Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Den Haag
ECLI:NL:GHDHA:2024:1055 - Gerechtshof Den Haag - 26 juni 2024
Arrest
ECLI:NL:GHDHA:2024:1055•26 juni 2024
Arrest inhoud
Rolnummer: 22-002189-23
Parketnummer: 09-138147-21
Datum uitspraak: 26 juni 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 18 juli 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden, inhoudende - kort gezegd - opname in een zorginstelling, ambulante behandeling door GGZ Fivoor , verblijven in een instelling voor beschermd wonen, zich inspannen voor – in de kern - dagbesteding, het meewerken aan controle van middelengebruik, alsmede een contactverbod met de beide aangeefsters. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij, zoals omschreven in het vonnis waarvan beroep.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 7 april 2020 te 's-Gravenhage
[slachtoffer 1] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - het uitnodigen van die [slachtoffer 1] in de woning van verdachte en/of - het brengen van die [slachtoffer 1] in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht door het (heimelijk) toedienen van GHB en/of (een) (andere) bedwelmende stof(fen),
heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
te weten het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 7 april 2020 te 's-Gravenhage
met [slachtoffer 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde,
dan wel aan een zodanige psychische stoornis, psychogeriatrische aandoening en/of verstandelijke handicap leed dat deze niet of onvolkomen in staat was zijn/haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,
een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
te weten het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] ;
hij op of omstreeks 3 januari 2020 te 's-Gravenhage
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer 2] te dwingen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , - die [slachtoffer 2] heeft uitgenodigd in zijn woning, - die [slachtoffer 2] (heimelijk) GHB en/of (een) (andere) bedwelmende stof(fen) heeft toegediend waardoor die [slachtoffer 2] in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht werd gebracht, althans zich misselijk en/of verlamd voelde, - die [slachtoffer 2] heeft opgetild en naar zijn slaapkamer heeft gedragen en (vervolgens) op zijn bed heeft gesmeten en/of gelegd, - die [slachtoffer 2] in haar nek en/of gezicht heeft gezoend, - met zijn vinger(s) en/of hand(en) (al dan niet onder/over de kleding heen) de borst(en) en/of vagina, althans schaamstreek, en/of het (verdere) lichaam van die [slachtoffer 2] heeft betast/aangeraakt, - ( meermalen) heeft gezegd "wil je geen seks", althans woorden van gelijke aard of strekking en/of - voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale protesten van die [slachtoffer 2]
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 januari 2020 te 's-Gravenhage,
[slachtoffer 2] door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - het uitnodigen van die [slachtoffer 2] in de woning van verdachte, - het (heimelijk) toedienen van GHB en/of (een) (andere) bedwelmende stof(fen) waardoor die [slachtoffer 2] in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht werd gebracht, althans zich misselijk en/of verlamd voelde en/of - het optillen van die [slachtoffer 2] en haar (vervolgens) op zijn bed te leggen en/of te smijten
heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten - het zoenen van die [slachtoffer 2] in haar nek en/of gezicht en/of - het met zijn vinger(s) en/of hand(en) (al dan niet onder/over de kleding heen) de borst(en) en/of vagina, althans schaamstreek, en/of het (verdere) lichaam van die [slachtoffer 2] te betasten/aanraken.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens ten aanzien van de opgelegde straf, en dat de verdachte - te dien aanzien opnieuw rechtdoende - zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met oplegging van de eerder door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt. Dit reeds omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en kwalificatie komt ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit.
Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Namens de verdachte is – op gronden zoals nader vermeld in de pleitnotities van de raadsman – vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Aangeefster [slachtoffer 1] heeft, samengevat, het volgende verklaard. Zij was op 7 april 2020 bij [getuige] . De verdachte haalde hen op om bij hem thuis een feestje te gaan vieren. Bij de verdachte thuis kreeg aangeefster twee Bacardi-Cola's te drinken. Ze zag dat [getuige] steeds in slaap viel en rare dingen zei. Het tweede glas Bacardi-Cola wat aan aangeefster werd aangeboden, werd door de verdachte in de keuken ingeschonken. Korte tijd na het drinken van dit tweede glas werd aangeefster misselijk en duizelig, waardoor ze moest gaan liggen. De verdachte heeft haar naar zijn slaapkamer gebracht. Aangeefster heeft geen herinnering aan wat er in de periode daarna gebeurde. Ze werd naakt wakker, met een branderig gevoel in haar vagina, en ze was haar ondergoed kwijt.
