Terug naar bibliotheek
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
ECLI:NL:GHARL:2024:8236 - Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden - 12 juli 2024
Arrest
ECLI:NL:GHARL:2024:8236•12 juli 2024•Deze uitspraak wordt in 1 latere zaken aangehaald
Arrest inhoud
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-003623-22
Uitspraak d.d.: 12 juli 2024
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 augustus 2022 met parketnummer 18-750014-20 in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
wonende te [adres] .
Het hoger beroep
De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5, 9, 12, 16 februari 2024, 12 juli 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal, strekkende tot bewezenverklaring van het onder feit 1, feit 3 en feit 5 tenlastegelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren. Daarnaast is gevorderd om op het beslag te beslissen conform het vonnis van de rechtbank. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.L.J. Janssen, naar voren is gebracht.
Niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Noord-Nederland vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 en 3 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Het vonnis waarvan beroep
Verdachte is bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 17 augustus 2022 ter zake van het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast is beslist op het beslag.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en opnieuw rechtdoen.
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden geacht niet te zijn gericht tegen de (deel)vrijspraken van:
Alles wat hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het vonnis waarvan beroep dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep, en voor zover in hoger beroep nog aan te orde - tenlastegelegd dat:
1.ZD-05 en ZD-06 hij in of omstreeks de periode van 14 februari 2019 tot en met 24 maart 2019 in [plaats] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen opzettelijk heeft bereid, bewerkt, afgeleverd, verstrekt en/of vervoerd en/of (in elk geval) voorhanden heeft gehad, een hoeveelheid amfetamine (speed) te weten - op of omstreeks 14 februari 2019 een hoeveelheid van ongeveer 9893 gram, althans een deel daarvan (ZD-05) in elk geval (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
ZD-17 hij in of omstreeks de periode van 27 augustus 2019 tot en met 8 november 2019 te [plaats] en/of [plaats] , gemeente [gemeente] en/of [gemeente] , in elk geval in Nederland en in Helsinki (Finland), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, geldbedragen, te weten - in of omstreeks de periode van 30 oktober tot en met 8 november 2019 een bedrag van ongeveer 140.000 euro, althans een deel daarvan (ZD-17)
heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt;
5.(ZD-22) hij in of omstreeks de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019, te [plaats] , althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt, immers heeft hij, tezamen en in verenging met zijn mededader - in 2014 15.085 contant gestort - in 2015 18.560 contant gestort - in 2016 25.120 contant gestort - in 2017 28.510 contant gestort - in 2019 4.950 contant gestort terwijl hij en zijn mededaders wisten dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
Voor zover in de tenlastelegging taal - en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
In de diverse zaken die deel uitmaken van het onderzoek Vidar zijn diverse formele verweren gevoerd die al dan niet op zich zelf dan wel in samenhang bezien zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich ter terechtzitting van het hof op het standpunt gesteld dat de verweren dienen te worden verworpen en dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging. In het schriftelijke requisitoir is onderbouwd waarom er volgens de advocaten-generaal geen sprake is van één of meer vormverzuimen die niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie tot gevolg zouden moeten hebben. __Juridisch kader__Niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging komt, afgezien van de in de wet geregelde gevallen, slechts in uitzonderlijke situaties in aanmerking. Als het gaat om een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv - dus een onherstelbaar vormverzuim dat is begaan in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastegelegde feit - is voor dat rechtsgevolg alleen plaats ingeval het vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.<footnoteReference id="_41703e6f-2334-48ae-bc6c-6618cb61d83a">[1]</footnoteReference>
De Hoge Raad verduidelijkt de toepassing van deze maatstaf *[Hof: de maatstaf uit ECLI:NL:HR:2004:AM2533]*als volgt. De strekking ervan is, in het geval dat een zodanig ernstige inbreuk op het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak is gemaakt, dat geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM, niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging plaatsvindt. Het moet dan gaan om een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces dat niet op een aan de eisen van een behoorlijke en effectieve verdediging beantwoordende wijze is of kan worden gecompenseerd. Daarbij moet die inbreuk het verstrekkende oordeel kunnen dragen dat – in de bewoordingen van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – "the proceedings as a whole were not fair". In het zeer uitzonderlijke geval dat op deze grond de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging in beeld komt, hoeft echter niet – in zoverre stelt de Hoge Raad de eerder gehanteerde maatstaf bij – daarnaast nog te worden vastgesteld dat de betreffende inbreuk op het recht op een eerlijk proces doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte heeft plaatsgevonden. Aanleiding voor niet-ontvankelijkverklaring op deze grond kan bijvoorbeeld bestaan in het geval dat de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het Openbaar Ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet al daarop was gericht (vgl. HR 29 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0655), of waarin gedragingen van politie en justitie ertoe hebben geleid dat de waarheidsvinding door de rechter onmogelijk is gemaakt (vgl. HR 8 september 1998, ECL:NL:HR:1998:ZD1239).
In gevallen waarin zich een of meerdere vormverzuimen hebben voorgedaan die aanvankelijk het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van de zaak in het gedrang hebben gebracht, maar die in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen, biedt de hierboven besproken maatstaf in beginsel geen ruimte voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Het is echter niet uitgesloten dat in zo'n geval strafvermindering ter compensatie van het daadwerkelijk ondervonden nadeel plaatsvindt.[2]
Oordeel van het hof
Zoals hiervoor is opgenomen komt niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking.
Het hof komt hieronder in zijn afwegingen bij de bespreking van de diverse verweren tot het oordeel dat die situatie zich niet voordoet. Het hof stelt vast, met inachtneming van het voorgaande en onder verwijzing naar hetgeen het hof hieronder over de gestelde vormverzuimen in het bijzonder heeft overwogen, dat geen sprake is van feiten of omstandigheden, die in de weg behoren te staan aan de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, ook niet indien de verschillende onderdelen in onderling verband en samenhang worden beschouwd. Dit betekent dat de verweren strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie worden verworpen.
Indeling van het arrest
Het hof zal hieronder meer specifiek ingaan op de gevoerde verweren. Daarbij zal het hof ook ingaan op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten van het Openbaar Ministerie. Met het oog op de leesbaarheid van dit arrest zal het hof in een eerste integraal deel van het arrest starten met een korte globale inleiding in de zaak. Vervolgens zal de het hof overgaan tot een formele rechtmatigheidstoetsing en daarna ingaan op de concrete inzet van opsporingsmethoden (A-4110) in de zaak. Het hof zal daarna de betrouwbaarheid van A-4110 beoordelen en vervolgens nagaan of in overeenstemming met het zogenoemde Tallon-criterium is gehandeld. Het hof zal in het algemene integrale deel afsluiten met de bespreking van de verweren met betrekking tot overige gestelde vormverzuimen. Daarna zal worden ingegaan op het bewijs en de strafbaarheid van de feiten en verdachte. Het hof zal vervolgens overwegingen wijden aan de strafoplegging en beslissingen nemen over gelegd beslag.
Dit levert op hoofdlijnen de volgende indeling op in het arrest:
- Algemene inleiding onderzoek Vidar2. Algemeen standpunt van de verdediging3. Algemeen standpunt van het Openbaar Ministerie4. Oordeel van het hof A - Formele rechtmatigheid tot inzet criminele burgerinfiltrant B - De feitelijke inzet van A-4110 als burgerpseudokoper/-dienstverlener, burgerinformant en burgerinfiltrant C - De betrouwbaarheid van A-4110 D - Schending van het Tallon-criterium E - Overige vormverzuimen5. Bewijs6. Bewezenverklaring7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde8. Strafbaarheid van verdachte9. Oplegging van straf en/of maatregel10. Beslag
In verband met verdenkingen van internationale handel in harddrugs, in georganiseerd verband, het produceren van harddrugs, witwassen en vuurwapenbezit is in de eerste helft van 2018 het onderzoek Vidar opgestart vanwege een concrete verdenking van internationale drugshandel door [medeverdachte 1] , lid van motorclub [motorclub 1] , een supportclub van de [motorclub 2] . De doelstelling van het onderzoek Vidar is het vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van leden van de [motorclub 2] , in [plaats] bij de internationale handel in harddrugs.
In het onderzoek lopen op een gegeven moment twee onderzoeks-trajecten naast elkaar. Dat zijn het traject ' [medeverdachte 1] ', gestart in april 2018 en geëindigd in 2019, en het traject ' [medeverdachte 2] ', gestart in april 2019 en geëindigd in maart 2020.Gedurende het politieonderzoek is gebruik gemaakt van diverse opsporingsmiddelen, waaronder infiltranten. Er is gebruik gemaakt van opsporingsambtenaren, maar ook van inzet van burgers. Een aantal van deze infiltranten is eerst ingezet als pseudokoper/pseudodienstverlener en/of als stelselmatig informatie-inwinner.
Op 2 maart 2020 is er een einde gekomen aan het politieonderzoek. Op die dag is een transport van 86 kilo amfetamine onderschept op de A7 tussen [plaats] en de Duitse grens. Nadat informatie over dit transport is gedeeld met Finland, hebben de Finse autoriteiten ervoor gezorgd dat een surrogaatpartij aankwam in Helsinki. Daar zijn de zogenaamde drugs opgehaald door een lid van de [motorclub 2] . Hij is aangehouden en is inmiddels veroordeeld.
Er zijn in Nederland die dag acht verdachten aangehouden en achttien locaties doorzocht. Ten tijde van de aanhoudingen en doorzoekingen zijn onder meer cryptotelefoons, vuurwapens en verdovende middelen in beslag genomen. Na 2 maart 2020 zijn nog twintig personen aangehouden dan wel als verdachte gehoord. De strafbare feiten die in dit onderzoek zijn onderzocht variëren van (voorbereidingshandelingen van) internationale drugshandel, tot het handelen in of voorhanden hebben van harddrugs, het voorhanden hebben van vuurwapens, witwassen, tot deelname aan een criminele organisatie.
De ingezette opsporingsbevoegdheden
In het onderzoek Vidar zijn op bevel van de officier van justitie al dan niet met machtiging van de rechter-commissaris, de hieronder genoemde Bijzondere Opsporingsbevoegdheden ingezet en/of gebruikt: - Stelselmatige observatie, art. 126g/o Sv - Politiële infiltratie, art.126h/p Sv - Stelselmatige inwinning van informatie, art. 126j/qa Sv - Opnemen van vertrouwelijke communicatie, art. 126l/s Sv - Onderzoek van telecommunicatie, art. 126m/t Sv - Historische inlichtingen met betrekking tot telecommunicatie, art. 126n/u Sv - Toekomstige inlichtingen met betrekking tot telecommunicatie, art. 126n/u Sv - Vordering NAW-gegevens, art. 126na WvSr - Vergaring nummergegevens, art. 126nb Sv - Historische identificerende niet gevoelige gegevens door opsporingsambtenaar, art.126nc Sv - Historische gegevens, art. 126nd Sv - Historische (financiële) gegevens, art. 126nd Sv - Gegevens beveiligingscamera's, art. 126nda Sv - Toekomstige gegevens, art. 126ne Sv - Historische gegevens van een aanbieder, art. 126n9 Sv - Stelselmatige inwinning van informatie van burger, art. 126v Sv - Burger infiltratie, art. 126w Sv
Over de inzet van deze opsporingsbevoegdheden is in het onderzoek door de politie verslag gedaan. Onderdeel van het dossier zijn onder meer processen-verbaal van aanvraag tot inzet van opsporingsbevoegdheden, overeenkomsten op basis waarvan wordt geopereerd, verslaglegging daarvan en processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de diverse onderzoeksresultaten. Ook zijn onderdeel van het dossier de door de officier van justitie ondertekende bevelen tot inzet van een opsporingsmiddel en - indien vereist – de door de rechter-commissaris afgegeven machtigingen. Tijdens het onderzoek van de politie zijn naast de inzet van opsporingsbevoegdheden ook verdachten en getuigen gehoord. Er zijn allerlei voorwerpen in beslaggenomen.
Uiteindelijk zijn tijdens het onderzoek ter terechtzitting bij de rechtbank en het onderzoek in hoger beroep bij het hof (in een aantal zaken) ook diverse getuigen gehoord. Ook in hoger beroep is het dossier nog aangevuld met nadere onderzoeksgegevens.
Zowel bij de rechtbank als in de fase van hoger beroep zijn de zaken van alle verdachten ten dele gelijktijdig met alle of andere zaken behandeld. In hoger beroep stonden in deze zaak 14 verdachten terecht. Het hof heeft nadat in schriftelijke rondes, en desgewenst op een regiezitting, de standpunten waren besproken, in 12 zaken een tussenarrest gewezen waarin op onderzoekswensen is beslist. Deze uiteindelijke inhoudelijke behandeling van de zaken heeft in februari 2024 in totaal 9 zittingsdagen in beslaggenomen. Uit oogpunt van zorgvuldigheid en de diverse te beoordelen kwesties is op 12 juli 2024 arrest gewezen. Dit heeft tot gevolg gehad dat er veel tijd en aandacht is besteed aan de strafzaak, tijd en aandacht waar niet alleen verdachte recht op heeft, maar waar ook de samenleving recht op heeft.
Het hof zal hieronder naar aanleiding van gevoerde verweren en ingenomen standpunten ingaan op verschillende onderwerpen. De verdediging heeft op verschillende onderdelen aangehaakt bij elkaars standpunten. Met het oog op de leesbaarheid van dit arrest zal het hof door middel van een integrale bespreking van de onderstaande onderwerpen aandacht geven aan de gevoerde verweren.
2. Algemeen standpunt van de verdediging
Door de verdediging is op gronden vermeld in de pleitnota – in grote lijnen - het volgende naar voren gebracht. Aangevoerd is dat de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant onder art. 126w Sv door middel van enkel de motie Recourt, niet voldoet aan de eisen van het legaliteitsbeginsel en de inzet van A-4110 in dit onderzoek dus een schending van dat legaliteitsbeginsel oplevert, waarmee de inzet van A-4110 onrechtmatig is geweest. Daarnaast is aangevoerd dat de vereisten van artikel 126w juncto artikel 140 Sv zijn aangevuld met de vereisten uit de motie Recourt. Die vereisten leveren via de Aanwijzing van het Openbaar Ministerie alsnog dwingend recht op en deze vereisten zouden in beginsel nageleefd moeten worden. Daarvan is geen sprake. Aan geen van deze vereisten is voldaan.
Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat alle informatie die jegens verdachte is ingebracht direct of indirect het gevolg is van een onrechtmatige inzet van A-4110 in het vooronderzoek en van het bewijs dient te worden uitgesloten. Dat geldt dus zowel voor de door A-4110 afgelegde verklaringen, als voor de processen-verbaal van de andere pseudokopers en informanten, als de verschillende OVC-opnamen die bij de inzet van deze verschillende A-nummers tot stand zijn gekomen. Subsidiair is de verdediging van mening dat de verkregen informatie vanaf het moment van inzet van A-4110 als criminele burgerinfiltrant inclusief de daarbij gemaakte audiovisuele en audiële opnamen van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De inzet van A-4110 als criminele burgerinfiltrant is met niet-naleving van de voorwaarden in ieder geval onrechtmatig geweest. Subsidiair is aangevoerd al het verkregen bewijsmateriaal vanaf 8 maart 2019, de eerste inzet van A-4110 als criminele burgerinfiltrant, van het bewijs uit te sluiten. Mocht het hof niet tot bewijsuitsluiting overgaan dan wordt verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de vormverzuimen.
3. Algemeen standpunt van het Openbaar Ministerie
Door het Openbaar Ministerie is op gronden opgenomen in het schriftelijk requisitoir aangevoerd dat de inzet van A-4110 voldoet aan de gestelde eisen. Dit geldt zowel voor de inzet van A-4110 als pseudo(ver)koper, pseudodienstverlening, stelselmatig informatie-inwinner en uiteindelijk de inzet als criminele burgerinfiltrant. Er is sprake geweest van een zeer transparante procedure waarbij het Openbaar Ministerie meer dan voldoende toezicht heeft gehouden op het verloop van het traject en heeft gezorgd voor een adequate verslaglegging zodat alles is te controleren. Daarnaast is aangevoerd dat er sprake is van één vormverzuim, namelijk dat het College geen voorafgaande toestemming heeft gegeven voor de overeenkomst tot burgerinfiltratie. Volstaan kan worden met de constatering van dit vormverzuim omdat niet is gebleken dat enig rechtens te respecteren belang van verdachte is geschonden. Tot slot is aangevoerd dat de betrouwbaarheid van A-4110 aan het gehele dossier moet worden getoetst hetgeen leidt tot een positief betrouwbaarheidsoordeel.
A – Formele rechtmatigheid tot inzet criminele burgerinfiltrant, formele rechtmatigheid
Standpunt van de verdediging
Door de verdediging is – kort gezegd – aangevoerd dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant onrechtmatig is geweest. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de herintroductie van de criminele burgerinfiltrant ex artikel 126w Sv door middel van enkel het aannemen van de motie Recourt in strijd is met het legaliteitsbeginsel.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat – kort gezegd – de grondslag voor het inzetten van een criminele burgerinfiltrant is gebaseerd op de wet, het bepaalde in artikel 126w Sv, op paragraaf 2.9 van de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden en op de formele voorwaarden van artikel 104a Sv en artikel 131 van de Wet RO. Daarnaast is aangevoerd dat de praktijk van het eerdere verbod op de inzet van de criminele burgerinfiltrant, welk verbod niet in een wet in formele zin is vastgelegd, met de motie Recourt is opgeheven.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat de rechtbank met betrekking tot dit verweer een juiste afweging heeft gemaakt. Het hof kan zich grotendeels met de overwegingen van de rechtbank verenigen en zal daarom in zoverre deze overwegingen hierna telkens voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar 'rechtbank' staat, moet 'hof' worden gelezen en waar het hof dit nodig acht zullen de overwegingen worden aangevuld. Waar in de cursief overgenomen tekst van de rechtbank niet-cursieve tekst is opgenomen, betreft dit aanvullingen van het hof. *"De wet in formele zin.*
De inzet van een criminele burgerinfiltrant kan gepaard gaan met inbreuken op grondrechten en gaat bovendien gepaard met risico's voor de (integriteit van de) opsporing. Om die reden dient de bevoegdheid tot inzet van deze opsporingsmethode in een formele wet te zijn vastgelegd (zie het in artikel l, eerste lid, Sv vastgelegde formele legaliteitsbeginsel).
