Terug naar bibliotheek
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
ECLI:NL:GHSHE:2025:3446 - Gerechtshof 's-Hertogenbosch - 10 december 2025
Arrest
ECLI:NL:GHSHE:2025:3446•10 december 2025
Formele relaties
Arrest inhoud
Team belastingrecht
Meervoudige Belastingkamer
Nummer: 23/398
Uitspraak op het hoger beroep van
[belanghebbende] ,
statutair gevestigd in [vestigingsplaats] ,
hierna: belanghebbende,
tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 15 februari 2023, nummer BRE 20/7270, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst,
hierna: de inspecteur,
en
de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid),
hierna: de minister.
1 Ontstaan en loop van het geding
1.1. De inspecteur heeft aan belanghebbende met betrekking tot de aanslagen vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) en omzetbelasting voor de jaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016 bij beschikking van 10 oktober 2017 een informatiebeschikking gegeven.
1.2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2020 de informatiebeschikking gedeeltelijk herzien.
1.3. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard.
1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5. Partijen hebben vóór de regiezitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.6. De regiezitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2025 in 's-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [naam 1] (hierna: [naam 1] ), en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 3] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/370 tot en met 23/384.
1.7. Belanghebbende heeft tijdens de regiezitting twee pleitnota's voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan het hof en aan de andere partij.
1.8. Het hof heeft het onderzoek op de zitting geschorst en daarbij bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. Vervolgens heeft het hof partijen verzocht schriftelijk inlichtingen te geven en/of stukken in te zenden. Partijen hebben stukken ingezonden.
1.9. Van de regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan partijen is verzonden.
1.10. De inspecteur heeft stukken ingezonden en daarbij een beroep gedaan op artikel 8:29 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
1.11. Het hof heeft de onderhavige zaak in handen gesteld van de geheimhoudingskamer van het hof.
1.12. De geheimhoudingskamer heeft tussenuitspraak gedaan op 30 juli 2025. De geheimhoudingskamer verstaat dat de door de inspecteur aangevoerde redenen voor geheimhouding van delen van de aan de geheimhoudingskamer overgelegde stukken gerechtvaardigd is en heeft de zaak verwezen naar de kamer die de hoofdzaak behandelt.
1.13. Partijen hebben vóór de zitting van 25 september 2025 nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.
1.14. Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze pleitnota doorgestuurd naar de inspecteur. Deze pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen.
1.15. De zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2025 in 's-Hertogenbosch. Daar zijn verschenen [gemachtigde] , als gemachtigde van belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [naam 1] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ), en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/370, 23/372 en 23/374 tot en met 23/384.
1.16. Op deze zitting zijn achtereenvolgens als getuigen gehoord [getuige 1] en [getuige 2] . De ondertekende getuigenverklaringen zijn aan partijen verzonden.
1.17. De inspecteur heeft tijdens de in 1.15 bedoelde zitting, onder bezwaar van de andere partij, een kopie overgelegd van e-mailverkeer tussen [gemachtigde] en de inspecteur.
1.18. De in 1.15 bedoelde zitting is voortgezet op [nummer 1] september 2025 in 'sHertogenbosch. Toen zijn verschenen namens belanghebbende, de gemachtigde [gemachtigde] en [naam 1] en, namens de inspecteur, [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] en [inspecteur 4] . Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaak en de zaken met nummers 23/370, 23/372 en 23/374 tot en met 23/384.
1.19. Op de in 1.18 bedoelde zitting zijn achtereenvolgens als getuige gehoord [getuige 3] , [getuige 4] , [getuige 5] (hierna: [getuige 5] ) en [getuige 6] . De ondertekende getuigenverklaringen zijn aan partijen verzonden.
1.20. Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.
1.21. Van de in 1.15 en 1.18 bedoelde zittingen is een proces-verbaal opgemaakt, dat gelijktijdig met de uitspraak aan partijen wordt verzonden.
2 Feiten
Concern
2.1. Belanghebbende is in 1997 opgericht naar het recht van Hong Kong . Belanghebbende verstrekt leningen aan Nederlandse (rechts)personen sinds 2007. Tot de gedingstukken behoort een overzicht met de door haar verstrekte geldleningen.
2.2. Belanghebbende maakt via [naam 2] en [naam 1] deel uit van een internationale concernstructuur. De aandelen in belanghebbende worden van 29 december 1998 tot 7 augustus 2007 gehouden door [naam 2] via [bedrijf 1] . Vanaf 7 augustus 2007 tot 4 februari 2013 worden de aandelen in belanghebbende gehouden door [familielid] (een familielid van [naam 1] ), die woonachtig is in Taiwan . Vanaf 4 februari 2013 worden de aandelen in belanghebbende gehouden door [naam 1] .
2.3. Op 8 juli 1998 is [naam 2] samen met [bedrijf 2] (thans: [bedrijf 3] ) benoemd tot directeur van belanghebbende. Per 22 oktober 2012 is deze entiteit teruggetreden als directeur en is [naam 2] enig bestuurder van belanghebbende geworden. Per 23 maart 2017 is [naam 1] enig bestuurder van belanghebbende.
2.4. Volgens een uitdraai van de "Companies Registry" te Hong Kong heeft belanghebbende een kantooradres in Hong Kong .
2.5. In correspondentie met haar klanten vermeldt belanghebbende naast voormeld kantooradres in Hong Kong het postadres: " [bedrijf 4] BV, [adres 1] [plaats 2] , Holland". Ook wordt het Nederlandse mobiele telefoonnummer van [naam 1] vermeld op het briefpapier van belanghebbende.
2.6. Op voormeld postadres is het bedrijfspand van [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) gelegen. [naam 1] en [naam 2] zijn respectievelijk directeur en middellijk aandeelhouder van [bedrijf 4] .
Strafrechtelijk onderzoek
2.7. In 2014 heeft belanghebbende een groot gedeelte van de aankoop van een jachthaven in [plaats 3] gefinancierd. Naar aanleiding van onder meer deze financiering is een strafrechtelijk onderzoek gestart door de FIOD naar belanghebbende, haar (toenmalige) bestuurder [naam 2] en aandeelhouder [naam 1] . In het kader van het strafrechtelijk onderzoek heeft de FIOD het fiscale dossier van belanghebbende bij de inspecteur gevorderd.
2.8. Uit een "Proces-verbaal van aanvang onderzoek" opgemaakt op 17 december 2015, proces-verbaalnummer [nummer 1] , volgt dat de FIOD onderzoek heeft gedaan naar de vraag of belanghebbende, [naam 2] en [naam 1] zich schuldig hebben gemaakt aan het witwassen c.q. gewoonte witwassen van crimineel verkregen gelden. Het proces-verbaal vermeldt onder meer[1] :
'Resumé redelijk vermoeden [belanghebbende] , [naam 2] en [naam 1]
Uit het voorgaande komt het volgende naar voren
• [belanghebbende] is niet terug te vinden (behoudens Kamer van Koophandel in Hong Kong ) in openbare bronnen als zijnde een investeerder en financier van onroerend goed;
• Het bedrijf heeft geen website en maakt geen reclame voor haar activiteiten;
• Het vestigingsadres van [belanghebbende] is een Secretary (Trustkantoor) in een bedrijfsverzamelgebouw in Hong Kong ;
• alle 'Annual return' formulieren zijn gedagtekend op de datum '16 april' van alle betreffende jaren dit doet vermoeden dat er in Hong Kong alleen sprake is van beheersactiviteiten;
• [belanghebbende] is een offshore company uit Hong Kong , waar de jaarstukken niet hoeven te worden gedeponeerd;
• [belanghebbende] dient, gezien de uitstaande financieringen, een goede administratie te voeren. Gezien het voorgaande punt is er geen duidelijkheid waar de daadwerkelijke administratie gevoerd wordt van [belanghebbende] en/of de andere aan [naam 2] en [naam 1] gelieerde buitenlandse ondernemingen;
• [naam 2] en [naam 1] zijn betrokken bij een groot aantal buitenlandse rechtspersonen, met name off shore companies;
• [naam 2] en [naam 1] zijn beide al jaren geleden uitgeschreven uit Nederland. Het is onbekend wat zij sinds dat moment hebben gedaan c.q. wat de herkomst van hun vermogen is;
• Op een drietal facturen van [belanghebbende] (...) is een Nederlands mobiel telefoonnummer vermeld als contact, er is geen telefoonnummer van [belanghebbende] in Hong Kong vermeld Wel is de naam en het telefoonnummer vermeld van de accountant in Hong Kong ;
• Op deze facturen van [belanghebbende] is als contact email adres vermeld: [email adres 1] , dit bedrijf heeft zichtbaar geen enkele relatie met [belanghebbende] . Kennelijk beschikt [belanghebbende] niet over een eigen e-mailadres en/of internetdomein;
• Op deze drie facturen van [belanghebbende] is een postadres vermeld in [plaats 2] Nederland. Dit adres in [plaats 2] is tevens het vestigingsadres van een drietal ondernemingen, die direct of indirect zijn gelieerd aan [naam 2] en [naam 1] ;
• In [plaats 2] is o.a. [bedrijf 4] gevestigd, dit is een onderneming in tweede hands legermaterialen. Mw. [naam 1] runt deze onderneming;
(…)
• Mw. [naam 1] verklaard tegen de Belastingdienst dat zij twee dagen per week op deze zaak in [plaats 2] is en dan slaapt op de bank. De resterende dagen zou zij verblijven in Duitsland in een vakantiewoning;
• Dhr. [naam 2] verklaard tegen de Belastingdienst dat hij 30 tot 40 dagen per jaar in Nederland verblijft en dan slaapt in een hotel in Duitsland, een halfjaar op de Filippijnen en 3 tot 4 maanden in Europa;
(...)
• Zowel [naam 1] als [naam 2] verklaren aan de Belastingdienst niet over verblijf/aanwezigheid
in Hong Kong ;
• Dhr. [naam 2] verklaard aan de Belastingdienst dat hij gebruik maakt van zowel een Nederlands als een Hong Kongs mobiel telefoonnummer;
• Dhr. [naam 2] verklaard voorts aan de Belastingdienst dat hij gebruik maakt van de emailadressen: [email adres 2] , [email adres 3] en
[email adres 4] (…);
• Mw. [naam 1] maakt gebruik van e-mailadressen van [bedrijf 4] en derhalve niet van [belanghebbende] ;
Mw. [naam 1] maakt gebruik van een Nederlands mobiel telefoonnummer;
(...)
• Een van deze personen (...) zegt in een tapgesprek uit 2014 dat hij besprekingen over de financiering door [belanghebbende] heeft gevoerd met [naam 2] en [naam 1] in [plaats 2] , (...)"
2.9. In een proces-verbaal opgemaakt op 16 januari 2017 betreffende "Aanvraag bevel uitoefenen bevoegdheden in een besloten plaats ex art. 126k Sv ', proces-verbaalnummer " [nummer 2] " is onder meer vermeld:
" [naam 1] en [naam 2] zijn als bestuurder en/of aandeelhouder betrokken bij meerdere ondernemingen in Nederland: ( [bedrijf 4] B.V., [bedrijf 5] B.V. en [bedrijf 6] Ltd) en in Hong Kong : ( [belanghebbende] Ltd, [bedrijf 6] Ltd, [bedrijf 7] ).
