Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2026:34 - Gerechtshof Den Haag - 20 januari 2026
Arrest
ECLI:NL:GHDHA:2026:34•20 januari 2026
Formele relaties
Arrest inhoud
Civiel recht
Team Handel
Zaaknummer hof : 200.358.454/01
Zaak - en rekestnummer rechtbank : C/10/697557 / HA RK 25-341
Beschikking van 20 januari 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonend in [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),
verzoekster,
advocaat: mr. S.J. Hasselaar-Veltkamp, kantoorhoudend in Den Haag,
tegen
[verweerder],
wonend in [woonplaats],
verweerder,
advocaat: mr. L. Vieira, kantoorhoudend in Rotterdam.
Het hof noemt partijen hierna [verzoekster] en [verweerder].
1 De zaak in het kort
1.1 Een rechtbank in Kazachstan heeft [verweerder] veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie. [verzoekster] verzoekt om een verklaring dat deze beslissing in Nederland uitvoerbaar is. De rechtbank Rotterdam heeft dit verzoek afgewezen. [verzoekster] is hiertegen in hoger beroep gekomen.
1.2 Het hof stelt voorop dat de vraag of de Kazachse beslissing in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden, moet worden beoordeeld aan de hand van de regels van het Haags Alimentatieverdrag 2007. Volgens artikel 20 van dat verdrag is voor tenuitvoerlegging van de Kazachse beslissing vereist dat de Kazachse rechter bevoegd was op een van de in dat artikel genoemde gronden. Aan die voorwaarde is niet voldaan omdat [verweerder] niet zijn gewone verblijfplaats in Kazachstan had op het tijdstip waarop de procedure daar werd ingesteld. Dat betekent dat ook het hof tot de conclusie komt dat het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen.
2 Procesverloop in hoger beroep
2.1 Bij beroepschrift, bij de griffie ingekomen op 21 augustus 2025, is [verzoekster] in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2025. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend dat op 26 november 2025 is binnengekomen bij de griffie.
2.2 Partijen hebben hun standpunten uiteengezet tijdens de mondelinge behandeling op 15 december 2025, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Vervolgens is een datum voor de uitspraak bepaald.
3 Feitelijke achtergrond
3.1 [verzoekster] en [verweerder] zijn met elkaar gehuwd geweest van 20 oktober 2006 tot 18 juli 2014. Tijdens hun huwelijk, en wel op [geboortedatum], is [naam kind] (hierna ook: [naam kind]) geboren.
3.2 Tijdens het huwelijk hebben [verzoekster] en [verweerder] samengewoond in België, Luxemburg, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. Na het huwelijk heeft [verweerder] enige tijd in Kazachstan gewoond en gewerkt.
3.3 Op 28 augustus 2024 heeft de Bijzondere Regionale Rechtbank voor Minderjarigen te Atyrau, Kazachstan, [verweerder] veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie aan [verzoekster], ten behoeve van de minderjarige [naam kind]. De hoogte van de maandelijks te betalen alimentatie is daarbij gesteld op een vierde van het salaris en/of andere inkomsten van [verweerder], vanaf 11 juli 2024 totdat [naam kind] meerderjarig is. [verweerder] is in de procedure in Kazachstan niet verschenen.
3.4 De Kazachse rechter heeft het volgende overwogen over zijn bevoegdheid (weergave volgens de Nederlandse vertaling):
"Overeenkomstig Deel 1 van Artikel 466 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de Republiek Kazachstan (…) behandelen rechtbanken van de Republiek Kazachstan zaken waarbij buitenlandse personen betrokken zijn, indien (…) de gedaagde burger een verblijfplaats heeft op het grondgebied van de Republiek Kazachstan.
Volgens het informatie-uitwisselingssysteem van wetshandhaving, bijzondere staats - en andere autoriteiten van de Republiek Kazachstan, woont de verweerder in de stad Atyrau, ulitsa Kulmanova 23."
