Terug naar bibliotheek
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3548 - Gerechtshof 's-Hertogenbosch - 10 december 2025
Arrest
ECLI:NL:GHSHE:2025:3548•10 december 2025
Formele relaties
Arrest inhoud
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummers: 23/374 tot en met 23/384
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] BV,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 februari 2023, nummers BRE 19/1751, 19/1753 tot en met 19/1762, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur.
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De inspecteur heeft navorderingsaanslagen vennootschapsbelasting (hierna: VPB) 2005 tot en met 2015 opgelegd. Tevens is bij beschikkingen heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht.
1.2. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraken op bezwaar gedaan en de bezwaren gegrond verklaard.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en nevenbeslissingen gegeven met betrekking tot de vergoeding van immateriële schade, de proceskostenvergoeding en het griffierecht.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Partijen hebben vóór de regiezitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6. De regiezitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2025 in 's-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ), als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 23/370 tot en met 23/373 en 23/398.
1.7. Belanghebbende heeft tijdens de regiezitting twee pleitnota's voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of stukken in te zenden. Partijen hebben stukken ingezonden.
1.9. Van de regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.
1.10. De inspecteur heeft stukken ingezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
1.11. Het hof heeft de onderhavige zaak in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.
1.12. De geheimhoudingskamer heeft tussenuitspraak gedaan op 30 juli 2025. De geheimhoudingskamer verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken gerechtvaardigd is, heeft de zaak verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt.
1.13. Partijen hebben vóór de zitting van 25 september 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.14. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.15. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2025 in 'sHertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ), en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 23/370, 23/372 en 23/398.
1.16. Op de in 1.15 bedoelde zitting zijn achtereenvolgens als getuigen gehoord [getuige 1] en [getuige 2] . De ondertekende getuigenverklaringen zijn aan partijen verzonden.
1.17. De inspecteur heeft tijdens de in 1.15 bedoelde zitting, onder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van e-mailverkeer tussen [gemachtigde] en de inspecteur.
1.18. De in 1.15 bedoelde zitting is voortgezet op 26 september 2025 in 'sHertogenbosch. Toen zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [naam 1] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 23/370, 23/372 en 23/398.
1.19. Op de in 1.18 bedoelde zitting zijn achtereenvolgens als getuige gehoord [getuige 3] , [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ), [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) en [getuige 6] . De ondertekende getuigenverklaringen zijn aan partijen verzonden.
1.20. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.21. Van de in 1.15 en 1.18 bedoelde zittingen is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
2.1. Belanghebbende (hierna ook: [belanghebbende] ) is op [datum] 1989 opgericht naar Nederlands recht en is statutair gevestigd in [plaats 5] . Belanghebbende exploiteert een handelsonderneming die met name actief is op het terrein van handel in - vooral militaire - voertuigen en onderdelen daarvan.
2.2. Belanghebbende is in de onderhavige jaren feitelijk gevestigd aan de [adres 2] in [vestigingsplaats] (hierna: het bedrijfspand of het bedrijfsadres). De eigendom van het bedrijfspand berust sinds 30 augustus 2001 bij [bedrijf 5] B.V (hierna: [bedrijf 5] ). Het bedrijfspand bestaat uit een kantoor en een loods ter grootte van 14.020 m2. In het bedrijfspand bevindt zich een verblijfsruimte met een zit-, slaap - en badkamer; deze verblijfsruimte was al als zodanig aanwezig toen [bedrijf 5] het bedrijfspand op 30 augustus 2001 verwierf.[1] [naam 1] en [naam 2] verblijven jaarlijks gedurende de periode van maart/april tot augustus/september een of meerdere werkdagen in het bedrijfspand.
2.3. [naam 1] is vanaf de oprichting van belanghebbende enig directeur. Zij hield vanaf de oprichting tot 31 december 1991 51 procent van de aandelen in belanghebbende en van 31 december 1991 tot 22 januari 2013 alle aandelen in belanghebbende. [naam 1] heeft zowel de Taiwanese als de Nederlandse nationaliteit. Zij bezit in de onderhavige jaren drie appartementen in Taiwan en een vakantiewoning in Duitsland.
2.4. [naam 2] houdt vanaf 22 januari 2013 middellijk alle aandelen in belanghebbende.[2] Hij houdt sinds 19 augustus 2008 middellijk alle aandelen in [bedrijf 5] .[3] [naam 2] heeft de Nederlandse nationaliteit. Hij bezit sinds 2009 een appartement op de Filipijnen en sinds februari 2014 samen met [naam 1] twee appartementen op de Filipijnen. [naam 2] handelt al vele jaren in onder andere oud legermaterieel en reist daartoe veel over de wereld. Hij is onder andere werkzaam in Nederland, Duitsland, Griekenland en Azië.
2.5. [naam 1] en [naam 2] hebben elkaar in of omstreeks 1975 voor het eerst ontmoet en zijn vanaf 1989 zaken met elkaar gaan doen.
2.6. [naam 1] en [naam 2] zijn op 29 februari in 1992 in [plaats 4] ( [Staat] , Verenigde Staten) met elkaar getrouwd. Het huwelijk is in 2007 ontbonden.
2.7. [naam 2] heeft op 12 april 1994 in Hong Kong een onderneming - zijnde een eenmanszaak - opgericht onder de naam [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7] ). [bedrijf 7] is op dezelfde datum ingeschreven in de 'Business Registration Office' van Hong Kong. [bedrijf 7] is gevestigd op het kantooradres van [kantoor] , een accountantskantoor in Hong Kong, en is actief op het gebied van de in - en verkoop van met name gebruikte legergoederen. [bedrijf 7] heeft geen personeel of opslagruimte.
2.8. [bedrijf 7] beschikte tot medio 2014 over twee bankrekeningen bij de Standard Chartered Bank in Hong Kong; [naam 2] had [naam 1] gemachtigd voor beide bankrekeningen. Nadat de Standard Chartered Bank [naam 2] had bericht dat beide bankrekeningen zouden worden opgezegd, hebben [naam 2] en [naam 1] een gezamenlijke bankrekening geopend bij de HSBC Bank in Hong Kong; [naam 2] en [naam 1] hebben beiden bedragen opgenomen van deze bankrekening.
2.9. [naam 1] en [naam 2] hebben op 1 november 2012 een Partnership Agreement (hierna: het partnership of de agreement) gesloten. In de agreement is onder meer het volgende vermeld:
"Backgrund: [ [naam 1] ], director and sole shareholder of a company in the Netherlands since 1989 and [ [naam 2] ], the sole proprietor of [ [bedrijf 7] ] a company incorporated under the laws of Hong Kong (…), whose registered office address is (…) Hong Kong,
have been in agency, joint venture and partnership business relations of International Trades in auto spare parts and others since 1994.
In order to intensify their business relations and expand the business activities, it is decided that [ [naam 1] ] join with [ [naam 2] ] in his company [ [bedrijf 7] ] in Hong Kong as equal partner by contributing capital of US$ 25000. - in cash to the said company.".
2.10. [naam 2] heeft de autoriteiten van Hong Kong op 18 januari 2013 op de hoogte gesteld van het partnership en daartoe het formulier "Notification of change in Partner" ingevuld en ingezonden. De autoriteiten van Hong Kong hebben daarop bij brief van 21 februari 2013 bericht dat de "Notification of change in Partner" niet wordt geaccepteerd. [naam 2] heeft de autoriteiten van Hong Kong daarop bij brief van 12 maart 2013 bericht dat het partnership geen doorgang vindt en dat [bedrijf 7] een eenmanszaak blijft.
Strafrechtelijk onderzoek en strafrechtelijke procedure
2.11. Eind november 2015 is een strafrechtelijk onderzoek gestart onder de naam [onderzoek] (hierna: het strafrechtelijk onderzoek). In het aanvangsproces-verbaal[4] zijn [naam 2] , [naam 1] en [bedrijf 8] (hierna: [bedrijf 8] ) als verdachten aangemerkt. In dit proces-verbaal is vermeld dat het redelijk vermoeden is ontstaan dat [naam 2] , [naam 1] en [bedrijf 8] "zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan het witwassen c.q. gewoonte witwassen van crimineel verkregen gelden".
2.12. Tijdens het strafrechtelijk onderzoek naar de drie in het aanvangsproces-verbaal vermelde verdachten is informatie naar voren gekomen die leidde tot een vermoeden van fiscale fraude met betrekking tot de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2007 tot en met 2015 van belanghebbende. In het "PROCES-VERBAAL VAN VERDENKING FISCALE FRAUDE EN VALSHEID IN GESCHRIFT DOOR [belanghebbende] B.V."[5] (hierna: proces-verbaal [nummer 6] ) is belanghebbende voor het eerst als verdachte aangemerkt.
2.13. Op 19 maart 2017 heeft een heimelijke doorzoeking plaatsgehad van het bedrijfspand. Tijdens de doorzoeking zijn onder andere foto's en scans gemaakt van in het bedrijfspand aangetroffen administratieve bescheiden.[6]
2.14. Op 10 oktober 2017 heeft een inval van de FIOD plaatsgevonden in het bedrijfspand. Tijdens de inval is een verblijfsruimte in het bedrijfspand aangetroffen. [naam 2] en [naam 1] zijn die dag aldaar aangehouden op verdenking van onder meer witwassen, valsheid in geschrift en fiscale fraude. Op die datum heeft de FIOD onder meer de administratie van belanghebbende in beslag genomen. Verder is in het bedrijfspand de handtas van [naam 1] aangetroffen, met daarin haar laptop en telefoon en de bedrijfsstempels van [bedrijf 7] en [bedrijf 8] . In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is beslag gelegd op het vermogen van [naam 2] en [naam 1] en de met hen verbonden vennootschappen.
2.15. [naam 2] heeft tijdens zijn verhoren onder meer het volgende verklaard, waarbij in elk "PROCES-VERBAAL VAN VERHOOR" staat "V" voor vraag verbalisanten, "A" voor antwoord van de verdachte of de getuige, "O" voor opmerking, "N" voor noot verbalisanten en "VH" voor vraag namens [naam 10] , de toenmalige advocaat van [naam 2] , gesteld door verbalisanten:
"V: Hoe ziet het kantoor van [ [bedrijf 7] ] eruit?
A: Het is een soort accountantskantoor met allemaal bureaus.
V: Hoeveel mensen zijn er in dienst bij [ [bedrijf 7] ]?
A: Alleen dat meisje, bent u wel eens in Hong Kong geweest? Daar zit in een ruimte van dit formaat minstens vier firma's
O: verdachte wijst de verhoorruimte aan."[7]
en
"V: Zitten uw bedrijven allemaal in Hong Kong vanwege de fiscale regelgeving?
A: Ja, dat klopt wel ja.
V: Vanaf wanneer heeft u bedrijven in Hong Kong?
A: Eerst met zakenpartners en vanaf eind jaren 70 zelf.
V: Is dit puur uit fiscale overwegingen om geen belasting te betalen?
A: Ja.
V: Heeft u ooit belasting betaald waar dan ook over uw inkomsten en winsten?
A; Nee, nergens.
V: Wat is de reden dat u geen belasting wil betalen?
A: Eind jaren 70 zijn mijn vrouw en zoon uit het huis in [plaats 1] gezet. Daar was geen enkele reden voor. Ik ben daar heel boos over geworden en heb toen gezegd dat ik nooit meer in Nederland wilde komen en nooit meer belasting wilde betalen in Nederland. Ik ben toen ook zeker 5 of 6 jaar niet in Nederland geweest. Later weer wel natuurlijk.".[8]
2.16. [naam 1] heeft tijdens haar verhoren onder meer het volgende verklaard:
"V: Bij meerdere bedrijven waarbij u betrokken bent is ook [ [naam 2] ] betrokken. (…) Wat is uw relatie met hem?
A: [ [naam 2] ] is een zakelijke partner en een goede vriend. Ik ken hem al veertig jaar. Ik was 19 jaar oud toen ik hem leerde kennen. Ik heb hem leren kennen vanuit de dumphandel. Hij was een legend in de handel. Iedereen kende hem in deze handel. Iedereen wilde met hem zaken doen. Hij had een goede naam.
(…)
V: Wanneer bent u zijn zakenpartner geworden?
A: Hij [hof: [naam 2] ] kwam bij mij op bezoek in Taiwan om naar een oude jeep te kijken. Hij is daarna een aantal keer naar Taiwan gekomen. Een jaar later ben ik naar [plaats 5] gegaan en heb ik het bedrijf [belanghebbende] daar opgericht. [ [naam 2] ] had daar al zijn eigen bedrijf, [bedrijf 14] . [ [naam 2] ] is heel goed in zaken doen. Hij weet alles uit zijn hoofd en kent heel veel mensen. Hij bepaalt de inkoop en verkoopprijs altijd zelf in onze branche. [ [naam 2] ] deed soms de inkoop voor [belanghebbende] . Daarnaast deed ik zelf ook de inkoop voor [belanghebbende] . Indien [ [naam 2] ] een klant had voor goederen van [belanghebbende] , dan kocht hij die van [belanghebbende] . Vervolgens verkocht hij dat vanuit zijn bedrijf in Hong Kong aan de klant. De goederen gingen rechtstreeks van [belanghebbende] naar de klant. Ik handelde alle zaken in [plaats 5] af zoals het laden en lossen, administratieve taken, enzovoorts. Ik zorg graag voor efficiëntie en voor een goede service.
Dit is dus ongeveer 35 jaar geleden geweest, vanaf de oprichting van [belanghebbende] . Toen wij het onroerend goed in [plaats 5] wilden gaan kopen, is ook de firma [bedrijf 5] opgericht."[9]
en
"V: In het kantoor in [vestigingsplaats] vonden onze collega's onder andere twee stempels van [ [bedrijf 7] ]. Hieraan is de code [code] toegekend.
Wij laten u een foto van twee stempels van [ [bedrijf 7] ] zien.
Wie gebruikte deze stempels?
A. Voor [bedrijf 7] werden ze gebruikt. Tegenwoordig worden ze niet meer gebruikt.
V: Maar wie gebruikte die stempels?
A: Voor meneer [naam 2] en die andere is voor mijn vennootschap [bedrijf 8] .
V: De vraag was niet waar voor de stempels gebruikt worden, maar door wie?
A: Ik heb het al eerder gezegd als meneer [naam 2] het zelf kan regelen, dan heel graag. Als hij het niet kan en hulp nodig heeft dan doe ik het. Maar stempelen kan hij zelf. Stempels zijn tegenwoordig niet meer van belang.
V: Voor welke documenten werden deze twee stempels van [ [bedrijf 7] ] gebruikt?
A: Bijna niets, welke documenten hebben een stempel nodig?
V: Waarom bevonden die stempels zich in [vestigingsplaats] ?