Verdachten hebben via [belanghebbende] diverse risicovolle financieringen verstrekt aan Nederlandse (rechts)personen. De uitgeleende gelden zijn afkomstig van diverse bankrekeningen in Hong Kong . Deze financieringen en de daarbij behorende notariële aktes zijn aanleiding geweest om onderzoek te verrichten naar de genoemde onderneming [belanghebbende] , [naam 2] en [naam 1] .
Onderzoeksbevindingen tot op heden
Over de personen [naam 2] en [naam 1] is weinig bekend in Nederland. Beiden zijn al jaren (minimaal 30 jaar) geleden officieel uitgeschreven naar het buitenland. Uit het onderzoek is het vermoeden ontstaan dat beiden wisselend verblijven in Nederland, Duitsland en/of op de Filipijnen en/of Taiwan . [naam 1] bezit zowel de Nederlandse als de Taiwanese nationaliteit en [naam 2] bezit de Nederlandse nationaliteit.(...)
Uit het onderzoek is verder gebleken dat [naam 2] en [naam 1] betrokken zijn bij de Nederlandse onderneming [bedrijf 4] BV. Deze onderneming is gevestigd op de [adres 2] te [plaats 2] . Dit betreft een relatief groot bedrijfspand met bedrijfshallen en een kantoorgedeelte. (...)[naam 1] en [naam 2] verblijven over het algemeen doordeweeks enkele dagen in het bedrijfspand te [plaats 2] en in het weekend in Duitsland. Uit het onderzoek is gebleken dat zij in de wintermaanden in Azië verblijven (...)Vermoeden relevante administratie [adres 2] te [plaats 2]
Tot op heden is het niet mogelijk geweest om enig zicht te krijgen op de facturenstroom tussen [bedrijf 7] en de afnemers die de goederen geleverd krijgen vanuit [plaats 2] . Verdachten moeten hier op een of andere manier administratie over bijhouden. Dit geldt tevens voor de financieringen van [belanghebbende] .
In mei 2016 heeft een er Douanecontrole plaatsgevonden in administratie die aanwezig was op de [adres 2] te [plaats 2] . Door middel van een vordering art. 126nd Sv heeft het onderzoeksteam hier kennis van genomen. Daarnaast is door verschillende tapgesprekken bevestigd dat er administratie aanwezig is op De [adres 2] te [plaats 2] :
• Uit een tapgesprek van 19 mei 2016 blijkt dat [naam 1] op het bedrijf een mail ontvangt waarin een auditfile verstrekt wordt1.
• Op 30 juni 2016 heeft er een tapgesprek plaatsgevonden tussen [naam 1] en [getuige 1] (administratief medewerker van [bedrijf 4] BV). In dit gesprek gaat het over de boekhouding van [bedrijf 6] en [belanghebbende] en blijkt dat [getuige 1] beschikt over bankafschriften en een factuur tussen [bedrijf 6] en [belanghebbende] .
(…)
Het bedrijfspand van [bedrijf 4] is voorzien van een hekwerk met schrikdraad, een camera - en alarmsysteem. Omstreeks 9 juli 2016 is er door het observatieteam een camera geplaatst dat zicht biedt op de toegang van het bedrijf. Uit de onderzoeksbevindingen is vast komen te staan dat [naam 1] en [naam 2] ook 's-nachts in dit bedrijfspand verblijven als zij doordeweeks in [plaats 2] zijn. Zij beschikken hoogstwaarschijnlijk over een privé/woongedeelte in het bedrijfspand. [naam 1] heeft tegen de Belastingdienst verklaard dat zij 2 dagen per week op de zaak in [plaats 2] is en dan op de bank slaapt. De rest van de dagen zou zij naar eigen zeggen in Duitsland in een vakantiewoning verblijven.
(…)
[1] Tapgesprek TT-01, sessienummer [nummer 3]
[2] Tapgesprek TT-01, sessienummer [nummer 4] "
2.10. Het verslag van het tapgesprek TT-01, sessienummer [nummer 4] vermeldt onder meer:
" [getuige 1] zegt dat hij allemaal vragen heeft van [naam 3] over rentebeteling ( [bedrijf 16] ). [getuige 1] zegt dat ze het aan het controleren zijn en dat ze er eentje missen van [bedrijf 6] . [getuige 1] zegt dat er waarschijnlijk iets verkeerd geboekt is in [bedrijf 6] , op 30 oktober 2015. Op die dag komt er 50.000 euro binnen en dit is geboekt met afkomst [belanghebbende] , maar volgens [getuige 1] komt het niet van [belanghebbende] .
[getuige 1] weet niet van wie het is en vraagt of [naam 1] dit wil controleren. [naam 1] zegt dat het wel afkomstig is van [belanghebbende] . [getuige 1] zegt dat het niet in [belanghebbende] geboekt is omdat hij het niet terug kan vinden op de bank van [belanghebbende] .[naam 1] zegt dat haar werd vertelt dat dit zou worden gecorrigeerd in 2016. Volgens [naam 1] zei hij dat het in 2016 een kruising is. [getuige 1] zegt dat hij het niet in [belanghebbende] bank kan vinden en vraagt of het niet van iemand anders kan komen misschien. [naam 1] ontkent en denkt na.
[getuige 1] zegt dat hij het net checkt en dat de bank op die dag een betaling heeft van 50.000 van [bedrijf 9] , maar niks anders. [naam 1] zegt dat het uitbetaald moest worden aan [bedrijf 6] . [getuige 1] zegt dat er niets is uitbetaald aan [bedrijf 6] en dat hij alle banken(rekeningen?!) heeft gecheckt. [naam 1] zegt dat zij het dan even moet checken. [getuige 1] zegt dat ze anders een verkeerde invoice hebben van [belanghebbende] naar [bedrijf 6] . [naam 1] zegt dat het simpel is en dat hij moet kijken naar de afschriften en dan kan zien van wie het afkomstig is. [getuige 1] zegt dat hij de afschriften daar niet heeft. [naam 1] gaat deze checken."
2.11. Op 10 oktober 2017 vindt een inval plaats bij onder meer het bedrijfspand van [bedrijf 4] . Tijdens de inval is een verblijfsruimte in het bedrijfspand aangetroffen. [naam 1] en [naam 2] zijn die dag aldaar aangehouden op verdenking van onder meer witwassen, valsheid in geschrift en fiscale fraude. Op die datum heeft de FIOD onder meer de administratie van [bedrijf 4] in beslag genomen. Verder is in het bedrijfspand de handtas van [naam 1] aangetroffen, met daarin haar laptop en telefoon en de bedrijfsstempels van [bedrijf 7] en [belanghebbende] . In het kader van het strafrechtelijk onderzoek is beslag gelegd op het vermogen van [naam 1] en [naam 2] en de met hen verbonden vennootschappen*.*
2.12. In een proces-verbaal van het eerste verhoor[2] van [naam 1] op 10 oktober 2017 is onder meer vermeld, waarbij V staat voor vraag verbalisanten en A staat voor antwoord verdachte:
"V: Waar staat u momenteel ingeschreven?
A: Dit is het adres dat eerder is genoemd: [adres 3] .
V: Waar woont u feitelijk?
A: Door mijn werk verblijf ik overal, soms verblijf ik in Duitsland, Nederland, Taiwan , Italië, Frankrijk. (...) Als ik in Europa ben, dan ben ik in de weekenden in Duitsland, in mijn weekendhuis. Op donderdagmiddag ga ik naar mijn weekendhuis in Duitsland. Op maandagavond ga ik terug naar Nederland, naar [plaats 2] . Als ik in Europa ben. dan ben ik ongeveer 80 dagen in [plaats 2] . Verder ben ik ook in Frankrijk, Griekenland, Zwitserland, Italië.
(...)
V: Als u in Nederland verblijft, verblijft u dan in [plaats 2] ?
A Ja, dan verblijven we in het bedrijfspand in [plaats 2] . Als meneer [naam 2] in Nederland is dan verblijft hij ook in het bedrijfspand, maar hij verblijft soms ook weleens bij zijn zus in [plaats 4] . Dit denk ik, maar dit weet ik niet zeker. (...)"
2.13. In een proces-verbaal van het tweede verhoor[3] van [naam 1] op 11 oktober 2017 is onder meer vermeld, waarbij V staat voor vraag verbalisanten en A staat voor antwoord verdachte:
"V: (...) Heeft [belanghebbende] voorraden in Hong Kong ?
A: Nee.
V: Heeft [belanghebbende] personeel in dienst in Hong Kong ?
A. Nee.
V: Wordt [belanghebbende] geleid vanuit Hong Kong ?
A. Nee, ik ben zelden in Hong Kong . (...)
(...)
V: Wat is, ruw geschat, de omvang van de uitstaande financieringen geweest sinds [belanghebbende] daarmee is begonnen in Nederland?
A: Het uitstaande saldo is gemiddeld denk ik € 10.000.0000. In 2013 is het bedrag omhoog gelopen, maar momenteel gaat het bedrag weer naar beneden.
(…)
V: Wie gingen er namens [belanghebbende] naar de notarissen?
A: Dit was meneer [naam 2] . Soms heeft meneer [naam 2] een volmacht gegeven aan de notaris.
(...)
V: Wie verzorgde en verzorgt de administratie van [belanghebbende] ?
A: Ik verzorg de administratie van [belanghebbende] . Dit heb ik altijd al gedaan.
V: Wie maakt de facturen?
A: Ik.
V: Hoe worden de facturen gemaakt en verzonden?
A: Ik maak deze op mijn laptop en deze verstuur ik per mail.
V: Welk email gebruikt u om de facturen te versturen?
A: [email adres 1] . Dit is eigenlijk het emailadres van meneer [naam 2] . [bedrijf 7] is zijn firma.
V: Hoe ontving [belanghebbende] de betalingen voor rente en aflossingen?
A: Op de bankrekening in Hong Kong .
(…)
V: Waar wordt de administratie van [belanghebbende] bewaard?
A: Op mijn laptop.
V: Heeft u ook fysieke administratie van [belanghebbende] ?
A: Ja, op mijn laptop.
(...)
V: Door wie worden de jaarrekeningen van [belanghebbende] opgemaakt?
A: Ik heb iemand die mij daarmee helpt.
V: Wie is dat?
(...)
A: Ik maak de jaarrekeningen zelf op. Ik hoef dit eigenlijk niet te doen, omdat de omzet
lager is dan HK$ 2.200.000. (...)
V: Wordt er formeel wel een jaarrekening vastgesteld?
A. Ja.
V: Wie stelt de jaarrekeningen formeel vast?
A: Door mijzelf als aandeelhouder.
2.14. In een proces-verbaal van het vijfde verhoor[4] van [naam 1] op 19 oktober 2017, is onder meer vermeld, waarbij V staat voor vraag verbalisanten en A staat voor antwoord verdachte:
" [belanghebbende]
V: [getuige 1] heeft het volgende verklaard in relatie tot [belanghebbende] :
"V: Wat waren uw werkzaamheden binnen [belanghebbende] ?
