang. Daarvoor is immers vereist dat het syndroom van Korsakov zich bij de betrokkene uit als een neurocognitieve stoornis met daaruit voortkomende significante beperkingen overeenkomstig die van een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap. Dat is ten aanzien van betrokkene niet vast komen te staan. Daarom wordt namens betrokkene gevraagd om het verzoek af te wijzen, dan wel een deskundigenonderzoek te gelasten naar de vragen wat de beperkingen zijn die betrokkene ondervindt, op welke wijze daarmee kan worden omgegaan en of er minder ingrijpende maatregelen mogelijk zijn.
5.6. De rechtbank overweegt als volgt. De diagnose Korsakov (in de zin van artikel 1a.1 lid 1 onder a Besluit zorg en dwang) is voor de rechtbank op basis van de op 9 juli 2024 beschikbare gegevens niet komen vast te staan. Er zijn namelijk geen nadere stukken van Dimence, terwijl de stelling dat er geen sprake is van Korsakov niet (voldoende) is weersproken. In zoverre volgt de rechtbank het verweer.
Is bij betrokkene sprake van een psychische stoornis in de zin van artikel 24 lid 4 Wzd?
5.7. Vervolgens beoordeelt de rechtbank of bij betrokkene sprake is van een psychische stoornis in de zin van artikel 24 lid 4 Wzd.
Inleiding
5.8. Op grond van artikel 24 lid 4 Wzd kan de rechter op verzoek van het CIZ een rechterlijke machtiging voor onvrijwillige opname en (voortgezet) verblijf in een Wzd-geregistreerde accommodatie verlenen ten aanzien van een persoon met een psychische stoornis. Daarvoor is vereist dat de rechter op basis van de verklaring van een ter zake kundige arts oordeelt dat sprake is van een psychische stoornis (a) die dezelfde gedragsproblemen of regieverlies als een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap kan veroorzaken, (b) waarbij de benodigde zorg in verband met deze gedragsproblemen of regieverlies vergelijkbaar is met de zorg die nodig is bij een psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, en (c) waarbij deze gedragsproblemen kunnen of dit regieverlies kan leiden tot ernstig nadeel.
5.9. Deze bepaling beoogt mogelijk te maken dat een betrokkene bij een wisselende zorgbehoefte kan 'overstappen' van de geestelijke gezondheidszorg naar de ouderenzorg of gehandicaptenzorg, zodat aan de betrokkene de juiste zorg op de juiste plek kan worden verleend. [2] Op grond van deze bepaling kan een betrokkene met een psychische stoornis onvrijwillig worden opgenomen in een Wzd-accommodatie, in plaats van in een Wvggz accommodatie, indien de zorgbehoefte daartoe aanleiding geeft. Aangenomen moet worden dat met 'psychische stoornis' in artikel 24 lid 4 Wzd een psychische stoornis in de zin van de Wvggz is bedoeld.
Is bij betrokkene sprake van een Wvggz-stoornis?
5.10. Het (actuele) standpunt van de advocaat is dat er bij onderhavige 'ex tunc' beoordeling geen Wvggz-stoornis (meer) is vast te stellen. Dit standpunt volgt de rechtbank niet. De rechtbank is van oordeel dat op basis van de stukken in het dossier zoals dat beschikbaar was op 9 juli 2024 en de toelichting op de zitting van diezelfde datum kan worden vastgesteld dat bij betrokkene sprake is van een stoornis in de zin van de Wvggz. Het volgende is daarvoor redengevend.