A: Het is voor mij handig, zodat ik ze kan vinden als ik ze nodig heb. Ze zitten in mijn koffers. Overal waar ik naar toe ga, neem ik alles mee.".[10]
2.17. [naam 3] (hierna: [naam 3] ), voormalig inspecteur bij de Belastingdienst, heeft tijdens zijn verhoor als getuige onder meer het volgende verklaard:
"V: Wij laten u een rapport uit 2008 van een boekenonderzoek lezen.
Heeft u, tijdens dit onderzoek dat u samen met uw collega [naam 4] uitvoerde over de belastingjaren 2003 en 2004, aandacht besteed aan de goederenbeweging van [ [belanghebbende] ]?
A: Ja, dat ik zie in het rapport een kopje goederenbeweging. Die gaat daar over en vrijwel de gehele volgende pagina. (…)
V: Was er in 2011 sprake van een zogenoemd "boekenonderzoek" door de Belastingdienst, door [getuige 4] en u?
A: De vragen die toen gesteld zijn waren naar aanleiding van de aangiften en hebben zich beperkt tot de aanslagregeling. Er is geen officieel boekenonderzoek aangekondigd en gehouden.
V: Waarom niet?
A: Er was toen geen aanleiding voor, want de onderneming in materiele zin, de handel in legerdump materieel door [belanghebbende] , was al eerder bekeken in het onderzoek uit 2008 over de jaren 2003 en 2004.
V. Hoe zou u de activiteiten van u en de heer [getuige 4] in 2001 willlen betitelen?
A: Onderzoek naar de internationale geldstromen en onderzoek naar de structuur van de vennootschappen. (…)
V: Hebben de heer [getuige 4] en u tijdens het onderzoek in 2011 onderzoek gedaan naar de goederenbeweging bij [ [belanghebbende] ]?
A: Nee.
V: Hebben de heer [getuige 4] en u tijdens het onderzoek in 2011 aandacht besteed aan de voorraadadministratie van [ [belanghebbende] ]?
A: Nee.
V. Is er in 2011 een aankondiging gedaan voor de activiteiten van de heer [getuige 4] en u?
A: Zoals ik al zei, is er geen officieel boekenonderzoek aangekondigd, zoals je dat normaal doet. We hebben de vragen gesteld in het kader van de aanslagregeling. En we hebben natuurlijk, als we het bedrijf wilden bezoeken, dan hebben we een afspraak gemaakt. We zijn daar niet onverwacht aangekomen. (…)
V: [ [bedrijf 7] ] is een eenmanszaak van [ [naam 2] ] uit Hong Kong. In de administratie van [belanghebbende] zien wij vanaf minimaal 1998 verkopen aan [ [bedrijf 7] ] in Hong Kong. De goederen hiervan werden niet vervoerd naar Hong Kong, doch naar afnemers elders in de wereld. Wat is u hierover bekend?
A: Ik hoor u dat stellen, ik kan niet beoordelen of dat juist is. Wat u mij voorhoudt is mij totaal onbekend.
V: Was u wel op de hoogte van de leveringen van [belanghebbende] aan [ [bedrijf 7] ]?
A: Is mij niet bekend, omdat ik niet weet of er in dat boekenonderzoek uit 2008 er toen gekeken is aan wie er toen allemaal geleverd is. Ik heb er nu geen herinnnering aan. Ik heb toen niet zelf die controle van de omzet gedaan..
N: Wij stelden de heer [naam 10] in de gelegenheid aanvullende vragen te stellen.
VH: In het kader van de laatste vraag. Kent u het fenomeen ABC constructies? Het gaat om goederen die [bedrijf 7] koopt bij [belanghebbende] en dat [belanghebbende] die rechtstreeks levert aan de klant van [bedrijf 7] .
A: In het kader van dit dossier heeft dit niet gespeeld.".[11]
2.18. In het "PROCES-VERBAAL fiscaal delict en valsheid in geschrift"[12] (hierna: proces-verbaal [nummer 1] ) is onder meer het volgende vermeld:
"3.4 Verwevenheid [ [bedrijf 7] ], [belanghebbende], [ [naam 1] ] en [ [naam 2] ]
3.4.1 Inleiding
Uit de verklaringen van [ [naam 1] ] en [ [naam 2] ] komt naar voren dat zij [ [bedrijf 7] ] (zijnde [ [naam 2] ]) beschrijven als een onafhankelijke handelspartner van [belanghebbende]. [ [naam 1] ] verklaart dat zij namens [belanghebbende] , in haar rol als bestuurder van die vennootschap, goederen leverde aan [ [bedrijf 7] ] en daarmee voor [belanghebbende] een goede winst realiseerde. Voor een deel van de omzet van [belanghebbende] zou zij zelf niet in staat zijn om de daarvoor benodigde contacten en daarmee gepaard gaand vertrouwen op te bouwen en te onderhouden. Juist de persoon [ [naam 2] ] zou daartoe wél in staat zijn en daarmee [belanghebbende] in staat stellen om omzet te genereren. [ [naam 1] ] verklaart dat [ [naam 2] ] haar "de handel gunt".
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat [ [bedrijf 7] ] slechts een "kassiersfunctie" vervult en niet meer is dan een bankrekening in Hong Kong. Van een onafhankelijke handelsrelatie is geen sprake, hun persoonlijke en zakelijke leven is zo volledig met elkaar verweven, dat sprake is van 1 economische eenheid: 'het concern' [ [naam 2] ] en [ [naam 1] ].
[hof: passage zwart gelakt]
3.4.2 Persoonlijke en zakelijke verwevenheid [ [naam 2] ] en [ [naam 1] ]
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er een zeer sterke verwevenheid is tussen [ [naam 2] ] en [ [naam 1] ]. Dit wordt door hen zelf betwist.
(…)
Op basis van de volgende omstandigheden wordt een nauwe zakelijke verwevenheid tussen [ [naam 1] ] en [ [naam 2] ] vermoed (niet limitatief):
[hof: passage zwart gelakt]
b. [ [naam 1] ] geeft zich meermaals uit als manager van [ [naam 2] ] eenmanszaak [ [bedrijf 7] ];
c. [ [naam 2] ] verzorgt mede de inkoop van [belanghebbende] ;
d. [ [naam 2] ] bepaalt mede de verkoopprijzen van [belanghebbende] ;
e. [ [naam 2] ] en [ [naam 1] ] deelden in de winst van [ [bedrijf 7] ];
f. Boekhouding van hun verschillende bedrijven is aangetroffen op doorzoekingslocaties;
g. [ [naam 1] ] verzorgt de mailcorrespondentie voor [ [naam 2] ];
h. [ [naam 1] ] verzorgt alle bankbetalingen voor [ [naam 2] ];
i. [ [naam 1] ] en [ [naam 2] ] wisselen elkaar af in aandeelhouderschap of bestuurdersfunctie bij hun bedrijven.
j. Een voorgenomen verdeling en verrekening van banksaldi en - opnames heeft nooit plaatsgevonden
(…)
Levensloop [ [naam 2] ] en [ [naam 1] ] samen
De levensloop van [ [naam 2] ] en [ [naam 1] ] samen start rond 1989. [ [naam 2] ] en [ [naam 1] ] leerden elkaar eerder kennen. Dat was in 1975, vermoedelijk tijdens een zakenreis van [ [naam 2] ] in Taiwan.
[hof: passage zwart gelakt]
[ [naam 2] ] verklaarde in zijn zevende verhoor dat hij in 1990 slechts enkele maanden getrouwd is geweest met [ [naam 1] ].
Zoals eerder vermeld beschikt het onderzoeksteam over een uittreksel van het Taiwanees bevolkingsregister waarop een huwelijk staat vermeld tussen 1992 en 2007.
De Taiwanese autoriteiten hebben dit huwelijk bevestigd in een informatieverstrekking en gesteld dat de echtscheiding tussen [ [naam 2] ] en [ [naam 1] ] vermoedelijk vals ("fake") is.
[hof: passage zwart gelakt] nemen zij hun intrek in de in opdracht van [ [naam 2] ] gebouwde woning op het adres [adres 1] te [plaats 6] , Duitsland.
Op 30 augustus 2001 wordt er een bedrijfspand gekocht op de [adres 2] te [vestigingsplaats] voor de vestiging van [ [belanghebbende] ].
Uit het onderzoek is gebleken dat er een woonruimte is gecreëerd in dit pand waar [ [naam 1] ] en [ [naam 2] ] gebruik van maken als zij in Nederland verblijven. Tijdens hun aanhouding was deze woonruimte door hen als zodanig in gebruik. Het gebruik van dergelijke woonruimte is overigens in strijd met het aldaar geldende bestemmingsplan.
(…)
Boekhouding van hun verschillende bedrijven aangetroffen op doorzoekingslocaties
Gedurende het onderzoek zijn diverse locaties onderworpen aan een doorzoeking ter inbeslagname. Op 19 maart 2017 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden in het bedrijfspand van [belanghebbende] te [vestigingsplaats] . Op 10 oktober 2017 heeft hier wederom een doorzoeking plaatsgevonden.
Op 10 oktober is tevens een doorzoeking ter inbeslagname verricht in de woning van [ [naam 1] ] en [ [naam 2] ] te [plaats 6] (DE).
Tijdens de verschillende doorzoekingen is administratie aangetroffen van diverse bedrijven. In het bedrijfspand en woongedeelte te [vestigingsplaats] werd o.a. aangetroffen: - fysieke en digitale administratie van [belanghebbende] ; - fysieke en digitale administratie van [bedrijf 5] ; - digitale en fysieke administratie van [ [bedrijf 7] ];
In de woning te [plaats 6] (DE) werd o.a. aangetroffen:
Administratie van [ [bedrijf 7] ];
Persoonlijke administratie van [ [naam 1] ] en [ [naam 2] ].
Op de bedrijfslocatie aan de [adres 2] te [vestigingsplaats] zijn volgens de Kamer van Koophandel alleen de bedrijven [ [belanghebbende] ], [bedrijf 5] BV en [bedrijf 6] gevestigd.
(…)
3.4.3 Bemoeienis [ [naam 2] ] met bedrijfsvoering [belanghebbende]
3.4.3.1 [ [naam 2] ] verzorgt mede de inkoop van [belanghebbende]:
Uit verklaringen en documenten betreffende de boekhouding van [belanghebbende] blijkt dat [ [naam 2] ] betrokken was bij de inkoop en voorraadbepaling van dit bedrijf. Dit is opmerkelijk, omdat [ [naam 2] ] nooit een functie heeft bekleed bij dit bedrijf. Sterker nog, [ [naam 1] ] verklaarde dat zij vanuit dit bedrijf handelt met haar onafhankelijke zakelijke partner [ [bedrijf 7] ] ([ [naam 2] ]).
De administrateur/boekhouder van [belanghebbende], [getuige 1] , verklaarde hierover tijdens zijn 3e verhoor. In dit verhoor is met hem het hele administratieve in - en verkoopproces van [belanghebbende] doorgenomen.
[getuige 1] verklaarde onder andere:
"Bij de non licensed goederen kwam [ [naam 2] ] in beeld. Hij gaf mij door wat de inkoopwaarde was van een bepaald item op de voorraad."
En
V: Waarom moest [ [naam 2] ] kijken naar de inkoop van [belanghebbende] , [ [naam 2] ] was toch niet betrokken bij [belanghebbende] ?
A: Precies zoals ik al zei, [ [naam 2] ] kent de waarde van de goederen en weet waarvoor er wordt ingekocht. Het gaat hier om strategische goederen, dit zijn bijna altijd motoren en [ [naam 1] ] weet het verschil niet te maken tussen de verschillende motoren.
V: Dus met andere woorden, [ [naam 2] ] was dus actief betrokken en nodig bij de voorraadbepaling van goederen van [belanghebbende] ?
A: Ja, dat volgt uit het feit dat hij naar die invoices moest kijken. Hij moest kijken waar de ingekochte goederen moesten worden bijgeschreven of de verkochte worden afgeschreven in de voorraadlijst. Dit volgt ook uit het telefoongesprek.
V. Was dit systeem altijd al zo, dat [ [naam 2] ] dit zo bepaalde?
A: Ja volgens mij wel, hij heeft volgens mij in 2006/2007 deze nieuwe voorraadlijsten ook opgesteld, of waarschijnlijk samen met [ [naam 1] ].
In bovenstaande passage wordt verwezen naar een telefoongesprek. Dit betreft een tweetal tapgesprekken waarin [ [naam 1] ] en [getuige 1] afspreken dat [ [naam 2] ] gaat kijken naar facturen zodat deze in de voorraad verwerkt konden worden.
[getuige 1] verklaarde samengevat dat [ [naam 2] ] de inkoopwaarde aan hem doorgaf van items op de voorraad van [belanghebbende] . [getuige 1] verklaarde dat [ [naam 2] ] dit met een potloodaantekening aangaf op verkoopfacturen van [belanghebbende] . Deze aantekeningen corresponderen met de goederen op de voorraadlijsten. (…)
Volgens [getuige 1] was [ [naam 2] ] degene die verstand van de goederen had die daadwerkelijk in de loods lagen, omdat [ [naam 2] ] ook de inkoop deed.
(…)
[ [naam 1] ] bevestigt dat [ [naam 2] ] betrokken was bij de inkoop van [belanghebbende] :
"Een jaar later ben ik naar [plaats 5] gegaan en heb ik het bedrijf [belanghebbende] daar opgericht. [ [naam 2] ] had daar al zijn eigen bedrijf, [bedrijf 14] . [ [naam 2] ] is heel goed in zaken doen. Hij weet alles uit zijn hoofd en kent heel veel mensen. Hij bepaalt de inkoop en verkoopprijs altijd zelf in onze branche. [ [naam 2] ] deed soms de inkoop voor [belanghebbende] . Daarnaast deed ik zelf ook de inkoop voor [belanghebbende] . Indien [ [naam 2] ] een klant had voor goederen van [belanghebbende] , dan kocht hij die van [belanghebbende] . Vervolgens verkocht hij dat vanuit zijn bedrijf in Hong Kong aan de klant."
(…)
3.4.3.2 [ [naam 2] ] bepaalt verkoopprijzen van [belanghebbende] :
Een soortgelijke handelswijze hebben wij kunnen vaststellen bij de verkoop van [belanghebbende] .
Het onderzoeksteam beschikt over diverse tapgesprekken waaruit blijkt dat [ [naam 2] ] (al dan niet in het bijzijn van [ [naam 1] ]) verkoopprijzen bepaalt van onderdelen.
In verschillende tapgesprekken informeert [ [naam 1] ] bij [ [naam 2] ] wat de prijs voor bepaalde onderdelen moet zijn.
(…)
[ [naam 1] ] verklaarde dat ze zich regelmatig laat adviseren over de verkoopprijs door [ [naam 2] ]. Ze zegt hierover:
"V: Wij laten u vastleggingen van drie tapgesprekken lezen.
Deze gaan over de verkoopprijzen.
Hadden deze gesprekken betrekking op prijzen voor [belanghebbende] of voor [bedrijf 7] ?