A: in 2012 begon mevrouw [naam 1] grote bedragen uit te lenen. Dit deed ze helemaal zelf. In 2014 werd het haar iets te veel en vroeg ze aan mij of ik dit wilde bijhouden in een kladboekhouding maar dit heb ik in het Minox boekhoudprogramma bijgehouden omdat ik dat beheers. Vanaf medio 2014 ben ik dit gaan doen in Minox. In eerste instantie regelde mevrouw [naam 1] alles via haar eigen bankrekening, het was een onderneming zonder bankrekening. Volgens mij ergens medio 2014 was er ook een bankrekening bij HSBC en die kon ik dan ook bijhouden in Minox. Alle andere betalingen waarvan mevrouw [naam 1] zei dat gedaan waren, werden in rekening-courant verhouding met mevrouw [naam 1] verrekent. Twee weken geleden vertelde zij mij dat ze in Hong Kong ook een belastingaangifte moest indienen en dat ze hiervoor een jaarrekening moest hebben. Ik ben toen aan de slag gegaan om de jaarstukken op te maken. Ik heb de jaarstukken van [belanghebbende] opgemaakt voor de jaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017, die zitten in de computer."
(...)
V: Heeft u [getuige 1] opdracht gegeven voor het maken van de jaarrekeningen van [belanghebbende] vanaf 2013?
A: Nee, ik heb geen opdracht gegeven om de jaarrekeningen te maken. Ik heb gezegd om het concept op te maken, ik kan deze dan controleren. Hierna kan ik deze doorsturen naar de accountant in Hong Kong . Hij heeft alle cijfers en kan die samenvatten.
V: Bedoelt u dan dat meneer [getuige 1] alle cijfers heeft?
A, Ja, hij kan alles samenvatten.
(...)
A: [belanghebbende] heeft een kantoor in Hong Kong . (...)
(...)
V: Kunt u het kantoor beschrijven?
A: Het kantoor is gevestigd in het kantoor van de accountant. Hij doet de boekhouding voor heel veel firma's.
(...)
V: Heeft [belanghebbende] daar een eigen exclusieve kantoorruimte?
A: Nee, niet nodig maar altijd mogelijk.
V: Wat bedoelt u daarmee?
A: Als je meer wilt doen in Hong Kong , als je personeel hebt dan is het mogelijk dat de accountant dat regelt. Hij heeft op een andere verdieping aparte units.
V: Heeft [belanghebbende] ooit ruimte gehuurd in Hong Kong ?
A. Nee. Ik betaal wel de accountant voor ons gedeelte van het kantoor.
V: U zegt dat [belanghebbende] alleen klanten in Nederland heeft.
Heeft [belanghebbende] inderdaad uitsluitend klanten in Nederland?
A: Meestal wel. (...)''
2.15. In een proces-verbaal van bevindingen "Overzicht financieringen",[5] is onder meer vermeld:
"Aanleiding voor het onderzoek (...) was de financiering van een jachthaven in [plaats 3] in 2014. Het grootste deel van de financiering van deze jachthaven zou afkomstig zijn van een rechtspersoon uit Hong Kong , genaamd [belanghebbende] (RP1). [naam 2] en [naam 1] zijn de betrokken personen van deze onderneming.
Verder bleek dat [naam 2] en [naam 1] zijn te liëren aan meerdere rechtspersonen in zowel Nederland als het buitenland, te weten.
[bedrijf 4] (RP2)
[bedrijf 5] (RP4)
[bedrijf 6] (RP3)
[bedrijf 10] (RPI6)
[bedrijf 11] (RP13)
[bedrijf 1] (RP11)
[bedrijf 7] (RP14)
[bedrijf 12] (RP 15)
Het primaire onderzoeksdoel was om na te gaan of [belanghebbende] in Nederland en/of het buitenland meerdere financieringen heeft verstrekt en of deze financieringen mogelijk met uit misdrijf verkregen gelden zijn gefinancierd. Hieruit kwam naar voren dat [belanghebbende] diverse, kortlopende, financieringen heeft uitstaan in binnen - en buitenland. De overeengekomen rentepercentages liggen tussen de 7% en 10%.
Aangezien [naam 1] en [naam 2] betrokken zijn dan wel zijn geweest bij de hierboven genoemde rechtspersonen, hebben zij de mogelijkheid dan wel gehad om invloed uit te oefenen op het gevoerde beleid binnen het concern, waaronder het verstrekken van financieringen en het aankopen van onroerend goed. [naam 1] en/of [naam 2] hebben te allen tijde de mogelijkheid gehad om over het in de ondernemingen aanwezige vermogen, ongeacht in welke vorm dan ook, te beschikken."
Informatiebeschikking
2.16. Op 1 juli 2016 vindt een executieveiling plaats van de jachthaven in [plaats 3] (zie 2.7.) omdat de eigenaren van de jachthaven niet (meer) voldeden aan de voorwaarden van de geldleningsovereenkomst. Belanghebbende heeft de jachthaven in haar hoedanigheid van hypotheeknemer executoriaal verkocht aan [bedrijf 6] . [naam 2] is (middellijk) enig aandeelhouder van [bedrijf 6] . [naam 1] is bestuurder van [bedrijf 6] .
2.17. Naar aanleiding van de onder 2.7 genoemde vordering van het fiscale dossier en de onder 2.7. vermelde executieveiling verzoekt de inspecteur het Openbaar Ministerie bij brief van 19 december 2016 om aan hem op grond van artikel 55 Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) de fiscaal relevante informatie uit het strafrechtelijk onderzoek naar belanghebbende te verstrekken.
2.18. De inspecteur activeert eind december 2016 het fiscale nummer van belanghebbende in de basissystemen vennootschaps - en omzetbelasting. Hierdoor wordt belanghebbende uitgenodigd tot het indienen van aangiften Vpb en omzetbelasting over de jaren 2012 tot en met 2016.
2.19. Naar aanleiding van het activeren van het fiscale nummer van belanghebbende stuurt de heer [naam 4] , de toenmalige belastingadviseur van belanghebbende, een brief aan de inspecteur. De brief is gedagtekend op 4 januari 2017 en vermeldt onder meer:
"Namens de in de marge genoemde klant, (…), verzoek ik u vriendelijk een duidelijke uitleg te geven omtrent het activeren van het fiscale nummer voor deze entiteit in uw basissystemen. U gaf mij telefonisch aan hedenochtend, dat op expliciet verzoek van de klant tot afgifte van een fiscaal nummer was overgegaan. Daarin kan de klant zich evenwel niet herkennen.
Naar ik heb begrepen van mevrouw [naam 1] , van [belanghebbende] Ltd is deze entiteit gevestigd in Hong Kong . Verder heeft deze entiteit geen registratie in Nederland (behoudens dan nu het door, de fiscus onlangs geactiveerde fiscale nummer voor de vennootschapsbelasting en omzetbelasting). De klant herkent zich hier helemaal niet in. De activiteiten van de klant zijn namelijk beperkt tot het verstrekken van geldleningen uit Hong Kong aan derde partijen (met hypothecaire inschrijving ter zekerheid).
Op basis van deze feitelijkheden kom ik - eerlijk gezegd - ook niet tot een formele vaststelling van een belastingplicht van [belanghebbende] Ltd in Nederland voor de vennootschapsbelasting en de omzetbelasting. Bovendien, de rentebetalingen en aflossingen op de verstrekte leningen aan derde partijen worden allemaal gestort op de officiële bankrekening van [belanghebbende] Ltd. in Hong Kong ."
2.20. In een e-mail van 24 januari 2017 gericht aan [naam 1] schrijft de inspecteur, voor zover van belang:
(...)
- Waar wordt de winst van [belanghebbende] belast? Graag bewijsstukken alsmede jaarrekeningen over de periode 2012 tot en met 2016 van [belanghebbende]."
2.21. Bij brief van 23 februari 2017 stuurt de inspecteur een aantal vragen aan de (toenmalige) belastingadviseur van belanghebbende. De brief vermeldt voor zover van belang:
"(...)
Activiteiten [belanghebbende]
Mevrouw [naam 1] verklaart dat [belanghebbende] nooit onroerende zaken in Nederland heeft gekocht of verkocht. Dit is echter volgens mijn informatie uit notariële akten onjuist:
01-7-2016 [belanghebbende] treedt blijkens notariële akte op als verkoper van het complex " [complex] " en bijbehorend gebouw te [plaats 3] voor totaal € 2.000.000. Dit wegens niet nakoming van verplichtingen van de eigenaar. Koper is [bedrijf 6] Ltd., een concernvennootschap. Mevrouw [naam 1] is blijkens op internet aangetroffen persberichten persoonlijk aanwezig bij de veiling en is ook als zodanig in minimaal twee artikelen als woordvoerder van [belanghebbende] geciteerd.
19-9-2016 verleent [belanghebbende] een hypotheek van € 10.000.000 op dezelfde onroerende zaak.
(...)
12-7-2016 [belanghebbende] treedt op als verkoper van onroerend goed aan [bedrijf 6] Ltd.Betreft: appartementen nummers 1, 15 en 16 " [adres 4]
[plaats 5] . Overdrachtsprijs € 270.000, =
Daarnaast financiert [belanghebbende] diverse onroerende zaken te [plaats 6] , [plaats 7] , [plaats 8] en onroerend zaken van [naam 5] , [bedrijf 13] BV, [naam 6] en [bedrijf 14] BV, [bedrijf 15] BV, alsmede [naam 7] . Deze lijst is niet uitputtend bedoeld. Duidelijk is in elke geval dat [belanghebbende] naast genoemde verkopen vooral actief is in financiering van onroerende zaken in Nederland.
VRAAG 3: Graag ontvang ik een toelichting van mevrouw [naam 1] op de activiteiten nu helder is dat [belanghebbende] juist op de Nederlandse markt voor (financiering van) onroerende zaken actief is. (…)Fiscale status [belanghebbende] in Hong Kong en structuur
VRAAG 6: Wat is de fiscale status van [belanghebbende] in Hongkong ? Zijn er aangiften door de HK fiscus uitgereikt? Wordt er belasting afgedragen zo ja in welke vorm? Graag ontvang ik van de relevante stukken een afschrift, ook weer voor mij leesbaar.(…)Plaats bedrijfsgebeuren
Het daadwerkelijke bedrijfsgebeuren van [belanghebbende] behelst volgens mevrouw [naam 1] de financiering van onroerende zaken in Nederland. Andere activiteiten van [belanghebbende] zijn mij (nog) niet bekend. Ik wees in mijn vorige brief/mail op het adres in Hongkong dat kwalificeert als een adres van een trustkantoor. Dit roept bij mij de vraag op of er in Hong Kong mogelijk slechts sprake is van een "papieren" inschrijving. Inmiddels is mij, zie hiervoor, een verzameling NL-onroerende zaken bekend waarbij [belanghebbende] is/was betrokken. Steeds betreft het Nederlandse debiteuren/leningnemers. Mevrouw [naam 1] en de heer [naam 2] hebben in Nederland op de [adres 2] te [plaats 2] een kantooradres waar een groot deel van het jaar activiteiten worden uitgeoefend voor andere vennootschappen die aan hen gelieerd zijn.
De financieringsactiviteiten van [belanghebbende] lopen via Nederlandse notarissen. Civiele en fiscale adviezen komen ook uit Nederland. Kortom de band met Nederland is zeer intensief en permanent.