De bevoegdheid tot burgerinfiltratie is geregeld in artikel 126w, eerste lid, Sv. Op grond van deze bepaling kan in een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv de officier van justitie, indien het onderzoek dit dringend vordert, met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeenkomen dat deze bijstand verleent aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
De rechtbank constateert dat een taalkundige interpretatie van voornoemde bepaling zich niet verzet tegen de inzet van een criminele burger als burgerinfiltrant. Immers, een criminele burger betreft eveneens een persoon die geen opsporingsambtenaar is. Ook de wetshistorie werpt geen beletselen op. Uit de memorie van toelichting bij de Wet Bijzondere opsporingsbevoegdheden (hierna: Wet Bob)
<footnoteReference id="_3620b81c-4a3e-4d54-a705-69bb59c4dbe1">[3]</footnoteReference>
*blijkt zonneklaar dat de wetgever de inzet van de criminele burgerinfiltrant op grond van het bepaalde in artikel 126w Sv niet heeft willen uitsluiten. In artikel 126w Sv is daarom geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet-criminele burgerinfiltranten.*
<footnoteReference id="_0ecda098-5a4c-42ed-b0b5-2d531374c69e">[4]</footnoteReference>
*Zowel de niet-criminele als de criminele burgerinfiltrant valt onder deze bepaling en kan in beginsel dus worden ingezet.*
<footnoteReference id="_9fc4f970-ce51-4257-863e-b2057476ee26">[5]</footnoteReference>
*In de nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet Bob wordt bovendien nadrukkelijk vermeld dat in de wet geen expliciete beperkingen zijn gesteld aan de inzet van criminele burgerinfiltranten.*
<footnoteReference id="_6d9706d8-0441-4ab6-bbbc-d5c95964ddcb">[6]</footnoteReference>
*"*
Het hof overweegt aanvullend het volgende. Zoals hierboven overwogen, wordt in de tekst van de wet geen onderscheid gemaakt tussen criminele en niet criminele burgerinfiltranten. Bij de totstandkoming van de wettelijke bepaling is er ook aandacht geweest voor dit vraagstuk. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de wetgever zich bewust is van de bijzondere risico's die met de inzet van burgers voor infiltratie gepaard gaan. In de memorie van toelichting is vervolgens opgenomen: "Met de inzet van infiltratie door criminele burgers zal nog terughoudender moeten worden omgegaan".[7] Dit betekent dat de inzet van criminele burgerinfiltranten nadrukkelijk is besproken en niet is uitgesloten. De Tweede Kamer heeft vervolgens de motie Kalsbeek aanvaard[8] , zijnde een motie waarin wordt uitgesproken dat een verbod geldt voor de politie en het Openbaar Ministerie op het inzetten van criminele burgerinfiltranten. Het hof stelt vast dat de Tweede Kamer geen gebruik heeft gemaakt van het instrument van amendement. Dit heeft dus niet geleid tot een wijziging van de wet in die zin dat er een verbod op de inzet van een criminele burgerinfiltrant in de formele wet is opgenomen. De motie Kalsbeek heeft evenwel tot een rechtspraktijk geleid waarbij gedurende langere tijd geen gebruik werd gemaakt van de criminele burgerinfiltrant.
Meer dan een decennium later heeft de Tweede Kamer door de aanvaarding van de motie Recourt haar algehele verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten laten vervallen.[9] Achtergrond voor deze wijziging was een verschuiving van het accent op de belangen van een integere strafrechtspleging naar het oplossen van problemen bij de opsporing van zware georganiseerde criminaliteit. Met het aannemen van de motie Recourt wilde de Tweede Kamer het instrumentarium voor opsporing versoepelen in die zin dat er sprake zou moeten kunnen zijn van "een beperkte inzet van de criminele burgerinfiltrant". In de motie zijn de randvoorwaarden geformuleerd waaronder die inzet mogelijk zou moeten zijn. Uit de verhandelingen voorafgaande aan het aannemen van deze motie blijkt dat men zich ervan bewust was dat de tekst van de wet "een vorm van criminele burgerinfiltrant al mogelijk maakt". Een (formeel) wettelijke verankering werd daarom niet nodig bevonden, ook de (formeel) wettelijke verankering van de te formuleren randvoorwaarden niet.[10]
De Tweede Kamer koos, zowel bij het formuleren van het verbod, als bij het vervallen verklaren van het verbod, voor het instrument van de motie. Met het aannemen van een motie maakt de Tweede Kamer een oordeel of verlangen kenbaar ten aanzien van een Minister of het kabinet. De Minister of het kabinet is aan het oordeel dat in de motie tot uitdrukking is gebracht, voor zover hier relevant,[11] niet gebonden.[12] Een motie speelt verder uitsluitend een rol in de verhouding tussen de Eerste of Tweede kamer en het kabinet. De rechter kan in deze verhouding geen rol spelen.
Het hof concludeert alles afwegende, dat artikel 126w Sv grondslag bood en nog steeds biedt voor de inzet van burgerinfiltranten, daaronder begrepen criminele burgerinfiltranten. Dat aanvankelijk bij motie een algeheel verbod van inzet van criminele burgerinfiltranten is uitgesproken en de Tweede Kamer enkele jaren voorafgaand aan de onderhavige inzet van een criminele burgerinfiltrant, wederom bij motie, hierop is teruggekomen doet aan de wettelijke grondslag niet af.
Er is derhalve geen aanleiding om aan te nemen dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant in algemene zin onrechtmatig moet worden geacht, nu de mogelijkheid tot inzet van deze opsporingsbevoegdheid is vastgelegd in een formele wet.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie op grond van artikel 126w Sv over kon gaan tot de inzet van een criminele burgerinfiltrant. Bij de beslissing hieromtrent en de uitvoering daarvan beschikt het Openbaar Ministerie over discretionaire ruimte.
Het hof zal vervolgens, net als de rechtbank heeft gedaan, beoordelen of in deze zaak is voldaan aan de geldende voorwaarden voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant.
Is voldaan aan de vereisten van art. 126w Sv?
Het hof sluit zich aan bij de navolgende cursief opgenomen overwegingen van de rechtbank.
"
Een geval als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv
Ingevolge artikel 126w, eerste lid, Sv jo. artikel 126h, eerste lid, Sv kan een (criminele) burgerinfiltrant enkel ingezet worden in geval van verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. De woorden "aard van het misdrijf' duiden niet slechts op de delictsomschrijving in de wet, maar tevens op de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd of wordt beraamd. Het kan blijkens de memorie van toelichting bij de Wet-BOB gaan om misdrijven als moord, handel in drugs, mensenhandel, omvangrijke milieudelicten, wapenhandel, maar ook om ernstige financiële misdrijven, zoals omvangrijke ernstige fraude, bijvoorbeeld een btw-carrousel.
<footnoteReference id="_483f9f99-ccd4-436e-952b-eacbede8d776">[13]</footnoteReference>
*Dergelijke misdrijven schokken de rechtsorde ernstig door hun gewelddadige karakter of door hun omvang en gevolgen voor de samenleving. Ook minder ernstige misdrijven kunnen een ernstige inbreuk maken op de rechtsorde, doordat zij in combinatie met andere misdrijven worden gepleegd, bijvoorbeeld valsheid in geschrifte in combinatie met omkoping van ambtenaren met het oog op verkrijging van vergunningen voor bedrijven, of kleine fraudes waarvan, gelet op de aard, kan worden vermoed dat deze deel uitmaken van een omvangrijke en ernstige vorm van fraude. Het dient te gaan om samenhang met andere door verdachte begane misdrijven.*
<footnoteReference id="_b9d56d24-2c53-42b9-8238-2fab4721aff8">[14]</footnoteReference>
Bij een aantal misdrijven vloeit reeds louter uit de aard van het misdrijf - zoals dat in de wet is beschreven - voort dat het feit een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
<footnoteReference id="_f9eddaaa-3d5d-4e4a-92fb-1bcbda2c5bbc">[15]</footnoteReference>
*Het gaat hier om misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld.*
<footnoteReference id="_8e8a00a7-31e9-4c7f-8675-84fc895a0871">[16]</footnoteReference>
De rechtbank leidt uit het procesdossier af dat ten aanzien van de verdachten tegen wie de criminele burgerinfiltrant is ingezet (onder meer) de verdenking heeft bestaan dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan (het medeplegen van) het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs. Dit betreft een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, aanhef en onder a, Sv. Op dit misdrijf is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van 12 jaren gesteld (artikel 2, aanhef en onder A, van de Opiumwet jo. artikel 10, derde lid, van de Opiumwet). Uit louter de aard van het misdrijf vloeit dan ook reeds voort dat het feit een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.
Een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd.
In artikel 126w, eerste lid, Sv wordt (criminele) burgerinfiltratie omschreven als het door een persoon die geen opsporingsambtenaar is verlenen van bijstand aan de opsporing door deel te nemen of medewerking te verlenen aan een groep van personen waarbinnen, naar redelijkerwijs kan worden vermoed, misdrijven worden beraamd of gepleegd. Aan de hiergenoemde groep worden geen specifieke eisen gesteld.
<footnoteReference id="_2dba63b8-1ea3-4b0b-a5ea-13bc19a84ca6">[17]</footnoteReference>
*Een dergelijke groep kan dus verschillende gedaanten aannemen.*
<footnoteReference id="_3605de2f-7ee8-4ce8-abc5-4b1fd07302e6">[18]</footnoteReference>
*Niet is vereist dat sprake is van een criminele organisatie of georganiseerd verband.*
<footnoteReference id="_8e64b523-bd68-44a4-8826-1e30c0eccb8d">[19]</footnoteReference>
De rechtbank is van oordeel dat het Openbaar Ministerie uit de resultaten van het onderzoek Vidar over de periode van mei 2018 tot 1 maart 2019 - dus vóór de inzet van de criminele burgerinfiltrant - in redelijkheid heeft kunnen afleiden dat de betreffende verdachten deel hebben uitgemaakt van een groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed misdrijven worden beraamd of gepleegd, te weten onder meer (het medeplegen van) het opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland brengen van harddrugs.
Proportionaliteitseis
De proportionaliteitseis vloeit voort uit het bepaalde in artikel 126w, eerste lid, Sv. Bij de beoordeling of burgerinfiltratie voldoet aan de eis van proportionaliteit is niet alleen de ernst van de desbetreffende strafbare feiten van belang, maar ook de wijze waarop en de mate waarin is geïnfiltreerd.
<footnoteReference id="_4c8f4b8f-cd6a-4750-a158-7d287015f192">[20]</footnoteReference>
*Voorts speelt ook het doel dat met de infiltratie wordt nagestreefd een rol.*
<footnoteReference id="_50fc33ae-f9b0-4ccd-8e6e-19c1814fb9b2">[21]</footnoteReference>
De rechtbank is van oordeel dat de beslissing om over te gaan tot criminele burgerinfiltratie, in het licht van de tegen de betreffende verdachte bestaande verdenkingen, waaruit naar voren komt dat leden van de [motorclub 2] (waaronder een prominent lid van [motorclub 2] : [medeverdachte 3] ) bij de internationale handel in harddrugs betrokken zijn, alsmede de aard en ernst van dit misdrijf, als proportioneel kan worden aangemerkt.
De rechtbank constateert verder dat de indringendheid waarmee A-4110 is geïnfiltreerd in de groep [medeverdachte 3] c.s. relatief beperkt is. In de kern heeft A-4110 enkel voorzien in de bij [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] bestaande behoefte aan internationale contacten die harddrugs zouden willen afnemen of een rol zouden kunnen spelen bij de feitelijke uitvoer van drugs naar het buitenland. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel kan worden afgeleid dat A-4110 zich slechts in de buitenlaag van het middenkader van de organisatie heeft bevonden en daarbij - nadat het traject [medeverdachte 1] was doodgebloed - optrad als tussenpersoon van [medeverdachte 2] . A-4110 heeft overwegend een faciliterende/ondersteunende rol gehad, namelijk die van netwerker en vervoerder van drugs en geld (op verzoek van [medeverdachte 2] ). Alle contacten met de groep verliepen via of in aanwezigheid van [medeverdachte 2] , zijnde de tussenpersoon (middle man) van [medeverdachte 3] . Tijdens de besprekingen met de groep [medeverdachte 3] c.s. hield A-4110 zich overwegend afzijdig. A-4110 nam zelf geen belangrijke beslissingen, maar verleende voornamelijk medewerking vanaf de zijlijn. De rechtbank is van oordeel dat de wijze waarop de opsporingsbevoegdheid criminele burgerinfiltratie is ingezet als proportioneel kan worden aangemerkt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking het hoofddoel van het onderzoek, de aard en ernst van de betreffende misdrijven, de wijze waarop en de (relatief beperkte) mate waarin is geïnfiltreerd, alsmede de duur van die infiltratie (ongeveer een jaar). De rechtbank merkt in dit verband op dat A-4110 is geïnfiltreerd in een gesloten groep die zich succesvol afschermt. Teneinde deel te nemen of medewerking te verlenen aan die groep en deze in kaart te kunnen brengen moest eerst een vertrouwensbasis ontstaan tussen A-4110 en [medeverdachte 3] c.s. Het is een feit van algemene bekendheid dat in geval van internationale handel in harddrugs in de regel gebruik wordt gemaakt van bestaande contacten en dat nieuwkomers doorgaans niet worden vertrouwd. Het spreekt voor zich dat het opbouwen van een dergelijke vertrouwensbasis niet binnen enkele weken zal plaatsvinden. A-4110 moest eerst laten zien dat hij van waarde kon zijn voor de groep en te vertrouwen was. Hier was enige tijd mee gemoeid.
Subsidiariteitseis
Bij de beoordeling of burgerinfiltratie voldoet aan de eis van subsidiariteit is allereerst van belang of het onderzoek de burgerinfiltratie dringend vordert. Deze eis is vastgelegd in artikel 126w, eerste lid, Sv. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht dat de bevoegdheid tot burgerinfiltratie alleen mag worden gehanteerd indien met behulp van lichtere bevoegdheden niet hetzelfde resultaat kan worden bereikt.
<footnoteReference id="_49edd08d-c8b6-48fe-ae37-8db9a34534d6">[22]</footnoteReference>
Voorts mag burgerinfiltratie alleen plaatsvinden indien de officier van justitie van oordeel is dat een bevel tot politiële infiltratie als bedoeld in artikel 126h, eerste lid, Sv in redelijkheid niet kan worden gegeven.
<footnoteReference id="_6c02ccee-94d6-4e16-b72c-a6ee50b8459b">[23]</footnoteReference>
*Er zijn situaties denkbaar waarin infiltratie noodzakelijk is, maar niet goed of met te veel risico door een opsporingsambtenaar kan worden verricht, bijvoorbeeld omdat de politie niet beschikt over een functionaris die beschikt over een zeer specifieke deskundigheid om zich in een bepaalde omgeving geloofwaardig te kunnen handhaven, of over andere speciale kwaliteiten, zoals in casu een bepaalde reputatie in het criminele circuit.*
<footnoteReference id="_865119ad-16ee-481b-bfe6-0e7c476fcd7e">[24]</footnoteReference>
*Voornoemd vereiste is vastgelegd in artikel 126w, tweede lid, Sv. Met deze eis wordt tot uitdrukking gebracht dat (criminele) burgerinfiltratie een uitzondering zal zijn.*
<footnoteReference id="_22eb8b96-df5f-4173-9f89-69746e57f1ab">[25]</footnoteReference>
*Met de inzet van (criminele) burgerinfiltratie dient dan ook terughoudend om te worden gegaan.*
<footnoteReference id="_55cbe1aa-defb-4c83-9e05-c6905aa6ec03">[26]</footnoteReference>
De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier voldoende blijkt dat met behulp van lichtere opsporingsbevoegdheden niet hetzelfde resultaat zou kunnen worden bereikt als met de inzet van een burgerinfiltrant. In het onderzoek Vidar zijn reeds in de periode van mei 2018 tot l maart 2019 in het traject [medeverdachte 1] allerlei opsporingsbevoegdheden ingezet, te weten observatie, stelselmatige informatie-inwinning, opname van vertrouwelijke informatie, opname van telecommunicatie, opvragen historische verkeersgegevens en burgerpseudokoop/-dienstverlening. Ondanks de inzet van voornoemde opsporingsbevoegdheden - die geresulteerd hebben in vier geslaagde pseudokopen - heeft het Openbaar Ministerie onvoldoende zicht gekregen op de eventuele betrokkenheid van (leden van de) [motorclub 2] bij de internationale handel in harddrugs. De resultaten van het onderzoek geven echter wel blijk van aanwijzingen van die betrokkenheid, alsmede een verdenking tegen de [motorclub 2] [medeverdachte 3] . De reden dat aan de hoofddoelstelling van Vidar niet voldaan is heeft in de kern te maken met de omstandigheid dat [medeverdachte 1] en de [motorclub 2] [medeverdachte 3] hun communicatie op succesvolle wijze hebben weten af te schermen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] spraken met elkaar af op locaties waar opname van vertrouwelijke communicatie lastig was (op de dijk bij [plaats] en/of in het clubhuis van de [motorclub 1] en/of de [motorclub 2] ). Daarnaast maakten zij gebruik van versluierend taalgebruik, kennelijk om crimineel handelen te verbergen. [medeverdachte 1] hield daarnaast rekening met de mogelijkheid dat hij afgeluisterd of gevolgd of betrapt zou kunnen worden en richtte zijn gedrag daarop in. Onder deze omstandigheden, en gelet op de reeds ingezette dwangmiddelen en de duur daarvan, heeft het Openbaar Ministerie in redelijkheid kunnen oordelen dat met de inzet van lichtere opsporingsbevoegdheden (in zowel het traject - [medeverdachte 1] als het traject - [medeverdachte 2] ) niet hetzelfde resultaat kon worden bereikt, te weten vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van (leden van) de [motorclub 2] bij de internationale handel in harddrugs.
Uit het dossier blijkt verder genoegzaam dat enkel een bevel tot politiële infiltratie gelet op het doel van het onderzoek niet volstond. A-4110 genoot een zekere reputatie en werd door verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] vertrouwd.
A-4110 was een bekend gezicht in het criminele milieu in [plaats] en kon om die reden op zeer korte termijn het vertrouwen winnen.