A: Deze hebben te maken met [belanghebbende] .
V: Is het dan zo dat [ [naam 2] ] de prijzen bepaalt voor [belanghebbende] ?
A: Ik vraag altijd aan [ [naam 2] ] wat de prijs is om te verkopen. Hij weet dat.
V. Wat is uw rol dan uiteindelijk?
A: Ik ben de baas van [belanghebbende] . Ik beslis en ik bepaal.
V: Geldt dat ook voor de verkoopprijs van [belanghebbende] ?
A: Ja, maar ik vraag soms wel wat de prijs kan zijn.
N: (…) De verdachte wil het volgende toevoegen op haar voorgaande antwoord:
"Over deze tapgesprekken kan ik zeggen dat het gaat om informatie en niet over transacties, wel over de markt voor koop en verkoop. Het zijn geen transacties, zover ik weet zijn ze niet tot stand gekomen. Ik vraag soms aan [ [naam 2] ] over de prijs waarvoor ik het kan verkopen, als advies. Het kan zijn dat ik meer wil hebben of de verkoopprijs verlaag. Ik maak zelf de beslissing voor [belanghebbende] ."
[ [naam 2] ] bevestigt dat hij zich bemoeit met de inkoop en verkoopprijzen van [belanghebbende] . De prijzen worden volgens hem bepaald in gezamenlijk overleg met [ [naam 1] ]. Wat er staat heeft hij ingekocht. (Opmerking verbalisanten: bedoeld zal zijn: wat er staat in het bedrijfspand van [belanghebbende] heeft [ [naam 2] ] ingekocht).
[ [naam 1] ] verklaarde dat ze over de prijs informeert bij [ [naam 2] ], maar dat de transacties waarover wordt gesproken niet tot stand zijn gekomen. Dit is zeer opmerkelijk in het licht van het hiervoor geschetste voorbeeld. De klant [klant] vraagt [ [naam 1] ] direct naar [ [naam 2] ] en sluit vervolgens met hem een deal. Deze deal blijkt vervolgens in de boekhouding van [belanghebbende] terug te komen.
Aan de andere kant verklaarde [ [naam 2] ] dat [ [naam 1] ] de prijzen van zijn bedrijf [ [bedrijf 7] ] mede bepaalt.
(…)
3.4.4.3 Meerdere klanten worden zowel vanuit [belanghebbende] als [ [bedrijf 7] ] gefactureerd
Volgens verklaringen van [ [naam 1] ] is het voor haar niet mogelijk om zaken te doen met sommige afnemers. Dergelijke afnemers hebben naar haar zeggen erg veel vertrouwen in [ [naam 2] ] en wensen uitsluitend met hem zaken te doen. Bijvoorbeeld:
"Een heel belangrijk punt is dat de mensen alleen met [ [naam 2] ] zaken willen doen, niet met mij. Dat is de hoofdzaak. Dat is het verschil. De mensen vertrouwen [ [naam 2] ] voor 100%. Ik weet dat het als vrouw in deze mannenhandel heel moeilijk is. Het maakt mij niet uit.
(…)
N: [ [naam 1] ] geeft aan dat zij iets wilt toevoegen. Zij verklaarde het volgende:
"Mijn zakelijke partner, [ [naam 2] ], is totaal niet afhankelijk van mij. Ik ben bijna helemaal afhankelijk van hem. Ik heb geen volmacht of machten over wat [ [naam 2] ] doet. Hij doet alles wat hij wil. Dezelfde [ [naam 2] ] heeft ook geen volmacht over mijn bedrijf. Doordat [ [naam 2] ] en ik elkaar allang kennen en hij vertrouwt mij en hij wil het mij gunnen. Daarom kan ik zaken doen en verdienen. Ik kan ook zien dat in het begin dat ik erg afhankelijk was van de zaken. De laatste jaren, 7 á 8 jaar, kon ik steeds meer zakelijke contacten overnemen of bouwen. De meeste mensen beginnen mij steeds meer te vertrouwen. Ik ben dus steeds minder afhankelijk geworden in de zaak."
(…)
[ [naam 1] ] verklaarde dus dat het voor haar soms onmogelijk is om zaken te doen namens [ [belanghebbende] ] en dat daarom [ [naam 2] ] ( lees : [ [bedrijf 7] ]) als tussenschakel moet fungeren. Dit blijkt niet uit het feit dat meerdere afnemers zowel met als zonder die tussenschakel zaken doen als ze artikelen uit de voorraad van [belanghebbende] willen kopen. De verklaringen van [ [naam 1] ] zijn op dit punt niet concreet. Bovendien is de betrokkenheid van [ [naam 2] ] en die van [ [naam 1] ] bij [belanghebbende] dermate groot dat het ook mogelijk was om mét bemoeienis van [ [naam 2] ] rechtstreeks door [belanghebbende] te laten factureren aan de uiteindelijke afnemers.
Opvallend is dat zelfs voor de onderneming waarvan [ [naam 1] ] zwager eigenaar is, te weten [bedrijf 3] uit Taiwan, [ [bedrijf 7] ] als tussenschakel wordt ingezet. Hierdoor loopt [belanghebbende] winst mis.
[ [naam 1] ] verklaarde over haar zwager dat zij met hem samen in de jaren 70 een onderneming in Taiwan had. Ook hun zakenrelatie gaat dus al tientallen jaren terug. (…)
3.4.5 [ [naam 2] ] en [ [naam 1] ] deelden in de winst van [ [bedrijf 7] ]
[ [naam 2] ] verklaarde dat het geld van [ [bedrijf 7] ] op de gezamenlijke bankrekening van hem en [ [naam 1] ] terecht komt en dat zij daardoor meedeelt. Hij verklaarde dat hij de in - en verkoop deed en [ [naam 1] ] de rest.
[ [naam 2] ] verklaarde dat het geheel juist is dat hij de handel doet, mw. [naam 1] de administratie verzorgt en dat ze samen delen in de winst van [ [bedrijf 7] ].
De enige inhoudelijke reactie hierop van [ [naam 1] ] is dat wat hij ([ [naam 2] ]) zegt niet waar hoeft te zijn en ook niet waar is.
(…) [hof: passage zwart gelakt]
[ [naam 1] ] verklaarde [hof: passage zwart gelakt]
"V: Wat wist u van het betalingsverkeer van [ [bedrijf 7] ]?
A: Ik weet dat het geld binnen kwam op de gezamenlijke bankrekening, zodat ik het wel kon zien. Dit was vanaf 2012.
V: Deed u weleens betalingen namens [bedrijf 7] ?
A: Ook.
V: Van welke bankrekening(en) was dat?
A: Eerst was dat de Standard Chartered Bank. Hierna kon [bedrijf 7] geen bankrekening meer krijgen van de bank. Hierna is al het verkeer via de gezamenlijke bankrekening gelopen."
Daarna verklaarde [ [naam 1] ] in haar zesde verhoor dat er geen verdeling van het geld op deze bankrekening heeft plaatsgevonden. Ze verklaarde letterlijk:
"Iedereen neemt wat hij nodig heeft. Er is nooit rekening gesteld van wie wat is."
(…)
[ [naam 1] ] [hof: passage zwart gelakt] verklaarde:
"V: Wat voor soort overschrijvingen hebben er plaatsgevonden vanaf de en/of rekeningen?
A: De leverancier van [bedrijf 7] , waarschijnlijk ook voor andere zaken als private zaken.
V: Aan wat voor private dingen moeten we dan denken?
A: Je hebt toch geld nodig om te leven, voor de reizen, de dienstverlening die door anderen wordt gegeven.
Door het beslag in Duitsland is mijn ziektekostenverzekering gestopt en dit is niet juist. Ik hoop dat ik niet ernstig ziek word in deze tijd."
[ [naam 2] ] verklaarde hierover in zijn zesde verhoor:
"V: Hoe werkt het dan met de gelden?
A: [ [naam 1] ] en ik hebben samen één bankrekening. Dat is ons gezamenlijke vermogen. [bedrijf 7] heeft geen eigen bankrekening. De ontvangsten van de handel van [bedrijf 7] komen dus binnen op de gezamenlijke bankrekening.
Mw. [naam 1] krijgt ook geld op die rekening. Waarvan dat afkomstig is, moet ze zelf maar vertellen. Ik heb er geen interesse meer in. Dat had ik al niet en nu ik ouder ben al helemaal niet meer. Ik heb interesse in het sluiten van een deal. Het geld interesseert me niet.
V. Deelt mevrouw [ [naam 1] ] mee in de winst van [bedrijf 7] ?
A: Ja, dat kunt u zo wel stellen ja
.
V: U vertelde zojuist dat [bedrijf 7] uitsluitend van u was. Nu verteld u dat het van u beiden is. Wanneer is dat veranderd.
A: Dat is in de loop der jaren zo gegroeid."
In zijn zevende verhoor komt [ [naam 2] ] met zijn advocaat terug op deze verklaring:
"O: Ik wil graag voor we beginnen terug komen op mijn vorige verklaring. Het gaat om [bedrijf 7] , op pagina 5, 3e alinea in het verhoor. Toen werd gevraagd naar de gelden op de gezamenlijke rekening van [bedrijf 7] . De vraag was of [ [naam 1] ] meedeelde in de winst. Ik heb toen gezegd dat dit zo was. [naam 12] voegt toe dat dit juridisch niet kan. [bedrijf 7] is een eenmanszaak van meneer [naam 2] en dus kan de winst niet worden gedeeld met [ [naam 1] ].
V: Maar de bankrekening van [bedrijf 7] is toch een en/of rekening met [ [naam 1] ] en u samen. Van wie is dit geld dan?
A: [naam 12] legt uit dat er op de bankrekening van [bedrijf 7] ook geld binnenkomt van [ [naam 1] ], maar dat het niet zo is dat de gelden van [bedrijf 7] altijd moeten worden verdeeld tussen [ [naam 1] ] en [naam 2] .
V: Van wie is nu feitelijk het geld op de bankrekening? Hoe maakt u de splitsing?
A: [naam 12] legt uit dat [ [naam 2] ] wil verklaren dat [ [naam 1] ] niet mee deelt in de winst van [bedrijf 7] en [ [naam 2] ] deelt niet mee in de gelden van [ [naam 1] ] die op de [bedrijf 7] rekening binnenkomen. Hoe de splitsing wordt gemaakt is niet bekend. Dat doet [ [naam 1] ]."
(…)".
2.19. Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 23 december 2021 is belanghebbende strafrechtelijk veroordeeld voor het plegen van valsheid in geschrift, meermaals gepleegd, en het opzettelijk onjuist doen van aangiften VPB jaren 2010 tot en met 2013 en 2015. In het vonnis[13] is onder meer het volgende overwogen (de voetnoten zijn weggelaten):
"Ter zitting heeft [naam 2] verklaard dat er feitelijk niets in zijn werkzaamheden veranderde na de oprichting van [bedrijf 7] . Hij bleef actief in de surplushandel, de handel in legeronderdelen, zoals hij dat ook al deed vóór de oprichting van [bedrijf 7] , samen met [naam 1] vanuit [belanghebbende].".
Tegen dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
2.20. Bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juli 2023 zijn de officieren van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor zover deze ziet op de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel behaald uit gepleegde belastingfeiten en is de vordering van de officieren van justitie voor het overige afgewezen.
Fiscaal onderzoek, navorderingsaanslagen en bezwaarfase
2.21. De inspecteur heeft bij brief van 11 oktober 2016 op grond van artikel 55 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) het Openbaar Ministerie verzocht om inzage en gebruik van stukken en bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoeksdossier ten behoeve van de belastingheffing van belanghebbende. De Officier van Justitie heeft op 1 november 2016 toestemming verleend aan de inspecteur om de informatie uit het strafrechtelijk onderzoek te gebruiken voor de belastingheffing van belanghebbende.
2.22. De inspecteur heeft op 15 november 2017 in het kader van de belastingheffing van belanghebbende bij de FIOD inzage gekregen in dertien sets van inkoop - en verkooptransacties tussen belanghebbende en [bedrijf 7] in de jaren 2011, 2012 en 2015 (hierna: de 13 sets). De inspecteur heeft op 28 december 2017 de 13 sets per e-mail van de FIOD ontvangen.
2.23. De inspecteur heeft bij brief van 1 december 2017 aangekondigd een navorderingsaanslag VPB 2005 op te leggen. In de brief is onder meer het volgende vermeld:
"Inleiding
Op 10 oktober 2017 is tijdens een strafrechtelijk onderzoek op het adres [adres 2] te [vestigingsplaats] onder meer uw administratie in beslag genomen door de FIOD.
Aan de behandelende Officier van Justitie heb ik op grond van artikel 55 Algemene wet inzake rijksbelastingen toestemming gevraagd en gekregen om voor de belastingheffing inzage te krijgen in deze administratie, en de verkregen stukken te gebruiken.
Mij is na onderzoek gebleken dat [ [belanghebbende] ], zonder dat hiervoor kennelijk een zakelijke reden aanwezig is, grote bedragen aan transactiewinst heeft gelaten aan de gelieerde onderneming [ [bedrijf 7] ] te Hong Kong. Dit betreft de eenmanszaak van [ [naam 2] ].
De winstverschuiving is dermate groot, dat in ieder geval in de periode 2005 tot en met 2015 in totaal relatief grote fiscale verliezen worden gemaakt door [ [belanghebbende] ], zodanig dat in deze periode geen enkel bedrag aan vennootschapsbelasting verschuldigd was. Dit gevoegd bij het feit dat in dezelfde periode redelijk stabiele omzetten werden gegenereerd tot een totaalbedrag van € 17.258.160 bij een inkoopwaarde van € 11.945.293, doet na bestudering van de administratie, vermoeden dat in de opbrengst - en /of kostenstructuur onzakelijke elementen zijn geslopen.
Het valt immers niet in te zien waarom een redelijk handelend ondernemer, wiens onderneming de aanloopfase al verre voorbij is (…), per saldo permanent verliesgevend is. en zo blijkt na onderzoek, het kennelijk wel degelijk aanwezige hoge winstpotentieel, niet geheel wordt benut. Dit winstpotentieel is k nagenoeg geheel weggegeven aan de eenmanszaak van [ [naam 2] ].
Dit terwijl, zo is gebleken, de gehele administratie en facturering van beide bedrijven te [vestigingsplaats] wordt gevoerd, de directie tot op detailniveau inzicht heeft in alle transacties en dus inzichtelijk is welke marge niet ten goede komt aan [ [belanghebbende] ].
Analyse
Bij de analyse van 13 verschillende transacties betreffende diverse goederen en - afnemers is uit de daarop betrekking hebbende facturen en overige bewijsstukken gebleken dat gemiddeld een brutowinst aan [bedrijf 7] gelaten wordt van 236% van de inkoopwaarde van de door [ [belanghebbende] ] aan [bedrijf 7] geleverde goederen. (Inkoopwaarde [bedrijf 7] =verkoopopbrengst [ [belanghebbende] ]). Deze goederen zijn door [bedrijf 7] vervolgens verkocht aan derden, en rechtstreeks door [ [belanghebbende] ] aan de uiteindelijke koper geleverd.