VRAAG 8: Graag verneem ik van mevrouw [naam 1] hoe de eerste contacten met de te financieren debiteuren tot stand zijn gekomen? Waar? Wanneer? Hoe komt [belanghebbende] aan deze klanten? Wie voerde namens [belanghebbende] de onderhandelingen? Waar? Is er een agenda om de afspraken te staven? Zo ja, dan ontvang ik deze graag ter inzage.
Graag een overzicht per debiteur hoe de contacten verlopen zijn, wiens initiatief het was om de geldlening aan te gaan en hoe dit alles praktisch is geregeld van begin tot einde. Moeten de klanten alles in Hong Kong regelen? Op Taiwan ? Op de Filipijnen? Of worden dergelijke (grote) leningen naar ik vermoed in Nederland geregeld? Graag ontvang ik inzage in de gevoerde (e-mail) correspondentie met betrokkenen. (…)Jaarrekeningen
VRAAG 14: Nogmaals het verzoek om de jaarrekeningen van [belanghebbende] ter inzage te sturen nu [belanghebbende] in Nederland actief is op de markt van financieringen van onroerende zaken, dit de enige dan wel overwegende bedrijfsuitoefening lijkt te zijn, en ik mij een oordeel wil vormen over de feitelijke leiding en de feitelijke activiteiten van [belanghebbende] in ruime zin. Graag ook hier stukken die voor mij in leesbare vorm zijn.Formeel
Ik heb het m.i. gerechtvaardigde vermoeden dat in dit geval een Nederlands heffingsbelang aan de orde zou kunnen zijn. Dat is ook de basis geweest voor het uitreiken van aangiften vennootschapsbelasting, (artikel 6 lid 1 AWR).
Als gevolg hiervan gelden de artikelen 47 en volgende van de AWR. Ik verzoek u als adviseur jegens [belanghebbende] c.q. de heer [naam 2] en mevrouw [naam 1] de verplichtingen, die hierboven belichaamd zijn in een aantal vragen, nogmaals duidelijk te maken en zorg te laten dragen dat de beantwoording nauwgezet wordt verricht.
Het is evident dat medewerking moet worden verleend zodat de inspecteur de feiten volledig kan overzien en er een gedegen beslissing kan worden genomen, voor in ieder geval vennootschapsbelasting, omzetbelasting en eventueelinkomstenbelasting, hoe die ook uitvalt.
Weigering om de benodigde informatie volledig te verstrekken zou kunnen leiden tot een informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a AWR met alle gevolgen voor de bewijslast van dien. Ik verzoek u met name mevrouw [naam 1] maar ook de heer [naam 2] hierop te wijzen zodat dit achterwege kan blijven."
2.22. Bij brief van 21 maart 2017 heeft de toenmalige advocaat namens belanghebbende gereageerd op voormelde vragenbrief. De reactie vermeldt onder meer:
"Cliënte is van mening dat zij geen belastingplichtige voor de Nederlandse belastingen is, en naar objectieve maatstaven ook niet vermoed kan worden dat zij als zodanig kan worden aangemerkt. Cliënte betwist dus dat de informatieplicht van artikel 47 Awr voor haar geldt. Desondanks is cliënte wel bereid informatie te verstrekken, maar enkel onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat er geen gronden zijn haar hiertoe verplicht te achten.
(…)Activiteiten [belanghebbende]:
[belanghebbende] verstrekt financieringen aan personen en vennootschappen in en buiten Nederland. Dat is een deel van het antwoord op uw vraag 3.
Uw stelling dat cliënte onroerende zaken financiert is niet juist. Soms staat die financieringen in verband met onroerend-goed projecten van de geldleners, maar bij die projecten heeft cliënte verder geen betrokkenheid. Daar waar mogelijk bedingt cliënte wel zekerheid in de vorm van hypotheek - of pandrechten.
Uw stelling dat cliënte juist op de Nederlandse markt actief is, is ook onjuist. Cliënte is actief in meerdere andere landen, waaronder Spanje, Frankrijk, Duitsland, Taiwan en de Filippijnen. Als u uw stelling handhaaft, dient u die te onderbouwen*.
[belanghebbende] is geen eigenaar van onroerend goed en handelt daar ook niet in,
noch op eigen naam, noch op naam van derden.
[belanghebbende] had wegens ter leen verstrekte gelden een recht van hypotheek op de (onroerende zaken van) jachthaven [complex] en heeft, wegens wanbetaling van de eigenaar/debiteur. gebruik gemaakt van haar recht van parate executie en is tot veiling overgegaan. Dat geldt ook voor het object [plaats 5] . Cliënte was dus geen verkoper, maar opdrachtgever van een veiling.
(...)
Aandeelhouderschap [belanghebbende] :
Mevrouw [naam 1] van cliënte heeft nooit verklaard dat de heer [naam 10] geen familie van haar
is. Uw verhaal over wat er toen over de heer [naam 1] zou zijn besproken wordt voor kennisgeving aangenomen.
De afspraken die wel of niet met mevrouw [naam 1] zijn gemaakt over de overname van het aandelenpakket in cliënte, zijn voor de beoordeling van de belastingplicht in het kader van de vennootschapsbelasting niet relevant.
Voor het vertalen van stukken in een door u gewenste taal, is geen grondslag. Dit is de beantwoording van uw vraag 4. Indien u een andere mening heeft, dan dient u dat te
onderbouwen*.
(...)
Fiscale status [belanghebbende] :
[belanghebbende] is belastingplichtig in Hong Kong . Dat is voor een naar het recht van Hong Kong opgerichte en functionerende vennootschap ook het uitgangspunt. Dat vloeit ook voort uit het belastingverdrag tussen Nederland en Hong Kong (in werking getreden per l januari 2012), dat beoogt dubbele belastingheffing te voorkomen. Welke en hoeveel belasting cliënte in Hong Kong betaalt, is enkel een zaak tussen haar en de belastingautoriteiten aldaar. Dat is het antwoord op vraag 6.
Overigens mis ik in uw schrijven elke verwijzing naar dat belastingverdrag. Ik wil van u weten hoe u de discussie over de mogelijke belastingplicht van cliënte plaatst in het kader van de regels van dat verdrag*.
[belanghebbende] behoort tot geen enkele structuur van NL vennootschappen, noch van mevrouw [naam 1] , noch van de heer [naam 2] . Er is ook geen organigram. Mevrouw [naam 1] is 100% aandeelhouder van [belanghebbende] en deze vennootschap heeft geen zuster-, moeder - of dochtervennootschappen. Dit is het antwoord op vraag 7.
Plaats bedrijfsgebeuren:
Als u met "bedrijfsgebeuren" de activiteiten van [belanghebbende] bedoelt, verwijs ik u voor wat betreft de inhoud daarvan naar het antwoord op vraag 3.
Cliënte houdt kantoor in Hong Kong en of daar ook een trustkantoor gevestigd is of niet, is irrelevant. Cliënte betwist dat overigens. Cliënte heeft enkel bankrekeningen in Hong Kong (dus niet in Nederland) en heeft enkel een accountant in Hong Kong (dus niet in Nederland). Betalingen aan cliënte vinden enkel plaats in Hong Kong . Als u het kantoor in Hong Kong wilt bezoeken, kunt u daarvoor een afspraak maken.
De financieringsactiviteiten van cliënte verlopen niet via Nederlandse notarissen. Nederlandse notarissen zijn enkel betrokken bij het vestigen van een hypotheekrecht in Nederland. Deze handelen vaak op grond van een door [belanghebbende] verstrekte volmacht, omdat mevrouw [naam 1] en/of de heer [naam 2] doorgaans in het buitenland verblijft.
Cliënte komt op verschillende manieren in contact met personen of bedrijven die geld willen lenen; doorgaans via mond op mond reclame. Er is geen exclusieve modus waarop geldleningen tot stand komen; dat varieert al naar gelang de omstandigheden. Besprekingen vinden ook op diverse plaatsen op de wereld plaats.
Inzage in de agenda van mevrouw [naam 1] of de heer [naam 2] is niet aan de orde, omdat dit geen enkele relevantie heeft voor het doel van de vragen. En datzelfde geldt voor de correspondentie met betrokkenen.
Geldleningsovereenkomsten worden doorgaans door een advocaat uit Hong Kong , naar het recht van Hong Kong opgesteld. Civiel-juridische en fiscale adviezen komen uit alle windstreken, afhankelijk van de gevraagde expertise. Voorgaande is het antwoord op uw vraag 8.
(...)
Jaarrekeningen:
Het antwoord op de vraag of cliënte u jaarrekeningen gaat toezenden, houdt cliënte voorlopig in beraad. Eerst neemt cliënte graag kennis van uw visie op de toepassing van het belastingverdrag tussen Nederland en Hong Kong , inzake de voorkoming van dubbele belastingheffing*."
2.23. In een brief van 7 juni 2017 van de inspecteur aan belanghebbende is voor zover van belang het volgende vermeld:
"(…) Als doel geldt onverkort: de beoordeling van de mogelijke belastingplicht in Nederland van [belanghebbende] voor de heffing van de vennootschapsbelasting.(…)Vennootschapsbelasting
Activiteiten [belanghebbende]
Ik constateer dat u met mij van mening bent dat [belanghebbende] financieringen aan (rechts)personen in Nederland verstrekt tegenover vergoeding van een rente. Zonder verdere informatie kan ik niet toetsen, essentieel voor de bepaling van de belastingplicht, hoe het absolute en relatieve gewicht is van de op Nederland gerichte activiteiten. Deze informatie is noodzakelijk gelet op onder andere de artikelen 4, 5 en 7 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Speciale Administratieve Regio Hongkong van de Volksrepubliek China tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting tot belastingen naar het inkomen. Hierna te noemen: het VerdragIn mijn vorige brief heb ik overigens slechts tot uitdrukking willen brengen dat [belanghebbende] financieringen verstrekt die in voorkomende gevallen verzekerd worden door het recht van hypotheek op onroerende zaken in Nederland.
De stelling van [belanghebbende] is dat men actief is in meerdere landen. Zoals aangegeven is mij daar niets van bekend, noch kan ik het belang van Nederland inschatten in het geheel. Wie stelt moet in het belastingrecht het (begin van) bewijs leveren, dus ik nodig u hierbij uit daarvoor zorg te dragen. Ook hier geldt dat deze informatie nodig is voor het beoordelen van een juiste verdragstoepassing.
U heeft indertijd, tijdens de discussie over de leningen aan de heer [naam 8] , verklaard dat de klanten allen in Nederland gevestigd zijn en [belanghebbende] alleen in Nederland geld uitleent met als valuta de euro, dus niet de Hongkong dollar of andere valuta. Daarom heb ik onlangs gevraagd om de jaarstukken, om de opeens andersluidende beweringen te toetsen. Hier wordt gevraagd naar concrete feiten en bewijs; dit is ten principale geen "fishing expedition" maar noodzakelijk om de "resident" bepaling van artikel 4 van het Verdrag te toetsen alsmede de "permanent establishment" vast te stellen zoals bedoeld in artikel 5 van het eerder genoemde Belastingverdrag tussen Nederland en Hong Kong .(…)Plaats bedrijfsgebeuren [belanghebbende]
Het daadwerkelijke bedrijfsgebeuren van [belanghebbende] behelst volgens (eerdere) verklaringen van mevrouw [naam 1] financieringsactiviteiten, waarbij ik aanteken dat deze kennelijk in Nederland vooralsnog zonder vergunning van de AFM plaatsvinden. Andere activiteiten van [belanghebbende] zijn mij (nog) niet bekend bij gebrek aan inzicht/transparantie.