3.5 De rechter heeft zijn alimentatiebeslissing gebaseerd op Kazachs recht en heeft zijn uitspraak als volgt gemotiveerd (weergave volgens de Nederlandse vertaling):
"Overeenkomstig de bepalingen van artikel 138 van het Wetboek 'Huwelijk en gezin' van de Republiek Kazachstan (hierna te noemen: het Wetboek) zijn ouders verplicht hun minderjarige kinderen te onderhouden. (…)
(…)
Krachtens artikel 139 van het Wetboek wordt, bij gebrek aan overeenstemming over de betaling van alimentatie, de alimentatie voor minderjarige kinderen maandelijks door de rechtbank van hun ouders geïnd en bedraagt het volgende: voor één kind – een kwart (…) van [het] salaris en/of andere inkomsten van de ouders.
Uit de stukken blijkt dat [verweerder] de vader is van een minderjarig kind, [naam kind], geboren op [geboortedatum].
Op grond van het voorgaande acht de rechtbank de vordering tot inning van kinderalimentatie gerechtvaardigd en om die reden moet die worden toegewezen.
In dit verband acht de rechtbank het noodzakelijk om van de verweerder alimentatie te innen ten gunste van de verzoekster voor het onderhoud van een minderjarig kind ter hoogte van een kwart van [het] salaris en/of andere inkomsten.
Krachtens artikel 164, lid 2, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt alimentatie toegekend vanaf de datum van het verzoekschrift aan de rechtbank, en in dit verband moet alimentatie van de verweerder worden geïnd vanaf 11 juli 2024, de datum waarop het verzoekschrift is ingediend bij de rechtbank."
4 Procedure bij de rechtbank
4.1 Bij verzoekschrift van 4 april 2025 heeft [verzoekster] de rechtbank Rotterdam verzocht om de beslissing van de Bijzondere Regionale Rechtbank voor Minderjarigen te Atyrau (Kazachstan) van 28 augustus 2024 in Nederland uitvoerbaar te verklaren (primair) op grond van het Haagse verdrag van 23 november 2007 inzake de internationale inning van levensonderhoud voor kinderen en andere familieleden (hierna: het Haags Alimentatieverdrag 2007).
4.2 De rechtbank heeft het verzoek van [verzoekster] afgewezen en heeft de proceskosten gecompenseerd. De rechtbank heeft overwogen dat erkenning en tenuitvoerlegging van de Kazachse beslissing in strijd zijn met de Nederlandse openbare orde omdat de rechter Kazachs recht heeft toegepast terwijl hij op grond van artikel 3 van het Haags Alimentatieprotocol[1] Engels recht had moeten toepassen. Ten overvloede heeft de rechtbank daaraan toegevoegd dat de Kazachse rechter zijn bevoegdheid louter heeft gebaseerd op een administratieve registratie van [verweerder] in Kazachstan, terwijl alle stukken erop wijzen dat [verweerder] niet zijn gewone verblijfplaats in Kazachstan had op het moment van aanvang van de procedure daar. Volgens de rechtbank was de Kazachse rechter dan ook niet bevoegd, wat ook strijd met de Nederlandse openbare orde oplevert.
5 Beoordeling in hoger beroep
5.1 [verzoekster] is in hoger beroep gekomen. Zij wil dat het hof de beschikking van de rechtbank Rotterdam vernietigt en haar verzoek alsnog toewijst.
5.2 Het hof stelt voorop dat het Haags Alimentatieverdrag 2007 van toepassing is op de vraag of de Kazachse alimentatiebeslissing vatbaar is voor tenuitvoerlegging in Nederland. Het verdrag is materieel van toepassing omdat het gaat om alimentatieverplichtingen die voortvloeien uit een ouder-kindrelatie jegens een persoon jonger dan 21 jaar (artikel 2, lid 1 aanhef en onder a). Formeel is het van toepassing omdat het gaat om een alimentatiebeslissing gegeven door een gerecht van een verdragsluitende staat (Kazachstan), waarvan tenuitvoerlegging wordt verzocht in een andere verdragsluitende staat (Nederland). De zaak valt ook onder het temporele toepassingsgebied omdat het verzoek om tenuitvoerlegging door de Nederlandse rechter is ontvangen op 4 april 2025, en dus nadat het verdrag in werking is getreden tussen Kazachstan en Nederland (artikel 56, lid 1 aanhef en onder b).