In de rekening-courantadministratie van [ [belanghebbende] ] met [bedrijf 7] is sprake van verrichte transacties tot een totaalbedrag van € 312.349. Op basis van het gemiddeld berekende brutowinstpercentage in de referentietransacties zou de meeropbrengst over 2005 dan moeten zijn een bedrag van € 737.144. (…)
Daarnaast merk ik op dat in deze berekeningen nog niet is meegenomen het effect van via [bedrijf 7] ingekochte goederen die tegen een wellicht onzakelijk hoge inkoopprijs zijn verworven door [ [belanghebbende] ]. Zodoende betreft de hierboven genoemde correctie in principe niet meer dan een minimumpositie.".
2.24. De navorderingsaanslag VPB 2005 is met dagtekening 9 december 2017 vastgesteld naar een belastbaar bedrag van € 624.759; tevens is bij beschikking € 119.888 heffingsrente in rekening gebracht.
2.25. De inspecteur heeft bij brief van 2 augustus 2018 aangekondigd navorderingsaanslagen VPB 2006 tot en met 2015 op te leggen. In de brief is onder meer het volgende vermeld:
"Gelieerdheid [belanghebbende] B.V, en [bedrijf 7]
Ons is na onderzoek gebleken dat [belanghebbende] B.V., hierna ook wel te noemen: [belanghebbende] , zonder dat hiervoor kennelijk een zakelijke reden aanwezig is, grote bedragen aan transactiewinst heeft gelaten aan de gelieerde "onderneming" [ [bedrijf 7] ] te Hong Kong (…). [bedrijf 7] betreft - volgens uw verklaringen in het strafrechtelijk onderzoek - de "eenmanszaak" van [ [naam 2] ]. Voorafgaande aan het strafrechtelijk onderzoek was ons niet bekend dat [bedrijf 7] aan [belanghebbende] en/of haar directie en aandeelhouders gelieerd was. Inmiddels is ons duidelijk dat [bedrijf 7] niet meer behelst dan een kassiersfunctie in Hong Kong voor [belanghebbende] .
(…)
Bewustheid directie
Dit terwijl, zo is gebleken, de gehele administratie en facturering van [belanghebbende] en de uiterst beperkte vastleggingen van [bedrijf 7] , te [vestigingsplaats] , althans in Nederland werden gedaan, de directie van [belanghebbende] steeds tot op detailniveau inzicht had in alle transacties, én dus inzichtelijk was welke handelsmarge ten onrechte niet ten goede kwam aan [belanghebbende] . Dit kan alleen worden verklaard uit de gelieerdheid van partijen.
Slechts één onderneming
De splitsing van de activiteiten tussen [belanghebbende] en [bedrijf 7] , zoals deze door betrokkenen wordt aangevoerd, is gekunsteld en niet gebaseerd op enige economische realiteit. [ [naam 1] ] en [ [naam 2] ] zijn als énige personen bij [belanghebbende] en [bedrijf 7] en bij alle transacties betrokken geweest.
Beiden zijn degenen die vele jaren, hoe dan ook, als énigen de gang van zaken konden bepalen en het economisch resultaat naar zich toe konden halen. De goederen werden gekocht door [belanghebbende] , en in de loods van deze vennootschap opgeslagen. Na verkoop werd door [belanghebbende] geleverd aan de eindafnemer. [ [naam 2] ] in persoon beschikte en beschikt over de expertise aangaande de inkoop en de verkoop van de goederen. Hij kende als geen ander de omvang en de waarde van de door [belanghebbende] gehouden voorraden en de handelsprijzen van [belanghebbende] .
Een gesplitste inkoop door [belanghebbende] en een verkoop via [bedrijf 7] heeft dan ook geen enkele economische betekenis. De goederen werden juridisch namelijk door [belanghebbende] gekocht en verkocht. De transactiewinst werd grotendeels afgestort op een bankrekening in Hong Kong. [bedrijf 7] had en heeft slechts een kassiersfunctie in dit afroommodel. Er is geen sprake van een onafhankelijke "eenmanszaak" [bedrijf 7] .
Conclusie afroommodel
Er is sprake van een economische entiteit die volledig door mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] werd beheerst. Zoals gesteld: [belanghebbende] kocht de goederen in, nam ze in opslag en verstuurde ze naar de uiteindelijke koper. De goederen werden gekocht met expertise van de heer [naam 2] en verkocht via diens relatienetwerk.
Gezien het feit dat de goederen juridisch op naam van de B.V. gekocht werden, en in Hong Kong geen énkele economische activiteit uitgeoefend werd, hoe gering ook, is het een logische conclusie om de gehele transactiewinst aan [belanghebbende] toe te rekenen. De "eenmanszaak" [bedrijf 7] van [naam 2] in Hong Kong is feitelijk alleen een bankrekening en een inschrijving bij een accountants/trustkantoor. De conclusie is dat alle winst die naar deze "firma" is verschoven in Nederland bij [belanghebbende] belast had moeten worden met vennootschapsbelasting.
(…)
Navorderingen 2006 tot en met 2015
Aan [belanghebbende] worden op grond van artikel 16 eerste lid Algemene wet inzake rijksbelastingen navorderingsaanslagen opgelegd als volgt:
".
2.26. De navorderingsaanslagen VPB 2006 tot en met 2015 zijn overeenkomstig de in 2.25 bedoelde brief opgelegd met dagtekening 2 augustus 2018. Tevens is bij beschikking heffingsrente dan wel belastingrente in rekening gebracht.
2.27. Belanghebbende heeft [accountant] RA (hierna: [accountant] ), verbonden aan [kantoor 2] Accountants & Adviseurs, verzocht om de brutomarge op transacties tussen belanghebbende en [bedrijf 7] over de jaren 2007 tot en met 2016 te beoordelen en vast te stellen of de transacties tussen belanghebbende en [bedrijf 7] tegen onzakelijke prijzen geschiedden in de zin dat sprake is van een winstverschuiving van belanghebbende naar [bedrijf 7] . [accountant] heeft van het onderzoek een rapport opgemaakt met dagtekening 8 augustus 2018 (hierna: het rapport - [accountant] ). In het rapport is de volgende conclusie vermeld:
"Aldus is de constatering dat het overzicht van de gerealiseerde marges dat in de bijlage is opgenomen niet het beeld geeft dat er structureel sprake is van materieel lagere marges gerealiseerd met de transacties met [bedrijf 7] .".
2.28. Het hoorgesprek heeft plaatsgehad op 13 december 2018.
2.29. Bij uitspraken op bezwaar van 8 maart 2019 heeft de inspecteur de navorderingsaanslagen VPB 2005 tot en met 2015 verminderd, door de schatting van de belastbare winsten te verlagen door uit te gaan van een brutowinstpercentage van 228 in plaats van 236. Tevens is de heffingsrente en belastingrente evenredig verminderd.
Getuigenverklaringen
2.30. [getuige 4] , voormalig inspecteur bij de Belastingdienst, heeft als getuige ter zitting van het hof van 26 september 2025 onder meer het volgende verklaard:
"Op de vraag van de oudste raadsheer of, toen ik stopte met mijn werkzaamheden, ik alle op de zaak betrekking hebbende stukken heb overgedragen aan mijn opvolger, antwoord ik:
Ja.
Op de vraag van de gemachtigde of ik een selectie heb gemaakt van de over te dragen stukken, antwoord ik:
Nee.".
2.31. [getuige 5] , ten tijde van het strafrechtelijk onderzoek opsporingsambtenaar bij de FIOD en thans werkzaam bij de Belastingdienst, heeft als getuige ter zitting van het hof van 26 september 2025 onder meer het volgende verklaard:
"De gemachtigde houdt mij voor dat in proces-verbaal [nummer 6] document [nummer 7] (' [naam 9] ') wordt gebruikt in het kader van de verdenking van belastingfraude.
Op de vraag van de gemachtigde of ik heb geconstateerd dat document [nummer 7] niet is voorzien van een briefhoofd, een naam of een handtekening, en heb geconstateerd dat de herkomst van het document daarom niet verifieerbaar is, antwoord ik:
ik kan mij niet herinneren of ik het geverifieerd heb.
(…)
De gemachtigde houdt mij voor dat, nadat ik negen sets facturen had samengesteld, ik de heer [getuige 3] op 18 december 2017 wederom heb gesproken. Uit het verslag van deze bespreking (document [nummer 8] ) volgt dat volgens de heer [getuige 3] 'er duidelijke aanwijzingen zijn voor het afromen van winst en dus het ontduiken van vennootschapsbelasting', namelijk:
het langdurig gebruiken van deze vormen van transacties ('6 varianten');
het structureel verliesgevend zijn van [belanghebbende] ;
een nauwe zakelijke relatie tussen [naam 2] en [naam 1] en de bedrijven waarvan zij eigenaar en bestuurder zijn, waardoor deze in feite als één geheel functioneren;
een relatief groot aandeel van de verkopen aan [bedrijf 7] in de totale omzet van [belanghebbende] , zowel in aantal transacties als in omzetbedragen;
wetenschap bij zowel [naam 1] als [naam 2] over de winsten die aan [belanghebbende] en [bedrijf 7] zijn toegekomen;
afhankelijkheid bij [belanghebbende] van de financiering door [bedrijf 8] als [bedrijf 8] een rechtspersoon is die door [naam 1] en/of [naam 2] beheerst wordt;
een significant lagere bruto-winst voor [bedrijf 7] bij de transacties zonder [belanghebbende] (inkoop van derden) ten opzichte van transacties met inkoop bij [belanghebbende] ;
het realiteitsgehalte van [bedrijf 7] : wat voegt deze eenmanszaak toe en waarom koopt [belanghebbende] in voor [bedrijf 7] ?
De gemachtigde houdt mij voor dat het verslag afsluit met de mededeling: 'Deze aanwijzingen kunnen nader worden beoordeeld aan de hand van de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek. Vanuit de Belastingdienst kan een ambtsedige verklaring worden opgesteld of aan een getuigenverhoor (deskundige) worden meegewerkt.'
Op de vraag van de gemachtigde hoe ik heb vastgesteld dat [belanghebbende] structureel verliesgevend is, antwoord ik:
Dat zal uit de aangifte vennootschapsbelasting zijn gebleken.
Op de vraag van de gemachtigde of ik het van belang acht dat [belanghebbende] structureel verliesgevend is voor het vermoeden van winstafroming, antwoord ik:
Ja, dat is een element.
Op de vraag van de gemachtigde hoe ik heb vastgesteld dat sprake is van een relatief groot aandeel van de verkopen aan [bedrijf 7] in de totale omzet van [belanghebbende] , zowel in aantal transacties als in omzetbedragen, antwoord ik:
Dat kan ik mij niet meer herinneren.
Op de vraag van de gemachtigde of ik voor het vermoeden van winstafroming van belang achtte dat de handel met [bedrijf 7] voor een relatief groot aandeel uitmaakt van de totale handel van [belanghebbende] , stelt het hof een vervolgvraag:
Op de vraag van de jongste raadsheer wie de afweging heeft gemaakt dat er aanwijzingen zijn voor het afromen van winst, antwoord ik:
Dat was de heer [getuige 3] .
De jongste raadsheer concludeert dat dergelijke vragen daarom niet beantwoord kunnen worden door de getuige.
Op de vraag van de gemachtigde hoe ik heb vastgesteld dat sprake is van een significant lagere brutowinst voor [bedrijf 7] bij de transacties zonder [belanghebbende] (inkoop van derden) ten opzichte van transacties met inkoop bij [belanghebbende] , antwoord ik:
Dat weet ik niet.".
3 Geschil en conclusies van partijen
3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij hieraan ter zittingen hebben toegevoegd. Tijdens de regiezitting hebben partijen verklaard dat stukken en standpunten die in één of meer van de in 1.15 en 1.18 genoemde zaken zijn ingebracht geacht worden ook onderdeel uit te maken van de dossiers in die andere zaken. Een uitzondering heeft te gelden voor het bericht van 1 mei 2025 en de daarbij gevoegde bijlagen; deze stukken zijn uitsluitend ingediend in de onderhavige zaken.
3.3. In hoger beroep is niet langer in geschil dat de inspecteur uitsluitend beschikt over proces-verbaal [nummer 1] zoals dat in geschoonde vorm - namelijk met een groot aantal zwart gelakte passages - tot de gedingstukken behoort. De inspecteur beschikt dus niet over een ongeschoonde versie van proces-verbaal [nummer 1] .
3.4. Belanghebbende heeft in haar nader stuk[14] aangeboden de originele geluidsopname van de hoorzitting in de bezwaarfase over te leggen. Belanghebbende heeft desgevraagd ter zitting van 25 september 2025 verklaard dat een gedeeltelijke transcriptie van die hoorzitting tot de gedingstukken behoort, dat de relevante passages daarin zijn vermeld en dat de transcriptie in zoverre niets toevoegt. Belanghebbende heeft daarom haar bewijsaanbod ingetrokken.
3.5. Belanghebbende concludeert primair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslagen. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Vooraf en ambtshalve
Aanbod van stukken
4.0.1. De inspecteur heeft tijdens de zitting van 25 september 2025 een kopie overgelegd van e-mailverkeer tussen, onder meer, [gemachtigde] en de inspecteur (zie 1.17). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daartoe aangevoerd dat de inspecteur die e-mails te laat heeft ingebracht.
4.0.2. Belanghebbende heeft tijdens de zitting van 26 september 2025 verzocht om document [nummer 8] , althans gedeelten daarvan, over te mogen leggen. Het hof heeft dat verzoek tijdens die zitting voorlopig afgewezen.
4.0.3. Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken tijdens de zitting alsnog over te leggen, moet een afweging plaatsvinden. Enerzijds is er het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang.[15]
4.0.4. Met betrekking tot het door de inspecteur overgelegde stuk (zie 4.0.1) overweegt het hof als volgt. Het hof constateert dat het e-mailverkeer berichten tussen [gemachtigde] , de gemachtigde van belanghebbende, en de inspecteur betreft. De inhoud van de betreffende emails mogen bij [gemachtigde] en (via toerekening aan) belanghebbende derhalve als bekend worden verondersteld. Verder neemt het hof in aanmerking dat de inspecteur het emailverkeer heeft ingebracht ter betwisting van een door belanghebbende in de op 22 september 2025 ingezonden pleitnota nieuw ingenomen stelling, namelijk dat het rapport Reiser niet door belanghebbende maar door de FIOD is verstrekt. Er was voor de inspecteur derhalve geen aanleiding het stuk eerder in het geding te brengen. Gelet op deze gang van zaken is het hof van oordeel dat de inspecteur een belang heeft bij het overleggen van de stukken en dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad op de stukken te reageren, nu deze stukken bij belanghebbende bekend mogen worden verondersteld. Het hof is dan ook van oordeel dat het belang van een goede procesorde zich niet verzet tegen overlegging van het emailverkeer door de inspecteur.