U verschaft vooralsnog geen informatie over de activiteiten van [belanghebbende] buiten Nederland en daardoor kan ik niet vaststellen of er hierbij van enige "substance" sprake is. Ik meen dat u in het belang van [belanghebbende] , en mede ter beëindiging van deze discussie, ingeval van afdoende substance van werkzaamheden van [belanghebbende] buiten Nederland de gerede partij bent om deze informatie aan te leveren. Daarnaast geeft u geen inzicht in de redenen voor het herroepen of intrekken van de eerder tegenover de inspecteur afgelegde verklaringen ten aanzien van de werkzaamheden van [belanghebbende] . Dit klemt temeer daar de aangetroffen financieringen hoge rentepercentages dragen. Daaruit leid ik af dat deze debiteuren, om welke reden dan ook, niet in staat zijn elders, onder normale marktcondities, voldoende middelen aan te trekken. Een nader onderzoek artikel 53 AWR bij de debiteuren in Nederland is derhalve noodzakelijk om de activiteiten beter te kunnen duiden.
De feitelijke gang van zaken bij het verstrekken van de leningen wordt door uw advocaat zeer globaal omschreven. Ik duidde aan dat de directie van [belanghebbende] naar mijn mening feitelijk een adres te [plaats 2] , ter beschikking heeft/had, van waar uit u in elk geval doende was met de bedrijfsactiviteiten van de andere verbonden vennootschappen.
Indien u van mening bent dat mijn visie onjuist is, zie ik niet in welk belang [belanghebbende] heeft bij het niet verstrekken van de agenda's en de correspondentie. Immers, door verstrekking zouden uw stellingen aan geloofwaardigheid winnen. Ook de jaarrekeningen van [belanghebbende] bevatten vermoedelijk meer relevante informatie over de activiteiten van [belanghebbende] en de plaats van Nederland in het geheel, en daarom heb ik verzocht om die aan mij te verstrekken.
2.24. Bij brief van 20 september 2017 heeft de inspecteur het volgende laten weten:
"Met dagtekening 7 juni 2017 stuurde ik de directie van [belanghebbende] een brief met een aantal onderwerpen. Ik verzocht om antwoord te geven op diverse vragen, stukken in te zenden en bood gelegenheid om de standpunten van [belanghebbende] weer te geven. Dit alles om na bestudering een definitief oordeel te kunnen geven over de (Nederlandse) belastingplicht voor de heffing van de vennootschapsbelasting van [belanghebbende] .Op dit moment moet ik constateren dat [belanghebbende] geen antwoord heeft gegeven op de door mij gestelde vragen. Sterker nog, in uw brief van 20 juni 2017 geeft u aan dat de volledige inhoud van mijn brief van 7 juni jl. wordt ontkend en betwist. De fatale datum in de peremptoirstelling (7 augustus 2017) is verstreken, evenals het respijt dat werd gegeven in verband met uw vakantieperiode; dit omdat uw brief van 8 augustus 2017 ook andermaal geen antwoorden op de door mij gestelde vragen bevat.
(…)Uitnodiging:
Gelet op de inhoud van uw brief van 8 augustus jl. nodig ik hierbij [belanghebbende] nogmaals uit om haar aanbod tot informatieverstrekking gestand te doen en te verstrekken:
- De jaarrekeningen met toelichting zoals eerder werd verzocht;
- Antwoorden door [belanghebbende] op enige - kennelijk door [belanghebbende] blijkens uw eerdere schrijven van 20 juni 2017 toch wel relevant geachte - door de inspecteur gestelde vragen .
(…)
Slotopmerkingen
Ik bied u tot en met 9 oktober 2017de tijd om alsnog de antwoorden op de in mijn eerdere correspondentie opgenomen vragen in te dienen. Voor het geval dat u niet voor genoemde datum heeft gereageerd dan wel ingeval u persisteert in uw standpunt dat [belanghebbende] niet gehouden is tot het geven van enig inhoudelijk antwoord, zie ik mij genoodzaakt om over te gaan tot het uitreiken van een informatiebeschikking."
2.25. De inspecteur heeft met dagtekening 10 oktober 2017 de onderhavige informatiebeschikking gegeven. De informatiebeschikking vermeldt onder meer:
"In het kader van een door de Belastingdienst uitgevoerd onderzoek naar de belastingplicht voor de heffing van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (artikel 2 lid 1 letter a Wet VPB 1969 dan wel artikel 3 lid 1 letter a Wet VPB 1969) van [belanghebbende] , zijn op grond van artikel 47 lid 1 letter a van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) gegevens en inlichtingen verzocht ten aanzien van de belastingheffing van [belanghebbende] (hierna: [belanghebbende] ) en boeken, bescheiden en gegevensdragers of de inhoud daarvan ter raadpleging gevraagd (artikel 47 lid 1 letter b AWR).
De volgende inlichtingen en gegevens werden verzocht in een e-mailbericht van 24 januari 2017, vraag 3:
- Opgave van de plaats van belastingheffing over de resultaten van [belanghebbende] en stukken die deze belastingheffing aannemelijk maken;
- Jaarrekening [belanghebbende] 2012;
- Jaarrekening [belanghebbende] 2013;
- Jaarrekening [belanghebbende] 2014;
- Jaarrekening [belanghebbende] 2015;
- Jaarrekening [belanghebbende] 2016.
De volgende inlichtingen en gegevens werden verzocht in een brief van 23 februari 2017:
- Toelichting op de (Nederlandse) activiteiten van [belanghebbende] (vraag 3);
- Opgave omtrent een eventueel aanwezige Nederlandse vergunning voor kredietverstrekking (vraag 3);
- Wijze van verkrijging van de aandelen en omstandigheden (vraag 4);
- Fiscale status c.a. van [belanghebbende] in Hong Kong (vraag 6);
- Concernschema en/of organigram in chronologische vorm van de plaats van [belanghebbende] in het geheel van NL rechtspersonen van de heer [naam 2] en Mevrouw [naam 1] . (vraag 7);
- Inlichtingen over de werkwijze bij het aangaan van financieringsrelaties door [belanghebbende] met Nederlandse klanten (vraag 8);
- Inlichtingen over de verblijfplaats van de bestuurder/feitelijk leidinggever van [belanghebbende] en de reisbewegingen om de plaats van feitelijke leiding van [belanghebbende] vast te kunnen stellen (vraag 9);
- Inlichtingen over het Nederlands woonadres van mevrouw [naam 1] , zoals vermeld is op haar Taiwanese paspoort (vraag 10);
- Herhaalde vraag om de jaarrekeningen 2012 tot en met 2016 van [belanghebbende] te verstrekken (vraag 14).
(…)
Geconstateerd is derhalve op 10 oktober 2017 dat geen enkele van de onder 1 tot en met 15 gestelde vragen is beantwoord.
Informatiebeschikking.
Nu niet is voldaan aan de verplichtingen zoals bedoeld in artikel 47 AWR, ontvangt u hierbij deze informatiebeschikking zoals bedoeld in artikel 52a lid 1 AWR
Met deze beschikking stel ik uw verzuim ten aanzien van de inlichtingenplicht neergelegd in artikel 47 AWR formeel vast.
Toepassingsbereik.
Deze beschikking heeft betrekking op aanslagen vennootschapsbelasting en omzetbelasting ten name van [belanghebbende] over de kalenderjaren 2012, 2013, 2014, 2015 en 2016."
2.26. Bij uitspraak op bezwaar van 19 juni 2020 is de inspecteur gedeeltelijk tegemoetgekomen aan belanghebbendes bezwaar, omdat vraag 7 zoals opgenomen in zijn brief van 23 februari 2017 (onderdeel 11 in de informatiebeschikking) volgens hem voldoende is beantwoord door belanghebbende.
2.27. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en heeft de informatiebeschikking, voor zover deze betrekking heeft op de onderdelen 7, 8, 9, 12 (gedeeltelijk), 13 en 14, vernietigd. Daarnaast heeft de rechtbank belanghebbende tot vier weken na verzending van de uitspraak in de gelegenheid gesteld om alsnog de in de overgebleven onderdelen van de informatiebeschikking gestelde vragen te beantwoorden en de daarin gevraagde bescheiden te verstrekken.
Getuigenverklaringen
2.28. [getuige 5] , ten tijde van het strafrechtelijk onderzoek opsporingsambtenaar bij de FIOD en thans werkzaam bij de Belastingdienst, heeft als getuige ter zitting van het hof van 26 september 2025 onder meer het volgende verklaard:
"De gemachtigde houdt mij voor dat in proces-verbaal [nummer 6] document [nummer 7] (' [naam 9] ') wordt gebruikt in het kader van de verdenking van belastingfraude.
Op de vraag van de gemachtigde of ik heb geconstateerd dat document [nummer 7] niet is voorzien van een briefhoofd, een naam of een handtekening, en heb geconstateerd dat de herkomst van het document daarom niet verifieerbaar is, antwoord ik:
ik kan mij niet herinneren of ik het geverifieerd heb.
(…)
3 Geschil en conclusies van partijen
3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
- Is sprake van onrechtmatig verkregen bewijs en, zo ja moet dat bewijs in deze zaak worden uitgesloten?
- Heeft de inspecteur terecht een informatiebeschikking afgegeven?
- Heeft belanghebbende recht op vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn?
3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en hetgeen zij hieraan ter zittingen hebben toegevoegd. Tijdens de regiezitting hebben partijen verklaard dat stukken en standpunten die in één of meer van de in 1.15 en 1.18 genoemde zaken zijn ingebracht geacht worden ook onderdeel uit te maken van de dossiers in die andere zaken. Een uitzondering heeft te gelden voor het bericht van 1 mei 2025 en de daarbij gevoegde bijlagen; deze stukken zijn uitsluitend ingediend in de zaken 23/374 tot en met 23/384.
3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de informatiebeschikking. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.
4 Gronden
Vooraf en ambtshalve
Aanbod van stukken
4.0.1. De inspecteur heeft tijdens de zitting van 25 september 2025 een kopie overgelegd van e-mailverkeer tussen, onder meer, [gemachtigde] en de inspecteur (zie 1.17). Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt en daartoe aangevoerd dat de inspecteur die e-mails te laat heeft ingebracht.
4.0.2. Belanghebbende heeft tijdens de zitting van 26 september 2025 verzocht om document [nummer 8] , althans gedeelten daarvan, over te mogen leggen. Het hof heeft dat verzoek tijdens die zitting voorlopig afgewezen.
4.0.3. Bij de beslissing of een partij de gelegenheid moet krijgen bewijsstukken tijdens de zitting alsnog over te leggen, moet een afweging plaatsvinden. Enerzijds is er het belang dat die partij heeft bij het overleggen van die stukken en de redenen waarom hij dit niet in een eerdere fase van de procedure heeft gedaan, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang.