5.3 Omdat het Haags Alimentatieverdrag 2007 van toepassing is, moet aan de hand van de regels van dat verdrag worden beoordeeld of de beslissing van de Kazachse rechter voor tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking komt. Artikel 20 lid 1 van dat verdrag bepaalt dat een alimentatiebeslissing gegeven in een verdragsluitende staat ("de staat van herkomst") in de andere verdragsluitende staten wordt erkend en ten uitvoer gelegd indien voldaan is aan één van de onder a t/m f genoemde bevoegdheidsgronden. Tot die gronden behoren onder meer: indien op het tijdstip waarop de procedure werd ingesteld (onder a) de verweerder zijn gewone verblijfplaats had in de staat van herkomst, (onder c) de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats had in de staat van herkomst, of (onder d) het kind voor wie levensonderhoud is toegekend zijn gewone verblijfplaats had in de staat van herkomst (en de verweerder daar met het kind heeft gewoond en in zijn levensonderhoud voorzag).
5.4 Vast staat dat [verzoekster] en [naam kind] op het tijdstip waarop de procedure in Kazachstan werd ingesteld hun gewone verblijfplaats hadden in het Verenigd Koninkrijk, en niet in Kazachstan. Dat betekent dat de gronden c en d zich niet voordoen. Aangezien ook de gronden b, e, en f niet van toepassing zijn, draait het in deze zaak om de vraag of [verweerder] zijn gewone verblijfplaats in Kazachstan had op het tijdstip waarop de procedure daar werd ingesteld. Als dat het geval is, dan is voldaan aan de bevoegdheidsgrond van artikel 20, lid 1 aanhef en onder a van het Haags Alimentatieverdrag 2007.
5.5 De tekst van het Haags Alimentatieverdrag 2007 bevat geen definitie van het begrip 'gewone verblijfplaats'. Uit het toelichtend rapport bij het verdrag volgt dat het in artikel 20 gebruikte begrip 'gewone verblijfplaats' moet worden ingevuld aan de hand van de feiten van het concrete geval, en dat toepassing van het criterium 'gewone verblijfplaats' meebrengt dat de betrokken persoon (hier: [verweerder]) in voldoende mate een band heeft met het land van herkomst van de alimentatiebeslissing (hier: Kazachstan).[2] Het hof overweegt dat daarvoor in ieder geval nodig is dat het leven van [verweerder] zich destijds feitelijk, met een zekere mate van bestendigheid, in Kazachstan afspeelde. Het relevante peilmoment is het tijdstip waarop de procedure in Kazachstan werd ingesteld. Dat is 11 juli 2024, de dag waarop het verzoekschrift is ingediend bij de Kazachse rechtbank (zie hiervoor bij 3.5).
5.6 [verweerder] stelt dat hij op 11 juli 2024 zijn gewone verblijfplaats had in Rotterdam en niet in Kazachstan. Het hof is van oordeel dat [verweerder] dat voldoende heeft aangetoond en dat [verzoekster] het tegendeel niet aannemelijk heeft weten te maken. Het hof licht dat als volgt toe.