Een politiële infiltrant dan wel een burgerinfiltrant (…) zou dit vertrouwen niet zonder meer genieten. De inzet van een "losse" politiële infiltrant of een niet-criminele-burgerinfiltrant in de groep zou bovendien argwaan hebben kunnen opwekken met alle veiligheidsrisico's van dien. Een lichtere vorm van infiltratie zou naar alle waarschijnlijkheid dan ook niet effectief zijn geweest."
Is voldaan aan de vereisten van artikel 140a Sv en artikel 131 Wet RO?
Naast de in artikel 126w Sv genoemde voorwaarden zijn ook formele voorwaarden opgenomen in artikel 140a Sv en artikel 131 Wet RO.
Artikel 140a Sv luidt als volgt:"Het College van procureurs-generaal stemt vooraf en schriftelijk in met een bevel als bedoeld in artikel 126ff, onderscheidenlijk een overeenkomst als bedoeld in de tweede afdeling van titel Va van het Eerste Boek en als bedoeld in artikel 126zu, een wijziging of een verlenging daarvan."
Artikel 131 Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO) luidt als volgt:
De rechtbank heeft op juiste gronden het volgende overwogen, hetgeen hieronder cursief is opgenomen.
"De behandelend officier van justitie zal door tussenkomst van zijn hoofdofficier het voornemen om van de bevoegdheid tot criminele burgerinfiltratie gebruik te maken ter toetsing moeten voorleggen aan het College. Het College zal zich ter zake laten adviseren door de Centrale Toetsingscommissie (hierna: CTC).
<footnoteReference id="_6c674c02-9348-43ad-9259-33a6500df46c">[27]</footnoteReference>
*Het College dient vervolgens vooraf en schriftelijk in te stemmen met een overeenkomst tot burgerinfiltratie als bedoeld in artikel 126w Sv, een wijziging of een verlenging daarvan.*
<footnoteReference id="_f4027013-4bfa-4581-af3f-626df249167d">[28]</footnoteReference>
*Daarnaast dient het College de Minister op de hoogte te stellen van voornemens tot het inzetten van burgerinfiltranten.*
<footnoteReference id="_1c4c064f-1913-4fbe-b05d-094fb53d0ee1">[29]</footnoteReference>
*Voorts brengt het College beslissingen omtrent dit voornemen ter kennis van de Minister voordat zij worden uitgevoerd.*
<footnoteReference id="_bb7e06e5-0b09-4ce4-9454-296ad91918e3">[30]</footnoteReference>
De ratio van het inschakelen van het College bij de toetsing van de inzet is vooral
gelegen in de risico's die met het hanteren van een opsporingsbevoegdheid samenhangen
en met de wens met betrekking tot de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden te komen tot een landelijk beleid. Die risico's kunnen bijvoorbeeld de veiligheid van de infiltrant betreffen, of de integriteit van de opsporing, of risico's dat methoden bekend worden en daardoor onbruikbaar. Daarnaast speelt bij die toetsing ook de rechtmatigheid van de opsporingsbevoegdheid een rol. Het onrechtmatig gebruik van een opsporingsbevoegdheid kan niet door het College worden goedgekeurd.
<footnoteReference id="_b1932a6f-357a-4453-af09-17a504fbed25">[31]</footnoteReference>
*Voor de rechtbank blijft echter van belang de wet die de bevoegdheid tot criminele*
burgerinfiltratie aan de officier van justitie geeft, en niet aan het College.
<footnoteReference id="_db31d92b-d9c1-4abc-bd2e-d8aec90d87a8">[32]</footnoteReference>
*De rechtbank*
zal de beslissing van de officier van justitie ten aanzien van de inzet tot criminele burgerinfiltratie zelfstandig moeten beoordelen. De rechtbank hoeft daarbij niet zo ver te gaan dat zij ook de zorgvuldigheid van de beslissing van het College onderzoekt.
<footnoteReference id="_e3559f73-329f-42d7-995f-3fa6fb7db697">[33]</footnoteReference>
*Voldoende is dat de rechtbank nagaat of de in de wet neergelegde (interne) procedure correct is bewandeld.*
De ratio van het op de hoogte stellen van de Minister is dezelfde als die van het inschakelen van het College.
<footnoteReference id="_1f92f7d8-19a3-400a-abc9-2f606ba9d7bb">[34]</footnoteReference>
*Daarbij is tevens van belang dat de Minister verantwoordelijk is voor het doen en laten van het Openbaar Ministerie en kan worden aangesproken op het (niet-) uitoefenen van zijn aanwijzingsbevoegdheden die hij aan zijn positie als ambtelijk chef of aan artikel 127 Wet RO ontleent.*
<footnoteReference id="_731f1bc7-393f-4ffc-9a02-a1726e3b97d8">[35]</footnoteReference>
De rechtbank leidt uit het procesdossier af dat de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Nederland van het Openbaar Ministerie (hierna: de hoofdofficier van justitie) de CTC op 14 februari 2019 verzocht heeft om toestemming te verlenen voor de inzet van de opsporingsbevoegdheid tot burgerinfiltratie in het onderzoek Vidar.
<footnoteReference id="_771a2e4c-3343-4e04-9e5d-5c0995a4c8b3">[36]</footnoteReference>
Op 6 maart 2019 heeft het College toestemming verleend aan de hoofdofficier van justitie voor de inzet van de opsporingsbevoegdheid tot burgerinfiltratie in het onderzoek Vidar.
<footnoteReference id="_efed2688-d5f3-4903-a7f4-e83b509a8d0a">[37]</footnoteReference>
Op 21 maart 2019 is de zaak gepresenteerd aan de Minister door het zaaksteam Vidar in aanwezigheid van het College en de hoofdofficier van justitie.
<footnoteReference id="_86df2386-f2d4-4984-998a-d90c0f7250fb">[38]</footnoteReference>
*Tijdens die presentatie is de inzet van criminele burgerinfiltrant A-4110 besproken.*
<footnoteReference id="_c620c74b-ae32-40f2-a5f1-5799272c3af7">[39]</footnoteReference>
Voorafgaande instemming van het College
De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat het College heeft ingestemd met een overeenkomst tot burgerinfiltratie als bedoeld in artikel 126w Sv. Deze instemming is echter pas op 6 maart 2019 gegeven. De overeenkomst tot burgerinfiltratie was toen al in werking getreden, te weten met ingang van l maart 2019.
<footnoteReference id="_2761f0ca-3878-496f-8ea9-6f0135dd8882">[40]</footnoteReference>
*De rechtbank constateert dat hier sprake is geweest van een vormverzuim."*
Conform het standpunt van de advocaten-generaal en de verdediging kan het hof zich verenigen met hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, inhoudende dat er op dit punt sprake is van een vormverzuim. Het hof maakt de voorgaande overwegingen van de rechtbank tot de zijne.
In kennisstellen van de Minister van Justitie
Met betrekking tot de voorwaarden of het Minister van Justitie tijdig op de hoogte is gebracht heeft de rechtbank het volgende overwogen.
"De rechtbank stelt verder vast dat niet is gebleken dat het College de Minister tijdig op de hoogte heeft gesteld van de beslissing tot inzet van de criminele burgerinfiltrant. Reeds in de periode van l maart 2019 tot en met 21 maart 2019 is A-4110 al ingezet als burgerinfiltrant. Dit terwijl de Minister pas op 21 maart 2019 op de hoogte is gesteld van die inzet. De rechtbank constateert dat ook hier sprake is geweest van een vorm verzuim."
Het hof verenigt zich ook met deze overweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Aanvullend overweegt het hof dat, anders dan door de advocaten-generaal is aangevoerd, de datum van de overeenkomst tot het inzetten van de burgerinfiltrant leidend is voor de beantwoording van de vraag of de Minister van Justitie tijdig op de hoogte is gebracht en niet de datum waarop feitelijk voor het eerst uitvoering is gegeven aan de overeenkomst tot burgerinfiltratie.
Instemming College in verband met verlengingen en wijzigingen van de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie
De advocaten-generaal hebben bij requisitoir een brief overgelegd van het College d.d. 8 februari 2024 waaruit volgt op welke momenten het College toestemming heeft verleend. Uit die brief blijkt het volgende. Op 6 maart 2019 is toestemming verleend voor de inzet van de CBI. Op 24 mei 2019 is toestemming verleend voor de eerste verlenging. Op 30 augustus 2019 is toestemming verleend voor de tweede verlenging. Op 28 november 2019 is toestemming verleend voor de derde verlenging en tot slot is op 13 februari 2020 toestemming verleend voor de vierde verlenging. Het hof stelt op basis van de zich in het dossier bevindende overeenkomsten van verlenging vast dat telkens voorafgaand aan die verlengingen toestemming werd gegeven.
Anders dan in de fase bij de rechtbank blijkt uit deze brief dat het College vooraf en schriftelijk heeft ingestemd met de verlengingen en wijzigingen van de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie. Er is derhalve geen sprake van een vormverzuim.
Conclusie
De rechtbank heeft in dit verband overwogen:
"De rechtbank stelt op basis van het vorenstaande vast dat de interne procedure niet correct is doorlopen. De rechtbank zal aan de hiervoor genoemde vormverzuimen echter geen rechtsgevolgen verbinden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de ratio van artikel 140a Sv en artikel 131 van de Wet RO jo. artikel 11, tweede lid, Reglement van Orde College procureurs-generaal en de omstandigheid dat de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie, alsmede de verlengingen en wijzigingen daarvan, niet onrechtmatig zijn geweest. Verder houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat de door A-4110 verrichte handelingen in de periode van l maart tot en met 21 maart 2019 reeds werden gedekt door de met A-4110 gesloten overeenkomsten tot burgerpseudokoop/-dienstverlening en stelselmatige informatie-inwinning, terwijl niet is gebleken dat A-4110 specifieke infiltratiehandelingen heeft verricht die buiten het bereik van de voornoemde overeenkomsten vielen. De rechtbank is van oordeel dat niet enig gerechtvaardigd belang van verdachten door het vormverzuim is geschonden."
Het hof verenigt zich ook met deze overweging van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Op het laatste punt zal het hof hierna onder 'B - De inzet van A-4110 als burgerpseudokoper/-dienstverlener, burgerinformant en burgerinfiltrant' verder ingaan.
Is voldaan aan de voorwaarden uit de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden?
In de Aanwijzing is opgenomen dat de bevoegdheid tot politiële - of burgerinfiltratie niet mag worden toegepast met het uitsluitende doel om de informatiepositie in een bepaald onderzoek te kunnen verbeteren. De inzet van deze bevoegdheid moet een strafvorderlijk doel dienen.
Zoals de rechtbank ook heeft overwogen wordt in de Aanwijzing verwezen naar de vereisten uit motie-Recourt:
"Door de aanvaarding van de motie-Recourt (Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 192) is het algemeen verbod op de inzet van criminele burgerinfiltranten komen te vervallen, en is het mogelijk geworden om in bepaalde situaties criminele burgerinfiltranten in te zetten bij de aanpak van zware criminelen en criminele organisaties, die hun criminele activiteiten zeer succesvol afschermen en met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt. Alleen in hoge uitzonderingsgevallen en onder strikte waarborgen mag die inzet plaatsvinden. Voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten."
Verder wordt in de Aanwijzing vermeld dat voor de inzet toestemming nodig is van de Minister.[41]
Het hof sluit zich aan bij de navolgende cursief opgenomen overweging van de rechtbank.
"De hiervoor genoemde regels zijn vastgesteld in een door het College gegeven aanwijzing als bedoeld in artikel 130, zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO). Deze regels zijn op behoorlijke wijze bekend gemaakt en lenen zich naar hun inhoud en strekking ertoe jegens betrokkenen als rechtsregel te worden toegepast. Zij kunnen daarom aangemerkt worden als recht in de zin van artikel 79 van de Wet RO en zijn derhalve onderdeel van het juridische raamwerk waaraan de rechtbank dient te toetsen. Als het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden kan dit een schending opleveren van de beginselen van een behoorlijke procesorde
<footnoteReference id="_a08f6554-55e2-44a1-b1e4-5d5e4963ef77">[42]</footnoteReference>
*en daarmee tevens een vormverzuim opleveren ex artikel 359a Sv.*
<footnoteReference id="_2c41c4a1-d1d3-4720-b159-18512a8c9020">[43]</footnoteReference>
*"*
Met betrekking tot de in de aanwijzing genoemde randvoorwaarden heeft de rechtbank het volgende overwogen, hetgeen hieronder cursief is weergegeven. Het hof sluit zich bij deze overweging aan.
"
Strafvorderlijk doel
*Blijkens de wetsgeschiedenis mogen de bijzondere opsporingsbevoegdheden niet worden toegepast met de uitsluitende bedoeling om de informatiepositie van de politie te verbeteren. De inzet van de opsporingsbevoegdheden moet een strafvorderlijk doel dienen.*
<footnoteReference id="_ae3dd1cd-8e93-46c3-9429-1a6db26daccd">[44]</footnoteReference>
*De verbetering van de informatiepositie kan hoogstens een tussengelegen doel zijn, maar mag nooit een doel op zichzelf zijn.*
<footnoteReference id="_6360f815-baac-4f12-ba74-e9121c3e91f9">[45]</footnoteReference>
*"*
Daarnaast stelt het hof het volgende vast. Uit het proces-verbaal aanvraag overeenkomst criminele burgerinfiltratie blijkt het volgende. [46] In april 2018 is een onderzoek gestart onder de naam Vidar. Dit onderzoek is gestart naar aanleiding van contact tussen verdachte [medeverdachte 1] en A-4110. Naar aanleiding van dat contact is de verdenking ontstaan dat verdachte [medeverdachte 1] zich, al dan niet samen met anderen, bezighoudt met internationale handel in harddrugs. Gebleken is dat [medeverdachte 1] lid is van de [motorclub 1] in [plaats] , een supportclub van de [motorclub 2] , en dat hij persoonlijk contact onderhoudt met kaderleden van de [motorclub 2] in [plaats] . Naar aanleiding daarvan is door officier van justitie met A-4110 een overeenkomst burgerpseudokoop/burgerpseudodienstverlening aangegaan. A-4110 heeft de opdracht gekregen een door het begeleidingsteam van de WOD van de Landelijke Eenheid aangewezen (buitenlandse) burger, A-4133, te introduceren en deze te faciliteren in zijn contacten met [medeverdachte 1] . Ook is een bevel stelselmatige informatie-inwinning afgegeven. Daarnaast zijn nog andere bijzondere opsporingsmiddelen ingezet, waaronder: opnemen van telecommunicatie met een daartoe strekkende machtiging van de rechter-commissaris bij verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en het opnemen van vertrouwelijke communicatie in de voertuigen in gebruik bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] .
Uit het proces-verbaal aanvraag overeenkomst criminele burgerinfiltratie blijkt verder het volgende.
De eerste, door de WOD geregisseerde, ontmoeting tussen A-4110 en verdachte [medeverdachte 1] vond plaats op 24 mei 2018. A-4110 heeft op 05 juli 2018 A-4133 bij [medeverdachte 1] geïntroduceerd. Na deze kennismaking vonden in de periode van 30 augustus 2018 tot en met 22 februari 2019 in totaal vijf pseudokoopacties plaats. Vier daarvan hebben geleid tot een aankoop. Dat wil zeggen dat [medeverdachte 1] , al dan niet via A-4110, harddrugs heeft geleverd aan A-4133. (…)
Na vier geslaagde pseudokopen was nog niet de gehele doelstelling van de inzet van A-4110 en A-4133 bereikt. Hoewel er dankzij de pseudokopen en de bemiddelende rol van A-4110 sprake is van een vertrouwensbasis tussen [medeverdachte 1] en A-4133, wil [medeverdachte 1] nog geen rechtstreeks contact met A-4133 zonder tussenkomst van A-4110. Ook blijkt dat er nog onvoldoende basis was om de politiële infiltrant A-2369 te introduceren. Daarvoor is het noodzakelijk dat A-4110 en A-4133 nog langer contact onderhouden met [medeverdachte 1] .
Daarnaast is een verdenking ontstaan jegens [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] wordt ervan verdacht dat hij zich, al dan niet samen met anderen, bezighoudt met internationale handel in harddrugs. Bekend is dat [medeverdachte 2] persoonlijk contact onderhoudt met (kader)leden van de [motorclub 2] in [plaats] en met diverse verdachten uit onderzoek Vidar. Daarnaast is zicht gekregen op internationale handel in verdovende middelen van verdachte [medeverdachte 2] , al dan niet in samenwerking met anderen waaronder leden van de [motorclub 2] ( [plaats] ). Hiervoor is A-4110 benaderd door [medeverdachte 2] , die contacten heeft met onder meer verdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] en andere personen.
Gezien de duur van de stelselmatige informatie-inwinning, het aantal pseudokopen, de verklaring van A-4110 over [medeverdachte 2] en diens samenwerking met [motorclub 2] en de komende introductie van de politiële infiltrant A-2369 die zal gaan deelnemen aan de groep van personen die misdrijven pleegt of beraamt, vordert het onderzoek dringend dat wordt overgegaan tot (criminele) burgerinfiltratie van A-4110 en A-4133.
Ondanks dat er zicht is op contacten tussen [motorclub 1] [medeverdachte 1] en vooral [motorclub 2] [medeverdachte 3] in de periodes waarin de pseudokopen plaatsvonden, is de inhoud van deze gesprekken grotendeels onbekend gebleven. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] spreken bijvoorbeeld af om elkaar te ontmoeten op locaties waar opname van vertrouwelijke communicatie lastig is zoals op de dijk en/of in het clubhuis van de [motorclub 1] en/of de [motorclub 2] . Ook bellen zij via WhatsApp en spreken zij in verhullend taalgebruik. Ook verdachte [medeverdachte 2] schermt kennelijk zijn communicatie af, door gebruik te maken van een telefoon met een 'burner' en bij nieuwe transporten nieuwe telefoons te gebruiken.
De verwachting is dat de inzet van bijzondere opsporingsmiddelen - zoals opname van
vertrouwelijke communicatie en/of het afluisteren van telefoons - ontoereikend zal zijn. De ervaring leert dat zowel bij de (internationale) handel in harddrugs als door (kader-)leden van outlaw motorcycle gangs gebruik wordt gemaakt van bestaande contacten en afgeschermde communicatiemethodes. Verder blijkt uit opgenomen communicatie dat verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zeer alert zijn op opsporingsambtenaren en - middelen.