Het hof stelt met de rechtbank vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen op 7 april 2020. Aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster draagt bij dat zij aanvankelijk heeft verklaard dat zij niet precies wist wat er gebeurd is. Dat zij op een later moment pas heeft verklaard dat zij op een later moment na haar ontwaken nog vrijwillig seks met de verdachte heeft gehad, weerspreekt haar eerdere verklaringen naar het oordeel van het hof niet. Daarmee acht het hof de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar om deze voor het bewijs te bezigen.
Het dossier bevat bovendien op essentiële onderdelen steunbewijs voor de verklaringen van aangeefster. Getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte in de keuken GHB in het drankje van aangeefster wilde doen, dat verdachte dit met [getuige] besprak die hierop reageerde met "Wat doe je nu?", en dat de GHB in een waterflesje zat. Dit sluit aan bij de verklaring van aangeefster dat de verdachte het tweede glas in de keuken klaarmaakte. Bovendien is door de politie in de keuken van de verdachte een waterflesje met daarin GHB aangetroffen. Verder heeft [getuige] – in lijn met de verklaringen van aangeefster - verklaard dat hij in het begin van de avond 'out' was gegaan op de bank en dat hij vervolgens, toen hij in de badkamer aan het overgeven was, aangeefster naakt uit de slaapkamer van de verdachte zag komen.
Tegenover dit alles heeft de verdediging een alternatief scenario geschetst dat – kort gezegd – inhoudt dat aangeefster uitsluitend vrijwillig tweemaal seks, waaronder begrepen penetratie - met de verdachte heeft gehad en zij daarover een leugenachtige verklaring heeft afgelegd, omdat zij bang was voor (de reactie van) haar vriend en haar familie. Dit alternatieve scenario wordt echter nadrukkelijk weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zodat dit naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of met deze gedragingen sprake is van verkrachting zoals onder 1 primair ten laste is gelegd. Om tot een bewezenverklaring van verkrachting te komen moet vast komen te staan dat de verdachte door geweld of andere feitelijkheden, of door bedreiging met geweld of andere feitelijkheden, het slachtoffer heeft gedwongen om het seksueel contact te ondergaan.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat sprake is van verkrachting. De verdachte heeft aangeefster buiten haar medeweten gedrogeerd door het toedienen van GHB. In die toestand van verminderd bewustzijn heeft de verdachte vervolgens seksuele handelingen met haar verricht, bestaand uit het penetreren van haar vagina met zijn penis. Het drogeren van een persoon voorkomt verzet en is dus een handeling waarmee seks wordt afgedwongen. Hierbij geldt dat het brengen in een staat van bewusteloosheid of onmacht gelijk kan worden gesteld aan geweld (ECLI:NL:HR:2007:BA7650). Dat ook sprake was van opzet volgt uit het toedienen van GHB en het verrichten van de seksuele handelingen toen aangeefster ten gevolge hiervan in een staat van bewusteloosheid was.
Concluderend komt het hof tot de hierna volgende bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde. Net als de rechtbank zal het hof de verdachte vrijspreken van het penetreren met de vinger(s) van de vagina van aangeefster.
Feit 2
Namens de verdachte is ook ten aanzien van dit feit – op gronden zoals nader vermeld in de pleitnotities van de raadsman – vrijspraak bepleit.
Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.
Aangeefster [slachtoffer 2] heeft, samengevat, het volgende verklaard. Getuige [getuige] stelde op 3 januari 2020 voor om samen met een vriend van hem – zijnde de verdachte – een drankje te gaan doen. De verdachte heeft hen toen opgehaald en mee naar zijn huis genomen. Bij de verdachte thuis kreeg aangeefster vervolgens een drankje. Redelijk snel na het drinken hiervan werd de aangeefster misselijk en duizelig. Toen zij aan de verdachte vroeg wat hij met haar gedaan, erkende hij dat hij GHB in haar drankje had gedaan. Aangeefster voelde zich verlamd. De verdachte heeft haar vervolgens naar zijn bed gebracht, haar op het bed gesmeten en haar vervolgens ondanks haar verzet op erogene plekken op haar lichaam betast. Uiteindelijk moest aangeefster overgeven, waarna de verdachte zijn handelingen heeft gestaakt en naar de huiskamer van de woning is gegaan.
