Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2024:2908 - Gerechtshof Den Haag - 5 maart 2024
Arrest
ECLI:NL:GHDHA:2024:2908•5 maart 2024
Arrest inhoud
Rolnummer: 22-004989-19
Parketnummer: 09-837188-18
Datum uitspraak: 5 maart 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 23 oktober 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortadatum] 1976,
adres: [woonadres], [woonplaats].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 12 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 3 jaren. Het geschorste bevel voorlopige hechtenis is ook opgeheven. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep. Tot slot is aan de verdachte een dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], met bevel dat voor iedere keer dat niet aan deze maatregel wordt voldaan, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
1.hij in of omstreeks de periode van 31 augustus 2014 tot en met 31 juli 2018 te 's-Gravenhage en/of Capelle aan den IJssel, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1], door in voornoemde periode - een zeer grote hoeveelheid, althans meerdere, berichten op social media (waaronder in elk geval Twitter) te plaatsen/verspreiden waarin die [slachtoffer 1] gerelateerd wordt aan onder meer stalking en/of belediging en/of seksueel misbruik en/of satanisme en/of - meermalen berichten en/of e-mails en/of brieven aan de werkgever en/of collega's en/of andere personen in het sociale netwerk van die [slachtoffer 1] te sturen (inhoudende beledigende beweringen omtrent die [slachtoffer 1]) en/of - die [slachtoffer 1] meermalen te bellen en/of e-mails te sturen en/of - meermalen de werkgever en/of collega's van die [slachtoffer 1] te bellen op het werk en/of - meermalen (valse) meldingen te doen bij politie en/of jusititie, althans overheidsinstellingen, omtrent die [slachtoffer 1], met het oogmerk die [slachtoffer 1], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;
2.hij in of omstreeks de periode van 23 september 2014 tot en met 31 juli 2018 te 's-Gravenhage en/of Alkmaar, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 2], door in voornoemde periode - een zeer grote hoeveelheid, althans meerdere, berichten op social media (waaronder in elk geval Twitter) te plaatsen/verspreiden waarin die [slachtoffer 2] gerelateerd wordt aan onder meer stalking en/of belediging en/of seksueel misbruik en/of satanisme en/of - meermalen berichten en/of e-mails en/of brieven aan de werkgever en/of collega's en/of andere personen in het sociale netwerk van die [slachtoffer 2] te sturen (inhoudende beledigende beweringen omtrent die [slachtoffer 2]) en/of - meermalen de werkgever en/of collega's van die [slachtoffer 2] te bellen en/of - een bos bloemen voor die [slachtoffer 2] te laten bezorgen op haar werk en/of - die [slachtoffer 2] meermalen te bellen en/of e-mails te sturen en/of - meermalen (valse) meldingen te doen bij politie en/of jusititie, althans overheidsinstellingen, omtrent die [slachtoffer 2], met het oogmerk die [slachtoffer 2], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen
3.hij in of omstreeks 17 oktober 2017 tot en met 3 december 2017 te 's-Gravenhage en/of Zoetermeer, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 3], door in voornoemde periode - een zeer grote hoeveelheid, althans meerdere, berichten op social media (waaronder in elk geval Twitter en/of Facebook en/of LinkedIn) te plaatsen/verspreiden waarin die [slachtoffer 3] gerelateerd wordt aan onder meer stalking en/of belediging en/of seksueel misbruik en/of satanisme en/of - die [slachtoffer 3] meermalen te bellen en/of e-mails en/of whatsapp-berichten te sturen en/of - meermalen (valse) meldingen te doen bij politie en/of jusititie, althans overheidsinstellingen, omtrent die [slachtoffer 3], met het oogmerk die [slachtoffer 3], te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen
4.hij op of omstreeks 07 april 2018 te 's-Gravenhage opzettelijk, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] heeft aangerand, door tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van geschriften en/of afbeeldingen verspreid, openlijk tentoongesteld of aangeslagen en/of door geschriften waarvan de inhoud openlijk ten gehore werd gebracht, door op zijn, verdachtes, Twitteraccount, welke voor een ieder openbaar is, een bericht te plaatsen met de tekst: "[slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] (buurtagenten) moeten gearresteerd worden voor het medeplegen van (gang)stalking art 285b Sr (groepsstalinkg zie groepsstalking.nl) en uitlokking (art. 47 Sr)!";
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de straf en dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 dagen met aftrek van voorarrest en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Voorts is gevorderd een dadelijk uitvoerbare maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Het vonnis waarvan beroep
Het hof is van oordeel, dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist, zodat het vonnis, waarvan beroep, met overneming van gronden behoort te worden bevestigd, behalve voor wat betreft de opgelegde straf en maatregel en de motivering daarvan.
Het vonnis moet op die onderdelen worden vernietigd en in zoverre moet opnieuw worden rechtgedaan.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van de slachtoffers mevrouw [slachtoffer 1], mevrouw [slachtoffer 2] en zijn oom, de heer [slachtoffer 3]. De belaging van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft voor ieder afzonderlijk in een periode van 14 maanden plaatsgevonden. De verdachte heeft via onder andere social media, e-mailberichten en telefonisch direct en/of indirect contact gezocht met de slachtoffers. Daarnaast heeft de verdachte meerdere malen pijnlijke en beledigende berichten over de slachtoffers online gezet. De berichten behelzen beschuldigingen in verband met (betrokkenheid bij) satanisme, zwarte magie, occulte stalking, seksueel misbruik van vrouwen en zelfs poging tot moord.