4.0.4. Met betrekking tot het door de inspecteur overgelegde stuk (zie 4.0.1) overweegt het hof als volgt. Het hof constateert dat het e-mailverkeer berichten tussen [gemachtigde] , de gemachtigde van belanghebbende, en de inspecteur betreft. De inhoud van de betreffende emails mogen bij [gemachtigde] en (via toerekening aan) belanghebbende derhalve als bekend worden verondersteld. Verder neemt het hof in aanmerking dat de inspecteur het e-mailverkeer heeft ingebracht ter betwisting van een door belanghebbende in de op 22 september 2025 ingezonden pleitnota nieuw ingenomen stelling, namelijk dat het rapport Reiser niet door belanghebbende maar door de FIOD is verstrekt. Er was voor de inspecteur derhalve geen aanleiding het stuk eerder in het geding te brengen. Gelet op deze gang van zaken is het hof van oordeel dat de inspecteur een belang heeft bij het overleggen van de stukken en dat belanghebbende voldoende gelegenheid heeft gehad op de stukken te reageren, nu deze stukken bij belanghebbende bekend mogen worden verondersteld. Het hof is dan ook van oordeel dat het belang van een goede procesorde zich niet verzet tegen overlegging van het e-mailverkeer door de inspecteur.
4.0.5. Met betrekking tot het verzoek van belanghebbende (zie 4.0.2) overweegt het hof als volgt. Belanghebbende heeft tijdens de zitting een voor haar relevante passage uit document [nummer 8] aangehaald. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij het document niet kent, maar dat hij de door belanghebbende aangehaalde inhoud van het document niet in twijfel trekt indien het hof dat ook niet doet. Het hof heeft geen reden om aan de door belanghebbende geschetste inhoud van het document te twijfelen. Belanghebbende heeft er in zoverre geen belang bij het document alsnog over te leggen. Omdat belanghebbende slechts een passage uit document [nummer 8] heeft aangehaald, kan het alsnog overleggen van het integrale document, waarvan niet duidelijk is gemaakt welk doel dit in deze procedure zou dienen, leiden tot een vertraging in de behandeling van de zaak - in de vorm van een heropening van het vooronderzoek - aangezien de eisen van een behoorlijk proces meebrengen dat de inspecteur en het hof kennis kunnen nemen van dat document en dat de inspecteur daarop op adequate wijze kan reageren. Er zijn geen aanwijzingen dat belanghebbende niet in een eerder stadium van de procedure in staat was document [nummer 8] over te leggen. Het hof is van oordeel dat het belang van een doelmatige procesgang in dit geval zwaarder weegt dan het alsnog overleggen van het integrale document [nummer 8] . Het bewijsaanbod van belanghebbende is derhalve tardief. Het hof heeft derhalve geen reden om op het voorlopig oordeel terug te komen.
Getuigen
4.0.6. Belanghebbende heeft vóór de regiezitting een getuigenaanbod gedaan. Zij heeft bij bericht van 28 februari 2025 aangekondigd 27 personen als getuige en drie personen als deskundige op te roepen. Het hof heeft vervolgens op 6 juni 2025 in de uitnodiging voor de zittingen van 25 en 26 september 2025 meegedeeld dat het gelegenheid biedt tot uitvoering van dat aanbod.
4.0.7. Belanghebbende heeft [getuige 7] , werkzaam bij de FIOD, als getuige opgeroepen voor de zittingen van 25 en 26 september 2025. Het hof constateert dat belanghebbende daarbij heeft voldaan aan de voorschriften van artikel 8:60, lid 4, Awb. In het deurwaardersexploot en in de aangetekende brief is vermeld dat [getuige 7] wordt opgeroepen om een getuigenis af te leggen over de tijdens de doorzoeking op 10 oktober 2017 in het bedrijfspand aangetroffen digitale en fysieke administratie van [bedrijf 7] en de stempel en administratie van [belanghebbende] . De advocaat van [getuige 7] heeft op 17 september 2025 aan het hof en belanghebbende bericht dat [getuige 7] op beide zittingsdagen is verhinderd. [getuige 7] is op beide zittingen niet verschenen. Ter zitting van 25 september 2025 heeft belanghebbende het hof verzocht [getuige 7] als getuige op te roepen.
4.0.8. Het hof wijst het verzoek tot het horen van [getuige 7] als getuige af, omdat het horen van deze persoon in het kader van de op het hof rustende taak niet zinvol voorkomt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de feiten en omstandigheden ten aanzien waarvan [getuige 7] zal worden bevraagd (zie 4.0.7) niet bijdragen aan de beslissing van de zaak. De inspecteur heeft immers ter zitting van 25 september 2025 verklaard dat niet langer in geschil is dat de stempel van [belanghebbende] en die van [bedrijf 7] op 10 oktober 2017 zijn aangetroffen in de handtas van belanghebbende (zie 2.11). Wat betreft de administratie van [bedrijf 7] en [belanghebbende] heeft het hof om tot zijn beslissing te komen, zoals hierna zal blijken, niet meegewogen of er administratie van [bedrijf 7] en [belanghebbende] in het bedrijfspand is aangetroffen, of die digitaal of fysiek was en in hoeverre die administratie volledig was.
4.0.9. Ter zitting van 25 september 2025 zijn twee personen als getuige gehoord en ter zitting van 26 september 2025 zijn vier personen als getuige gehoord (zie 1.16 respectievelijk 1.19). Voor zover belanghebbende het verzoek tot het horen van de overige 22 personen als getuige en drie personen als deskundige gestand doet, wijst het hof dat verzoek af. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat belanghebbende bij het oproepen van deze getuigen en deskundigen zelf niet heeft voldaan aan de voorschriften van artikel 8:60, lid 4, Awb. Zij heeft deze personen immers niet bij aangetekende brief of deurwaardersexploit opgeroepen danwel meegebracht. Bovendien heeft belanghebbende op de regiezitting verklaard dat het horen van [getuige 8] als getuige niet (meer) nodig is. Ook ziet het hof ambtshalve geen aanleiding deze personen als getuigen op te roepen.
Tussenbeslissingen
4.0.10. Belanghebbende verzoekt om tussenbeslissingen met betrekking tot de omvang van het dossier, meer in het bijzonder ten aanzien van het uitsluiten van een aantal stukken. Dit verzoek wordt afgewezen. Het strookt niet met het stelsel van de Awb de bestuursrechter gehouden te achten een tussenbeslissing te geven omtrent de bewijslastverdeling, of omtrent de waardering van het tot dan toe bijgebrachte bewijs. [6]
Ten aanzien van het geschil
- Strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs
4.1. Belanghebbende stelt dat de inspecteur bewijs heeft ingebracht dat onrechtmatig is verkregen. In dat kader stelt zij (i) dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, (ii) dat het (indirecte) gebruik door de inspecteur van informatie en stukken die de Nederlandse autoriteiten hebben ontvangen van buitenlandse autoriteiten onrechtmatig is en (iii) dat het Openbaar Ministerie ten onrechte medewerking heeft verleend aan de verzoeken van de inspecteur op grond van artikel 55 AWR. Belanghebbende verbindt hieraan het rechtsgevolg dat het gebruik van de betreffende stukken in de onderhavige zaak niet is toegestaan.
4.2. De stelling dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs, is volgens belanghebbende meerderlei. Ten eerste was het Openbaar Ministerie niet bevoegd om vervolgingsmaatregelen in te stellen, omdat er geen redelijk vermoeden kan zijn ontstaan dat belanghebbende, [naam 1] , [naam 2] , en [bedrijf 4] zich vermoedelijk schuldig hebben gemaakt aan het begaan van strafbare feiten. Ten tweede zijn ten onrechte bepaalde opsporingsbevoegdheden jegens belanghebbende, [naam 1] , [naam 2] en [bedrijf 4] gebruikt. Ten derde zijn opsporingsbevoegdheden jegens belanghebbende, [naam 1] , [naam 2] en [bedrijf 4] gebruikt, voordat zij als verdachten zijn aangemerkt. Ten vierde is de inval op 10 oktober 2017 verricht zonder dat daaraan voorafgaand een daartoe strekkend bevel is aangevraagd, laat staan dat een dergelijk bevel voorafgaand aan de inval is verkregen. Ten slotte heeft de inspecteur noch het Openbaar Ministerie de informatiebron van document [nummer 7] " [naam 9] " vastgesteld; omdat het document is gedrukt op blanco papier en geen naam of titel van de opsteller van het document bevat, is het stuk vals, aldus belanghebbende.
4.3. De Hoge Raad[7] heeft een beoordelingskader gegeven voor het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen in een belastingzaak:
"4.3.2 In het arrest van 1 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5028 (hierna: het arrest van 1 juli 1992), heeft de Hoge Raad, voor het geval sprake is van bewijsmiddelen die jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, als regel vooropgesteld dat die omstandigheid voor de inspecteur geen beletsel behoeft te zijn om van die bewijsmiddelen gebruik te maken. In een dergelijk geval zal met inachtneming van alle ter zake dienende omstandigheden nader moeten worden beoordeeld of de inspecteur handelt in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en meer in het bijzonder met het zorgvuldigheidsbeginsel, door ter vaststelling of ter ondersteuning van een belastingaanslag van dit strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal gebruik te maken. Van strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur kan in het algemeen niet worden gesproken indien de inspecteur gebruik maakt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijsmiddelen waarvan hij zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen, ook indien de onrechtmatige handelingen van de betrokken strafrechtelijke instantie(s) niet hadden plaatsgevonden. Het gebruik van zodanige bewijsmiddelen door de inspecteur is volgens het arrest van 1 juli 1992 slechts dan niet toegestaan indien zij zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
4.3.3 In het arrest van 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad, afgezien van gevallen waarin het recht van de belanghebbende op een behoorlijk proces op grond van artikel 6 EVRM noodzaakt tot bewijsuitsluiting, slechts in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid aanvaard dat in belastingzaken uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs is geboden als rechtsstatelijke waarborg. Daarvoor geldt volgens dit arrest als maatstaf dat een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in zo aanzienlijke mate is geschonden, dat de uitkomst van dat onderzoek ook in een belastingzaak van het bewijs dient te worden uitgesloten. Met betrekking tot deze maatstaf heeft de Hoge Raad in het arrest van 20 maart 2015 niet de formulering herhaald over 'bewijsmiddelen waarvan de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis kan nemen'. De Hoge Raad heeft in dit arrest verder overwogen dat deze zeer terughoudende uitsluiting van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in belastingzaken, in gevallen waarin artikel 6 EVRM daartoe niet dwingt, op een adequate wijze tot uitdrukking komt in het zozeer-indruistcriterium uit het arrest van 1 juli 1992.
4.3.4 Gelet op het arrest van 20 maart 2015 is de Hoge Raad van oordeel dat bij de toepasselijkheid van het zozeer-indruistcriterium niet van belang is of het gaat om bewijsmiddelen waarvan de inspecteur zonder wettelijke belemmering kennis had kunnen nemen. Dat betekent dat in alle gevallen waarin de inspecteur gebruik wil maken van bewijsmiddelen die jegens de belanghebbende op strafrechtelijk onrechtmatige wijze zijn verkregen, het gebruik daarvan slechts dan niet is toegestaan indien (i) artikel 6 EVRM daartoe dwingt, of (ii) die bewijsmiddelen zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.".
