Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2024:2907 - Gerechtshof Den Haag - 13 mei 2024

Arrest

ECLI:NL:GHDHA:2024:290713 mei 2024

Arrest inhoud

Rolnummer: 22-003436-22
Parketnummers: 09-147340-22 en 09-060334-22
Datum uitspraak: 13 mei 2024
TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 24 november 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2003,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte van het bij dagvaarding met parketnummer 09-147340-22 (hierna te noemen dagvaarding I) onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het bij dagvaarding I onder 2 en het bij dagvaarding met parketnummer 09-060334-22 (hierna te noemen dagvaarding II) tenlastegelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair
15 dagen hechtenis, waarvan 15 uren, subsidiair 7 dagen hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Den Haag vrijgesproken van hetgeen aan hem bij dagvaarding I onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak.
Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover in hoger beroep thans nog aan de orde – ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I:
hij op of omstreeks 14 juni 2022 te 's-Gravenhage zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten
[brigadier] , brigadier bij de politie Eenheid Den Haag en/of [hoofdagent] , hoofdagent bij de politie Eenheid Den Haag, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte door zijn arm en/of lichaam in een andere richting te trekken en/of draaien dan die [hoofdagent] en/of [hoofdagent] hem in wilde(n) bewegen;
Dagvaarding II:
hij op of omstreeks 10 maart 2022 te 's-Gravenhage
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door aan die [slachtoffer] een mes te tonen en/of dreigend de woorden toe te voegen "Als je dichterbij komt steek ik je neer" en/of "het is dat je mijn vriend bent, anders had ik je gedjoekt" en/of "als je niet ophoudt dan djoek ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het bij dagvaarding I onder 2 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair
15 dagen hechtenis.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Partiële vrijspraak ten aanzien van dagvaarding II
Het hof acht met de advocaat-generaal en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte aan
[slachtoffer] een mes heeft getoond en zal hem daarvan vrijspreken.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 2 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
Dagvaarding I:
hij op of omstreeks 14 juni 2022 te 's-Gravenhage zich met geweld en/of bedreiging met geweld, heeft verzet tegen een of meerdere ambtena(a)r(en), te weten
[brigadier] , brigadier bij de politie Eenheid Den Haag en/of [hoofdagent] , hoofdagent bij de politie Eenheid Den Haag, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening, te weten ter aanhouding van verdachte*,* door zijn arm en/of lichaam in een andere richting te trekken en/of draaien dan die [hoofdagent] en/of [hoofdagent] hem inwilde(n) bewegen;
Dagvaarding II:
hij op of omstreeks 10 maart 2022 te 's-Gravenhage
[slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door aan die [slachtoffer] een mes te tonen en/of dreigend de woorden toe te voegen "Als je dichterbij komt steek ik je neer" en/of "het is dat je mijn vriend bent, anders had ik je gedjoekt" en/of "als je niet ophoudt dan djoek ik je", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging ten aanzien van dagvaarding I, feit 2 (wederspannigheid)
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep - op de gronden als vermeld in de pleitnota – op het standpunt gesteld dat de aanhouding van de verdachte onrechtmatig is geweest en dat de verdachte om die reden dient te worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde wederspannigheid.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Op grond van het proces-verbaal van bevindingen d.d.
14 juni 2022 (p 8-9) en het proces-verbaal van aanhouding d.d. 14 juni 2022 (p 10-12) stelt het hof vast dat de verbalisanten in de rechtmatigheid van hun bediening waren ten tijde van de aanhouding van de verdachte en dat de aanhouding rechtmatig is geweest.
De verdachte is immers pas aangehouden nadat hij – zoals door de beide verbalisanten geverbaliseerd – beledigingen jegens hen zou hebben geuit. Dat vervolgens (achteraf) in rechte is geoordeeld dat dit niet kon worden bewezen, maakt niet dat de verbalisanten op dat moment niet in de rechtmatigheid van hun bediening waren of dat de aanhouding onrechtmatig was (vgl. HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:724). Ook de daaraan voorafgaande discussie tussen de verdachte en de politie, waardoor de verdachte boos was en de uitlating door één van de verbalisanten jegens de verdachte (over de "nageboorte"), die de verdachte gekrenkt zou hebben, maakt dat niet anders. Zoals hierna zal blijken houdt het hof niettemin bij de strafoplegging rekening met het feit dat die opmerking ongepast was.
Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van dagvaarding II
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat er geen wettig bewijs is dat de woorden "als je dichterbij komt steek ik je neer" door de verdachte zijn gebruikt, nu dit alleen uit de aangifte naar voren komt. Niet alle onderdelen van een bewezenverklaard feit behoeven echter dubbel te worden belegd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat dit wel geldt voor het bewezen verklaarde feit als geheel.
Tenslotte heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de uitlating "het is dat je mijn vriend bent, anders had ik je gedjoekt" niet als een bedreiging kan worden aangemerkt.
Het hof volgt de raadsman daarin niet. De verdachte heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat 'djoeken' verschillende betekenissen kan hebben, waaronder 'steken'. Gelet op deze betekenis van het woord "djoeken", de context (ruzie) waarin die woorden zijn geuit en het feit dat de verdachte daarbij een beweging heeft gemaakt waarbij zijn jas omhoog is gegaan, is het hof van oordeel dat sprake is van een strafbare bedreiging.
De verweren worden derhalve verworpen.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bij dagvaarding I onder 2 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde levert op:

dagvaarding I onder 2: wederspannigheid;

dagvaarding II: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich bij zijn aanhouding met geweld tegen opsporingsambtenaren te verzetten. Dit handelen van de verdachte getuigt van een gebrek aan respect voor het openbaar gezag en voor het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend.
Opsporingsambtenaren moeten ongehinderd door gedrag als dat van de verdachte hun werk kunnen doen.
Daarnaast heeft de verdachte zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan bedreiging van aangever [slachtoffer] . Het incident vond op klaarlichte dag plaats in een speeltuin. Een vrouw die daar met haar kind aanwezig was, heeft hiervan ongewild getuige moeten zijn. Dit, terwijl een speeltuin bij uitstek een plek moet zijn waar een ieder — en zeker kinderen - zich veilig moet kunnen voelen.
Een feit als het onderhavige versterkt bovendien de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
12 april 2024, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten.
Het hof heeft verder bij de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat de politie zich tijdens het incident op 14 juni 2022 ongepast heeft uitgelaten jegens de verdachte.
Het hof ziet evenwel geen aanleiding om een voorwaardelijk strafdeel op te leggen en is - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 57, 63, 180 en 285 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 2 en het bij dagvaarding II tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 30 (dertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.
Dit arrest is gewezen door mr. J.W. van den Hurk,
mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst en mr. R. Brand, in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 mei 2024.
Mr. J.W. van den Hurk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.