5.7 Vaststaat dat [verweerder] werkzaam is voor (groepsmaatschappijen van) ExxonMobil en dat hij in dat kader door de jaren heen naar verschillende landen is uitgezonden. [verweerder] stelt dat hij vanaf augustus 2014 tot medio april 2017 in Kazachstan (Astana) heeft gewoond en gewerkt, dat hij het land toen heeft verlaten en daarna niet meer zijn gewone verblijfplaats in Kazachstan heeft gehad. In 2017 is hij vertrokken naar Moskou, Rusland, en dat werd zijn standplaats. Ter onderbouwing heeft [verweerder] een e-mail overgelegd met een bericht van de afdeling personeelszaken van ExxonMobil waarin staat dat de standplaats van [verweerder] in of omstreeks maart 2017 wordt verplaatst naar Moskou. [verweerder] stelt dat hij in mei 2023 nog voor enkele dagen naar Kazachstan is afgereisd voor zijn werk, dat de opdracht daar op 10 mei 2023 is beëindigd, dat hij op 11 mei 2023 uit Kazachstan is vertrokken en dat hij sindsdien niet meer naar dat land is teruggekeerd. [verweerder] heeft ter onderbouwing daarvan een vliegticket overgelegd waaruit blijkt dat hij op 11 mei 2023 vanuit Astana, Kazachstan, naar Istanbul is gevlogen en een nota waaruit volgt dat hij van 6 mei tot 11 mei 2023 in een hotel in Astana heeft verbleven. Verdere steun voor de stelling van [verweerder] dat hij in juli 2024 niet zijn gewone verblijfplaats in Kazachstan had, is te vinden in de door [verzoekster] overgelegde verklaring van [verweerder]' voormalige Kazachse werkgever (in reactie op het dwangbevel naar aanleiding van de alimentatiebeslissing) inhoudend dat [verweerder] sinds 10 mei 2023 niet meer heeft gewerkt voor de Kazachse tak van het bedrijf: "(...) [verweerder] is no longer an employee of the ExxonMobil Kazakhstan Inc. (referred to as "Branch") and, accordingly, does not receive any salary or other types of income from the Branch. His employment contract was terminated on May 10, 2023 (…)". [verweerder] stelt dat hij op 11 juli 2024 zijn gewone verblijfplaats had in Rotterdam, dat hij daar werkte, dat zijn huidige echtgenote en hun kinderen daar toen ook woonden en de kinderen daar naar school gingen (en dat dit alles op dit moment nog steeds zo is). [verweerder] heeft dat onderbouwd door een uittreksel uit de GBA waaruit blijkt dat hij sinds februari 2024 in Rotterdam is ingeschreven en dat zijn echtgenote en kinderen daar op hetzelfde adres staan ingeschreven. Verdere ondersteuning is te vinden in het feit dat hij in maart 2024 zijn handtekening onder de toestemmingsverklaring voor de aanvraag van een Amerikaans paspoort voor [naam kind] heeft laten legaliseren door een Rotterdamse notaris. [verweerder] heeft verder een uitdraai overgelegd van zijn 'work history' zoals die op de site van ExxonMobil is vermeld. Daarin staat dat hij vanaf 1 augustus 2014 zijn standplaats had in Astana (Kazachstan), vervolgens vanaf 9 april 2017 in Moskou, en dat op het moment dat de alimentatieprocedure in Kazachstan werd ingesteld, op 11 juli 2024, zijn standplaats Rotterdam was.
5.8 De omstandigheden die [verzoekster] heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar standpunt dat [verweerder] in juli 2024 zijn gewone verblijfplaats wel in Kazachstan had, zijn - ook in onderling verband beschouwd - onvoldoende tegenover al het voorgaande. Dat [verweerder] destijds in een administratief overheidssysteem van Kazachstan geregistreerd stond met een belastingnummer op een adres in Atyrau, betekent nog niet dat hij in juli 2024 nog zijn gewone verblijfplaats in Kazachstan had. [verweerder] heeft toegelicht dat deze registratie slechts een administratief overblijfsel is van de tijd dat hij in Kazachstan werkte, en gelet op de door hem gegeven toelichting op zijn gewone verblijfplaats, weergegeven in 5.7, heeft [verweerder] dat voldoende onderbouwd. [verzoekster] heeft er daarnaast op gewezen dat [verweerder] in maart 2024 op de toestemmingsverklaring voor de paspoortaanvraag voor [naam kind] een adres in Astana, Kazachstan, heeft vermeld. [verweerder] heeft daarover verklaard dat hij deze verklaring met spoed moest versturen via DHL en dat hij daarom het adres heeft vermeld waarop hij bij DHL nog geregistreerd stond. [verweerder] heeft er verder op gewezen dat uit dezelfde toestemmingsverklaring blijkt dat hij zijn handtekening heeft laten legaliseren door een notaris in Rotterdam, wat bevestigt dat hij ten tijde van het invullen van de verklaring in Rotterdam, en niet in Kazachstan was. Het hof is van oordeel dat - wat er verder ook zij van de door [verweerder] gegeven uitleg over de reden dat hij tegenover DHL een adres in Astana opgaf - ook deze adresvermelding niet voldoende is om aan te nemen dat [verweerder] in juli 2024 feitelijk zijn gewone verblijfplaats in Kazachstan had.