5.11. Uit de medische verklaring van 13 juni 2024 volgt dat betrokkene kampt met een chronisch-recidiverende alcoholverslaving. Deze verslaving is volgens de onafhankelijk psychiater de oorzaak van de – volgens de psychiater aanwezige – Korsakov. Er is volgens diezelfde psychiater sprake van reeds langer bestaande emotionele problematiek, eerder benoemd als een borderline persoonlijkheidsstoornis en als een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Bij betrokkene is dus sprake van een ernstige alcoholverslaving met bijkomende persoonlijkheidsproblematiek. Verslaving aan middelen als alcohol en drugs kan echter op zichzelf niet tot toepassing van de Wvggz leiden. Er moet om tot toepassing van de Wvggz te komen sprake zijn van een psychische stoornis van zodanige ernst dat het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen daardoor zo ingrijpend worden beïnvloed dat de betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst. Deze psychische stoornis kan voortvloeien uit of samenhangen met de verslaving aan middelen. Het kan ook gaan om een van de verslaving losstaande psychische stoornis van andere aard ('comorbiditeit').[3]
5.12. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. Ongeacht het antwoord op de vraag of er bij betrokkene inmiddels Korsakov in de zin van het Besluit zorg en dwang is ontstaan, is de alcoholverslaving van betrokkene naar het oordeel van de rechtbank dusdanig ernstig dat die te kwalificeren is als een psychische stoornis in de zin van de Wvggz. Dat oordeel is in belangrijke mate gebaseerd op de medische verklaring van 13 juni 2024. Daaruit blijkt dat het betrokkene vanwege de chronisch recidiverende alcoholverslaving niet lukt om in de thuissituatie abstinent te blijven. Wanneer zij een periode drinkt, ontstaat er een mensonterende situatie. Dit heeft er eerder toe geleid dat betrokkene op basis van de bij beschikking van 12 maart 2024 verleende zorgmachtiging is opgenomen in een verslavingskliniek. In die beschikking heeft de rechtbank, op basis van de toen actuele medische verklaring van een onafhankelijk psychiater, onder meer overwogen dat de alcoholverslaving het doen en laten van betrokkene dusdanig overheerst, dat betrokkene voldoet aan de juridische criteria van een psychische stoornis in het kader van de Wvggz. Uit de medische verklaring van 13 juni 2024 blijkt voorts dat door het langdurig alcoholgebruik hersenbeschadiging is opgetreden die leidt tot ernstige beperkingen in het functioneren van betrokkene. Wanneer betrokkene opnieuw een periode drinkt, dan zullen haar hersenen verder beschadigd raken, en zullen die beperkingen verder toenemen. De onafhankelijk psychiater geeft aan dat uit het dossier van betrokkene en uit het gesprek met betrokkene blijkt dat een aantal nadelen zich ook feitelijk voordoen. Het lukt betrokkene daadwerkelijk niet om grip te krijgen op haar verslaving. Hoewel betrokkene inmiddels al langere tijd opgenomen is, begrijpt ze nog steeds niet goed wat er met haar aan de hand is en waarom hulpverleners doen wat ze doen. Er is een reële zorg, omdat betrokkene eerder veel geld verloren heeft doordat er ingespeeld werd op haar weerloosheid. Betrokkene is ook aanzienlijk minder fit dan leeftijdsgenoten, hetgeen tot uiting komt in moeite met lopen. Zij heeft hiervoor incidenteel een rollator nodig.
5.13. De rechtbank weegt ook mee dat de alcoholverslavingsproblemen al langere tijd aanwezig zijn en ondanks behandeling niet significant zijn verminderd. Bovendien blijkt uit het bij het verzoekschrift van 26 juni 2024 aangeleverde zorgplan dat betrokkene ook bekend is met PTSS en persoonlijkheidsproblematiek (te weten borderline), mede als gevolg van seksueel misbruik in de jeugd en een onveilige thuissituatie en onveilige hechting. Het zorgplan benoemt dat de functie van het alcoholgebruik voor betrokkene is om haar emoties te dempen, waarbij de emotionele problematiek als 'uitlokkende factor' wordt gezien. Het lukt betrokkene niet om dit patroon zelf te doorbreken.
5.14. Het voorgaande maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de alcoholverslaving, mede in relatie tot de borderline persoonlijkheidsstoornis en de PTSS, het denken, voelen, willen, oordelen en doelgericht handelen van betrokkene zo ingrijpend beïnvloedt dat betrokkene het veroorzaakte gevaar niet kan worden toegerekend, omdat de stoornis de gevaarvolle daden van de betrokkene overwegend beheerst.
Is voldaan aan de aanvullende voorwaarden van artikel 24 lid 4 Wzd?
5.15. De rechtbank is voorts van oordeel dat de psychische stoornis van betrokkene, te weten de alcoholverslaving en bijkomende persoonlijkheidsproblematiek, dezelfde gedragsproblemen en regieverlies veroorzaakt als een psychogeriatrische aandoening, namelijk dementie (sub a van artikel 24 lid 4 Wzd). Dat betreft onder meer problemen met het geheugen, verwarring, desoriëntatie en planningsproblemen op korte en lange termijn (in het bijzonder is er sprake van regieverlies over het eigen leven en dan met name ten aanzien van abstinentie van alcohol). Betrokkene heeft dus geen regie meer over haar leven, omdat de alcoholverslaving daaraan in de weg staat.