4.0.5. Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende (zie 4.0.2) overweegt het hof als volgt. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een voor haar relevante passage uit document [nummer 8] aangehaald (zie 2.31). De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij het document niet kent, maar dat hij de door belanghebbende aangehaalde inhoud van het document niet in twijfel trekt indien het hof dat ook niet doet. Het hof heeft geen reden om aan de door belanghebbende geschetste inhoud van het document te twijfelen. Belanghebbende heeft er in zoverre geen belang bij het document alsnog over te leggen. Omdat belanghebbende slechts een passage uit document [nummer 8] heeft aangehaald, kan het alsnog overleggen van het integrale document, waarvan niet duidelijk is gemaakt welk doel dit in deze procedure zou dienen, leiden tot een vertraging in de behandeling van de zaak. Er zijn geen aanwijzingen dat belanghebbende niet in een eerder stadium van de procedure in staat was document [nummer 8] over te leggen. Het hof is van oordeel dat het belang van een doelmatige procesgang in dit geval zwaarder weegt dan het alsnog overleggen van het integrale document [nummer 8] . Het bewijsaanbod van belanghebbende is derhalve tardief. Het hof heeft derhalve geen reden om op het voorlopig oordeel terug te komen.
Getuigen
4.0.6. Belanghebbende heeft vóór de regiezitting een getuigenaanbod gedaan. Zij heeft bij bericht van 28 februari 2025 aangekondigd 27 personen als getuige en drie personen als deskundige op te roepen. Het hof heeft vervolgens op 6 juni 2025 in de uitnodiging voor de zittingen van 25 en 26 september 2025 meegedeeld dat het gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod.
4.0.7. Belanghebbende heeft [getuige 7] , werkzaam bij de FIOD, als getuige opgeroepen voor de zittingen van 25 en 26 september 2025. Het hof constateert dat belanghebbende daarbij heeft voldaan aan de voorschriften van artikel 8:60, lid 4, Awb. In het deurwaardersexploot en in de aangetekende brief is vermeld dat [getuige 7] wordt opgeroepen om een getuigenis af te leggen over de tijdens de doorzoeking op 10 oktober 2017 in het bedrijfspand aangetroffen digitale en fysieke administratie van [bedrijf 7] en de stempel en administratie van [bedrijf 8] . De advocaat van [getuige 7] heeft op 17 september 2025 aan het hof en belanghebbende bericht dat [getuige 7] op beide zittingsdagen is verhinderd. [getuige 7] is op beide zittingen niet verschenen. Ter zitting van 25 september 2025 heeft belanghebbende het hof verzocht [getuige 7] als getuige op te roepen.
4.0.8. Het hof wijst het verzoek tot het horen van [getuige 7] als getuige af, omdat het horen van deze persoon in het kader van de op het hof rustende taak niet zinvol voorkomt.[16] Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de feiten en omstandigheden ten aanzien waarvan [getuige 7] zal worden bevraagd (zie 4.0.7) niet bijdragen aan de beslissing van de zaak. De inspecteur heeft immers ter zitting van 25 september 2025 verklaard dat niet langer in geschil is dat de stempel van [bedrijf 8] en die van [bedrijf 7] op 10 oktober 2017 zijn aangetroffen in de handtas van belanghebbende (zie 2.14). Wat betreft de administratie van [bedrijf 7] en [bedrijf 8] heeft het hof om tot zijn beslissing te komen, zoals hierna zal blijken, niet meegewogen of er administratie van [bedrijf 7] en [bedrijf 8] in het bedrijfspand is aangetroffen, of die digitaal of fysiek was en in hoeverre die administratie volledig was.
4.0.9. Ter zitting van 25 september 2025 zijn twee personen als getuige gehoord en ter zitting van 26 september 2025 zijn vier personen als getuige gehoord (zie 1.16 respectievelijk 1.19). Voor zover belanghebbende het verzoek tot het horen van de overige 22 personen als getuige en drie personen als deskundige gestand doet, wijst het hof dat verzoek af. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende bij het oproepen van deze getuigen en deskundigen zelf niet heeft voldaan aan de voorschriften van artikel 8:60, lid 4, Awb. Zij heeft deze personen immers niet bij aangetekende brief of deurwaardersexploit opgeroepen danwel meegebracht. Bovendien heeft belanghebbende op de regiezitting verklaard dat het horen van [naam 11] als getuige niet (meer) nodig is. Ook ziet het hof ambtshalve geen aanleiding deze personen als getuigen op te roepen.[17]
Tussenbeslissingen
4.0.10. Belanghebbende verzoekt om tussenbeslissingen met betrekking tot de omvang van het dossier, meer in het bijzonder ten aanzien van het uitsluiten van een aantal stukken. Dit verzoek wordt afgewezen. Het strookt niet met het stelsel van de Awb de bestuursrechter gehouden te achten een tussenbeslissing te geven omtrent de bewijslastverdeling, of omtrent de waardering van het tot dan toe bijgebrachte bewijs.[18]
Ten aanzien van het geschil
a. Vooringenomenheid van de rechtbank
4.1.1. Belanghebbende stelt dat de rechtbank de uitspraak heeft gebaseerd op de strafzaak en de zaak niet op haar eigen fiscale merites heeft beoordeeld, waardoor diens onafhankelijkheid in het gedrang is gekomen. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat de uitspraak van de rechtbank om die reden moet worden vernietigd.
4.1.2. Het is het hof niet gebleken dat de rechtbank partijdig is geweest. Het dossier, noch het proces-verbaal van de zitting of de uitspraak van de rechtbank geven daarvan blijk. De omstandigheid dat de rechtbank, al dan niet in lijn met het vonnis van de strafrechter, (bewijs)oordelen heeft gegeven en procesbeslissingen heeft genomen die niet in het voordeel van belanghebbende zijn, leidt niet tot de conclusie dat de rechtbank vooringenomen is geweest. Het is het hof ook niet gebleken dat de rechtbank beginselen van goede procesorde heeft geschonden.
b. Recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer
4.2.1. Belanghebbende stelt dat de inspecteur heeft gehandeld in strijd met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ter zitting van het hof van 25 september 2025 heeft belanghebbende toegelicht dat het gaat om de persoonlijke levenssfeer van [naam 1] en [naam 2] . In proces-verbaal [nummer 1] (zie 2.21) is immers informatie over de levensloop van [naam 1] en [naam 2] en hun persoonlijke verwevenheid vermeld. Volgens belanghebbende is noch hun persoonlijke leven noch hun vermeende persoonlijke verwevenheid van belang voor een juiste en doelmatige uitvoering van de belastingwet en dus ook niet voor de onderhavige zaak. Belanghebbende verbindt hieraan de conclusie dat proces-verbaal [nummer 1] deels buiten beschouwing moet blijven.
4.2.2. Het hof is van oordeel dat de persoonlijke levenssfeer van [naam 1] en [naam 2] belanghebbende niet aangaat. Belanghebbende heeft geen feiten of omstandigheden gesteld op basis waarvan zou moeten worden geoordeeld dat is gehandeld in strijd met de persoonlijke levenssfeer van belanghebbende. Reeds om deze reden is geen sprake van een ongerechtvaardigde inbreuk op artikel 8 EVRM.
c. Op de zaak betrekking hebbende stukken
4.3.1. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd. Ze stelt dat ze de inspecteur meermaals heeft gevraagd om toezending van de door hem - in de persoon van [getuige 4] - geselecteerde posten (mutaties) ter zake van de rekening-courant tussen belanghebbende en [bedrijf 7] in de jaren 2006 tot en met 2015 en dat hij deze gegevens nooit heeft verstrekt. Verder heeft belanghebbende ter zitting van 25 september 2025 gesteld dat zij niet weet welke op de zaak betrekking hebbende stukken verder ontbreken, omdat zij niet weet welke stukken de inspecteur van het Openbaar Ministerie heeft gekregen. Desgevraagd heeft zij ter zitting verklaard dat ze een aanknopingspunt voor haar opvatting dat de inspecteur artikel 8:42 Awb heeft geschonden, ontleent aan het ontbreken van ontlastende stukken in het dossier.
4.3.2. De inspecteur heeft met betrekking tot de stukken betreffende de rekening-courant tussen belanghebbende en [bedrijf 7] verwezen naar door hem in eerste aanleg overgelegde stukken en heeft in hoger beroep nog bijlage 68 overgelegd.[19] Verder heeft de inspecteur verklaard dat hij niet over het integrale strafdossier beschikt, in ieder geval niet over de stukken die van buitenlandse autoriteiten zijn verkregen naar aanleiding van rechtshulpverzoeken, en dat hij enkel over de stukken uit het strafdossier beschikt die hem door het Openbaar Ministerie ter beschikking zijn gesteld. Desgevraagd heeft de inspecteur verklaard dat hij niet kan garanderen dat hij alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd, ondanks het feit dat hij tijdens enkele "veegrondes" heeft geverifieerd of hij alle stukken uit het strafdossier, voor zover hem dat ter beschikking staat, heeft overgelegd. De inspecteur heeft desgevraagd verklaard dat hij in ieder geval niet heeft geselecteerd uit een stuk en dat de stukken die zijn overgelegd, integraal zijn overgelegd.
4.3.3. Het hof acht aannemelijk dat de inspecteur alle stukken betreffende de rekening-courant tussen belanghebbende en [bedrijf 7] heeft overgelegd. Met betrekking tot de stukken uit het strafdossier heeft het volgende te gelden. [getuige 4] heeft desgevraagd als getuige verklaard dat hij vlak voor zijn pensionering alle stukken heeft overgedragen aan zijn collega-inspecteur (zie 2.30), maar die collega heeft ter zitting verklaard dat hij niet kan garanderen dat alle stukken uit het strafdossier zijn overgelegd. Stukken die de inspecteur mogelijkerwijs niet heeft overgelegd, betreffen uitsluitend stukken uit het strafdossier. Belanghebbende heeft desgevraagd niet concreet aangegeven welke stukken uit het strafdossier ontbreken. Het hof acht van belang dat het gaat om stukken waarover belanghebbende zelf (ook) de beschikking heeft. Weliswaar ontslaat die omstandigheid de inspecteur er niet van de stukken zelf in te brengen. Maar indien het gaat om stukken die ontlastend zijn voor belanghebbende, mag ervan worden uitgegaan dat belanghebbende die stukken zelf zou hebben ingebracht. Belanghebbende heeft dergelijke stukken niet ingebracht. Het hof acht dus aannemelijk dat het strafdossier geen ontlastende stukken bevat. Daarvan uitgaande acht het hof aannemelijk dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd.
d. Onrechtmatig verkregen bewijs
4.4.1. Belanghebbende stelt dat de inspecteur bewijs heeft ingebracht dat onrechtmatig is verkregen. In dat kader stelt zij (i) dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, (ii) dat het (indirecte) gebruik door de inspecteur van informatie en stukken die de Nederlandse autoriteiten hebben ontvangen van buitenlandse autoriteiten onrechtmatig is en (iii) dat het Openbaar Ministerie ten onrechte medewerking heeft verleend aan de verzoeken van de inspecteur op grond van artikel 55 AWR. Belanghebbende verbindt hieraan het rechtsgevolg dat het gebruik van de betreffende stukken in de onderhavige zaak niet is toegestaan.
i. Strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs
4.4.2. De stelling dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, is volgens belanghebbende meerderlei. Ten eerste was het Openbaar Ministerie niet bevoegd om vervolgingsmaatregelen in te stellen, omdat er geen redelijk vermoeden kan zijn ontstaan dat belanghebbende, [naam 1] , [naam 2] en [bedrijf 8] zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan het begaan van strafbare feiten. Ten tweede zijn ten onrechte bepaalde opsporingsbevoegdheden jegens belanghebbende, [naam 1] , [naam 2] en [bedrijf 8] gebruikt. Ten derde zijn opsporingsbevoegdheden jegens belanghebbende, [naam 1] , [naam 2] en [bedrijf 8] gebruikt, voordat zij als verdachten zijn aangemerkt. Ten vierde is de inval op 10 oktober 2017 verricht zonder dat daaraan voorafgaand een daartoe strekkend bevel is aangevraagd, laat staan dat een dergelijk bevel voorafgaand aan de inval is verkregen. Ten slotte heeft de inspecteur noch het Openbaar Ministerie de informatiebron van document [nummer 7] " [naam 9] " vastgesteld; omdat het document is gedrukt op blanco papier en geen naam of titel van de opsteller van het document bevat, is het stuk vals, aldus belanghebbende.
4.4.3. De Hoge Raad[20] heeft een beoordelingskader gegeven voor het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak:
"4.3.2 In het arrest van 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028 (hierna: het arrest van 1 juli 1992), heeft de Hoge Raad, voor het geval sprake is van bewijsmiddelen die jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, als regel vooropgesteld dat die omstandigheid voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken. In een dergelijk geval zal met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden nader moeten worden beoordeeld of de inspecteur handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, door ter vaststelling of ter ondersteuning van een belastingaanslag van dit strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken. Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan in het algemeen niet worden gesproken indien de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen waarvan hij zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, ook indien de onrechtmatige handelingen van de betrokken strafrechtelijke instantie(s) niet hadden plaatsgevonden. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is volgens het arrest van 1 juli 1992 slechts dan niet toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
4.3.3 In het arrest van 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad, afgezien van gevallen waarin het recht van de belanghebbende op een behoorlijk proces op grond van artikel 6 EVRM noodzaakt tot bewijsuitsluiting, slechts in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid aanvaard dat in belastingzaken uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs is geboden als rechtsstatelijke waarborg. Daarvoor geldt volgens dit arrest als maatstaf dat een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in zo aanzienlijke mate is geschonden, dat de uitkomst van dat onderzoek ook in een belastingzaak van het bewijs dient te worden uitgesloten. Met betrekking tot deze maatstaf heeft de Hoge Raad in het arrest van 20 maart 2015 niet de formulering herhaald over 'bewijsmiddelen waarvan de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis kan nemen'. De Hoge Raad heeft in dit arrest verder overwogen dat deze zeer terughoudende uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in belastingzaken, in gevallen waarin artikel 6 EVRM daartoe niet dwingt, op een adequate wijze tot uitdrukking komt in het zozeer-indruistcriterium uit het arrest van 1 juli 1992.
4.3.4 Gelet op het arrest van 20 maart 2015 is de Hoge Raad van oordeel dat bij de toepasselijkheid van het zozeer-indruistcriterium niet van belang is of het gaat om bewijsmiddelen waarvan de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen. Dat betekent dat in alle gevallen waarin de inspecteur gebruik wil maken van bewijsmiddelen die jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, het gebruik daarvan slechts dan niet is toegestaan indien (i) artikel 6 EVRM daartoe dwingt, of (ii) die bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.".