Gezien de succesvolle afscherming, de actuele contacten van [medeverdachte 1] met de (kader-)leden van [motorclub 2] en met vicepresident [medeverdachte 3] in het bijzonder, het feit dat [medeverdachte 1] niet zelfstandig wil/kan handelen, het vertrouwen van [medeverdachte 1] in A-4110, het feit dat [medeverdachte 1] positief staat tegenover een ontmoeting met de 'baas' van A-4133, het feit dat A-4110 is benaderd door [medeverdachte 2] die kennelijk samenwerkt met de [motorclub 2] [plaats] bij internationale handel in verdovende middelen en het vertrouwen van [medeverdachte 2] in A-4110 vordert het onderzoek dringend de inzet van criminele burgerinfiltratie door A-4110.
Doel van deze inzet is informatie te achterhalen over de strafbare feiten waarvan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] worden verdacht en zo zicht te krijgen op de groep van personen waarbinnen naar redelijkerwijs kan worden vermoed, misdrijven worden beraamd of gepleegd zoals beschreven in voornoemde processen-verbaal van verdenking.
De door A-4110 te verlenen bijstand aan de opsporing bestaat uit het deelnemen aan en of
medewerking verlenen aan een groep van personen bestaande uit onder meer de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] (leden van [motorclub 1] [plaats] ), [medeverdachte 3] , vicepresident van de [motorclub 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] . De verdenking bestaat dat de verdachten deel uitmaken van een groep van personen die zich bezighoudt met het beramen of plegen van misdrijven te weten de invoer en/of verwerking en/of uitvoer en/of handel in harddrugs zoals speed (amfetamine) en/of cocaïne dan wel de voorbereiding van die strafbare feiten. A-4110 zal bemiddelen in de contacten tussen [medeverdachte 1] en A-4133, zodat deze laatste (nogmaals) partijen harddrugs van [medeverdachte 1] zal kunnen afnemen, om verder vertrouwen te wekken en vervolgens politiële infiltrant A-2369 bij [medeverdachte 1] en de groep te kunnen introduceren. Ook zal A-4110 contact onderhouden met [medeverdachte 2] en mogelijk een politiële infiltrant bij [medeverdachte 2] en de groep introduceren.
Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat het doel van de inzet van de criminele burgerinfiltrant helder is omschreven in het hierboven opgenomen proces-verbaal van aanvraag. De wijze waarop de bijstand wordt verleend om het gewenste doel te bereiken wordt weergegeven in de gesloten overeenkomst tot burgerinfiltratie. Het hof stelt vast dat het in deze gaat om een strafvorderlijk doel. Het doel is concreet en duidelijk beschreven.
Zware criminelen en criminele organisaties
Het moet gaan om zeer gesloten groeperingen die zich schuldig maken aan de ernstige vormen van ondermijnende en georganiseerde criminaliteit. Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. De rechtbank heeft het volgende overwogen."De rechtbank is van oordeel dat deze randvoorwaarde valt te vereenzelvigen met het in voornoemde bepaling(art. 126w Sv) vervatte proportionaliteitsbeginsel.[47] Behoudens aanwijzingen voor het tegendeel zullen bij de internationale drugshandel naar algemene ervaringsregels per definitie zware criminelen en criminele organisaties zijn betrokken. De rechtbank doelt daarbij in het bijzonder op de personen aan de top van de organisatie, dan wel de personen die het middenkader van de organisatie vormen. In het onderzoek Vidar is daarvan ook sprake geweest. (…) Het gaat in de zaak Vidar (…) om aanmerkelijke handelshoeveelheden harddrugs, terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat de internationale handel in harddrugs de samenleving ernstig kan ontwrichten omdat achter die handel doorgaans een wereld van (grootschalige) georganiseerde en ondermijnende criminaliteit schuilgaat, waarbij het gebruik van (excessief) geweld niet geschuwd wordt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan deze randvoorwaarde is voldaan."
Het hof overweegt aanvullend dat uit het dossier blijkt dat aan de aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie begin 2019 vorm wordt gegeven. Op dat moment loopt het onderzoek Vidar bijna een jaar. Uit het opsporingsonderzoek dat tot dan toe heeft plaatsgevonden en de resultaten die dat heeft opgeleverd is de reële verdenking gerezen dat verdachten zich bezig houden met grootschalige internationale drugshandel. Op dat moment is er wel degelijk vrees voor ondermijnende criminaliteit. Het ging immers behalve om verdenking van grootschalige drugshandel, ook om export naar diverse landen waarbij (kader)leden van de [motorclub 2] en motorclub [motorclub 1] volgens vaste patronen betrokken leken te zijn. In die zin kon naar het oordeel van het hof aangenomen worden dat er sprake was van zware criminaliteit en een criminele organisatie.
Zeer succesvolle afscherming van criminele activiteiten waardoor deze met traditionele opsporingsmiddelen onvoldoende kunnen worden aangepakt
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. De rechtbank heeft het volgende overwogen."De rechtbank is van oordeel dat deze voorwaarde valt te vereenzelvigen met het in artikel 126w, tweede lid, Sv vervatte subsidiariteitsbeginsel.[48] Aan deze subsidiariteitseis is reeds voldaan, zoals hierboven is toegelicht."
Voorts overweegt het hof dat uit het proces-verbaal aanvraag overeenkomst burgerinfiltratie blijkt dat het gaat om een zeer gesloten groepering die zich succesvol weet af te schermen van de opsporingsautoriteiten. De verdachten zijn zeer alert op opsporingsambtenaren - en middelen. Er wordt bewust afgesproken op plekken waar het opnemen van vertrouwelijke communicatie niet of zeer moeizaam mogelijk is. In contacten wordt gebruik gemaakt van versluierend taalgebruik. Er wordt gebruik gemaakt van bestaande contacten en afgeschermde communicatiemethoden waardoor het voor politie en justitie moeilijk is om zicht te krijgen op deze gesloten groepering en de strafbare feiten die vermoedelijk worden begaan.
Alleen in hoge uitzonderingsgevallen
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. De rechtbank heeft het volgende overwogen.
"Dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant slechts in hoge uitzonderingsgevallen plaats mag vinden blijkt reeds uit de wettelijke voorwaarden voor die inzet. Hieruit kan worden afgeleid dat met de inzet zeer terughoudend moet worden omgegaan.
<footnoteReference id="_6c68697a-34c6-4606-bfa8-23d6c16224d9">[49]</footnoteReference>
*Aan deze voorwaarde is reeds voldaan, zoals hierboven is toegelicht."*
Strikte waarborgen
Het hof heeft geconstateerd dat in de motie Recourt, waarnaar in de Aanwijzing wordt verwezen, in de inleidende overwegingen de term "strikte waarborgen" wordt gebruikt en dat later in het verzoek aan de regering de term "zeer streng regime van waarborgen" is gebezigd. Het hof stelt vast dat de Aanwijzing spreekt van "strikte waarborgen" bij de inzet van een criminele burgerinfiltrant en dat ter beoordeling voorligt de vraag of aan die voorwaarden is voldaan.
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. De rechtbank heeft het volgende overwogen."Dat de inzet van een criminele burgerinfiltrant moet plaatsvinden onder strikte voorwaarden blijkt reeds uit de wettelijke voorwaarden waaronder de inzet plaats mag vinden, maar ook uit de wijze waarop de infiltratie zal moeten worden uitgevoerd. De uitvoering zal geen afbreuk mogen doen aan de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing.[50] In de Aanwijzing is ten behoeve daarvan opgenomen dat bij de inzet van een criminele burgerinfiltrant steeds bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de betrouwbaarheid en de stuurbaarheid van de in te zetten burger. De burgerinfiltrant zal dan ook altijd begeleid moeten worden door een opgeleide begeleider van de afdeling Afgeschermde Operaties van de Landelijke Eenheid.[51]
De rechtbank leidt uit het procesdossier af dat de opsporingsinstanties voortdurend toezicht hebben gehouden op A-4110's handelen als criminele burgerinfiltrant. De geplande inzetten van A-4110 zijn voorafgegaan door een briefing van het begeleidingsteam van A-4110. Dit begeleidingsteam bestond uit daartoe opgeleide WOD-begeleiders.
<footnoteReference id="_bb9b7bd8-292c-4bce-97d3-ce574027cdb6">[52]</footnoteReference>
*Tijdens de briefing werden de opdracht en het doel van de inzet besproken. Na afloop van de inzet vond een debriefing plaats. Van de (de)briefings en inzetten zijn processen-verbaal opgemaakt. Ook is A-4110 over de inzetten gehoord. Van deze verhoren zijn eveneens processen-verbaal opgemaakt. A-4110 heeft naast de geplande inzetten contactmomenten met verdachten gehad zonder dat hiervoor opdracht is gegeven. A-4110 woonde gedurende het onderzoek Vidar in de nabije omgeving van enkele verdachten en maakte deel uit van hun sociale netwerk. Van deze spontane contacten heeft A-4110 het begeleidingsteam op de hoogte gesteld. Ook deze contacten zijn vastgelegd in processen-verbaal. De inzetten van A-4110 zijn, voor zover operationeel mogelijk, opgenomen met opnameapparatuur.*
<footnoteReference id="_92d9b4dc-2cde-4f1f-83f8-e261bb73b1ac">[53]</footnoteReference>
*In de loop van het traject werd bovendien opnameapparatuur geplaatst in de woning van A-4110 en in diens voertuig (waarin zich ook een camera bevond). De vele opgenomen gesprekken zijn woordelijk uitgewerkt en aan het dossier toegevoegd. Van de inzet is dus ruimschoots verslag opgemaakt.*
De rechtbank merkt verder op dat uit het procesdossier niet gebleken is dat tijdens het onderzoek Vidar de integriteit van de opsporing op enig moment in het geding is gekomen. Zo is niet gebleken dat het Openbaar Ministerie de regie over en de controle op het handelen van A-4110 kwijt is geraakt. Ook is niet gebleken dat A-4110 op eigen houtje strafbare feiten is gaan plegen en via een dubbelspel misbruik heeft gemaakt van diens positie als criminele burgerinfiltrant. Uit de stukken komt het beeld naar voren dat A-4110 stuurbaar en betrouwbaar was.
In het licht van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de inzet van de criminele burgerinfiltrant heeft plaatsgevonden onder strikte waarborgen. Er is sprake geweest van een transparante procedure, waarbij het Openbaar Ministerie meer dan voldoende toezicht heeft gehouden op het verloop van het traject en heeft gezorgd voor een adequate verslaglegging op basis waarvan de inzet door de rechtbank kan worden gecontroleerd."
Het hof stelt verder vast dat in de overeenkomst tot burgerinfiltratie – die verderop in dit arrest nog nader wordt besproken – afspraken en voorwaarden zijn opgenomen waar A-4110 zich aan moet houden. Van de inzet van A-4110 is door de voortdurend meervoudige WOD begeleiding telkens verslag gedaan. Verder hebben de WOD-begeleiders als getuigen verklaard en een toelichting gegeven over de inrichting van hun begeleiding, bijvoorbeeld hoe de selectie van A-4110 heeft plaatsgevonden, in welke frequentie zij contact hadden met A-4110 en hoe de verslaglegging na afloop van een inzet plaatsvond.
Gelet op al deze omstandigheden concludeert het hof, met de rechtbank, dat aan de in de aanwijzing gestelde voorwaarde van inzet uitsluitend onder strikte waarborgen is voldaan, overigens ook in die zin dat het hof van oordeel is dat is voldaan aan een zeer streng regime van waarborgen.
Voldaan moet zijn aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit
Dat is voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit is reeds uitgewerkt bij de bespreking van respectievelijk het eerste en tweede lid van artikel 126w Sv.
De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van een groei-infiltrant
Het hof is van oordeel dat de rechtbank op dit onderdeel een juiste afweging heeft gemaakt. De rechtbank heeft hieromtrent het volgende overwogen.*"In de Aanwijzing wordt bij de zin "De inzet moet kortdurend zijn en er wordt geen gebruik gemaakt van groei-infiltranten" in een voetnoot expliciet verwezen naar een uitlating van Minister Opstelten hieromtrent ("Zie pag. 20, Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195"). De rechtbank leidt hieruit af dat het College daarmee tot uitdrukking brengt dat aan voornoemde voorwaarde de volgende uitleg gegeven dient te worden:**Minister Opstelten: (...) Het tweede punt betreft het korte traject. Het gaat er daarbij niet alleen om dat het een kort traject in tijd is. Het gaat primair om het doel van de inzet. Het moet een direct te bereiken doel zijn, zonder te veel tussenstappen. Dat wordt er ook mee aangegeven. De inzet leidt direct tot het verzamelen van het benodigde bewijs, bijvoorbeeld over een drugsdeal. Het gaat om een eenmalige inzet. Dat is hierbij het punt. Dit staat tegenover de niet toegestane langere trajecten, waarin meerdere stadia worden doorlopen om het doel te bereiken. Ik noem als voorbeeld: eerst een kleine drugsdeal organiseren, dan een iets grotere en daarna de grote klapper waarmee de hoofddader in beeld komt. Dat kan dus niet. Dan heb je een groeitraject.*<footnoteReference id="_09b7df73-1253-42fc-bc4b-65ce59cdaa99">[54]</footnoteReference>
De rechtbank constateert hier dat de Minister een striktere definitie hanteert van "groeiinfiltrant" dan de Enquêtecommissie (de commissie-Van Traa, hierna: Van Traa) in haar verslag van 22 november 1994 destijds heeft gedaan. De Enquêtecommissie definieerde een groei-infiltrant namelijk als een burgerinfiltrant die een belangrijke positie gegeven wordt ten opzichte van de organisatie waarin hij gaat infiltreren, opdat het mogelijk wordt dat hij vertrouwen wint bij de top van de criminele organisatie. Om de infiltrant te laten "groeien", moeten soms partijen drugs worden doorgelaten.
<footnoteReference id="_ddfce418-a5b3-44f1-ac75-437a5ceb5a13">[55]</footnoteReference>
De rechtbank is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat door het Openbaar Ministerie niet is voldaan aan de genoemde randvoorwaarde. In het onderzoek Vidar is geen sprake geweest van een kortstondig traject en een eenmalige inzet. Ook was het hoofddoel - vaststellen of uitsluiten van betrokkenheid van (leden van) de [motorclub 2] bij de internationale handel in harddrugs - niet direct te bereiken. Uit de uiterlijke verschijningsvorm van het geheel kan bovendien worden afgeleid dat het Openbaar Ministerie met de inzet zicht wilde krijgen op de opbouw en structuur van de organisatie
en de personen die "boven" [medeverdachte 3] stonden, en/of de betrokkenheid van andere leden van de [motorclub 2] . Daartoe zijn meerdere stadia doorlopen om A-4110 de organisatie binnen te laten dringen en daarin te laten groeien als compagnon van [medeverdachte 2] (traject - Finland/Australië en traject-Finland/Denemarken). De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden. Dit levert een vormverzuim op ex artikel 359a Sv.
De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden aan
dit vormverzuim. Zij overweegt hierover het volgende.
Om te beginnen valt de interpretatie die de Minister (en daarmee het Openbaar Ministerie) geeft aan het begrip groei-infiltrant niet geheel te rijmen met de aanleiding voor en het doel van het opheffen van het verbod,
<footnoteReference id="_2ec98fab-bff5-4692-8bcd-ef60dbc8bc27">[56]</footnoteReference>
*namelijk het doordringen tot criminele groepen zodat informatie kan worden verkregen vanuit de kern van de criminele groepering zelf: over de hoofdrolspelers, hun criminele activiteiten en over hun geldstromen, opdat deze hoofdrolspelers en criminele groeperingen aangepakt*
kunnen worden.
<footnoteReference id="_29870498-bacf-419d-8f84-cd58ad99a3fa">[57]</footnoteReference>
*Inherent aan infiltratie is dat sprake zal zijn van beïnvloeding van de groepering. Om geloofwaardig te zijn dient de infiltrant vaak een actieve rol te spelen in de groep. Hij dient betrokken te raken bij de groep van personen of de criminele organisatie om er vervolgens deel van uit te gaan maken, zodat hij informatie en bewijsmateriaal kan vergaren die nodig is in het belang van het onderzoek.*
<footnoteReference id="_c811504d-c07e-42e6-85ec-a021dbd176b4">[58]</footnoteReference>
*Daartoe zal hij in meer of mindere mate in de groepering moeten groeien.*
<footnoteReference id="_c3685757-b0f4-42ad-a146-5c54d6aedbea">[59]</footnoteReference>
*Deze ongerijmdheid relativeert de hardheid van de door het Openbaar Ministerie gekozen lage drempel voor het begrip "groei-infiltrant" enigszins. De rechtbank merkt in dit verband op dat de veel hogere drempel van Van Traa's definitie van de groei-infiltrant bij lange na niet is gehaald.*
Van groot belang is verder dat verdachten door het geconstateerde vormverzuim niet daadwerkelijk in hun verdediging zijn geschaad.
<footnoteReference id="_5339bba9-4e18-4121-84b6-f2fc1a9879d3">[60]</footnoteReference>
*Achterliggend belang van het "verbod" op criminele groei-infiltranten is namelijk dat geen afbreuk wordt gedaan aan de integriteit en de beheersbaarheid van de opsporing. Daarvan is, zoals uit het voorgaande mag blijken, geen sprake geweest. Anders dan bij de IRT-affaire is de opsporing niet "ontspoord" en evenmin zijn er onder verantwoordelijkheid van een officier van justitie (grote) hoeveelheden drugs op de markt terecht gekomen, zoals ten tijde van de IRT-affaire. Ten slotte kan niet worden gezegd dat door de wijze waarop en de mate waarin A-4110 is ingezet in strijd is gehandeld met het proportionaliteitsbeginsel."*
Het hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en maakt deze overweging tot de zijne. Aanvullend overweegt het hof het volgende. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat bij infiltratie aan het begrip 'kort' en 'kortdurend' geen vastomlijnde of eenduidige betekenis kan worden gegeven. Het hof heeft in acht genomen naar welke definitie van de Minister in de Aanwijzing wordt verwezen. Daarnaast heeft het hof ook gezien dat in de Tweede Kamer is gedebatteerd over welke tijdsduur een infiltratietraject zou moeten hebben en dat er in het Kamerdebat verschillende beschrijvingen zijn gegeven waar het gaat om infiltratie.[61] Of een inzet 'kortdurend' is zal afhangen van diverse factoren omdat een infiltrant tijd nodig heeft om te infiltreren. Een infiltrant moet vertrouwd raken met zijn rol en de omgeving waarin hij infiltreert wil zijn inzet functioneren. Hoe snel een en ander zal gaan zal ook afhangen van de (on)doorzichtigheid van een organisatie waarin wordt geïnfiltreerd. Voorgaande omstandigheden maken dat de definitie van kort in elke zaak een andere betekenis zal hebben. Veeleer zal met burgerinfiltratie de nodige tijd gemoeid zijn. Een en ander zal mede worden bepaald door de concrete omstandigheden van de specifieke zaak. Al het voorgaande bezien heeft de rechtbank een juiste afweging gemaakt en volgt het hof de rechtbank in haar conclusie.