4.4. Naar het oordeel van het hof bieden de stukken van het geding, in het bijzonder de stukken van het strafdossier en het vonnis van de strafrechter, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs en - zo ja - dat sprake is van bewijsmiddelen die zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Met dat wat belanghebbende stelt (zie 4.2) heeft zij in dat verband geen, althans onvoldoende, twijfel gezaaid over de juistheid van het vonnis van de strafrechter, waardoor aan dat vonnis - in zoverre - zou moeten worden getwijfeld.
4.5. Met betrekking tot document [nummer 7] " [naam 9] " constateert het hof dat de inspecteur, in tegenstelling tot belanghebbende[8] , dat document niet in het geding heeft gebracht. Wel heeft de inspecteur proces-verbaal [nummer 6] overgelegd en wordt in dat proces-verbaal verwezen naar en geciteerd uit document [nummer 7] " [naam 9] ". [getuige 5] , die proces-verbaal [nummer 6] heeft opgemaakt, heeft ter zitting van het hof van 26 september 2026 als getuige verklaard dat hij zich niet kan herinneren of hij heeft geverifieerd of de herkomst van document [nummer 7] " [naam 9] " verifieerbaar is (zie 2.28). Het hof constateert dat de herkomst van het document niet kan worden vastgesteld. Het hof gaat er met betrekking tot dit document daarom veronderstellenderwijs van uit dat sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. Het hof is echter van oordeel dat geen sprake is van een bewijsmiddel dat is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
Gebruik van informatie en stukken naar aanleiding van rechtshulpverzoeken
4.6. Belanghebbende stelt dat de Nederlandse opsporingsautoriteiten naar aanleiding van een rechtshulpverzoek informatie dan wel stukken hebben verkregen van de autoriteiten van Hong Kong , Taiwan , de Filippijnen en Duitsland (hierna: de buitenlandse autoriteiten) en dat deze buitenlandse autoriteiten het voorbehoud hebben gemaakt dat de informatie en stukken uitsluitend worden verstrekt voor strafvorderlijke doeleinden. Belanghebbende stelt dat de inspecteur van die informatie op indirecte wijze kennis heeft gekregen door dat wat in het vonnis van de strafrechter en in processen-verbaal in het strafdossier is vermeld. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur van die informatie gebruik gemaakt in de onderhavige belastingzaak en is dat gebruik onrechtmatig.
4.7. Niet in geschil is dat de buitenlandse autoriteiten informatie dan wel stukken hebben verstrekt aan de Nederlandse opsporingsautoriteiten en dat zij daarbij het voorbehoud hebben gemaakt dat die informatie dan wel stukken uitsluitend mogen worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek. Niet in geschil is dat de inspecteur niet beschikt over die stukken en dat de inspecteur die stukken dus ook niet in het geding heeft gebracht. Niettemin heeft de inspecteur wel informatie uit die stukken kunnen herleiden uit processen-verbaal uit het strafdossier en uit het vonnis van de strafrechter. De inspecteur heeft die informatie in de onderhavige belastingzaak gebruikt ter onderbouwing van zijn standpunten. De inspecteur heeft aldus op indirecte wijze gebruik gemaakt van de door de Nederlandse opsporingsautoriteiten van de buitenlandse autoriteiten verkregen informatie en stukken. Het hof is van oordeel dat het door de inspecteur op indirecte wijze gebruik maken van die informatie niet in strijd is met de goede verdragstrouw, een goede procesorde en wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht. Het is de inspecteur dus toegestaan op voormelde indirecte wijze gebruik te maken van de door de Nederlandse opsporingsautoriteiten van de buitenlandse autoriteiten verkregen informatie en stukken.
4.8. Ten aanzien van het document [nummer 7] " [naam 9] " herhaalt het hof dat de herkomst ervan niet is komen vast te staan (zie 4.5.). Voor zover dit document door buitenlandse autoriteiten is verstrekt onder het voorbehoud dat het uitsluitend mag worden gebruikt voor het strafrechtelijk onderzoek, heeft het volgende te gelden. Geen rechtsregel verhindert het hof kennis te nemen van dat document dat door belanghebbende zelf aan het hof is toegezonden.[9] Overigens heeft het hof aan dat document geen belang toegekend.[10]
Artikel 55 AWR
4.9. Belanghebbende stelt dat het Openbaar Ministerie ten onrechte medewerking heeft verleend aan de verzoeken van de inspecteur op grond van artikel 55 AWR, omdat belanghebbende op dat moment nog geen verdachte was. Belanghebbende verliest daarbij uit het oog dat voor toepassing van deze bepaling niet relevant is of de belastingplichtige al dan niet verdachte is. Voorwaarde voor toepassing van artikel 55 AWR is dat de gegevens en inlichtingen worden verschaft ter uitvoering van de belastingwet. Daarvan is in het onderhavige geval sprake.
- Informatiebeschikking
4.10. Belanghebbende betoogt dat de inspecteur niet het recht heeft om de informatiebeschikking te nemen omdat belanghebbende niet in Nederland is gevestigd en onder de jurisdictie van de belastingautoriteiten in Hong Kong valt. Daarbij is, volgens belanghebbende, sprake van een fishing expedition. Belanghebbende voert verder aan dat de inspecteur al over alle gevraagde informatie beschikte of daarover had kunnen beschikken op grond van artikel 55 AWR en dat de informatiebeschikking niet proportioneel is en dat omkering en verzwaring van de bewijslast niet aan de orde kan zijn. Belanghebbende geeft verder aan dat zij heeft meegewerkt en de vragen heeft beantwoord. Verder is, aldus belanghebbende, de informatiebeschikking gegeven met als doel de opsporingsambtenaren van informatie voor de strafrechtelijke vervolging te voorzien. Belanghebbende betoogt dat deze handelswijze in strijd is met het beginsel dat niemand gehouden is tegen zichzelf bewijs te leveren, het nemo-tenetur-beginsel. Tot slot betoogt belanghebbende dat de omstandigheid dat de inspecteur aanslagen Vpb over de jaren 2017 tot en met 2021 heeft opgelegd, aangeeft dat de informatiebeschikking kennelijk niet nodig was om de aanslagen op te leggen.
4.11. Het hof stelt voorop dat belanghebbende in hoger beroep de jaarrekeningen over 2013, 2014, 2015 en 2016 heeft overgelegd en dat de inspecteur heeft aangegeven dat de vragen 1, 3 tot en met 6, 10 en 15 inmiddels zijn beantwoord. De informatiebeschikking ziet daarom in hoger beroep alleen nog op de jaarrekening over 2012 en beantwoording van vraag 12 uit de informatiebeschikking, te weten: inlichtingen over de werkwijze bij het aangaan van financieringsrelaties door belanghebbende met Nederlandse klanten. De inspecteur heeft deze vraag, zonder bezwaar van belanghebbende, bij de rechtbank beperkt tot de volgende vragen:
- is er een agenda aanwezig en, zo ja, het verzoek deze te overleggen;
- een overzicht per debiteur gevraagd aan te geven hoe de contacten verlopen zijn, wiens initiatief het was om de geldleningen aan te gaan en hoe dit alles praktisch is geregeld, van het begin tot het einde;
- inzage in de gevoerde (e-mail)correspondentie met de betrokkenen.
Belanghebbende heeft deze vragen niet beantwoord.
4.12. Artikel 47 AWR geeft de inspecteur een ruime bevoegdheid om inlichtingen te vragen. Het artikel bepaalt dat ieder gehouden is aan de inspecteur desgevraagd de gegevens en inlichtingen te verstrekken, die voor zijn belastingheffing van belang kunnen zijn. Daarbij is niet van belang of de gegevens en inlichtingen waarom wordt verzocht daadwerkelijk van belang zijn, maar of zij van belang kúnnen zijn voor die belastingheffing. Indien met betrekking tot een op te leggen aanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen op grond van artikel 47 AWR, kan de inspecteur op grond van artikel 52a, lid 1, AWR dit vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking: een informatiebeschikking.
4.13. De informatieverplichting van artikel 47 AWR richt zich ook tot die gevallen waarin de informatie opheldering zouden kunnen geven over de vraag of een entiteit in Nederland belastingplichtig is. Het is voldoende dat de inspecteur zich, gelet op de hem ter beschikking staande gegevens, in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de door hem gevraagde gegevens, inlichtingen, boeken, bescheiden en/of andere gegevensdragers van belang kunnen zijn om opheldering te krijgen over de vraag of belanghebbende in Nederland belastingplichtig is.[11] Hieruit volgt dat de omstandigheid dat belanghebbende het standpunt inneemt niet in Nederland maar in Hong Kong aan belastingheffing te zijn onderworpen, haar niet ontslaat van de verplichting om aan verzoeken om inlichtingen op grond van artikel 47 AWR te voldoen. De inspecteur moet immers in de gelegenheid zijn om dit standpunt te kunnen toetsen. Daarbij gaat het verder niet erom dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat belanghebbende in Nederland is gevestigd, maar om de vraag of de inspecteur zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de nog resterende gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing in Nederland. Naar het oordeel van het hof is dat het geval.
4.14. Ten tijde van en voorafgaand aan het afgeven van de informatiebeschikking heeft de inspecteur namelijk gewezen op de volgende hem bekende feiten en omstandigheden: Belanghebbende heeft meerdere keren opgetreden als verkoper of hypotheeknemer van in Nederland gelegen onroerende zaken en geeft als adres het adres op van [bedrijf 4] , een vennootschap waarvan de aandelen achtereenvolgens worden gehouden door dezelfde natuurlijke personen als die achtereenvolgens aandeelhouder zijn van belanghebbende en die regelmatig in Nederland aanwezig zijn. Daarmee heeft de inspecteur voldoende aangedragen om zich in redelijkheid op het standpunt te kunnen stellen dat de gevraagde informatie van belang kan zijn voor de belastingheffing in Nederland. Voor zover belanghebbende zich op het standpunt stelt dat sprake is van een fishing expedition verwerpt het hof die klacht. Van een fishing expedition, is sprake indien de inspecteur ongericht gegevens en bescheiden opvraagt die niet van belang zouden kunnen zijn voor de belastingheffing van belanghebbende. In dit geval heeft de inspecteur naar aanleiding van concrete feiten en omstandigheden zijn bevoegdheid op grond van artikel 47 AWR uitgeoefend en relevante gegevens en bescheiden opgevraagd.