Met de rechtbank stelt het hof vast dat aangeefster consistent en gedetailleerd heeft verklaard over de gebeurtenissen op 3 januari 2020, zowel in haar verklaring van 26 mei 2021 als later op 24 maart 2022 bij de rechter-commissaris. Dat aangeefster slechts aangifte deed om ten gunste van haar neef [getuige] te verklaren – zoals betoogd door de verdediging – is niet aannemelijk geworden. Aangeefster heeft immers ook belastend verklaard over [getuige] . Het enkele gegeven dat enkele details uit de verklaringen van aangeefster niet volledig stroken met wat is waar te nemen op foto's van de slaapkamer van de verdachte – die bovendien geruime tijd na 3 januari 2020 zijn gemaakt – maakt het vorenstaande niet anders. De verklaring van aangeefster over een zich in de slaapkamer bevindend waterbed – zoals overigens ook later is geconstateerd door verbalisanten (p. 288 dossier) – is bovendien een bevestiging voor de omstandigheid dat aangeefster die dag daadwerkelijk in de slaapkamer van de verdachte is geweest. Concluderend acht het hof de verklaringen van aangeefster voldoende betrouwbaar om voor het bewijs te bezigen.
Het dossier bevat bovendien op essentiële onderdelen steun voor de verklaringen van aangeefster. Getuige [getuige] heeft verklaard dat de verdachte haar een drankje met GHB gaf. Toen zij dit proefde wilde zij een nieuw glas, waarna de verdachte haar gepusht heeft om het wel te nemen. De verdachte heeft zelf verklaard dat hij met aangeefster heeft gezoend in zijn huis. Verder versterkten de berichten die de verdachte later die avond aan aangeefster heeft gestuurd, de verklaring van aangeefster. Uit die berichten volgt immers dat de verdachte zijn excuses aanbood omdat hij 'door dat spul' niet kon stoppen.
Het door de verdediging geschetste alternatief scenario waarin aangeefster aanvankelijk vrijwillig seks zou willen hebben gehad met de verdachte, maar dat zij hier van af zagen toen er geen condoom voorhanden bleek te zijn, wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen en is derhalve naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.
De vraag die vervolgens voorligt is of het voorgaande gekwalificeerd kan worden als (primair) een poging tot verkrachting, of dat (subsidiair) sprake is van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 243 van het Wetboek van Strafrecht. Naar het oordeel van het hof kan gelet op het vorenstaande met onvoldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat sprake is geweest van een begin van uitvoering van het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster. Reeds daarom is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair is tenlastegelegd, zodat hij hiervan dient te worden vrijgesproken.
Het vorenstaande levert evenwel een aantal ontuchtige handelingen op, waartoe de verdachte aangeefster heeft gedwongen. Voor wat betreft de dwang verwijst het hof naar hetgeen hieromtrent bij de beoordeling van feit 1 in algemene zin is overwogen. Het hof komt derhalve tot de hierna volgende bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
- primair.
hij op of omstreeks 7 april 2020 te 's-Gravenhage
[slachtoffer 1] door geweld ofeneen andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid,te weten - het uitnodigen van die [slachtoffer 1] in de woning van verdachte en/of - het brengen van die [slachtoffer 1] in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht door het (heimelijk) toedienen van GHB en/of (een) (andere) bedwelmende stof(fen),
heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meerhandelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,
te weten het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] ;
2 subsidiair.
hij op of omstreeks 3 januari 2020 te 's-Gravenhage,
[slachtoffer 2] door geweld ofeneen andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten - het uitnodigen van die [slachtoffer 2] in de woning van verdachte, - het (heimelijk) toedienen van GHB en/of (een) (andere) bedwelmende stof(fen) waardoor die [slachtoffer 2] in een staat van bewusteloosheid en/of onmacht werd gebracht, althans zich misselijk en/of verlamd voelde en/of - het optillen van die [slachtoffer 2] en haar (vervolgens) op zijn bed te leggen en/of te smijten
heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, te weten - het zoenen van die [slachtoffer 2] in haar nek en/of gezicht en/of - het met zijn vinger(s) en/of hand(en) (al dan niet onder/over de kleding heen) de borst(en) en/of vagina, althansschaamstreek, en/of het (verdere) lichaam van die [slachtoffer 2] te betasten/aanraken.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 primair bewezenverklaarde levert op:
verkrachting.
Het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan verkrachting nadat hij het slachtoffer in een staat van bewusteloosheid had gebracht door heimelijk GHB toe te dienen. Door aldus te handelen heeft de verdachte zeer ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, voor wie het bewezen verklaarde buitengewoon vernederend en traumatisch moet zijn geweest. De verdachte heeft het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer, die ten tijde van het feit pas 16 jaar oud was, ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Slachtoffers van feiten als het onderhavige, lijden dikwijls nog geruime tijd onder de psychische gevolgen van hetgeen hun is aangedaan. Dergelijke feiten veroorzaken bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij.