4.4.4. Naar het oordeel van het hof bieden de stukken van het geding, in het bijzonder de stukken van het strafdossier en het vonnis van de strafrechter, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs en - zo ja - dat sprake is van bewijsmiddelen die zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Met dat wat belanghebbende stelt (zie 4.4.2) heeft zij in dat verband geen, althans onvoldoende, twijfel gezaaid over de juistheid van het vonnis van de strafrechter, waardoor aan dat vonnis - in zoverre - zou moeten worden getwijfeld.
4.4.5. Met betrekking tot document [nummer 7] " [naam 9] " constateert het hof dat de inspecteur, in tegenstelling tot belanghebbende[21] , dat document niet in het geding heeft gebracht. Wel heeft de inspecteur proces-verbaal [nummer 6] overgelegd en wordt in dat proces-verbaal verwezen naar en geciteerd uit document [nummer 7] " [naam 9] ". [getuige 5] , die proces-verbaal [nummer 6] heeft opgemaakt, heeft ter zitting van het hof van 26 september 2025 als getuige verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij heeft geverifieerd of de herkomst van document [nummer 7] " [naam 9] " verifieerbaar is (zie 2.31) Het hof constateert dat de herkomst van het document niet kan worden vastgesteld. Het hof gaat er met betrekking tot dit document daarom veronderstellenderwijs van uit dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. Het hof is echter van oordeel dat geen sprake is van een bewijsmiddel dat is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
ii. Gebruik van informatie en stukken naar aanleiding van rechtshulpverzoeken
4.4.6. Belanghebbende stelt dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten naar aanleiding van een rechtshulpverzoek informatie dan wel stukken hebben verkregen van de autoriteiten van Hong Kong, Taiwan, de Filipijnen en Duitsland (hierna: de buitenlandse autoriteiten) en dat deze buitenlandse autoriteiten het voorbehoud hebben gemaakt dat de informatie en stukken uitsluitend worden verstrekt voor strafvorderlijke doeleinden. Belanghebbende stelt dat de inspecteur van die informatie op indirecte wijze kennis heeft gekregen door dat wat in het vonnis van de strafrechter en in processen-verbaal in het strafdossier is vermeld. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur van die informatie gebruik gemaakt in de onderhavige belastingzaak en is dat gebruik onrechtmatig.
4.4.7. Niet in geschil is dat de buitenlandse autoriteiten informatie dan wel stukken hebben verstrekt aan de Nederlandse opsporingsautoriteiten en dat zij daarbij het voorbehoud hebben gemaakt dat die informatie dan wel stukken uitsluitend mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek. Niet in geschil is dat de inspecteur niet beschikt over die stukken en dat de inspecteur die stukken dus ook niet in het geding heeft gebracht. Niettemin heeft de inspecteur wel informatie uit die stukken kunnen herleiden uit processen-verbaal uit het strafdossier en uit het vonnis van de strafrechter. De inspecteur heeft die informatie in de onderhavige belastingzaak gebruikt ter onderbouwing van zijn standpunten. De inspecteur heeft aldus op indirecte wijze gebruik gemaakt van de door de Nederlandse opsporingsautoriteiten van de buitenlandse autoriteiten verkregen informatie en stukken. Het hof is van oordeel dat het door de inspecteur op indirecte wijze gebruik maken van die informatie niet in strijd is met de goede verdragstrouw, een goede procesorde en wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Het is de inspecteur dus toegestaan op voormelde indirecte wijze gebruik te maken van de door de Nederlandse opsporingsautoriteiten van de buitenlandse autoriteiten verkregen informatie en stukken.
4.4.8. Ten aanzien van het document [nummer 7] " [naam 9] " herhaalt het hof dat de herkomst ervan niet is komen vast te staan (zie 4.4.5). Voor zover dit document door buitenlandse autoriteiten is verstrekt onder het voorbehoud dat het uitsluitend mag worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek, heeft het volgende te gelden. Geen rechtsregel verhindert het hof kennis te nemen van dat document dat door belanghebbende zelf aan het hof is toegezonden.[22] Overigens heeft het hof aan dat document geen belang toegekend.[23]
iii. Artikel 55 AWR
4.4.9. Belanghebbende stelt dat het Openbaar Ministerie ten onrechte medewerking heeft verleend aan de verzoeken van de inspecteur op grond van artikel 55 AWR, omdat belanghebbende op dat moment nog geen verdachte was. Belanghebbende verliest daarbij uit het oog dat voor toepassing van deze bepaling niet relevant is of de belastingplichtige al dan niet verdachte is. Voorwaarde voor toepassing van artikel 55 AWR is dat de gegevens en inlichtingen worden verschaft ter uitvoering van de belastingwet. Daarvan is in het onderhavige geval sprake.
e. Nieuw feit
4.5.1. Belanghebbende stelt dat de inspecteur niet beschikt over een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt. Volgens belanghebbende was de inspecteur, mede op basis van boekenonderzoeken in 2003, 2008 en 2011, vóór het opleggen van de aanslagen VPB 2005 tot en met 2015 ermee bekend dat belanghebbende en [bedrijf 7] ABC-transacties verrichtten en wie de uiteindelijk gerechtigde van [bedrijf 7] was.
4.5.2. Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is.[24]
4.5.3. De bewijslast dat sprake is van een nieuw feit rust op de inspecteur. Hij stelt in dat kader dat hem pas uit de stukken en bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoeksdossier is gebleken dat [bedrijf 7] door belanghebbende, in de persoon van [naam 1] en [naam 2] , is gebruikt om door belanghebbende behaalde winst af te romen en dat dit feit hem nog niet bekend was ten tijde van het opleggen van de aanslagen VPB 2005 tot en met 2015. De inspecteur stelt dat belanghebbende hem tijdens het boekenonderzoek in 2008 heeft voorgespiegeld dat [bedrijf 7] een van haar onafhankelijke derde was en heeft in dat kader verwezen naar een verklaring van [naam 3] (zie 2.17). Verder stelt de inspecteur dat tijdens het boekenonderzoek in 2011 bij [bedrijf 5] de transacties tussen [bedrijf 7] en belanghebbende buiten de reikwijdte van het onderzoek vielen en dat er bovendien geen aanleiding was voor de veronderstelling dat belanghebbende en [bedrijf 7] gelieerde partijen waren.
4.5.4. Het hof stelt voorop dat de inspecteur bij het vaststellen van een belastingaanslag mag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden. Wel is hij tot een nader onderzoek gehouden, indien hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn.[25]
4.5.5. Voorts heeft te gelden dat de inspecteur bij het regelen van een belastingaanslag in de VPB van een belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van dát dossier, dat met name voor de inspecteur niet de verplichting bestaat tot het raadplegen van al dan niet op zijn eenheid aanwezige dossiers, die zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook al zouden daarin mogelijkerwijs gegevens kunnen worden aangetroffen, die voor het regelen van de bedoelde belastingaanslag in de VPB van belang zijn, en dat de inspecteur slechts dan tot een onderzoek buiten het bedoelde dossier is gehouden, indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.[26]
4.5.6. Het hof acht aannemelijk dat de inspecteur ten tijde van het vaststellen van de aanslagen VPB 2005 tot en met 2015 geen aanknopingspunt had voor de veronderstelling dat belanghebbende en [bedrijf 7] gelieerde partijen waren en dat [bedrijf 7] door belanghebbende werd gebruikt om door belanghebbende behaalde winst af te romen (zie hierna 4.7.3). Ook had de inspecteur daarmee toen niet redelijkerwijs bekend kunnen zijn. Aannemelijk is dat er voor de inspecteur eerst na de inzage in de stukken en bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoeksdossier aanknopingspunten bestonden voor die veronderstelling. Het hof acht daarbij van belang dat belanghebbende de inspecteur bij brief van 3 april 2007 heeft bericht dat [bedrijf 7] eigendom is van [naam 2] en dat dit geen gelieerde vennootschap is.[27] Het hof is verder van oordeel dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim heeft begaan door naar aanleiding van de bevindingen uit de onderzoeken in 2008 en 2011 geen nader onderzoek in te stellen naar de relatie tussen belanghebbende en [bedrijf 7] . Ook was de inspecteur niet gehouden het douanedossier, waarin zich volgens belanghebbende het controlerapport van 8 september 2003 bevindt, te raadplegen (zie 4.5.4). Het nieuwe feit, dat [bedrijf 7] ten opzichte van belanghebbende geen onafhankelijke derde was en dat [bedrijf 7] door belanghebbende werd gebruikt om door belanghebbende behaalde winst af te romen (het hof beoordeelt dit hierna in 4.7.4 tot en met 4.7.5), levert grond op voor navordering van de via [bedrijf 7] afgeroomde winsten.
f. Verlengde navorderingstermijn
4.6.1. Niet in geschil is dat de navorderingsaanslagen VPB 2005 tot en met 2011 zijn opgelegd buiten de reguliere navorderingstermijn, maar binnen de verlengde navorderingstermijn.[28] Tussen partijen is in geschil of de verlengde navorderingstermijn van toepassing is. In dat kader is in geschil (i) of sprake is van in het buitenland gehouden vermogensbestanddelen dan wel in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen en (ii) of de inspecteur voldoende voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van deze navorderingsaanslagen.
4.6.2. Belanghebbende stelt dat geen sprake is van in het buitenland gehouden vermogensbestanddelen of in het buitenland opgekomen inkomensbestanddelen. Zij wijst erop dat alle transacties zijn verantwoord in haar administratie en dat die steeds aan de inspecteur ter beschikking heeft gestaan.
4.6.3. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling of sprake is van opkomen in het buitenland doorslaggevend is of door de wijze waarop de belastingplichtige zich de uit het buitenland stammende inkomens - of winstbestanddelen laat betalen, die bestanddelen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus zijn gebleven.[29] De bewijslast met betrekking tot de toepassing van de verlengde navorderingstermijn rust op de inspecteur.
4.6.4. De inspecteur stelt in dat kader dat de in de navorderingsaanslagen VPB 2005 tot en met 2011 begrepen winst betrekking heeft op de door belanghebbende via [bedrijf 7] in Hong Kong afgeroomde winst. De inspecteur stelt dat sprake is van ABC-transacties, waarbij A staat voor belanghebbende, B voor [bedrijf 7] en C voor de uiteindelijke afnemers. De goederen zijn weliswaar door belanghebbende rechtstreeks aan de uiteindelijke afnemers verzonden. Maar de uiteindelijke afnemers hebben facturen ontvangen van [bedrijf 7] en hebben die facturen voldaan door bedragen te storten op de ten name van [bedrijf 7] dan wel [naam 1] en/of [naam 2] in Hong Kong aangehouden bankrekeningen. Er is sprake van een verhullende structuur, omdat de vermeende omzet van [bedrijf 7] geen enkel aanknopingspunt met Nederland had. De vermeende omzet van [bedrijf 7] dient volgens de inspecteur te worden toegerekend aan belanghebbende (zie hierna 4.7.3). Volgens de inspecteur zijn de inkomensbestanddelen daarom in het buitenland opgekomen.
4.6.5. Het hof stelt vast dat de in de navorderingsaanslagen VPB 2005 tot en met 2011 begrepen winst betrekking heeft op de ABC-transacties. Niet in geschil is dat belanghebbende in de jaren 2005 tot en met 2011 geen goederen rechtstreeks fysiek aan [bedrijf 7] heeft verzonden en dat belanghebbende de goederen betreffende die transacties rechtstreeks fysiek naar de uiteindelijke afnemers heeft verzonden. [naam 1] heeft ter zitting van het hof van 25 september 2025 verklaard dat de uiteindelijke afnemers meestal klanten van [naam 2] waren. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat [naam 2] , gelet op de specifieke handel, naar buiten toe "het gezicht" van belanghebbende is. [naam 1] heeft immers verklaard dat [naam 2] de "legend" was in de handel in legermaterieel (zie 2.16). Dat volgt ook uit de door de inspecteur overgelegde historische, met de zogenoemde waybackmachine gemaakte, printscreens van de website van belanghebbende.[30] De omstandigheden dat [naam 2] naar buiten toe "het gezicht" van belanghebbende is, dat bij transacties die belanghebbende rechtstreeks met de uiteindelijke afnemers sloot, die afnemers op de bankrekeningen van [bedrijf 7] dan wel op de gezamenlijke bankrekening van [naam 1] en [naam 2] in Hong Kong betaalden (zie 4.7.4.2) en dat [bedrijf 7] geen realiteitswaarde toekomt (zie 4.7.5), rechtvaardigen de conclusie dat de uiteindelijke afnemers economisch een transactie verrichten met [naam 2] , als vertegenwoordiger van belanghebbende. De door de uiteindelijke afnemers ter zake van die transacties verrichte betalingen aan [bedrijf 7] komen economisch bezien derhalve toe aan belanghebbende. De ABC-transacties zijn economisch bezien dus - parallel met de betreffende goederenbewegingen - transacties tussen belanghebbende en de uiteindelijke afnemers. De uiteindelijke afnemers hebben echter geen betalingen verricht aan belanghebbende, maar hebben de bedragen gestort op één van de door [bedrijf 7] , [naam 2] en/of [naam 1] gehouden bankrekeningen in Hong Kong (zie 2.8). Door de wijze waarop belanghebbende zich aldus heeft laten betalen voor de aan de uiteindelijke afnemers geleverde goederen, zijn bedragen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus gebleven. Aan die conclusie doet niet af dat belanghebbende zich - als onderdeel van die ABC-transacties - door [bedrijf 7] bedragen heeft laten uitbetalen in Nederland. Belanghebbende heeft die betalingen immers jegens de Nederlandse fiscus voorgewend als een at arm's length-prijs die door [bedrijf 7] aan belanghebbende is voldaan, ervan uitgaande dat zij onafhankelijke derden van elkaar zijn. Zoals het hof hierna zal oordelen (zie 4.7.4 tot en met 4.7.4.7) zijn belanghebbende en [bedrijf 7] echter geen onafhankelijke derden. Het hof is van oordeel dat de aan [bedrijf 7] toegerekende winst is opgekomen in Hong Kong.
4.6.6. Verder stelt belanghebbende dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is geschonden. Zij stelt daartoe dat de inspecteur niet voortvarend heeft gehandeld bij het opleggen van de navorderingsaanslagen VPB 2005 tot en met 2011. In dat kader stelt zij dat de inspecteur op het moment dat er aanwijzingen waren die tot een nader onderzoek hadden kunnen leiden, voortvarender had moeten handelen. Belanghebbende heeft ter zitting van het hof van 26 september 2025 gewezen op een conclusie van advocaat-generaal Niessen.[31]
4.6.7. Naar het oordeel van het hof verliest belanghebbende daarmee uit het oog dat de standstillbepaling van artikel 64, lid 1, VWEU van toepassing is op de verlengde navorderingstermijn van artikel 16, lid 4, AWR.[32] Dit betekent dat de voortvarendheidseis als uitvloeisel van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel niet van toepassing is in de relatie tot derde landen. De aan [bedrijf 7] toegerekende winst is opgekomen in Hong Kong (zie 4.6.5). Van een schending van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel is dus geen sprake.