4.15. Belanghebbende betoogt dat de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast niet proportioneel is ten opzichte van de thans nog openstaande informatie. Weliswaar gaat het ten opzichte van de oorspronkelijke informatiebeschikking nog slechts om twee onderdelen van het oorspronkelijke verzoek. Echter, naar het oordeel van het hof is ook voor deze onderdelen de sanctie van omkering en verzwaring proportioneel. De inlichtingen ten aanzien van de werkwijze van belanghebbende bij het aangaan van financieringsrelaties met Nederlandse klanten, kunnen namelijk bij uitstek licht doen schijnen op dat wat belanghebbende in Nederland uitvoert, op haar werkwijze en daarmee op de vraag of een eventuele vaste inrichting in Nederland aanwezig is, of dat de feitelijke leiding van belanghebbende in Nederland wordt gevoerd op grond waarvan (eventuele) belastingplicht in Nederland kan worden bepaald. Ten aanzien van de nog ontbrekende jaarrekening over 2012 geldt dat deze informatie voor het belastingjaar 2012 van belang is voor de belastingheffing van belanghebbende. De omstandigheid dat uit de jaarrekening over 2013 de balansposities per 31 december 2012 volgen, maakt dat niet anders. De balansposities per 1 januari 2012 zijn daarmee niet bekend en ook overige mutaties gedurende dat jaar niet. De sanctie van omkering en verzwaring wegens het niet verstrekken van deze jaarrekening is eveneens in samenhang met de overige ontbrekende informatie proportioneel.
4.16. Belanghebbende betoogt dat zij niet (meer) aan het verzoek om informatie kan voldoen omdat alle aanwezige agenda's door de FIOD in beslag zijn genomen. Deze omstandigheid maakt het oordeel niet anders. De agenda's vormen slechts een (ondergeschikt) onderdeel van de nog resterende informatie en bovendien heeft inspecteur al op 7 juni 2017 om deze informatie gevraagd en dat was voordat de FIOD bij [bedrijf 4] beslag heeft gelegd op mogelijk ook administratieve bescheiden van belanghebbende.
4.17. Voor zover belanghebbende erover klaagt dat de inspecteur om informatie vraagt die hij ook op andere wijze, via artikel 55 AWR verzoeken kan verkrijgen, faalt die klacht. Het staat de inspecteur immers vrij om op grond van artikel 47 AWR inlichtingen te verzoeken die hij ook op andere wijze zou kunnen verkrijgen. Het is het hof niet gebleken dat de inspecteur daarbij enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.
4.18. Belanghebbende stelt dat sprake is van détournement de pouvoir omdat de inspecteur zijn bevoegdheid om op grond van artikel 47 AWR inlichtingen te vragen, heeft gebruikt om informatie in te winnen ten behoeve van de strafvervolging van onder meer belanghebbende. Deze stelling faalt omdat belanghebbende met dat wat zij aanvoert niet aannemelijk heeft gemaakt dat de inspecteur misbruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid op grond van artikel 47 AWR. Belanghebbendes beroep op schending van het nemo-tenetur-beginsel slaagt evenmin. Aan dat beginsel wordt namelijk als uitgangspunt in de belastingheffing niet getoetst[12] alleen al omdat een belastingplichtige verplicht is om informatie te verstrekken die voor de belastingheffing relevant is. In deze procedure is geen sprake van een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM. Verder heeft belanghebbende evenmin aannemelijk gemaakt dat de inspecteur in strijd met andere beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het fair-play-beginsel, heeft gehandeld.
4.19. Voor zover belanghebbende erover klaagt dat de inspecteur haar ambtshalve een fiscaalnummer heeft toegekend, kan dat evenmin tot een ander oordeel leiden. Het uitgeven van een fiscaalnummer is een beslissing van de inspecteur waar bij de belastingrechter geen bezwaar of beroep tegen openstaat. Bovendien valt die beslissing buiten het kader van deze procedure over de informatiebeschikking.
4.20. Tot slot faalt ook belanghebbendes klacht dat de inspecteur inmiddels voor de jaren 2017 tot en met 2021 aanslagen Vpb heeft opgelegd en daarom de informatiebeschikking niet langer noodzakelijk is. De informatiebeschikking heeft betrekking op de jaren 2012 tot en met 2016 en niet op de jaren 2017 tot en met 2021.
4.21. De slotsom is dat de informatiebeschikking terecht is gegeven. Het hoger beroep is gegrond omdat het hof de informatiebeschikking gedeeltelijk zal vernietigen. Het hof zal belanghebbende een termijn van vier weken geven na onherroepelijk worden van deze uitspraak om de volgende nog resterende inlichtingen te verstrekken: - de jaarrekening over 2012; - inlichtingen over de werkwijze bij het aangaan van financieringsrelaties door belanghebbende met Nederlandse klanten. De inspecteur heeft deze vraag bij de rechtbank beperkt tot de volgende vragen:
- Is er een agenda aanwezig en, zo ja, het verzoek deze te overleggen;
- Een overzicht per debiteur gevraagd aan te geven hoe de contacten verlopen zijn, wiens initiatief het was om de geldleningen aan te gaan en hoe dit alles praktisch is geregeld, van het begin tot het einde;
- Inzage in de gevoerde (e-mail)correspondentie met de betrokkenen.
- Overschrijding redelijke termijn
4.22. Belanghebbende heeft in hoger beroep voor het eerst verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
4.23. De inspecteur betoogt dat in deze procedure waarin het slechts gaat om een informatiebeschikking, geen sprake is van een financieel belang. Verder betoogt de inspecteur dat de onderhavige procedure zozeer samenhangt met de procedures van [bedrijf 4] (nrs. 23/374 tot en met 23/384), [naam 1] (nr. 23/370) en [naam 2] (23/372) dat sprake is van samenhangende zaken waarvoor slechts een keer een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn passend is.
4.24. Het hof wijst dit betoog af. Het hof wijst erop dat overduidelijk sprake is van een achterliggend financieel belang van meer dan € 15 dan wel € 1.000[13] in hoger beroep gelet op de bedragen die blijkens de jaarstukken door belanghebbende zijn geleend en vervolgens zijn uitgeleend en de omstandigheid dat de winst en verliesrekening over 2015 en 2016 substantiële positieve bedragen laat zien. Verder wijst het hof erop dat sprake is van samenhangende zaken wanneer het gaat om zaken van één belanghebbende die gezamenlijk zijn behandeld en die in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp.[14] Daarvan is hier geen sprake omdat het in dit geval gaat om procedures van vier verschillende belanghebbenden, die weliswaar gezamenlijk zijn behandeld maar waarin telkens verschillende onderwerpen aan de orde zijn.
4.25. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn voor beslechting van een belastinggeschil is overschreden gelden de volgende uitgangspunten. De in aanmerking te nemen termijn begint op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. Als uitgangspunt geldt dat de redelijke termijn is overschreden indien de rechtbank niet binnen twee jaar na die datum uitspraak doet. Voor de berechting van de zaak in hoger beroep heeft als uitgangspunt te gelden dat het hof uitspraak doet binnen twee jaar nadat het hoger beroepschrift door het hof is ontvangen. Het verzoek om een immateriële schadevergoeding is voor het eerst voor het hof gedaan. In dat geval heeft te gelden dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden door het hof moet worden beoordeeld naar de stand van het geding ten tijde van zijn uitspraak op het hoger beroep, waarbij de duur van de totale procedure tot dan toe in ogenschouw wordt genomen. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan in een zodanig geval dan ook ertoe leiden dat de overschrijding van de redelijke termijn door het bestuursorgaan en/of de rechtbank wordt gecompenseerd.[15]
4.26. Het bezwaarschrift tegen de informatiebeschikking is op 9 november 2017 door de inspecteur ontvangen. De rechtbank heeft op 15 februari 2023 uitspraak gedaan en het hof doet heden uitspraak. Dit betekent dat de redelijke termijn van in totaal vier jaar is overschreden met vier jaar en (naar boven afgerond) twee maanden. Het totaal van de overschrijding wordt naar boven afgerond. Indien de redelijke termijn is overschreden, wordt als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief gehanteerd van € 500 per half jaar waarmee die termijn is overschreden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg met 40 maanden is overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn verder overschreden met tien maanden. Het hof stelt vast dat van compensatie wegens een voortvarende behandeling in eerste aanleg geen sprake is.
4.27. De inspecteur betoogt dat de redelijke termijn moet worden verlengd met de periode tussen 24 oktober 2018 en 15 april 2019 waarin de beslistermijn met instemming van belanghebbende in de bezwaarfase is verlengd. Anders dan de inspecteur ziet het hof ziet geen aanleiding om de termijn te verlengen met het uitstel voor het doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft niet meer gedaan dan instemmen met het voorstel van de inspecteur tot verlenging van de beslistermijn. Dit is geen reden voor verlenging van de redelijke termijn. [16]
4.28. Dit betekent dat belanghebbende recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 4.500. De bezwaarfase heeft 32 maanden geduurd en was dus 26 maanden te lang, de vergoeding voor de bezwaarfase bedraagt daarmee afgerond € 2.340 ( 26 /50 x € 4.500). De beroepsfase heeft eveneens 32 maanden geduurd en was dus 14 maanden te lang, de hoger beroepsfase heeft tien maanden te lang geduurd. De vergoeding voor de beroepsfase en de hoger beroepsfase bedraagt afgerond € 2.160 (24/50 x € 4.500) en moet door de minister worden vergoed. Het hof betrekt de minister daarom in het geding.
Ten aanzien van het griffierecht
4.29. De inspecteur dient aan belanghebbende het bij het hof betaalde griffierecht van € 548 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
Ten aanzien van de proceskosten
4.30. Het hof veroordeelt de inspecteur tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is.
4.31. Het hof stelt deze tegemoetkoming op 3 (punten)[17] x € 907 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 2.721.
4.32. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.
5 Beslissing
Het hof:
De uitspraak is gedaan door J.M. van der Vegt, voorzitter, A.J. Kromhout en B.J. Rubbens, in tegenwoordigheid van R. Camps, als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025 en een afschrift van de uitspraak is op die datum in Mijn Rechtspraak geplaatst.
De griffier, De voorzitter,
R. Camps J.M. van der Vegt
Het aanwenden van een rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan **de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.**Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.
Belanghebbende wordt in de processen-verbaal in 2.8, 2.9, 2.10, 2.13, 2.14 en 2.15 aangeduid als [belanghebbende] .
Proces-verbaalnummer [nummer 10] betreffende "Eerste verhoor van de verdachte [ [naam 1] ]" op 10 oktober 2017.
Proces-verbaalnummer [nummer 11] betreffende "Tweede verhoor van de verdachte [ [naam 1] ]" op 11 oktober 2017.
Proces-verbaalnummer [nummer 12] betreffende "Vijfde verhoor van de verdachte [ [naam 1] ]" op 19 oktober 2017.
Proces-verbaalnummer [nummer 9] , opgemaakt op 27 maart 2019.
Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR7741.
Hoge Raad 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:154. De voetnoten zijn weggelaten.
Productie P bij het nader stuk van belanghebbende van 24 maart 2025.
Bijlage P bij het nader stuk van 24 maart 2015.
Hoge Raad 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:473.
Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3603, r.o. 2.4.2.
Zie EHRM 12 juli 2001, Ferrazzini vs. Italië, ECLI:CE:ECHR:2001:0712JUD004475998 en Hoge Raad 26 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1969.
De redelijke termijn in hoger beroep is verstreken op 29 maart 2025, zie Hoge Raad 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:853.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.10.2.
Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.13.3.
Hoge Raad 9 oktober 2020, ECLI:N:HR:2020:1574.
1 punt voor hogerberoepschrift, 2 punten voor het verschijnen op de zitting en de twee nadere zittingen zie Besluit proceskosten bestuursrecht. - - - ## Voetnoten