Wat betreft de term groei-infiltrant overweegt het hof het volgende. Ook hier heeft het hof gezien dat de Minister een beperkte definitie heeft gegeven. Uit het Tweede Kamer debat zoals dat is gevoerd in het kader van de motie Recourt blijkt dat verschillende definities van een groei-infiltrant aan de orde zijn geweest waarbij de lengte van de inzet of het maken van 'carrière' onder meer onderwerp van het debat is geweest. Naar het oordeel van het hof is het belangrijk om ook hier te kijken naar het wezen en traject van de infiltratie. Bijvoorbeeld naar de tijd die is gemoeid met het vertrouwd raken met de organisatie, het vertrouwen winnen, maar ook de ondoorzichtigheid van de organisatie met eigen kenmerken, is een belangrijke factor. Gelet op die omstandigheden is het hof van oordeel dat de definitie en uitspraken van de Minister moeilijk vallen te rijmen met de uitvoeringspraktijk.
Desalniettemin heeft het Openbaar Ministerie er voor gekozen om de beperkte definitie in de aanwijzing op te nemen, zodat de rechtbank en ook het hof daaraan gebonden zijn en daaraan toetsen.
Deze toetsing verdient op grond van het bovenstaande evenwel een zekere nuancering
Uit het dossier blijkt dat A-4110 een jaar heeft gefungeerd als infiltrant. Er lopen op dat moment meerdere drugs-exporttrajecten naast elkaar waarin A-4110 weliswaar meedraaide, maar op een beperkte manier. Hij verzamelde vooral informatie en verleende her en der hand - en spandiensten. In de criminele organisatie is hij niet opgeklommen. Zijn rol bleef beperkt tot een bijrol. Hij blijft bezig met het vergaren van informatie. De Minister heeft beschreven dat infiltratie beperkt dient te blijven tot de opsporing van een eenmalig concreet feit. Vastgesteld kan worden dat het daar in deze zaak niet om draait. Het gaat om een concrete verdenking, namelijk van de internationale handel in harddrugs, waarvoor in het kader van opsporing meer zicht op de criminele groepering van belang is. Bij het inzetten van A-4110 bestonden er aanwijzingen en verdenkingen dat diverse activiteiten werden ontwikkeld voor harddrugslijnen naar verschillende landen. Het onderzoek richtte zich op een organisatie waarin verschillende trajecten naast elkaar liepen en waarbij het de opdracht was van de criminele burgerinfiltrant om informatie te verkrijgen over hoe de verhoudingen lagen en hoe de taken binnen de groep waren verdeeld, ook om zicht te krijgen op alle betrokken personen. Al die tijd bleef de rol van A-4110 in de kern hetzelfde, hij vervulde een bijrol. Hoewel hij wel directer met de drugs in aanraking kwam, zo heeft hij drugs aangepakt en drugs verpakt, is hij niet opgeklommen in de organisatie. Hij liep mee met verdachte [medeverdachte 2] , was vaak diens chauffeur, en A-4110 deelde de contacten die van belang konden zijn voor de drugshandel. In het proces-verbaal aanvraag verlenging overeenkomst burgerinfiltratie blijkt dat A-4110 een faciliterende en bemiddelende rol zal innemen.[62] De rol van de criminele burgerinfiltrant wordt telkens consequent beschreven. Vastgesteld kan worden dat aan de rol van A-4110 in de laatste aanvraag voor een verlenging uitgebreider vorm wordt gegeven. Dit valt vooral te verklaren uit het feit dat er op dat moment meer activiteit is binnen de groep waarin wordt geïnfiltreerd. De verdenkingen breiden zich daarbij uit naar meerdere personen. A-4110 verleent op dat moment bijstand en medewerking aan de groep en indien nodig bemiddelt hij in contacten. Het hof stelt ook vast dat uit de diverse processen-verbaal van aanvraag van burgerinfiltratie volgt dat het steeds de bedoeling is geweest en werd geprobeerd om de rol van A-4110 kleiner te maken of hem uit het infiltratietraject te halen, maar dat dat door het vertrouwen dat binnen de organisatie in A-4110 werd gesteld telkens vanwege uitlatingen of gedragingen van betrokkenen in die organisatie, niet lukte.
Deze aanvullende overwegingen maken dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat – zoals hierboven overwogen - het Openbaar Ministerie zich niet aan zijn eigen regelgeving heeft gehouden en dat dit in die zin een vormverzuim op ex artikel 359a Sv oplevert. Het hof is, op de hierboven door van de rechtbank aangehaalde gronden, van oordeel dat daaraan geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden.
Toestemming van de Minister
De laatste voorwaarde is dat de Minister toestemming moet geven voor de inzet van de criminele burgerinfiltrant.<footnoteReference id="_48b22e41-bdab-462b-ab3b-7fb267a1322e">[63]</footnoteReference> Met de rechtbank stelt het hof vast*dat Minister Grapperhaus - zij het via een in beknoptheid uitblinkende brief - op 21 maart 2019 toestemming heeft verleend voor de inzet van criminele burgerinfiltrant in het onderzoek Vidar.*<footnoteReference id="_c1239e33-79ac-4715-b582-342294f520dd">[64]</footnoteReference>
Het hof stelt vast dat uit het dossier blijkt dat A-4110 vanaf 1 maart 2019 formeel, op grond van de met hem gesloten overeenkomst, is ingezet als criminele burgerinfiltrant.[65] Daarentegen blijkt wel dat A-4110 in de periode tussen 1 maart 2019 en 21 maart 2019 feitelijk enkel is ingezet in het kader van een pseudokoop en de introductie van A-2369 in dat kader bij verdachte [medeverdachte 1] .[66] In die betreffende periode is het bevel tot pseudokoop/pseudodienstverlening en het bevel tot stelselmatig informatie-inwinning nog van kracht.[67]
Uit het voorgaande blijkt aldus dat de door de Minister verleende toestemming te laat is verleend nu de overeenkomst tot burgerinfiltratie op 1 maart 2019 reeds is gesloten. Dit levert - hoe dan ook - een vormverzuim op. De door de advocaten-generaal naar voren gebrachte reden daarvoor, inhoudende dat de drukke agenda van de Minister daar de oorzaak van is, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het is de verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en de Minister dat dergelijke voorgeschreven handelingen op tijd worden gedaan.
Vervolgens dient het hof te beoordelen welke consequentie aan dit vormverzuim verbonden dient te worden. Zoals hiervoor is overwogen zijn de door A-4110 verrichte handelingen in de periode van 1 maart 2019 tot 21 maart 2019 gericht geweest op het tot stand brengen van een pseudokoop. Niet gebleken is, noch bestaat daar aanwijzing voor, dat A-4110 opdrachten heeft verricht die verband hielden met het dan formeel al lopende infiltratie-traject. De opdrachten die A-4110 in die periode wel heeft uitgevoerd werden verricht op basis van het bovenomschreven bevel tot pseudokoop/pseudodienstverlening en het bevel tot stelselmatig informatie-inwinning en zijn handelingen waren in die zin gedekt door die andere overeenkomsten waarvoor geen toestemming van de Minister is vereist. Gelet daarop zal het hof volstaan met de constatering dat er een vormverzuim is en daar geen consequenties aan verbinden nu de verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad.
B – De feitelijke inzet van A-4110 als burgerpseudokoper/-dienstverlener, burgerinformant en burgerinfiltrant
Wettelijk kader
*Stelselmatige informatie-inwinning*
De inzet en wijze van uitvoering van het stelselmatig inwinnen van informatie door een politie ambtenaar vindt wettelijke grondslag in artikel 126j Sv. Voor de inzet en toepassing van deze bevoegdheid volgt uit deze bepaling dat er een verdenking van een misdrijf moet bestaan en het bevel in het belang is van het onderzoek. Het bevel wordt gegeven voor een periode van ten hoogste drie maanden en kan telkens met een periode van ten hoogste drie maanden worden verlengd. Het bevel tot het inwinnen van informatie is schriftelijk en vermeldt:a. het misdrijf en indien bekend, de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat sprake is van een verdenking van een misdrijf;c. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, end. de geldigheidsduur van het bevel.
Een bevel stelselmatige informatie-inwinning kan ook worden gegeven aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen.
De bevoegdheid tot het undercover stelselmatig inwinnen van informatie omtrent een verdachte onderscheidt zich van de politiële infiltrant doordat niet wordt deelgenomen of meegewerkt aan een groep van personen of een georganiseerd verband waarbinnen misdrijven worden beraamd of gepleegd. De opsporingsambtenaar zal dan ook niet deelnemen aan het plegen of beramen van misdrijven. Het onderscheid met de stelselmatige observatie is daarin gelegen dat de opsporingsambtenaar uitdrukkelijk tot opdracht heeft om op zodanige wijze aanwezig te zijn in de omgeving van de verdachte, dat de verdachte of personen uit de directe omgeving van de verdachte met hem contacten onderhouden zonder dat zij weten dat zij met een opsporingsambtenaar van doen hebben. De opsporingsambtenaar observeert dus niet alleen, maar interfereert actief in het leven van de verdachte. Hij gaat daarbij verder dan alleen waarnemen of luisteren (zie Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 34-35).
In artikel 126v Sv is bepaald dat de officier van justitie in het belang van het onderzoek kan bevelen dat een opsporingsambtenaar met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, een zogenaamde burgerinformant) overeenkomt dat deze bijstand verleent aan de opsporing door stelselmatige informatie-inwinning omtrent een verdachte, onderscheidenlijk een persoon ten aanzien van wie een redelijke vermoeden bestaat dat deze is betrokken bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven.
Pseudokoop of-dienstverlening
De pseudokoop of - dienstverlening is wettelijk geregeld in artikel 126i Sv. Voor de inzet en toepassing van deze bevoegdheid volgt uit deze bepaling dat er een verdenking is van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is en het bevel in het belang van het onderzoek is. De bevoegdheid van pseudokoop of - dienstverlening strekt tot het afnemen van goederen of het verlenen van diensten. Het bevel tot pseudokoop of - dienstverlening is schriftelijk en vermeldt:a. het misdrijf en indien bekend de naam of anders een zo nauwkeurig mogelijke omschrijving van de verdachte;b. de feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat sprake is van een verdenking van een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis mogelijk is;c. de aard van de goederen, gegevens of diensten;d. de wijze waarop aan het bevel uitvoering wordt gegeven, daaronder begrepen strafbaar gesteld handelen, ene. het tijdstip waarop, of de periode waarbinnen aan het bevel uitvoering wordt gegeven.
Evenals bij stelselmatige informatie-inwinning kan een bevel pseudokoop of - dienstverlening ook worden gegeven aan een persoon in de openbare dienst van een vreemde staat, die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur te stellen eisen. Een bevel pseudokoop en - dienstverlening heeft in beginsel een eenmalig karakter en is een minder ingrijpende bevoegdheid dan infiltratie. De pseudokoop en - dienstverlening worden als zelfstandige bevoegdheid geregeld naast de infiltratie omdat zij ook buiten de gevallen waarin infiltratie is toegelaten, kunnen worden toegepast, juist vanwege het minder ingrijpende karakter (zie Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 33).
Anders dan bij stelselmatige informatie-inwinning is de opsporingsambtenaar in geval van pseudokoop of - dienstverlening bevoegd om strafbare feiten te plegen (zie Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 34).[68]
In artikel 126ij en 126z Sv is geregeld dat de officier van justitie in het belang van het onderzoek met een persoon die geen opsporingsambtenaar is, overeen kan komen dat deze bijstand verleend aan de opsporing in de vorm van burgerpseudokoop en - dienstverlening.
Infiltratie
Het hof zal het wettelijk kader van infiltratie hier niet meer bespreken nu dit hierboven onder A. al uitgebreid is weergegeven.
Wat blijkt uit het dossier?
Op grond van de inhoud van het dossier stelt het hof het volgende vast.
Burgerpseudokoop/burgerpseudodienstverlening
Op 15 mei 2018 is in het onderzoek jegens verdachte [medeverdachte 1] door middel van een proces-verbaal een overeenkomst burger pseudokoop/burgerpseudodienstverlening met A-4110 aangevraagd.<footnoteReference id="_ffa857db-4466-4729-8ed3-aaa8329d8413">[69]</footnoteReference> Op 17 mei 2018 is de eerste overeenkomst tot stand gekomen voor de duur van drie maanden. De te verlenen bijstand bestaat uit de introductie door A-4110 bij verdachte [medeverdachte 1] van een door het WOD begeleidingsteam aangewezen (buitenlandse) burger en/of (buitenlandse) opsporingsambtenaar en het faciliteren in zijn contacten met [medeverdachte 1] . Het doel van deze introductie is te komen tot: - de pseudokoop van een hoeveelheid harddrugs en/of de pseudodienstverlening met betrekking tot handelingen die betrekking hebben op het bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, aanwezig hebben en/of vervaardigen van harddrugs; - het winnen van vertrouwen van [medeverdachte 1] en - het zicht krijgen op de vermoedelijke contacten van [medeverdachte 1] met kaderleden van de [motorclub 2] .Voorts is in de overeenkomst opgenomen dat de burger bij de uitvoering van de bij deze overeenkomst overeengekomen bijstand aan de opsporing wordt begeleid door opsporingsambtenaren van het team Werken onder Dekmantel van de landelijke eenheid. Bij de uitvoering van deze overeenkomst heeft het team Werken onder Dekmantel van de landelijke eenheid - bij wijze van inspanningsverplichting/zorgplicht - voortdurend oog voor de veiligheid van Burger.Voorts is in de overeenkomst opgenomen dat de burger recht heeft op een onkosten - en uurvergoeding als bedoeld in artikel 1 onder h van de Circulaire bijzondere opsporingsgelden ten bedrage van € 50, - per uur bij de inzet.<footnoteReference id="_f403c3a9-24cf-4d2d-9c6c-3def9a15b09d">[70]</footnoteReference>
Op 14 augustus 2018 is in een proces-verbaal een aanvraag ingediend ten einde de hiervoor aangehaalde overeenkomst te verlengen. De reden daarvoor is de volgende. Sinds het afsluiten van de bedoelde overeenkomst hebben er vier geregisseerde en drie spontane ontmoetingen plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] en A-4110. Hieruit blijkt dat de verschillende doelen uit de eerdere aanvraag gerealiseerd lijken te worden. Tot dan toe is het volgende gebleken: - gezien de reacties van [medeverdachte 1] kan blijken dat hij zich bezighoudt met de handel in verdovende middelen en dat een burgerpseudokoop van harddrugs in de maak is. - A-4110 lijkt het vertrouwen van [medeverdachte 1] gewonnen te hebben en is bezig de getuige A-4133 te introduceren. - Uit de bij proces-verbaal van bevindingen vastgelegde ontmoeting, die [medeverdachte 1] met A-4110 op 24 mei 2018 heeft gehad, blijkt dat [medeverdachte 1] met betrekking tot de handel in harddrugs niet zelfstandig kan handelen. Tijdens deze ontmoeting zegt [medeverdachte 1] dat hij overleg moet plegen met een derde persoon en mensen niet kan passeren. - Na de tweede ontmoeting is de volgende dag contact met [medeverdachte 3] , vicepresident bij de [motorclub 2] te [plaats] . - Bij de derde ontmoeting heeft A-4110 [medeverdachte 1] met de buitenlandse A-4133 laten kennismaken en is een vervolg hiervan op handen. - Vrijwel direct na de derde geregisseerde ontmoeting op 5 juli 2018, rijdt [medeverdachte 1] naar de woning van [medeverdachte 3] in [plaats] . - Op 30 juli 2018 is een spontane ontmoeting geweest tussen [medeverdachte 1] en A-4110. Tijdens deze ontmoeting is een afspraak gemaakt voor de volgende dag. - Op 31 juli 2018 heeft een geregisseerde ontmoeting plaatsgevonden en daarbij zijn nadere plannen gemaakt voor de burgerpseudokoop door getuige A-4133. In de eerste week van september 2018 zal getuige A-4133 weer naar Nederland komen om tot de pseudokoop te komen.Er blijkt aldus dat een aanstaande burgerpseudokoop/-dienstverlening op handen is waar A-4110 onderdeel vanuit maakt op grond waarvan wordt verzocht de overeenkomst met A-4110 te verlengen.[71] Uit het dossier blijkt dat de overeenkomst op 15 augustus 2018 is verlengd voor de duur van 12 weken en eindigt op 15 november 2018.[72]
Op 5 november 2018 is bij proces-verbaal nogmaals een verlenging aangevraagd voor de overeenkomst met A-4110. Uit die aanvraag blijkt het volgende. A-4110 heeft de opdracht gekregen om een (buitenlandse) burger (A-4133) en/of (buitenlandse) opsporingsambtenaar te introduceren en deze te faciliteren in zijn contacten met [medeverdachte 1] . Om tot een (vertrouwens-)pseudokoop door A-4133 bij [medeverdachte 1] te komen heeft getuige A-4110 het vertrouwen van [medeverdachte 1] weten te winnen. A-4110 heeft meerdere spontane en geregisseerde ontmoetingen gehad met [medeverdachte 1] . Zodoende is een basis gecreëerd om A-4133 te introduceren. De ontmoetingen tussen [medeverdachte 1] met A-4110 en A-4133 hebben plaatsgevonden. Voorts is het volgende gebleken. - Op donderdag 30 augustus 2018 werd namens de WOD door A-4110 de afspraak gemaakt om op dinsdag 4 september 2018 tot een pseudokoop van één kilo cocaïne door de buitenlandse A-4133 te komen. - Op dinsdag 4 september 2018 heeft een geregisseerde ontmoeting plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] met A-4110 en A-4133, waarbij het voornemen was om tot de pseudokoop te komen, hetgeen uiteindelijk niet is geslaagd. - Op maandag 10 september 2018 heeft een gesprek plaats gevonden tussen [medeverdachte 1] en A-4110. Hierin is besproken dat in oktober 2018 een vervolg zal komen van de vertrouwens-pseudokoop van 1 kilo cocaïne door A-4133. - Op woensdag 10 oktober 2018 heeft getuige A-4110 een geregisseerde ontmoeting gehad met [medeverdachte 1] . Hierbij is door A-4110 een bestelling gedaan van 100 gram cocaïne en één kilogram speed. Deze harddrugs zijn maandag 15 oktober 2018 in een geregisseerde ontmoeting, door tussenkomst van A-41 10, aan A-4133 geleverd door [medeverdachte 1] . - Door de WOD zal voor A-4110 en A-4133 een geregisseerde ontmoeting worden gepland in november 2018, waarbij een grotere hoeveelheid harddrugs bij [medeverdachte 1] zal worden besteld.