4.6.8. Gelet op het vorenstaande is de verlengde navorderingstermijn van toepassing met betrekking tot de navorderingsaanslagen VPB 2005 tot en met 2011.
g. Vereiste aangiften
4.7.1. De inspecteur stelt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften VPB 2005 tot en met 2015 heeft gedaan. Hij stelt dat belanghebbende bewust ten onrechte een gedeelte van haar winst heeft toegerekend aan [bedrijf 7] . Hij stelt in dat kader primair dat [bedrijf 7] geen realiteitswaarde heeft en subsidiair - voor het geval [bedrijf 7] wel realiteitswaarde zou hebben - dat [bedrijf 7] geen functie heeft of waarde toevoegt, zodat geen winst van belanghebbende kan worden toegerekend aan [bedrijf 7] .
4.7.2. Ter onderbouwing van de stelling dat aan [bedrijf 7] geen realiteitswaarde toekomt, stelt de inspecteur samengevat (i) dat door [naam 2] en [naam 1] en de met hen verbonden vennootschappen alleen in Nederland een materiële onderneming op het terrein van handel in legermaterieel werd gedreven, namelijk door belanghebbende, (ii) dat [naam 2] en [naam 1] in Hong Kong, op de Filipijnen of in Taiwan geen materiële onderneming hebben gedreven en aldaar ook nooit een belasting naar het inkomen of de winst hebben betaald, (iii) dat er verwevenheid is tussen [naam 2] en [naam 1] en (iv) dat met betrekking tot de transacties tussen belanghebbende en de uiteindelijke afnemers door [naam 1] en [naam 2] werd beslist of die transacties via [bedrijf 7] plaatsvonden of niet en dat aan die beslissing geen enkele zakelijke reden ten grondslag lag. Belanghebbende heeft dat alles weersproken en stelt dat [bedrijf 7] en belanghebbende wel degelijk onafhankelijke entiteiten zijn die zakelijk met elkaar hebben gehandeld.
4.7.3. Volgens vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting (hierna: het relatief-aanzienlijk-criterium). Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (hierna: het absoluut-aanzienlijk-criterium). Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan belasting niet zou worden geheven (hierna: het bewustheidscriterium).[33]
4.7.4. Het hof oordeelt ten aanzien van de realiteitswaarde van [bedrijf 7] als volgt.
4.7.4.1. Belanghebbende is opgericht in 1989 (zie 2.1). In 1994 heeft [naam 2] in Hong Kong [bedrijf 7] opgericht, zijnde een vehikel zonder rechtspersoonlijkheid (zie 2.7). [naam 2] heeft verklaard dat hij altijd actief is geweest in de surplushandel - de handel in legeronderdelen - , dat hij die werkzaamheden vóór de oprichting van [bedrijf 7] samen met [naam 1] vanuit belanghebbende heeft verricht en dat er na de oprichting van [bedrijf 7] feitelijk niets in zijn werkzaamheden is veranderd (zie 2.19).
4.7.4.2. Het hof neemt verder in aanmerking dat [bedrijf 7] in Hong Kong nooit eigen ruimte ter beschikking heeft gehad en vanaf medio 2014 niet meer over een eigen bankrekening beschikt (zie 2.8). Weliswaar beschikte [bedrijf 7] tot medio 2014 over twee eigen bankrekeningen in Hong Kong, maar deze zijn door toedoen van de Standard Chartered Bank in Hong Kong medio 2014 beëindigd. Indien [bedrijf 7] een eenmanszaak van [naam 2] zou zijn geweest, had het naar het oordeel van het hof voor de hand gelegen dat [naam 2] op zijn naam een bankrekening in Hong Kong had geopend, indien een bankrekening op naam van [bedrijf 7] niet meer tot de mogelijkheden behoorde. In plaats daarvan heeft [naam 2] medio 2014 samen met [naam 1] een gezamenlijke bankrekening in Hong Kong geopend, zijn betalingen van en aan [bedrijf 7] via die gezamenlijke bankrekening gedaan en is - zoals [naam 1] ter zitting van het hof van 25 september 2025 heeft verklaard - nooit bijgehouden welke betalingen betrekking hebben op [naam 2] , [naam 1] respectievelijk [bedrijf 7] . Behalve een registratie van [bedrijf 7] in de 'Business Registration Office', een vestigingsadres ten kantore van [kantoor] ., twee bankrekeningen van [bedrijf 7] tot medio 2014 en een gezamenlijke bankrekening van [naam 1] en [naam 2] vanaf medio 2014 zijn er in Hong Kong geen feitelijke aanknopingspunten voor ondernemingsactiviteiten. Genoemde aanknopingspunten zijn onvoldoende voor het oordeel dat [naam 2] in de onderhavige jaren in Hong Kong een onderneming uitoefent.
4.7.4.3. Het hof heeft reeds aannemelijk geacht dat [naam 2] naar buiten toe "het gezicht" van belanghebbende is (zie 4.6.5). Belanghebbende heeft verklaard dat [naam 2] altijd belangrijk voor haar is geweest, gelet op zijn kennis en zijn klantenkring en dat haar klanten het liefst enkel met [naam 2] - als bemiddelaar of handelspartner - handel dreven.[34] [naam 1] heeft ter zitting van het hof van 25 september 2025 verklaard dat de uiteindelijke afnemers meestal klanten van [naam 2] waren en dat zelfs [bedrijf 3] uit Taiwan - het bedrijf van de zwager van [naam 1] - altijd zaken deed met [naam 2] in persoon en niet met [naam 1] (zie ook 2.18). [naam 1] heeft verklaard dat in de administratie van belanghebbende in de jaren 2005 tot en met 2015 107 transacties met [bedrijf 7] zijn verwerkt.[35] Deze transacties betreffen ABC-transacties (zie 4.6.5). Niet in geschil is dat belanghebbende in de jaren 2005 tot en met 2015 geen goederen rechtstreeks fysiek aan [bedrijf 7] heeft verzonden en dat belanghebbende de goederen betreffende die 107 transacties rechtstreeks fysiek naar de uiteindelijke afnemers heeft verzonden. [naam 1] heeft ter zitting van het hof van 25 september 2025 desgevraagd verklaard dat bij transacties die belanghebbende rechtstreeks met de uiteindelijke afnemers sloot, die afnemers op de bankrekeningen van [bedrijf 7] dan wel op de gezamenlijke bankrekening van [naam 1] en [naam 2] in Hong Kong betaalden en de financiële afwikkeling tussen [bedrijf 7] en belanghebbende in rekening-courant werd verwerkt. In het licht van hetgeen in 4.7.4.2 is geoordeeld, rechtvaardigt dit de conclusie dat belanghebbende zich met [bedrijf 7] vereenzelvigde en dat de uiteindelijke afnemers belanghebbende en [bedrijf 7] ook vereenzelvigden.
4.7.4.4. Verder heeft de inspecteur onweersproken gesteld dat belanghebbende haar vordering op [bedrijf 7] in rekening-courant, naar aanleiding van de ABC-transacties (zie 4.7.4.3), aan het eind van elk kwartaal omzette in een vordering op [bedrijf 11] , de rechtsvoorganger van [bedrijf 8] en later in een vordering op [bedrijf 8] .[36] Belanghebbende heeft geen verklaring gegeven voor de omzetting van de vordering en voor de vervlechting met [bedrijf 8] .
4.7.4.5. Ook acht het hof van belang dat [naam 1] en [naam 2] op 1 november 2012 de Partnership Agreement hebben gesloten (zie 2.9). Uit deze agreement volgt dat [naam 1] en [naam 2] al sinds 1994 samenwerkten op het gebied van handel in onderdelen van voertuigen, dat zij hun samenwerking in 2012 wilden intensiveren en dat [naam 1] zich toen in [bedrijf 7] mocht inkopen als gelijkwaardige partner van [naam 2] voor een bedrag van $ 25.000. Het hof acht daarom aannemelijk dat er al sinds 1994 verwevenheid was tussen [naam 2] en [naam 1] . Gelet op de kennis en klantenkring van [naam 2] (zie 4.7.4.3) en de daaraan toe te rekenen winsten acht het hof het volstrekt niet zakelijk dat [naam 1] zich voor een bedrag van slechts $ 25.000 mocht inkopen in de zeer lucratieve onderneming van [naam 2] .
4.7.4.6. Verder neemt het hof in aanmerking dat [naam 1] niet alleen de facturen van belanghebbende opmaakte, maar ook die van [bedrijf 7] . [naam 1] heeft namelijk ter zitting van het hof van 25 september 2025 verklaard dat zij vanaf 2012 in opdracht van [naam 2] de facturen van [bedrijf 7] opmaakte. In die hoedanigheid had [naam 1] dus inzage in de prijsstelling van [bedrijf 7] . Verder heeft [naam 1] in opdracht van [naam 2] namens [bedrijf 7] e-mails verzonden en zich daarbij gepresenteerd als manager van [bedrijf 7] .[37] Anderzijds deed [naam 2] soms de inkoop van belanghebbende (zie 2.16). Het hof acht het ondenkbaar dat, ware belanghebbende en [bedrijf 7] onafhankelijke derden, aan [naam 1] en [naam 2] dergelijke wederzijdse, kruislingse bevoegdheden zouden zijn toegekend.
4.7.4.7. Verder neemt het hof in aanmerking dat [naam 1] op 22 januari 2013 alle aandelen in belanghebbende heeft overgedragen aan (een vennootschap van) [naam 2] . Het dossier biedt geen enkel inzicht in de reden van de aandelenoverdracht en de overdrachtsprijs.
4.7.5. Gelet op al het vorenstaande is het hof van oordeel dat aan [bedrijf 7] geen realiteitswaarde toekomt. Naar het oordeel van het hof moeten de transacties en winsten van [bedrijf 7] worden toegerekend aan belanghebbende. De stelling van belanghebbende, dat zij en [bedrijf 7] twee afzonderlijke entiteiten zijn die at arm's length zaken met elkaar doen, acht het hof dus niet aannemelijk. Het rapport [accountant] (zie 2.27), waarin is onderzocht of de transacties tussen belanghebbende met [bedrijf 7] tegen onzakelijke prijzen zijn geschied, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit rapport gaat immers uit van de – onjuiste - veronderstelling dat belanghebbende en [bedrijf 7] onafhankelijke derden zijn.
4.7.6. Met betrekking tot de in de navorderingsaanslagen begrepen winsten van [bedrijf 7] die zijn toegerekend aan belanghebbende, moet het hof beoordelen of in elk van de jaren 2005 tot en met 2015 is voldaan aan het relatief-aanzienlijk-criterium, het absoluut-aanzienlijk-criterium en het bewustheidscriterium (zie 4.7.2).
4.7.7. Wat betreft het relatief-aanzienlijk-criterium en het absoluut-aanzienlijk-criterium stelt de inspecteur het volgende. De inspecteur heeft aan de hand van de 13 sets (zie 2.22), die dertien ABC-transacties uit 2011, 2012 en 2015 betreffen, de gemiddelde brutowinstmarge van de door belanghebbende aan [bedrijf 7] toegerekende winsten berekend. De inspecteur stelt dat deze marge 228 procent bedraagt (zie 2.29). Deze marge heeft de inspecteur toegepast op de bedragen die belanghebbende aan [bedrijf 7] heeft gefactureerd. De hoogte van de gefactureerde bedragen heeft de inspecteur afgeleid uit de rekening-courant tussen belanghebbende en [bedrijf 7] , omdat de gefactureerde bedragen altijd in rekening-courant zijn verwerkt. Aldus heeft de inspecteur op de mutaties in de rekening-courant voor belanghebbende voor alle jaren van 2005 tot en met 2015 een winstcorrectie van 228 procent berekend. Wegens een gebrek aan gegevens heeft de inspecteur de door hem berekende gemiddelde brutowinstmarge dus niet alleen toegepast in 2011, 2012 en 2015, maar ook - door middel van extrapolatie - in de overige in geschil zijnde jaren.
4.7.8. Belanghebbende stelt dat de inspecteur bij de berekening van de brutowinstmarge ten onrechte is uitgegaan van de rekening-courant tussen belanghebbende en [bedrijf 7] . Volgens belanghebbende moet de aan [bedrijf 7] toegerekende winst worden berekend aan de hand van de debiteurenkaarten. Ten tweede stelt belanghebbende dat de inspecteur bij de berekening van de brutowinstmarge ten onrechte de zogenoemde [naam 11] - transactie in aanmerking heeft genomen. Zij stelt in dat kader dat die [naam 11] - transactie, een transactie tussen [bedrijf 7] en [naam 13] (de uiteindelijke afnemer) in 2012, een once in a lifetime transactie was en dat die niet, althans niet volledig, aan [bedrijf 7] en dus ook in zoverre niet aan belanghebbende mag worden toegerekend. Immers, [bedrijf 7] en [naam 11] zijn overeengekomen dat de facturering, betaling en levering rechtstreeks tussen [bedrijf 7] en [naam 13] (de uiteindelijke afnemer) dienden te geschieden. In die factuur en betaling is volgens belanghebbende echter het winstdeel van [naam 11] begrepen. Daarom heeft [bedrijf 7] , na ontvangst van de betaling van [naam 13] , het winstdeel van [naam 11] van in totaal € 1.299.844 aan [naam 11] voldaan. Dit bedrag dient daarom volgens belanghebbende te worden geëlimineerd bij de berekening van de brutowinstmarge van [bedrijf 7] die aan belanghebbende moet worden toegerekend. Ten derde stelt belanghebbende dat de inspecteur een aantal fouten heeft gemaakt in zijn berekening van de brutowinstmarge. Belanghebbende heeft in hoger beroep facturen betreffende de 107 transacties (zie 4.7.4.3) overgelegd. Belanghebbende concludeert primair dat de brutowinstmarge 69 procent bedraagt en ((nog) meer) subsidiair dat deze 76, 83 of 215 procent bedraagt.