5.9 Omdat ervan moet worden uitgegaan dat de gewone verblijfplaats van [verweerder] in juli 2024 niet in Kazachstan was gesitueerd, is niet voldaan aan de bevoegdheidsgrond van artikel 20, lid 1 aanhef en onder a van het Haags Alimentatieverdrag 2007. Omdat, zoals hiervoor is overwogen, de bevoegdheid van de Kazachse rechter ook niet kan worden gebaseerd op een andere in artikel 20, lid 1 genoemde grond, komt de Kazachse beslissing niet voor tenuitvoerlegging in Nederland in aanmerking. Het verzoek van [verzoekster] moet daarom worden afgewezen.
5.10 [verzoekster] heeft aangevoerd dat ook als zou blijken dat [verweerder] bij aanvang van de procedure niet zijn gewone verblijfplaats in Kazachstan had, de Kazachse rechter zichzelf op basis van de op dat moment bekende informatie bevoegd heeft mogen verklaren. Alle verifieerbare informatie (de registratie in het overheidssysteem van Kazachstan en het door [verweerder] op de paspoortaanvraag ingevulde adres) gaf de rechter immers voldoende reden om aan te nemen dat [verweerder] wel zijn gewone verblijfplaats in Kazachstan had, aldus [verzoekster]. Het hof overweegt hierover dat dit - wat er verder ook van zij - de zaak niet anders maakt. De Nederlandse rechter moet bij de beoordeling of de Kazachse beslissing in Nederland ten uitvoer gelegd kan worden namelijk toetsen of is voldaan aan één van de bevoegdheidsgronden van artikel 20 lid 1 van het Haags Alimentatieverdrag 2007, en dat is hier niet het geval.
5.11 Hoewel de uitkomst van deze hoger beroep procedure met het voorgaande al vaststaat, besteedt het hof nog kort aandacht aan het volgende omdat het debat tussen partijen in hoger beroep ook daarover is gegaan. De rechtbank heeft de afwijzing van het verzoek van [verzoekster] hoofdzakelijk gebaseerd op de redenering dat de Kazachse rechter het recht van Kazachstan op de alimentatiekwestie heeft toegepast, terwijl die rechter volgens artikel 3 van het Haags Alimentatieprotocol (waarbij Kazachstan partij is) Engels recht had moeten toepassen. Volgens de rechtbank levert de omstandigheid dat niet het juiste recht is toegepast, strijd op met de Nederlandse openbare orde. Het hof overweegt hierover dat alleen sprake is van strijd met de Nederlandse openbare orde als de Kazachse uitspraak strijdig is met fundamentele beginselen van onze rechtsorde. Het enkele feit dat een buitenlandse rechter niet het juiste recht zou hebben toegepast, is daarvoor onvoldoende. Voor zover de rechtbank anders heeft overwogen, is dat onjuist.
5.12 De conclusie is dat het hoger beroep van [verzoekster] niet slaagt, in die zin dat ook volgens het hof de beslissing van de Kazachse rechtbank niet ten uitvoer kan worden gelegd in Nederland. Omdat het hof tot dezelfde uitkomst komt als de rechtbank, zal het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigen.
5.13 Gelet op relatie tussen partijen (ex-echtgenoten), zal het hof de proceskosten compenseren.
6 Beslissing
Het hof:
Deze beschikking is gegeven door mrs. H.J.M. Burg, S.A. Boele en A.J. Swelheim en in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2026 in aanwezigheid van de griffier.
Protocol inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Den Haag 23 november 2007. Kazachstan is partij bij dit protocol.
Explanatory Report by Alegría Borrás & Jennifer Degeling, p. 161: "The term "habitually resident" is used throughout Article 20. In this context, the term relates to a particular set of facts relevant to habitual residence that must be assessed on a case-by-case basis in the light of the context of the new Convention. The criterion of habitual residence allows for the determination of a sufficient connection between the individuals concerned and the State of origin." - - - ## Voetnoten