5.16. De benodigde zorg in verband met deze gedragsproblemen en regieverlies is vergelijkbaar met de zorg die nodig is bij een psychogeriatrische aandoening, te weten de opname op een afdeling waarin betrokkene abstinent kan blijven, voldoende begeleiding en structuur krijgt (artikel 24 lid 4 Wzd sub b). Voor mensen met deze problematiek en zorgvraag zijn gespecialiseerde afdelingen. De organisatie van die afdelingen komen in belangrijke mate overeen met die van dementieafdelingen, omdat de zorgbehoefte zeer vergelijkbaar is.
5.17. De gedragsproblemen en het regieverlies leiden tot slot tot ernstig nadeel (sub c van artikel 24 lid 4 Wzd). Er is, bij achterwege blijven van een gedwongen opname in een Wzd-geregistreerde accommodatie, een aanzienlijk risico op ernstig nadeel bestaande uit:
Het risico op het intreden daarvan vloeit rechtstreeks voort uit het gedrag dat weer voortvloeit uit de stoornissen van betrokkene. Bijvoorbeeld doordat betrokkene door het overmatig alcoholgebruik komt te overlijden, door falen van organen. Door het jarenlange patroon van overmatig alcoholgebruik is ook schade aan de hersenen ontstaan, zoals hiervoor onder 5.12 beschreven. Die schade zal verder oplopen indien betrokkene terugvalt in alcoholgebruik. Toen betrokkene nog thuis woonde was er sprake van ernstige verwaarlozing, van betrokkene zelf en haar huisdieren en ook van maatschappelijke teloorgang. Dit volgt dan uit overvraging, omdat betrokkene vanwege haar middelengebruik en reeds opgelopen cognitieve schade veel dingen niet meer (veilig) kan. Ook zijn er aanwijzingen dat er misbruik van de kwetsbare positie van betrokkene wordt gemaakt door derden. Vanwege het reeds geleden regieverlies (door de hersenschade) en de noodzaak tot absentie (ter voorkoming van verdere schade) is betrokkene afhankelijk van externe structurering en aansturing op een daarvoor gespecialiseerde afdeling.
5.18. Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat betrokkene niet langer onder de Wvggz-doelgroep valt qua zorgbehoefte, maar onder die van de Wzd. Met toepassing van artikel 24 lid 4 Wzd is het daarom mogelijk een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf te verlenen ten aanzien van betrokkene.
Overige voorwaarden
5.19. Betrokkene verzet zich tegen de opname. Volgens betrokkene zelf is een opname niet nodig. De rechtbank vindt de opname en het verblijf op dit moment[4] echter nog noodzakelijk om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene is niet in staat zichzelf te handhaven buiten een opname-setting met 24-uurs toezicht, zorg en begeleiding. Ambulante behandeling is geen reëel alternatief, omdat – zo is door onder meer de mentor toegelicht – er geen zorgaanbieders zijn die een dermate hoge zorgvraag in een ambulante setting kunnen bieden.
Conclusie
5.20. Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van betrokkene voldaan aan de criteria voor het verlenen van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf als bedoeld in de Wzd. De rechterlijke machtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden.
Het verzoek tot deskundigenonderzoek
5.21. Omdat de alcoholverslaving en de bijkomende problematiek van betrokkene op grond van artikel 24 lid 4 Wzd voldoende zijn om een rechterlijke machtiging toe te wijzen, zal de rechtbank het verzoek van de advocaat van betrokkene om een deskundigenonderzoek te gelasten afwijzen. De mogelijke antwoorden op de door de advocaat voorgestelde vragen zijn niet relevant voor de vraag of de opname op grond van de Wzd noodzakelijk is. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat de plaatsing van betrokkene bij [accommodatie] ( [afdeling] ) juist plaatsvindt om de diagnose te verfijnen en om te onderzoeken welke precieze zorgbehoefte passend is, mede omdat er sterke aanwijzingen zijn voor de diagnose Korsakov met significante beperkingen.
6 De beslissing
De rechtbank:
6.1. verleent een machtiging tot opname en verblijf ten aanzien van: - [naam betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] ,
met ingang van 9 juli 2024 tot en met uiterlijk 9 januari 2025.
6.2. wijst het meer of anders verzochte af.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.
Dat in een geval als deze een beoordeling 'ex tunc' moet worden toegepast volgt uit HR 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1701, rov. 3.2.
Kamerstukken II 2020/21, 35667, nr. 38, p. 2-3; Wet van 29 september 2021 tot wijziging van de Wvggz en de Wzd, Stb. 2021, 468.
HR 14 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1433, rov. 3.2.1.
Dat is: op het tijdstip dat de vernietigde beslissing werd gegeven. - - - ## Voetnoten