4.7.9. Het hof is van oordeel dat de inspecteur op basis van de 13 sets (zie 2.22) aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende in 2011, 2012 en 2015 een te lage winst heeft aangegeven, omdat belanghebbende in deze jaren ten onrechte een deel van de winst aan [bedrijf 7] heeft toegerekend. Gelet op de cijfermatige conclusies van partijen over en weer bedraagt de brutowinstmarge die met die dertien transacties is behaald minimaal 69 procent (zie 4.7.8). Het hof is verder van oordeel dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de brutowinstmarge dient te worden toegepast op de mutaties op de rekening-courant tussen belanghebbende en [bedrijf 7] ; de gefactureerde bedragen zijn immers altijd in rekening-courant verwerkt. Door uit te gaan van de mutaties op de rekening-courant zijn uitsluitend ABC-transacties tussen belanghebbende en [bedrijf 7] in aanmerking genomen. De inspecteur heeft immers onweersproken gesteld dat, door aan te sluiten bij de mutaties op de rekening-courant, geen rekening is gehouden (i) met het effect van via [bedrijf 7] ingekochte goederen die tegen een onzakelijk hoge inkoopprijs zijn verworven door belanghebbende en (ii) met het behaalde resultaat van transacties waarbij [bedrijf 7] buiten belanghebbende om rechtstreeks van derden inkocht en rechtstreeks aan derden verkocht.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de inspecteur met betrekking tot de jaren 2011, 2012 en 2015 aannemelijk heeft gemaakt dat aan het relatief-aanzienlijk-criterium en het absoluut-aanzienlijk-criterium is voldaan. Wat belanghebbende daartegen heeft ingebracht doet aan die conclusie niet af. De door belanghebbende overgelegde facturen betreffende de 107 transacties (zie 4.7.4.3 en 4.7.8) rechtvaardigen niet de conclusie dat niet is voldaan aan het relatief-aanzienlijk-criterium en het absoluut-aanzienlijk-criterium. De overgelegde facturen betreffen facturen van belanghebbende aan [bedrijf 7] en geven immers geen inzicht in de facturering door [bedrijf 7] aan de uiteindelijke afnemers.
4.7.10. De inspecteur heeft de brutowinstmarge vervolgens geëxtrapoleerd naar de jaren 2005 tot en met 2010 en 2013 en 2014. Een dergelijke extrapolatie naar andere jaren is in beginsel slechts verantwoord, indien er voldoende grond is om aan te nemen dat de desbetreffende jaren een constant beeld vertonen wat betreft de van belang zijnde feitelijke situatie.[38] Naar het oordeel van het hof is daaraan voldaan. De inspecteur heeft namelijk onweersproken gesteld dat de modus operandi in alle jaren van 2005 tot en met 2015 hetzelfde was. Vaststaat dat leveringen hebben plaatsgevonden van belanghebbende, via [bedrijf 7] , aan de uiteindelijke afnemers en dat er in alle jaren een rekening-courantverhouding bestond tussen belanghebbende en [bedrijf 7] . Bovendien zien de door belanghebbende overgelegde facturen betreffende de 107 transacties (zie 4.7.4.3 en 4.7.8) op alle in geschil zijnde jaren. Het hof acht derhalve aannemelijk dat de door belanghebbende aan [bedrijf 7] toegerekende transacties, afgezien van de [naam 11] - transactie, in alle jaren van 2005 tot en met 2015 min of meer constant waren. Extrapolatie van de in 2011, 2012 en 2015 aan [bedrijf 7] toegerekende winst - zijnde winst die belanghebbende in die jaren niet heeft aangegeven - naar de jaren 2005 tot en met 2010 en 2013 en 2014 is derhalve toegestaan. Derhalve heeft de inspecteur ook met betrekking tot deze jaren aannemelijk gemaakt dat aan het relatief-aanzienlijk-criterium en het absoluut-aanzienlijk-criterium is voldaan.
4.7.11. Wat betreft het bewustheidscriterium stelt de inspecteur dat [naam 1] , directeur van belanghebbende, steeds inzicht had in de administratie van belanghebbende en van [bedrijf 7] en dus in alle transacties van belanghebbende en [bedrijf 7] en dat zij zich er dus van bewust was dat een deel van de winst van belanghebbende ten onrechte werd toegerekend aan [bedrijf 7] . De inspecteur wijst er in dat verband ook op dat [naam 1] en [naam 2] , vanaf 22 januari 2013 middellijk houder van alle aandelen in belanghebbende, bedragen opnamen van de bankrekeningen van [bedrijf 7] dan wel de bankrekeningen die vanaf medio 2014 door [bedrijf 7] werden gebruikt. Het hof is van oordeel dat de inspecteur hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat is voldaan aan het bewustheidscriterium.
4.7.12. Gelet op het vorenstaande heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende niet de vereiste aangiften VPB 2005 tot en met 2015 heeft gedaan. Dat brengt met zich dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard en dat belanghebbende moet doen blijken dat de navorderingslagen VPB naar een te hoog bedrag zijn vastgesteld.
h. Redelijke schattingen
4.8.1. De inspecteur heeft aannemelijk gemaakt dat de vereiste aangiften VPB 2005 tot en met 2015 niet zijn gedaan. Vervolgens moet de rechter beoordelen of de door de inspecteur gemaakte schattingen van de belastbare winsten redelijk zijn. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de berekeningen van de navorderingsaanslagen VPB 2005 tot en met 2015 redelijk en dus niet willekeurig behoren te zijn. Voor de beoordeling of aan deze maatstaf wordt voldaan, dient mede in aanmerking te worden genomen in hoeverre de inspecteur beschikt over gegevens voor het opleggen van deze navorderingsaanslagen en in hoeverre ervan mag worden uitgegaan dat belanghebbende in staat is opening van zaken te geven. Daarvan uitgaande zal de inspecteur op basis van de feiten en omstandigheden van het geval aanknopingspunten moeten verschaffen waaruit is af te leiden dat zijn berekening of schatting van het bedrag van de navorderingsaanslag redelijk en dus niet willekeurig is. Waar het op aankomt is dat de inspecteur de hoogte van zijn schattingen zodanig moet onderbouwen met feitelijke stellingen, dat die schatting de redelijkheidstoets kan doorstaan.[39]
4.8.2. De inspecteur stelt in het kader van de redelijke schatting dat in de jaren 2005 tot en met 2015 een winstcorrectie in aanmerking moet worden genomen gelijk aan 228 procent van de mutaties in rekening-courant tussen belanghebbende en [bedrijf 7] (zie 4.7.7). In de brutowinstmarge van 228 procent is de [naam 11] - transactie begrepen.
4.8.3. Het hof is van oordeel dat de inspecteur onvoldoende aanknopingspunten heeft verschaft waaruit is af te leiden dat het redelijk is de [naam 11] - transactie in aanmerking te nemen. Niet in geschil is dat [bedrijf 7] in 2012 een bedrag van in totaal € 1.299.844 aan [naam 11] heeft voldaan door middel van betaling op een door [naam 11] aangewezen bankrekening van [bedrijf 4] . Gesteld noch gebleken is wie de uiteindelijk gerechtigde is van [bedrijf 4] . De stelling van de inspecteur dat het evenwel mogelijk is dat [naam 1] dan wel [naam 2] zelf de uiteindelijk gerechtigde van [bedrijf 4] . kunnen zijn, is echter te willekeurig. Het hof acht het redelijk ervan uit te gaan dat de betaling van belanghebbende aan [bedrijf 4] . een betaling aan een derde betreft. De inspecteur heeft geen aanknopingspunten verschaft waaruit kan volgen dat daarvan geen sprake is. Verder heeft de inspecteur geen aanknopingspunten verschaft waaruit zou volgen dat deze transactie geen once in a lifetime transactie betreft. Derhalve is het niet redelijk om de [naam 11] - transactie in de berekening van de brutowinstmarge mee te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat het brutowinstpercentage na eliminatie van de [naam 11] - transactie 83 procent is.
4.8.4. Het hof heeft reeds overwogen dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat de brutowinstmarge dient te worden toegepast op de mutaties op de rekening-courant tussen belanghebbende en [bedrijf 7] (zie 4.7.9).
4.8.5. Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat het redelijk en dus niet willekeurig is dat in de jaren 2005 tot en met 2015 een winstcorrectie in aanmerking moet worden genomen gelijk aan 83 procent van de mutaties in rekening-courant tussen belanghebbende en [bedrijf 7] . De navorderingsaanslagen VPB 2005 tot en met 2015 moeten worden verminderd, zoals hierna is aangegeven:
i. Tegenbewijs
4.9. Belanghebbende stelt dat de aan [bedrijf 7] toegerekende winst moet worden berekend aan de hand van de debiteurenkaarten en uitgaande van een brutowinstmarge van 69 procent. Belanghebbende heeft niet doen blijken dat de navorderingsaanslagen te hoog zijn. Het hof heeft reeds overwogen dat de door haar overgelegde facturen van belanghebbende aan [bedrijf 7] betreffende de 107 transacties geen inzicht geven in de facturering door [bedrijf 7] aan de uiteindelijke afnemers (zie 4.7.9)
j. Vertrouwensbeginsel
4.10. Gelet op dat wat in 4.8.5 is overwogen, behoeft vraag j geen beantwoording.
k. Interne compensatie
4.11. Het hof heeft in 4.8.5 geoordeeld dat een brutowinstpercentage van 83 redelijk is en dat de navorderingsaanslagen VPB 2005 tot en met 2015 in zoverre moeten worden verminderd. De inspecteur beroept zich in dit kader op interne compensatie. De inspecteur stelt dat geen winstcorrecties in aanmerking zijn genomen in verband met (i) het effect van via [bedrijf 7] ingekochte goederen die tegen een onzakelijk hoge inkoopprijs zijn verworven door belanghebbende en (ii) het behaalde resultaat van transacties waarbij [bedrijf 7] buiten belanghebbende om rechtstreeks van derden inkocht en rechtstreeks aan derden verkocht. De inspecteur heeft de daarmee gepaard gaande winstcorrecties echter niet cijfermatig onderbouwd. Het hof wijst het beroep op interne compensatie om die reden af.
l. Schadevergoeding
4.12. Belanghebbende verzoekt om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van € 3.500 in verband met de lange duur van de beroepsprocedure. Tegen dit oordeel heeft belanghebbende niets ingebracht. Derhalve beoordeelt het hof uitsluitend of de berechting van de zaak in hoger beroep binnen de redelijke termijn is geschied. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt - en ook in dit geval - te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld. Indien de redelijke termijn is overschreden, dient voor de schadevergoeding als uitgangspunt een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.[40] Met inachtneming van deze uitgangspunten en uitgaande van het feit dat belanghebbende hoger beroep heeft ingesteld op 27 maart 2023, stelt het hof de vergoeding van immateriële schade vast op € 1.000.
Tussenconclusie
4.13. De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is.
Ten aanzien van het griffierecht
4.14.1. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 541 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.
4.14.2. Het hof zal om proceseconomische redenen de door de rechtbank gegeven beslissingen met betrekking tot het griffierecht in stand laten.
Ten aanzien van de kosten van bezwaar en de proceskosten
4.15.1. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.15.2. Daarbij wordt uitgegaan van 11 samenhangende zaken waarin belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Dit betreft de onderhavige zaken.
4.15.3. Het hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van het bezwaar op 2 (punten)[41] x € 647 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhang) is € 2.911,50. Naar het oordeel van het hof is van bijzondere omstandigheden, zoals belanghebbende stelt, geen sprake. Dit oordeel behoeft geen nadere motivering.[42]
4.15.4. Het hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van het beroep op 2 (punten)[43] x € 907 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhang) is € 4.081,50.
4.15.5. Het hof stelt de tegemoetkoming in de kosten van het hoger beroep op 3,5 (punten)[44] x € 907 (waarde per punt) x 1,5 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhang) is € 7.142,63.
5 Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst. Aan de partij die niet digitaal procedeert, is een afschrift op die datum aangetekend per post verzonden.
De griffier, De voorzitter,
M.M. Stassen-Kanters J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan **de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.**Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Hogerberoepschrift paragraaf 6.18.12.2 op pag. 138. De vorige eigenaar heeft deze verblijfsruimte aldus ingericht.
Via [bedrijf 6] en [bedrijf 1] .
Namelijk via [bedrijf 13] .
Aanvangsproces-verbaal art 27 SV PV-nummer [nummer 2] .
Proces-verbaalnummer [nummer 6] , opgemaakt op 13 juni 2017*.*
Proces-verbaalnummer [nummer 9] betreffende "Proces-verbaal van vastlegging documenten tijdens doorzoeking in het pand (…)" op 19 maart 2017.
Proces-verbaalnummer [nummer 3] betreffende "4e verhoor van de verdachte [ [naam 2] ]" op 18 oktober 2017.
Proces-verbaalnummer [nummer 4] betreffende "8e verhoor van de verdachte [ [naam 2] ]" op 5 december 2017.
Proces-verbaalnummer [nummer 10] betreffende "Eerste verhoor van de verdachte [ [naam 1] ]" op 10 oktober 2017.
Proces-verbaalnummer [nummer 5] betreffende "Zevende verhoor van de verdachte [ [naam 1] ]" op 16 november 2017.
Proces-verbaal met nummer [nummer 11] , betreffende "Verhoor van de getuige [ [naam 3] ]" op 3 juli 2018.
Proces-verbaalnummer [nummer 1] , betreffende "PV fiscaal delict (art. 69 lid 2 AWR) en valsheid in geschrift (art. 225 lid 1 WvSr)", opgemaakt op 19 december 2018.
Pagina 14.
Analyse van [naam 1] , pagina 182, gevoegd bij het nader stuk van 9 september 2025.
Hoge Raad 3 februari 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0821.
Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786.
Hoge Raad 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1786.
Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR7741.
Bij het nader stuk van 5 september 2025.
Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154. De voetnoten zijn weggelaten.
Productie P bij het nader stuk van belanghebbende van 24 maart 2025.
Bijlage P bij het nader stuk van 24 maart 2015.
Hoge Raad 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:473.
Artikel 16, lid 1, AWR.
Hoge Raad 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165, Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082, Hoge Raad 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184 en Hoge Raad 18 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:379.
Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:249 en Hoge Raad 12 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1515.
Bijlage 21 bij het nader stuk van belanghebbende in eerste aanleg van 23 november 2022.
Artikel 16, leden 3 en 4, AWR.
Hoge Raad 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5950.
Bijlage 48 bij het nader stuk van de inspecteur van 19 juni 2025.
Advocaat-generaal Niessen 28 januari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:79.
Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:843.
Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1083.
Pleitnota in hoger beroep, punt 56 op pagina 15.
"Analyse van [naam 1] (…)", gevoegd bij het nader stuk van belanghebbende van 9 september 2025, pagina 8. De facturen van die 107 transacties zijn in bijlage BS bij dat nader stuk gevoegd.
De inspecteur heeft daarbij verwezen naar bijlage 45 bij het verweerschrift in hoger beroep.
Hogerberoepschrift punt 6.18.1.3.
Hoge Raad 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:AU0838.
Hoge Raad 18 augustus 2023, ECLI:NL:HR:2023:1093.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
1 punt voor bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb).
Hoge Raad 30 augustus 1996, ECLI:NL:HR:1996:AA2060.
1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Bpb.
1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting, tweemaal 0,5 punt voor de nadere zittingen, 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen, zie Besluit proceskosten bestuursrecht. - - - ## Voetnoten