Uit het proces-verbaal van de aanvraag blijkt dat het voornemen blijft om door een pseudokoop het vertrouwen van [medeverdachte 1] te verstevigen, waarbij, mede gezien de wens van [medeverdachte 1] , het wenselijk is dat gebruik wordt gemaakt van de diensten van A-4110. Het vermoeden bestaat dat zonder de diensten van A-4110, A-4133 en/of de (buitenlandse) opsporingsambtenaar niet in staat zullen zijn op eenvoudige wijze het vertrouwen van [medeverdachte 1] en/of van de kaderleden van de [motorclub 2] te winnen dan wel afspraken met hen te maken.
De tweede verlenging overeenkomst tot pseudokoop/pseudodienstverlening met een burger is verlengd voor de duur van 12 weken, welke periode aanvangt op 15 november 2018 en eindigt op 15 februari 2019.[73]
Na de tweede verlenging is er nog een derde verlenging geweest. Uit het proces-verbaal van de aanvraag voor de derde verlenging blijkt het volgende. Op donderdag 06 december 2018 uur is A-4110 bij [medeverdachte 1] geweest en heeft [medeverdachte 1] verteld dat A-4133 op 11 december 2018 tien kilo speed wil hebben en daarvoor wil afspreken in [gemeente] . Voordat [medeverdachte 1] op 11 december 2018 met zijn auto naar [gemeente] rijdt, gaat hij door [plaats] en stopt op de [adres] . Dit is bij de woning van [medeverdachte 3] . Vervolgens rijdt de auto van [medeverdachte 1] naar [gemeente] .
Op 11 december 2018, omstreeks 21:44 uur, levert [medeverdachte 1] in [gemeente] 10 kilo speed aan A-4133. Uit het verhoor van A-4133 over de laatste ontmoeting blijkt dat er tussen [medeverdachte 1] en A-4133 is gesproken over volgende ontmoetingen en afspraken met de baas (de buitenlandse opsporingsambtenaar) van A-4133.
Verder wordt in de aanvraag het vervolgtraject burgerpseudokoop besproken. De vervolgstap is een (buitenlandse) opsporingsambtenaar te introduceren. In de tweede week van februari 2019 zal naar verwachting de volgende ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en A-4133 plaatsvinden. Het voornemen is om afspraken te maken met betrekking tot de ontmoeting met de "baas" van A-4133 bij [medeverdachte 1] . De baas wordt (volgens de scenario's van de WOD) ook geïntroduceerd om de pseudokoop van een grotere omvang realistisch te maken, waardoor [medeverdachte 1] naar verwachting het hogere kader van [motorclub 2] nodig heeft en er aldus verwacht wordt dat er zicht komt op criminele activiteiten van de [motorclub 2] .
Het ziet er naar uit dat A-4110 ook hierin een rol heeft, want [medeverdachte 1] wil vooralsnog niet rechtstreeks met A-4133 contact onderhouden. [medeverdachte 1] is daar duidelijk over tegen A-4110 wanneer die zegt dat A-4133 het liever alleen met [medeverdachte 1] wil doen. [medeverdachte 1] kent A-4110 goed en wil hem als tussenpersoon laten fungeren bij contacten met A-4133.
Het voornemen blijft om door een pseudokoop het vertrouwen van [medeverdachte 1] te verstevigen, waarbij, mede gezien de wens van [medeverdachte 1] , het wenselijk is dat gebruik wordt gemaakt van de diensten van A-4110. A-4110 zal hiervoor weer afspraken moeten maken met [medeverdachte 1] .
Het vermoeden bestaat dat zonder de diensten van A-4110, A-4133 en/of de (buitenlandse) opsporingsambtenaar niet in staat zullen zijn op eenvoudige wijze het vertrouwen van [medeverdachte 1] en/of van de kaderleden van de [motorclub 2] te winnen dan wel afspraken met hen te maken. Verzocht wordt om de overeenkomst voor een periode van drie maanden te verlengen, van 15 februari 2019 tot en met 10 april 2019.[74]
De overeenkomst tot pseudokoop/pseudodienstverlening met een burger is voor de derde keer verlengd, voor de duur van 12 weken, welke periode aanvangt op 15 februari 2019 en eindigt op 15 mei 2019.[75]
Stelselmatige informatie-inwinning
A-4110 heeft ook als burger stelselmatig informatie ingewonnen. Op 3 juli 2018 is een proces-verbaal van aanvraag opgemaakt voor een bevel stelselmatige informatie-inwinning door burger A-4110. Uit die aanvraag blijkt het volgende. A-4110 heeft de opdracht gekregen om A-4133 te introduceren bij [medeverdachte 1] . A-4133 is een voormalig politie-infiltrant uit het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland die in 2017 met eervol ontslag is gegaan. Inmiddels hebben A-4110 en [medeverdachte 1] elkaar vier keer, niet altijd gepland, ontmoet en is op korte termijn een ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en A-4133 te verwachten.Bij de eerste ontmoeting(-en) tussen [medeverdachte 1] en A-4133 zal A-4110 aanwezig zijn. Onduidelijk is of de vertrouwensband tussen A-4133 en [medeverdachte 1] op korte termijn van die mate is, dat A-4110 het contact met [medeverdachte 1] kan beëindigen. Daarmee heeft A-4110 mogelijk een langduriger en meer stelselmatig contact met [medeverdachte 1] .
Uit de kenmerken van het feit waarvan [medeverdachte 1] verdacht wordt (internationale
harddrugshandel) en de tot op heden opgenomen en uitgewerkte vertrouwelijke communicatie tussen [medeverdachte 1] en A-4110 vloeit een redelijk vermoeden voort dat in georganiseerd verband misdrijven worden beraamd die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Uit de tot op heden opgenomen en beschikbaar gestelde vertrouwelijke communicatie tussen [medeverdachte 1] en A-4110 en uit een verhoor na afloop van een ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en A-4110 blijkt samengevat onder meer dat [medeverdachte 1] : - zich moet indekken om iemand niet te passeren; - volgens A-4110 zegt dat hij toestemming moet vragen van iemand die nu vast zit en - aan A-4110 zou hebben gevraagd of 'zij' ook mee mogen gooien met 'die man'.
Tot op heden is onbekend wie behalve [medeverdachte 1] deel uitmaakt/uitmaken van dit georganiseerde verband dat misdrijven beraamt en/of pleegt. Doel van de stelselmatige inwinning door A-4110 is informatie te achterhalen over de strafbare feiten waarvan [medeverdachte 1] wordt verdacht en zo inzicht te krijgen in de manier waarop hij deze feiten pleegt en daarnaast mogelijk zicht te krijgen op de persoon/personen waarmee [medeverdachte 1] dit misdrijf/deze misdrijven al dan niet in georganiseerd verband beraamt en/of pleegt. Ook kan de stelselmatige inwinning van informatie van belang zijn met betrekking tot de veiligheid van A-4110 zelf en ook die van A-4133.
De verwachting bestaat dat klassieke opsporingsmethoden zoals het afluisteren van telefoongesprekken en/of het horen van getuigen geen resultaat opleveren. De ervaring leert dat zowel bij de (internationale) handel in harddrugs als door (kader-)leden van outlaw motorcycle gangs gebruik wordt gemaakt van bestaande contacten en afgeschermde communicatiemethodes. Zo geeft [medeverdachte 1] bijvoorbeeld in telefoongesprekken aan dat hij gaat appen en dat hij niet alles over de telefoon wil bespreken. Verzocht wordt om het bevel uit te vaardigen voor de periode van 4 juli 2018 tot en met 4 oktober 2018.[76]
Op 3 juli 2018 is het bevel tot het sluiten van een overeenkomst stelselmatige inwinning van informatie met een burger gegeven met betrekking tot verdachte [medeverdachte 1] en de NN-betrokkene(n) voor een periode van ten hoogste drie maanden, welke periode aanvangt op 4 juli 2018 tot en met 4 oktober 2018.[77]
Vervolgens is een overeenkomst tot stelselmatige informatie inwinning door een burger gesloten. In de overeenkomst is het volgende vermeld. Burger zal met ingang van 4 juli 2018 tot en met 4 oktober 2018 bijstand aan de opsporing verlenen. De door Burger te verlenen bijstand bestaat uit het stelselmatig inwinnen van informatie omtrent de intenties, plannen, voorbereidingen, communicatie, gedragingen van verdachte [medeverdachte 1] en/of andere NN-verdachten en/of personen die betrokken zijn bij het in georganiseerd verband beramen of plegen van misdrijven, met name de invoer en/of verwerking en/of uitvoer en/of handel in (synthetische) harddrugs, dan wel de voorbereiding van die strafbare feiten. Daaronder begrepen het stelselmatig inwinnen van informatie over de (inhoud van de) contacten tussen [medeverdachte 1] en leden van de [motorclub 2]
. Burger zal bij de uitvoering van de bij deze overeenkomst overeengekomen
bijstand aan de opsporing worden begeleid door opsporingsambtenaren van het team Werken onder Dekmantel van de landelijke eenheid. Bij de uitvoering van deze overeenkomst heeft het team Werken onder Dekmantel van de landelijke eenheid - bij wijze van inspanningsverplichting/zorgplicht - voortdurend oog voor de veiligheid van Burger. Daarnaast is in de overeenkomst opgenomen dat de burger recht heeft op een onkosten - en uurvergoeding als bedoeld in artikel 1 onder h van de Circulaire bijzondere opsporingsgelden ten bedrage van € 50, - per uur bij inzet. De overeenkomst is ondertekend op 5 juli 2018.[78]
Op 1 oktober 2018 is een verzoek gedaan tot verlenging van bovenvermelde overeenkomst. Uit het proces-verbaal van de aanvraag voor de verlenging blijkt het volgende. Op 17 mei 2018 is een overeenkomst burgerpseudokoop/ - dienstverlening gesloten tussen de officier van justitie en A-4110. A-4110 heeft A-4133 geïntroduceerd bij [medeverdachte 1] . Bij de introductie is samengevat het volgende besproken: - A-4110 heeft iemand voor "die snelle"; - A-4110 wil Ieren naar Nederland laten komen; - [medeverdachte 1] vindt dat "ok", maar wil "aan deze kant" blijven; - [medeverdachte 1] moet zich indekken om iemand niet te passeren; - [medeverdachte 1] moet toestemming vragen van iemand die nu vast zit - [medeverdachte 1] vraagt aan A-4110 of "zij" ook mee mogen gooien met "die man", hiermee
wordt bedoeld dat "ze" ook kilo's willen meevoeren naar Ierland. - [medeverdachte 1] vraagt of "ze" ook belang hebben bij andere dingen, waarmee hij doelt op
andere soorten drugs dan speed.
Op donderdag 05 juli 2018 heeft nabij een horecagelegenheid te [plaats] een eerste ontmoeting plaatsgevonden tussen A-4133 en [medeverdachte 1] , in bijzijn van A-4110. In deze ontmoeting wordt kort samengevat het volgende besproken: - [medeverdachte 1] had een eigen mannetje voor de speed van goede kwaliteit, maar die zit nu in
Duitsland in de gevangenis. - In de toekomst kan [medeverdachte 1] misschien voorzien in het vervoer van de drugs naar de Ier. - A-4133 en [medeverdachte 1] komen overeen dat A-4133 1 kilogram cocaïne aankoopt als test voor 28.000 euro. - A-4133 treedt in contact met A-4110 om een tweede ontmoeting te beleggen.
Op dinsdag 31 juli 2018 heeft A-4110 opnieuw een ontmoeting met [medeverdachte 1] . In deze
ontmoeting vertelt A-4110 dat de Ieren veel belangstelling hebben en in september langs willen
komen. A-4110 benadrukt dat hij de Ieren vertrouwt en op de vraag of ze ook belangstelling hebben
voor speed, zegt A-4110 dat dit met hen zelf overlegd moet worden.
Op dinsdag 04 september 2018 heeft een tweede ontmoeting tussen A-4133 en A-4110 en
[medeverdachte 1] plaatsgevonden bij het [hotel] te [plaats] . Tijdens deze ontmoeting is het volgende besproken en heeft het volgende plaatsgevonden: - Omdat [medeverdachte 1] zelf tweeduizend euro meer moet betalen voor de cocaïne, is de prijs gestegen naar 30.000 euro. - De lokale leveranciers voor de cocaïne zijn niet beschikbaar, dus de cocaïne moet afgehaald worden in de buurt van [plaats] . - A-4133 en A-4110 rijden op eigen gelegenheid naar [gemeente] en spreken af om daar [medeverdachte 1] wederom te ontmoeten. - Omdat [medeverdachte 1] er die avond niet in slaagt om naar eigen zeggen cocaïne van goede kwaliteit aan te kopen, spreekt hij met A-4133 af dat ze de aankoop uitstellen tot een ander moment. - Volgens [medeverdachte 1] zou de aankoop de volgende keer makkelijker zijn, omdat zijn lokale
leveranciers niks hadden ten gevolge van (het eind van) de vakanties.
Tot op heden is aldus het proces-verbaal onbekend wie behalve [medeverdachte 1] deel uitmaakt/uitmaken van dit georganiseerde verband dat misdrijven beraamt en/of pleegt. Door onder meer de stelselmatige inwinning van informatie door A-4110 wil het onderzoeksteam zicht krijgen op het georganiseerde verband waarbinnen [medeverdachte 1] kennelijk harddrugs verhandelt, dan wel bewerkt, verwerkt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, aanwezig heeft en/of vervaardigt.
Doel van de stelselmatige inwinning door A-4110 is informatie te achterhalen over de strafbare feiten waarvan [medeverdachte 1] wordt verdacht en zo inzicht te krijgen in de manier waarop hij deze feiten pleegt en daarnaast mogelijk zicht te krijgen op de persoon of personen waarmee [medeverdachte 1] dit misdrijf/deze misdrijven al dan niet in georganiseerd verband beraamt en/of pleegt.
[medeverdachte 1] en A-4133 hebben op 4 september 2018 de afspraak gemaakt om op een later
moment de kilo cocaïne aan te kopen. Met deze aankoop dient het vertrouwen in getuige A-4133 door [medeverdachte 1] te worden bevestigd. Wanneer het vertrouwen is gewekt, wordt als vervolgstap een (buitenlandse) opsporingsambtenaar geïntroduceerd. Via deze opsporingsambtenaar hoopt het onderzoeksteam zicht te krijgen op de leiders van het eventueel georganiseerd crimineelverband waar [medeverdachte 1] deel van uitmaakt. De opsporingsambtenaar zal dan ook het profiel hebben van een 'grote jongen' in plaats van dat van een tussenpersoon, zoals A-4133 zichzelf heeft voorgesteld. Wanneer [medeverdachte 1] rechtstreeks contact wil onderhouden met A-4133 zal de inzet van A-4110 worden beëindigd. Uit het contact tussen [medeverdachte 1] en A-4110 op 10 september 2018 blijkt
dat de [medeverdachte 1] in dit stadium enkel met tussenkomst van A-4110 opnieuw in contact wil treden met A-4133. Verzocht wordt om de overeenkomst te verlengen tot 1 januari 2019.[79]
Naar aanleiding van deze aanvraag is een bevel tot verlening van een overeenkomst stelselmatige inwinning van informatie met een burger verleend met betrekking tot verdachte [medeverdachte 1] en de NN-betrokkene(n) voor een periode van ten hoogste drie maanden, welke periode aanvangt op 4 oktober 2018 tot en met 1 januari 2019.[80] Van deze verlenging is een overeenkomst opgesteld, inhoudende dat de overeenkomst van 4 juli 2018 wordt verlengd van 4 oktober 2018 tot en met 1 januari 2019.[81]
Op 21 december 2018 wordt de tweede verlenging aangevraagd. Reden daarvoor is dat in de laatste week van januari of eerste week februari 2019 naar verwachting de volgende ontmoeting tussen [medeverdachte 1] en A-4133 zal plaatsvinden. Het ligt voor de hand dat [medeverdachte 1] voor en tijdens deze inzet met A-4110 verschillende contactmomenten zal hebben. Ook is de verwachting dat A-4110 en [medeverdachte 1] nog contact hebben over de kwaliteit of gewicht van de in december door A-4133 aangekochte drugs. Het voornemen is ook om de "baas" van A-4133 in januari 2019 bij [medeverdachte 1] te introduceren. Het ziet er naar uit dat A-4110 ook hierin een rol heeft, want [medeverdachte 1] wil vooralsnog niet rechtstreeks met A-4133 contact onderhouden.
Doel van de stelselmatige inwinning door A-4110 is informatie te achterhalen over de strafbare feiten waarvan [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 5] worden verdacht en zo inzicht te krijgen in de manier waarop zij deze feiten plegen en daarnaast mogelijk zicht te krijgen op de persoon of personen waarmee de verdachten dit misdrijf/deze misdrijven al dan niet in georganiseerd verband beramen en/of plegen.