Uit de in eerste aanleg voorgelezen slachtofferverklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] blijkt dat hun leven al jaren voortdurend ontwricht is door de gedragingen van de verdachte en dat zij continu bang zijn dat de verdachte wederom contact met hen of hun omgeving zal opnemen. De impact van het handelen van de verdachte op hun leven is enorm. Naast de belaging van de slachtoffers heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan smaadschrift ten koste van twee wijkagenten. De eer en goede naam van deze twee wijkagenten is aangetast.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
21 februari 2024. Daaruit blijkt dat de verdachte eerder (in 2008) is veroordeeld voor belaging. Dit betreft dezelfde slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Het hof neemt het de verdachte kwalijk dat deze veroordeling hem er kennelijk niet van heeft weerhouden om opnieuw een dergelijk feit te plegen.
Een en ander rechtvaardigt in beginsel oplegging van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof zal daar echter van afzien gelet op de navolgende omstandigheden.
Uit het hiervoor vermelde uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat de verdachte sinds het vonnis in eerste aanleg niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Ook is niet gebleken dat hij opnieuw contact heeft gezocht met de slachtoffers in kwestie.
Het hof heeft voorts acht geslagen op een Pro Justitia rapportage d.d. 28 mei 2003, opgesteld door psycholoog mr.drs. R.A. Sterk en rapportages van NIFP-trajectconsulten d.d. 3 augustus 2018 en 28 augustus 2018 door respectievelijk psychiaters drs. S.M. Roopram en A. Gosker.
De rapportage van NIFP-trajectconsult d.d. 28 augustus 2018 houdt onder meer het volgende in. Bij onderzoek is er sprake van een ernstig psychotisch toestandsbeeld met uitgebreide denkstoornissen, waangedachten en waarneemstoornissen. Verdachte ontkent dat er sprake is van stalking. Hij zegt dat zijn handelen een gevolg is van zijn overtuiging dat mensen gevaar lopen door onder meer satanistische praktijken van andere mensen. Hij kan niet anders dan mededeling hiervan doen via de sociale media omdat de politie weigert zijn aangifte op te nemen.
Gelet op het voorgaande zal het hof bij het bepalen van de strafmaat de verdachte ten aanzien van alle bewezenverklaarde feiten als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwen.
Het hof komt tot het oordeel dat een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur, mede gelet op het tijdsverloop in hoger beroep, passend en geboden is.
Het hof neemt nog in aanmerking dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mensen en de fundamentele vrijheden, nu de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen 16 maanden na het instellen van het hoger beroep. Gelet op het gegeven dat het hof alleen een voorwaardelijke straf oplegt, zal worden volstaan met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.
Het hof zal aan de voorwaardelijke straf de na te noemen bijzondere voorwaarde verbinden ter voorkoming van herhaling van dergelijke strafbare feiten, met een proeftijd van 3 jaren.
Maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht
Het hof acht het voorts passend en geboden om aan de verdachte, ter voorkoming van strafbare feiten in de toekomst, een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, op te leggen voor de duur van 5 jaren. Deze maatregel houdt in dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], met bevel dat, voor het geval de verdachte niet aan de maatregel voldoet, telkens vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken, met een totale duur van ten hoogste 6 maanden.
Het hof beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaar is, nu is voldaan aan het criterium van artikel 38v, vierde lid, van het wetboek van Strafrecht dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend jegens de slachtoffers zal gedragen, gezien de aard van de delicten en de eerdere veroordeling.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 38v, 38w, 57, 261 en 285b van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Ten behoeve van de overzichtelijkheid worden alle beslissingen uit het vonnis waarvan beroep die in stand zijn gebleven en de beslissingen uit het arrest hierna opgenoemd.
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de straf en de maatregel en doet in zoverre opnieuw recht.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zal zoeken met:
De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met
bepaalt dat de periode gedurende welke de maatregel reeds van kracht is geweest, van deze tijd dient te worden afgetrokken.
Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.
Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.
Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
De politie ziet toe op handhaving van deze maatregel.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.274,59 (achtduizend tweehonderdvierenzeventig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 3.274,59 (drieduizend tweehonderdvierenzeventig euro en negenenvijftig cent) aan materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 461,00 (vierhonderdeenenzestig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd
[slachtoffer 1], ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.274,59 (achtduizend tweehonderdvierenzeventig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 3.274,59 (drieduizend tweehonderdvierenzeventig euro en negenenvijftig cent) aan materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
76 (zesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 31 augustus 2014.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 8.274,59 (achtduizend tweehonderdvierenzeventig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 3.274,59 (drieduizend tweehonderdvierenzeventig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op € 461,00 (vierhonderdeenenzestig euro).
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 2], ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 8.274,59 (achtduizend tweehonderdvierenzeventig euro en negenenvijftig cent) bestaande uit € 3.274,59 (drieduizend tweehonderdvierenzeventig euro en negenenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
76 (zesenzeventig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële en de immateriële schade op 23 september 2014.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. TH.W.H.E. Schmitz,
mr. M.C. Bruining en mr. W.S. Korteling, in bijzijn van de griffier mr. L.W.J. Cramer.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 5 maart 2024.
Mr. W.S. Korteling is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.