Daarnaast heeft de verdachte, eveneens nadat hij eerst heimelijk GHB had toegediend aan een ander slachtoffer, zich schuldig gemaakt aan ontuchtige handelingen. Ook hier geldt dat de verdachte het fysieke en psychische welzijn van het slachtoffer ondergeschikt heeft gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften. Het hof rekent de verdachte deze feiten zwaar aan.
Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 mei 2024, waaruit geen relevante eerdere veroordelingen blijken.
Betreffende de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op een reclasseringsadvies van GGZ Fivoor Den Haag d.d. 9 juni 2023. Hieruit volgt onder meer dat het risico op recidive door GGZ Fivoor Den Haag nog altijd als hoog wordt ingeschat. Hetzelfde geldt voor het risico op letsel en het risico op het onttrekken aan voorwaarden. Voorts wordt de oplegging van een aantal bijzondere voorwaarden is geadviseerd. Daarnaast heeft het hof acht geslagen op een voortgangsverslag d.d.
6 juni 2024 van Tactus Verslavingszorg.
Daarnaast houdt het hof rekening met de omstandigheid dat de verdachte in het kader van door de rechtbank dadelijk uitvoerbaar verklaarde bijzondere voorwaarden reeds enige tijd bezig is met behandeling en resocialisatie.
Het hof is – dit alles afwegende - van oordeel dat de door de advocaat-generaal gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf, ondanks de gedeeltelijk afwijkende bewezenverklaring waar het hof toe is gekomen, een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal hieraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden.
Het hof zal tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht bevelen ex artikel 14e Wetboek van Strafrecht. Het hof stelt allereerst vast dat het onder 1 primair bewezenverklaarde een misdrijf is gericht tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Voorts heeft de verdachte zich vier maanden voorafgaand aan voornoemd feit, eveneens schuldig gemaakt aan een zedendelict. Hoewel de verdachte thans meewerkt aan behandeling en begeleiding, houdt het hof er – gelet op de ernst en mate van de bij de verdachte geconstateerde problematiek zoals blijkt uit de omtrent de persoon van de verdachte opgestelde en hiervoor aangehaalde rapportages van GGZ Fivoor Den Haag en Tactus Verslavingszorg – ernstig rekening mee dat de verdachte wederom zo een misdrijf zal begaan.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 1]
In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 40,00. Ter zake van immateriële schade is door de benadeelde partij noch op het voegingsformulier, noch ter terechtzitting in eerste aanleg een concreet bedrag ter zake van immateriële schade gevorderd. Het hof stelt daarmee vast dat er thans geen vordering ter zake van immateriële schadevergoeding ter beoordeling voorligt. In hoger beroep is deze vordering daarom aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 40,00 ter zake van materiële schade.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij, mede gegeven haar eigen verklaring dat zij kort na het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is teruggekeerd naar de woning, niet voldoende onderbouwd dat als direct gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde materiële schade is geleden. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden afgewezen.
Gelet op het voorgaande dient de benadeelde partij te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] ex art. 36f Wetboek van Strafrecht
Naar het oordeel van het hof staat evenwel vast dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de immateriële schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde is toegebracht. Derhalve zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen het naar billijkheid vastgestelde bedrag van € 5.000,00 aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] . Het hof heeft bij de vaststelling van de hoogte van deze maatregel rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14e, 24a, 36f, 57, 63, 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
18 (achttien) maandenniet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van
3 ( drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarden: - dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal laten opnemen in een zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start zo snel mogelijk na de veroordeling. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing; - dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ Fivoor of een soortgelijke instelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de klinische opname in het kader van nazorg. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling; bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal verdachte zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling; - dat de verdachte gedurende de proeftijd zal verblijven in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; - dat de verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur, welk werk of dagbesteding bijdraagt aan het voorkomen van delictgedrag; - dat de verdachte meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd, en - dat de verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect - contact zal leggen of laten leggen met [slachtoffer 1] , geboren 5 maart 2004, alsmede met [slachtoffer 2] , geboren 16 november 2000, zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat voormelde bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.
Wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte evenwel de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste
60 (zestig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 april 2020.
Dit arrest is gewezen door mr. A. de Lange,
mr. F.W. van Lottum en mr. M.C. Bruining, in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 juni 2024.