Nu de introductie van een (buitenlandse) opsporingsambtenaar aanstaande lijkt te zijn, waarbij het onderzoeksteam zicht hoopt te krijgen op de leiders van het vermeend georganiseerd crimineel verband, lijkt de bijstand van de criminele burger aldus het proces-verbaal onvermijdelijk. Vooralsnog blijkt dat [medeverdachte 1] enkel met tussenkomst van A-4110 in contact wil treden met A-4133. Verzocht wordt om het bevel te verlengen van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019.[82] Naar aanleiding van deze aanvraag is een bevel tot wijziging en verlenging van een overeenkomst stelselmatige inwinning van informatie met een burger verleend met betrekking tot verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] en de NN-betrokkene(n) voor een periode van ten hoogste drie maanden, welke periode aanvangt op 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2019.[83] Van deze wijziging en verlenging is een overeenkomst opgesteld, inhoudende dat de overeenkomst van 4 juli 2018 voor de tweede keer wordt verlengd voor de duur van 1 januari 2019 tot en met 1 april 2019 en wordt aangevuld in die zin dat de stelselmatige inwinning van informatie door de burger ook ziet op verdachte [medeverdachte 3] .[84]
Inzet criminele burgerinfiltrant
Op 27 februari 2019 werd in een proces-verbaal aan de officier van justitie verzocht om een overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie af te sluiten met A-4110, contra de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] , voor de periode van 1 maart 2019 tot en met 3l mei 2019. In de aanvraag tot het aangaan van een overeenkomst wordt het volgende vermeld. Naar aanleiding van de contacten tussen A-4110 en [medeverdachte 1] en diens wens om in contact te komen met een buitenlandse afnemer van verdovende middelen, is door officier van justitie met A-4110 een overeenkomst burgerpseudokoop/burgerpseudodienstverlening aangegaan. A-4110 heeft de opdracht gekregen, A-4133, te introduceren en deze te faciliteren in zijn contacten met [medeverdachte 1] . Ook is een bevel stelselmatige informatie-inwinning gegeven.
De eerste, door de WOD geregisseerde, ontmoeting tussen A-4110 en [medeverdachte 1] vond plaats op 24 mei 2018. A-4110 heeft op 05 juli 2018 A-4133 bij [medeverdachte 1] geïntroduceerd. Na deze kennismaking vonden in de periode van 30 augustus 2018 tot en met 22 februari 2019 in totaal vijf pseudokoopacties plaats. Vier daarvan hebben geleid tot een aankoop. Dat wil zeggen dat [medeverdachte 1] , al dan niet via A-4110, harddrugs heeft geleverd aan A-4133.
Samengevat heeft de inzet van A-4110 en A-4133 tot dusver als resultaat dat: - naast [motorclub 1] [medeverdachte 1] ook [medeverdachte 4] (eveneens lid van de [motorclub 1]
[plaats] ), [medeverdachte 3] (vicepresident van de [motorclub 2] ) als [medeverdachte 5] als verdachte zijn aangemerkt. De verdenkingen zijn onder meer gebaseerd op gesprekken waaruit kan blijken dat [medeverdachte 4] leverancier van cocaïne is, blijkt [medeverdachte 1] rondom de pseudokopen af te stemmen met [medeverdachte 3] en is er een dactyloscopisch spoor van [medeverdachte 5] aangetroffen op één van de bakjes waarin door [medeverdachte 1] speed (amfetamine) is geleverd; - is gebleken dat [medeverdachte 1] wel vaker en ook grotere partijen harddrugs wil leveren aan
getuige A-4133; - [medeverdachte 1] inmiddels bereid is 'de baas' van getuige A-4133 te ontmoeten (de te
introduceren aangewezen (buitenlandse) opsporingsambtenaar A-2369), deze ontmoeting
zal waarschijnlijk in maart 2019 plaatsvinden;
er onder meer rondom de pseudokopen contacten zijn vastgesteld tussen [medeverdachte 1] en
(kader-)leden van de [motorclub 2] , in het bijzonder met
vicepresident [medeverdachte 3] .
Na vier geslaagde pseudokopen is nog niet de gehele doelstelling van de inzet van A-4110 en A-4133 bereikt. Hoewel er dankzij de pseudokopen en de bemiddelende rol van
A-4110 sprake is van een vertrouwensbasis tussen [medeverdachte 1] en A-4133, wil [medeverdachte 1] nog geen rechtstreeks contact met A-4133 zonder tussenkomst van A-4110. Ook blijkt dat er nog onvoldoende basis was om de politiële infiltrant A-2369 te introduceren. Daarvoor is het noodzakelijk dat A-4110 en A-4133 nog langer contact onderhouden met [medeverdachte 1] . Daarnaast is zicht gekregen op internationale handel in verdovende middelen van verdachte [medeverdachte 2] , al dan niet in samenwerking met anderen waaronder leden van de [motorclub 2] . Hiervoor is A-4110 benaderd door [medeverdachte 2] , die contacten heeft met onder meer verdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] en andere personen uit de groep van personen. Gezien de duur van de stelselmatige informatie-inwinning, het aantal pseudokopen, de verklaring van A-4110 over [medeverdachte 2] en diens samenwerking met [motorclub 2] en de komende introductie van de politiële infiltrant A-2369 die zal gaan deelnemen aan de groep van personen die misdrijven pleegt of beraamt, vordert het onderzoek dringend dat wordt overgegaan tot (criminele) burgerinfiltratie van getuigen A-4110 en A-4133.
De door A-4110 te verlenen bijstand aan de opsporing bestaat uit het deelnemen aan en of
medewerking verlenen aan een groep van personen bestaande uit onder meer de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] (leden van [motorclub 1] [plaats] ), [medeverdachte 3] , vicepresident van de [motorclub 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] .
A-4110 zal bemiddelen in de contacten tussen [medeverdachte 1] en getuige A-4133, zodat deze laatste (nogmaals) partijen harddrugs van [medeverdachte 1] zal kunnen afnemen, om verder vertrouwen te wekken en vervolgens politiële infiltrant A-2369 bij [medeverdachte 1] en de groep te kunnen introduceren. Ook zal A-4110 contact onderhouden met [medeverdachte 2] en mogelijk een politiële infiltrant bij [medeverdachte 2] en de groep introduceren.[85]
Op 28 februari 2019 werd door de officier van justitie een overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie afgesloten met A-4110, contra de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] ,
[medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] , en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] Northcoast, voor de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 mei 2019. Burger zal bemiddelen in de contacten tussen [medeverdachte 1] en burger A-4133, zodat burger 4133 (nogmaals) partijen harddrugs van [medeverdachte 1] zal kunnen afnemen om verder vertrouwen te wekken en vervolgens de politiële infiltrant A-2369 bij [medeverdachte 1] en de groep te kunnen introduceren. Ook zal burger contact onderhouden met [medeverdachte 2] en mogelijk een politiële infiltrant bij [medeverdachte 2] en de groep introduceren. Verder is er een onkosten - en uurvergoeding als bedoeld in artikel 1 onder h van de Circulaire bijzondere opsporingsgelden overeengekomen ter hoogte van € 50, - per uur bij de inzet.[86]
Aanvraag eerste verlenging overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie A-4110
Op 28 mei 2019 werd aan de officier van justitie verzocht om de eerste verlenging van de afgesloten overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie met A-4110, contra de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 5] , en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] , voor de periode van 1 juni 2019 tot en met 31 augustus 2019. In het proces-verbaal van de aanvraag wordt het volgende vermeld.
Nadat er een overeenkomst tot infiltratie is gesloten met A-4110, is meer informatie achterhaald over strafbare feiten. Zo heeft in aanwezigheid van A-4133 en met medewerking van A-4110 de introductie van A-2369 bij [medeverdachte 1] plaatsgevonden, al wilde [medeverdachte 1] zijn 'baas' nog niet meenemen naar dit overleg. Tevens heeft op 01 april 2019 een pseudokoop plaatsgevonden van circa 13 kilogram speed, 1 kilogram MDMA, geleverd door [medeverdachte 1] aan A-4133 met bemiddeling van A-4110. Hierbij heeft [medeverdachte 1] een proefsetje XTC pillen geleverd. [medeverdachte 1] heeft direct na de bestelling van deze verdovende middelen er al op aangedrongen dat A-4110 bij de levering aanwezig moest zijn, door omstandigheden zijn de verdovende middelen in de woning van A-4110 bewaard en door [medeverdachte 1] en A-4110 samen verpakt. Bij deze pseudokoop is aan [medeverdachte 1] een Engelse telefoon geleverd, mede met als doel om de rol van A-4110 te verkleinen. Uit het feit dat [medeverdachte 1] in eerste instantie deze telefoon in bewaring wilde geven bij A-4110, blijkt dat [medeverdachte 1] belang hecht aan diens betrokkenheid. Middels de app [app] vindt directere communicatie plaats tussen A-4133/A-2369 en [medeverdachte 1] .
Uit de bezoeken van [medeverdachte 2] aan A-4110 en de openheid die hij betracht in de gesprekken met A-4110 blijkt dat hij A-4110 vertrouwt. Zo wordt A-4110 ingezet als chauffeur van [medeverdachte 2] om geld op te halen bij [motorclub 2] en verdachte [medeverdachte 3] , wat naar een adres in [plaats] gebracht is. Mogelijk houdt dit geld verband met het transport van 180 kilogram speed naar Finland dat georganiseerd is in samenwerking met de [motorclub 2] [plaats] . Diverse andere ontmoetingen geven zicht op de wens van [medeverdachte 2] om een transportlijn op te zetten naar Noorwegen, waar volgens de verklaringen van A-4110 de [motorclub 2] ook bij betrokken zijn. Tevens is zicht verkregen op een
leverancier van PGP toestellen, waar ook [medeverdachte 3] mogelijk contact mee heeft, en blijkt dat verdachte [medeverdachte 4] ( [motorclub 1] ) niet alleen contact heeft met verdachte [medeverdachte 1] ( [motorclub 1] ) maar ook zaken doet met verdachte [medeverdachte 2] . Daarnaast heeft [medeverdachte 2] gesproken met A-4110 over onder meer de import van cocaïne via [plaats] , de import en export van medicijnen, het produceren van speed en is A-4110 in contact gekomen met 'de chemicus' [naam] .
Meermaals heeft [medeverdachte 1] de bereidheid getoond om in de toekomst grotere hoeveelheden verdovende middelen te leveren aan A-4133 danwel A-2369, waarbij gesproken is over bijvoorbeeld 50 kilogram speed en partijen vanaf 10.000 stuks XTC pillen. Om het vertrouwen tussen [medeverdachte 1] en A-4133 te behouden en vergroten, ligt het in de lijn der verwachting dat juni 2019 een volgende pseudokoop zal plaatsvinden. Hierin zal A-4110 een faciliterende en bemiddelende rol in spelen. Gezien de uitspraak van [medeverdachte 1] dat ze eerst nog een aantal maal 10 kilogram zullen verkopen voordat ze naar grotere partijen gaan, past dit ook in zijn beeld. Bij deze pseudokoop zal de communicatie zoveel als mogelijk plaatsvinden met A-4133 via [app] , ook om de rol van
A-4110 af te bouwen. Deze pseudokoop is er op gericht om in de toekomst een grotere pseudokoop mogelijk te maken waarbij het de verwachting is dat de rol van de [motorclub 2] [plaats] nadrukkelijker in beeld zal komen. Het is de verwachting dat ook de komende maanden [medeverdachte 2] contact zal zoeken met A-4110 om naast sociale gesprekken, te spreken over strafbare feiten. Dit kan onder meer gaan over het transport naar Finland, dat kennelijk in samenwerking met de [motorclub 2] heeft plaatsgevonden, het transporteren van geld vanaf [medeverdachte 3] naar [medeverdachte 6] en de transportlijn van speed naar Noorwegen die kennelijk ook in samenwerking met de [motorclub 2] opgezet kan worden.
De door A-4110 te verlenen bijstand aan de opsporing bestaat uit het deelnemen aan en of
medewerking verlenen aan een groep van personen bestaande uit onder meer de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] (leden van [motorclub 1] [plaats] ), [medeverdachte 3] , vicepresident van de [motorclub 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 5] en mogelijk andere leden van de Hells [motorclub 2] . A-4110 zal bemiddelen in de contacten tussen [medeverdachte 1] en A-4133, zodat deze laatste (nogmaals) partijen harddrugs van [medeverdachte 1] zal kunnen afnemen, om verder vertrouwen te wekken. Ook zal A-4110 contact onderhouden met [medeverdachte 2] en mogelijk een buitenlandse opsporingsambtenaar bij [medeverdachte 2] introduceren.[87]
Eerste verlenging overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie A-4110
Op 29 mei 2019 werd door de officier van justitie, de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie afgesloten met A-4110, contra de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 5] , en mogelijk andere leden van de Hells [motorclub 2] , voor de eerste keer verlengd, voor de periode van 1 juni 2019 tot en met 31 augustus 2019. Daarnaast is de overeenkomst gewijzigd, inhoudende dat de burger met ingang van 1 juni 2019 recht heeft op een onkosten - en uurvergoeding ter hoogte van € 70,-.[88]
Aanvraag tweede verlenging overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie A4110
Op donderdag 29 augustus 2019 werd aan de officier van justitie werd verzocht om de tweede verlenging van de afgesloten overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie met
A-4110, contra de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [naam] , [medeverdachte 6] en [naam] , en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] , voor de periode van 1 september 2019 tot en met 30 november 2019. In het proces-verbaal van de aanvraag wordt het volgende vermeld.
Nadat er een overeenkomst tot infiltratie is gesloten met A-4110, is meer informatie achterhaald over strafbare feiten. Zo heeft [medeverdachte 1] twee maal contact gezocht met A-4110 en tijdens het gesprek met A-4110 geïnformeerd naar A-4133 en A-2369. Daarnaast komt [medeverdachte 2] meerdere malen per week langs bij A-4110 en vertelt hem over diverse beraamde en gepleegde misdrijven, waarbij meerdere personen betrokken lijken te zijn. Ook neemt [medeverdachte 2] A-4110 mee naar [medeverdachte 3] om handelingen te verrichten en is A-4110 aanwezig in de woning van [medeverdachte 3] en bij gesprekken met [medeverdachte 6] . Hierdoor is zicht op geldtransporten tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] , op PGP resellers en PGP gebruik van personen, op producenten van speed waaronder [naam] de chemicus, op productieprocessen en - prijzen, op gepleegde en beraamde transporten van speed naar Finland, op het organiseren van een transportlijn van verdovende middelen naar Australië, op een transport van speed naar Noorwegen dat niet doorgaat omdat de [motorclub 2] dat niet zouden toestaan en geen concurrentie willen, op bewaarplekken van geld van onder meer verdachte [medeverdachte 2] en [verdachte] , op de rol van [naam] die mogelijk speed heeft aangepakt in Finland, op zeggenschap van de [motorclub 2] op de president van de [motorclub 1] en op diverse (andere) strafbare feiten. Naast de [motorclub 2] en [motorclub 1] in (Noord-)Nederland, komen [motorclub 2] uit Finland en Australië in beeld. De ontmoetingen tussen A-4110 en [medeverdachte 2] en het feit dat A-4110 in de woning is geweest bij [medeverdachte 3] en deelneemt aan gesprekken met [medeverdachte 6] , geven blijk van de vertrouwenspositie die A-4110 heeft.
Meermaals heeft [medeverdachte 1] de bereidheid getoond om in de toekomst grotere hoeveelheden verdovende middelen te leveren aan A-4133 danwel A-2369, waarbij gesproken is over bijvoorbeeld 50 kilogram speed en partijen vanaf 10.000 stuks XTC pillen. Na terugkomst in Nederland van A-4110, heeft [medeverdachte 1] hem opgezocht om te praten over de handel. Naar aanleiding hiervan zal er, bijvoorbeeld via [app] , contact plaatsvinden tussen A-4133 danwel A-2369 en [medeverdachte 1] . Ook vindt er mogelijk een nieuwe pseudokoop plaats die meer zicht kan geven op de groep van personen die hier bij betrokken zijn. Daarnaast is het de verwachting dat [medeverdachte 2] A-4110 blijft opzoeken, met hem praat over onder meer strafbare feiten, hem meeneemt of vraagt te brengen naar andere verdachten en uitnodigt deel te nemen aan gesprekken tussen verdachten. Onder meer kunnen deze gesprekken gaan over een transport van verdovende middelen naar Finland en/of de te organiseren transportlijn van harddrugs naar Australië.
De door A-4110 te verlenen bijstand aan de opsporing bestaat uit het deelnemen aan en of
medewerking verlenen aan een groep van personen bestaande uit onder meer de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] (leden van [motorclub 1] [plaats] ), [medeverdachte 3] , vicepresident van de [motorclub 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [naam] , [naam] , [medeverdachte 6] en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] . A-4110 zal indien nodig bemiddelen in de contacten tussen [medeverdachte 1] , A-4133, en/of A-2369 zodat deze laatste (nogmaals) partijen harddrugs van [medeverdachte 1] zal kunnen afnemen, om verder vertrouwen te wekken.[89]
Tweede verlenging overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie A-4110
Op 29 augustus 2019 werd door de officier van justitie, de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie afgesloten met A-4110, de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [naam] , [medeverdachte 6] en [naam] , voornoemd, en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] , voor de tweede keer verlengd voor de periode van 31 augustus 2019 tot en met 30 november 2019. De groep van personen waaraan wordt deelgenomen en/of medewerking wordt verleend, wordt uitgebreid met de verdachten [naam] , [medeverdachte 6] en [naam] .[90]
Aanvraag derde verlenging overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie A-4110
Op 22 november 2019 werd verzocht om de derde verlenging van de afgesloten overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie met A-4110, contra de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [naam] , [medeverdachte 6] , [naam] en [medeverdachte 7] , en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] , voor de periode van 1 december 2019 tot en met 29 februari 2020. In het proces-verbaal van de aanvraag wordt het volgende vermeld.
Nadat er een overeenkomst tot infiltratie is gesloten met A-4110, is informatie achterhaald over strafbare feiten waarvan onder meer [motorclub 1] [medeverdachte 1] , [motorclub 1] [medeverdachte 4] , [motorclub 2] [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 5] , [naam] , [naam] , 'transporteur' [medeverdachte 6] en inmiddels [medeverdachte 7] worden verdacht. Zo zoekt [medeverdachte 1] wederom afstemming met A-4110 in het kader van de export van speed naar Ierland, geeft aan transport te kunnen regelen en vraagt naar de zaken tussen A-4110 en [medeverdachte 2] . Daarnaast zijn er geregeld ontmoetingen tussen [medeverdachte 2] en A-4110 waarbij [medeverdachte 2] vertelt over diverse beraamde en gepleegde misdrijven, waarbij meerdere personen betrokken lijken te zijn. Ook reizen [medeverdachte 2] en A-4110 naar Thailand voor twee ontmoetingen met A-2395 in verband met het opzetten van een transportlijn van verdovende middelen naar Australië. In datzelfde kader vinden ontmoetingen plaats met onder meer [medeverdachte 3] , [medeverdachte 6] en [verdachte] . Ook vinden er ontmoetingen plaats met hen over de transportlijn van speed naar Finland. Daarnaast is zicht gekregen op diverse geldstromen. Zo is het mogelijk dat [medeverdachte 3] op 19 oktober 2019 bij een feest in België geld heeft verkregen en is A-4110 aanwezig bijeen betaling van
€ 35.000, - van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 6] . Tevens is er zicht gekregen op afgeschermde communicatie tussen verdachten, onder meer doordat [medeverdachte 2] meerdere malen het Encro toestel van A-4110 gebruikt. Naast de [motorclub 2] en [motorclub 1] in (Noord-)Nederland, komen [motorclub 2] uit Finland en Australië in beeld. De ontmoetingen tussen A-4110 en [medeverdachte 2] en het feit dat A-4110 in de woning is geweest bij [medeverdachte 3] en deelneemt aan gesprekken met [medeverdachte 6] , geven blijk van de vertrouwenspositie die A-4110 inneemt. Meermaals heeft [medeverdachte 1] de bereidheid getoond om in de toekomst grotere hoeveelheden verdovende middelen te leveren aan A-4133 danwel A-2369, waarbij gesproken is over bijvoorbeeld 50 kilogram speed en partijen vanaf 10.000 stuks XTC pillen. In oktober 2019 komt [medeverdachte 1]
weer langs bij A-4110 en geeft aan dat hij over transport kan beschikken. Het ligt in de lijn der verwachting dat ook in de komende maanden er contact zal zijn met [medeverdachte 1] , mogelijk zal er sprake zijn van een ontmoeting en/of pseudokoop waarbij ook A-4133 en/of A-2369 betrokken wordt.
Daarnaast is het de verwachting dat [medeverdachte 2] A-4110 blijft opzoeken, met hem praat over onder meer strafbare feiten, hem meeneemt of vraagt te brengen naar andere verdachten en uitnodigt deel te nemen aan gesprekken tussen verdachten. Onder meer kunnen deze gesprekken gaan over een transport van verdovende middelen naar Finland en/of de te organiseren transportlijn van harddrugs naar Australië. Zo is het onderzoeksteam voornemens om, gezien de behoefte van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] om in contact te komen met [naam] , een ontmoeting tussen deze personen te arrangeren.
De door A-4110 te verlenen bijstand aan de opsporing bestaat uit het deelnemen aan en of
medewerking verlenen aan een groep van personen bestaande uit onder meer de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] (leden van [motorclub 1] [plaats] ), [medeverdachte 3] , vicepresident van de [motorclub 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [naam] , [naam] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] en personen waar zij mee samenwerken.
A-4110 zal indien nodig bemiddelen in de contacten tussen [medeverdachte 1] , A-4133, en/of
A-2369 zodat deze laatste (nogmaals) partijen harddrugs van [medeverdachte 1] zal kunnen afnemen, om verder vertrouwen te wekken. A-4110 zal daarnaast bemiddelen in contacten tussen verdachten en A-2395 en A-2400, die bevel hebben gekregen om te infiltreren in de groep van personen, in het kader van het organiseren van een drugstransport naar Australië.[91]
Derde verlenging overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie A-4110
Op woensdag 27 november 2019 werd door de officier van justitie de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie afgesloten met A-4110, contra de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [naam] , [medeverdachte 6] , [naam] en [medeverdachte 7] , voornoemd, en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] , voor de derde keer verlengd voor de periode van 1 december 2019 tot en met 29 februari 2020. De groep van personen waaraan wordt deelgenomen en/of medewerking wordt verleend, wordt uitgebreid met de verdachte [medeverdachte 7] .[92]
Aanvraag vierde verlenging overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie A-4110
Op 24 februari 2020 werd aan de officier van justitie verzocht om de vierde verlenging van de afgesloten overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie met A-4110, contra de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [naam] , [medeverdachte 6] , [naam] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [naam] en [naam] , en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] , voor de periode van 1 maart 2020 toten met 31 mei 2020. In het proces-verbaal van de aanvraag wordt het volgende vermeld.
Nadat er een overeenkomst tot infiltratie is gesloten met A-4110, is meer informatie achterhaald over strafbare feiten waarvan onder meer [motorclub 1] [medeverdachte 1] , [motorclub 1] [medeverdachte 4] , [motorclub 2] [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [verdachte] en [medeverdachte 5] , [naam] , [naam] , 'transporteur' [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en inmiddels [medeverdachte 8] , [naam] en [naam] worden verdacht. Zo zoekt [medeverdachte 1] wederom afstemming met A-4110 in het kader van de export van speed naar Ierland, geeft aan een 'aanpakker' in Belfast te zoeken en wordt een ontmoeting met A-2369 in [gemeente] georganiseerd. Voorafgaande aan deze ontmoeting vindt een ontmoeting plaats in de woning van [medeverdachte 3] in [plaats] .
Daarnaast zijn er geregeld ontmoetingen tussen [medeverdachte 2] en A-4110 waarbij [medeverdachte 2] vertelt over diverse beraamde en gepleegde misdrijven, waarbij meerdere personen betrokken lijken te zijn. Nu [medeverdachte 6] zich tijdelijk afzijdig lijkt te houden in het organiseren van nieuwe transporten en contacten moeizaam tot stand komen, is [medeverdachte 2] de mogelijkheden voor de inzet van A-2400 (' [naam] ') verder aan het verkennen. Meer concreet blijkt dat [medeverdachte 2] op korte termijn een gecombineerd transport van speed en hasj richting Denemarken, Finland en Noorwegen wil realiseren. Deze partij zou mogelijk afkomstig zijn van de verdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Begin februari wordt duidelijk dat A-4110 de 100 kilo speed namens [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] op korte termijn naar Finland zal transporteren. Dit via tussenkomst van zijn Duitse contact (A-2421). Hiertoe krijgt A-4110 op 12 februari 2020 concrete instructies van verdachte [medeverdachte 3] en wordt er onder andere gesproken over de verpakking van de drugs, een (aan)betaling van [medeverdachte 3] en een geprepareerde prepaid telefoon waarmee vóór de aflevering in Finland contact gezocht moet worden. Aan A-4110 wordt tevens gevraagd met een stashauto te rijden en wordt verteld dat er een voorrijder wordt ingezet. Ondanks alle verkennende voorbereidingen die afgelopen periode hebben plaatsgevonden om een drugstransport naar Australië op te zetten, lijkt de voortgang te stagneren. Wel zoekt [medeverdachte 3] een aantal keer contact met de Encro van A-4110, waarin hij informeert naar ' [medeverdachte 7] ' (verdachte [medeverdachte 7] ). De ontmoetingen tussen A-4110 en [medeverdachte 2] , de ontmoetingen tussen A-4110 en [medeverdachte 1] en het feit dat A-4110 deelneemt aan gesprekken met [medeverdachte 6] , geven blijk van de vertrouwenspositie die A-4110 heeft.
De door A-4110 te verlenen bijstand aan de opsporing bestaat uit het deelnemen aan en of
medewerking verlenen aan een groep van personen bestaande uit onder meer de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] (leden van [motorclub 1] [plaats] ), [medeverdachte 3] , vicepresident van de [motorclub 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [naam] , [naam] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [naam] en [naam] en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] en personen waar zij mee samenwerken, zoals onder andere [medeverdachte 9] .
De verdenking bestaat dat de verdachten deel uitmaken van een groep van personen die zich
bezighoudt met het beramen of plegen van misdrijven te weten de invoer en/of verwerking en/of uitvoer en/of handel in harddrugs zoals speed (amfetamine) en/of cocaïne dan wel de voorbereiding van die strafbare feiten.
A-4110 zal indien nodig bemiddelen in de contacten tussen [medeverdachte 1] , A-4133, en/of A-2369 zodat deze laatste (nogmaals) partijen harddrugs van [medeverdachte 1] zal kunnen afnemen, om verder vertrouwen te wekken. A-4110 zal daarnaast bemiddelen in contacten tussen verdachten en A-2395, A-2400 en/of A-2421, die bevel hebben gekregen om te infiltreren in de groep van personen, in het kader van het organiseren van een drugstransport naar Australië, Finland en/of elders in Europa.[93]
Vierde verlenging overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie A-4110
Op woensdag 26 februari 2020 werd door de officier van justitie, naar aanleiding van voornoemd proces-verbaal, de overeenkomst tot criminele burgerinfiltratie afgesloten met A-4110, contra de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 5] , [naam] , [medeverdachte 6] , [naam] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [naam] en [naam] , voornoemd, en mogelijk andere leden van de [motorclub 2] , voor de vierde keer verlengd voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. De groep van personen waaraan wordt deelgenomen en/of medewerking wordt verleend, wordt uitgebreid met de verdachten [medeverdachte 8] , [naam] , [naam] en een NN-man met baard die geïntroduceerd is als: 'de vervanger van [verdachte] ', waarvan uit onderzoek is
gebleken dat het mogelijk [medeverdachte 9] betreft.[94]
Conclusie van het hof over de feitelijke inzet van A-4110 als burgerpseudokoper/-dienstverlener, burgerinformant en burgerinfiltrant
Het hof stelt voorop dat niet is gebleken, noch aspecten uit het dossier naar voren zijn gekomen, die aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat de gedragingen van A-4110 in de fase van pseudokoop en stelselmatige informatie-inwinning, feitelijk neerkwamen op infiltratie door een criminele burgerinfiltrant. Het hof stelt, op grond van het hierboven verhandelde, vast dat aan de inzet van A-4110 als pseudokoper-/dienstverlener, stelselmatig informatie-inwinner en later ook als infiltrant telkens gemotiveerde aanvragen ten grondslag liggen. Deze processen-verbaal van aanvraag omvatten telkens een concrete beschrijving van de tot dan vastgestelde onderzoeksresultaten. Die onderzoeksresultaten zijn als onderdeel gevoegd in het politiedossier. In deze aanvragen wordt de wettelijke grondslag beschreven en concreet en feitelijk beschreven wat de inzet van A-4110 inhoudt. Er wordt omschreven wat het doel is van de inzet, op welke wijze hij wordt ingezet en welke opdrachten hij krijgt.
Van de gedragingen en waarnemingen van A-4110 wordt telkens in een debriefing verslag gedaan. Door middel van bijvoorbeeld OVC wordt conversatie van A-4110 gedurende geplande inzetmomenten vastgelegd. In de loop van het onderzoek wordt ook OVC en camera-opname ingezet in de nabijheid van A-4110, onder meer in de auto en woning van A-4110. De rol van A-4110 is tot op de zogenoemde klapdag van 2 maart 2020 vooral bemiddelend, waarbij wel zichtbaar is dat door de organisatie op A-4110 met name in de eindfase een beroep wordt gedaan zelf drugs aan te pakken en te vervoeren. Zijn rol en inzet worden gedurende het onderzoek in de processen-verbaal van aanvraag en gesloten overeenkomsten evenwel niet groter gemaakt, in die zin dat hij niet belangrijker wordt binnen het criminele netwerk waar het onderzoek zich op richt.
Het Openbaar Ministerie heeft uitgelegd dat telkens is geprobeerd A-4110 uit het onderzoek te halen en hem te laten vervangen door politiële infiltranten, hetgeen niet lukte. Uit OVC gesprekken volgt ook dat A-4110 eigen betrokkenheid met drugshandel en vervoer meermalen afhoudt. Ook is door het Openbaar Ministerie aandacht gevraagd voor de in de loop van het onderzoek meer onveilig wordende situatie rondom A-4110, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot de zogenoemde klapdag waarmee een einde aan het onderzoek is gekomen. Het hof herkent de uitleg van de advocaten-generaal in de inhoud van het dossier, waaronder de OVC gesprekken.
De wijze van inzet, de keuzes daarin aan de hand van de bevindingen en het verloop in de inzet, zijn uit de inhoud van diverse stukken in het dossier, waaronder processen-verbaal van aanvraag, navolgbaar. Het hof stelt vast dat de inzet van A-4110 op transparante wijze is gecontroleerd. Het dossier omvat een nauwkeurige verslaglegging die inzicht geeft in concreet verloop van inzet van A-4110 en overigens ook van de uitvoering van andere opsporingsmethoden. Het maakt de inzet op een juiste wijze toetsbaar voor het hof hetgeen bijdraagt aan de integriteit van de opsporing. Het hof is aldus in staat de rechtmatigheid van WOD-traject te beoordelen. Conclusie van het hof is dat de wijze waarop A-4110 is ingezet overeenkomt met de inhoud van het dossier, waaronder de verschillende processen-verbaal van de aanvragen en OVC en dat de gedragingen die A-4110 verricht de hem gegeven opdrachten niet overstijgen. De inzet van A-4110 wordt op grond van het bovenstaande rechtmatig geacht.
C - De betrouwbaarheid van A-4110
__Standpunt van de verdediging__
Door de verdediging is aangevoerd dat de verklaringen van A-4110 niet betrouwbaar zijn. Onder andere is aangevoerd dat A-4110 vanwege de problemen die in hoger beroep zijn vastgesteld met betrekking tot zijn psychische gesteldheid niet betrouwbaar is. Ook de slechthorendheid van A-4110 en dat hij vervolgens zelf invulling geeft aan wat hij wel of niet heeft gehoord, maakt dat zijn verklaringen niet betrouwbaar zijn. Daarnaast is het onduidelijk in hoeverre het eigen (financiële) belang van A-4110 van invloed is op zijn gedragingen en verklaringen zodat ook om die reden A-4110 niet betrouwbaar is. Ook is aangevoerd dat A-4110 drugs heeft gebruik tijdens zijn inzet en daarbij is de vraag opgeworpen waarom dat niet in het procesdossier is vermeld.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat A-4110 betrouwbaar is. Tijdens zijn inzet was A-4110 goed in staat om relevante informatie te reproduceren. Er zijn geen indicaties voor mentaal disfunctioneren in die tijd. Zijn inzet kan aan de hand van onafhankelijk bewijsmateriaal, zoals OVC-opnamen, worden getoetst. De betrouwbaarheid van A-4110 kan en moet aan het gehele dossier worden getoetst. Dit leidt tot een positief betrouwbaarheidsoordeel.
Vaststelling van het hof
De advocaten-generaal hebben bij e-mail van 21 augustus 2023 aan het hof verzocht een gedragsdeskundige te benoemen om nader onderzoek te doen naar de getuige A-4110.In de mail wordt vermeld dat zij recentelijk van de officier van justitie Burgeroperaties bericht hebben ontvangen dat bij getuige A-4110 zich een beginnende vasculaire dementie aan het manifesteren is. De diagnose is gesteld door een arts in het land waar A-4110 verblijft en is daarom niet te delen met de proces-deelnemers omdat daaruit is af te leiden in welke land A-4110 verblijft. Naar aanleiding van dit bericht hebben de advocaten-generaal de volgende vragen opgeworpen:
De advocaten-generaal hebben verzocht om een neuropsycholoog als getuige-deskundige te benoemen teneinde de vragen te beantwoorden.[95] Dit verzoek is door de raadsheer-commissaris toegewezen op 15 september 2023. Op 22 oktober 2023 heeft prof. dr. R.W.H.M. Ponds, klinisch neuropsycholoog, gerapporteerd. Uit dat rapport blijkt onder meer het volgende:
"Interview begeleidende medewerkers politie**Er zijn twee begeleidende politiemedewerkers aanwezig die informatie kunnen geven over het beloop van mogelijke cognitieve problemen. Een van de medewerkers kent onderzochte al sinds 2016 (start operatie), de tweede medewerker kent onderzochte ongeveer 2 jaar. (…) Meest opvallende verandering bij onderzochte was het horen van geluiden (bv. kloppen op de deur) en stemmen die er niet waren, waar hij soms heftig op kon reageren (bv. naar een bovenbuurman die hij geagiteerd aansprak en beschuldigde). Dit begon in 2017/2018 en deze later als 'waanbeelden' getypeerde verschijnselen namen in ernst toe. Sinds ongeveer een half jaar gebruikt hij medicatie, (antipsychotica, slaapmedicatie) en inmiddels zijn deze waanbeelden nagenoeg afwezig. Ook slaapt hij nu goed, wat lange tijd een probleem was. Onderzochte hoort al lange tijd slecht, ook spreekt hij onduidelijk, binnensmonds. (…) Volgens beide agenten is het geheugen normaal. (…) Onderzochte geeft aan geen geheugenproblemen te hebben. (…) Hij is erg opgelucht dat hij geen waanbeelden meer heeft. Hij had hier veel last van, vooral van de stemmen die altijd dreigend waren. Deze kwamen het meest voor in de nacht, vooral einde van de nacht. Hij heeft zich altijd wel achteraf gerealiseerd dat de dreigingen (bv. 'we komen je zo halen') niet echt waren. (…)
Observaties bij het neuropsychologisch onderzoek (interview en testafname):
*(bij het gesprek) (…) Hij is zeer slechthorend en luid en extra articulerend spreken is nodig. Opmerkelijk is dat hij vrijwel niet aangeeft als hij iets niet heeft verstaan. Motoriek is vertraagd. (…)*
Conclusies neuropsychologisch onderzoek
*Onderzochte ervaart geen cognitieve klachten of problemen. Over zijn geheugen benoemt hij enkel het wat vaker kwijt zijn van spullen en dat het hem helpt als hij enige cues of aanwijzingen krijgt. Zelf geeft hij aan nog veel vertrouwen te hebben in zijn herinneringen over zijn actieve periode als infiltrant. Zijn enige klachten betreffen de motorische beperkingen als gevolg van GBS en (tot voor 6 maanden) het horen van geluiden en stemmen (bedreigend). Dat laatste is nagenoeg geheel verdwenen sinds hij hiervoor medicatie heeft gekregen. (…) Het testonderzoek is valide, waarbij de inzet van onderzochte voldoende is voor een betrouwbare duiding van de testbevindingen. Het zeer slechte gehoor van onderzochte hebben de testprestaties, zeker bij de verbale geheugentaken, wel gedrukt. Opvallend is dat onderzochte nauwelijks of te laat aangeeft dat hij instructies en verbaal aangeboden testitems niet goed verstaat en/of er een eigen betekenis aan geeft.*
Beantwoording specifiek vragen
*1. Is er inderdaad sprake van een beginnende vasculaire dementie? Zo nee, is er sprake van een andere stoornis of ziekte die van invloed is of kan zijn op de geheugenfunctie van de getuige?*
*Deze vraag laat zich lastig beantwoorden door de beperkte informatie waarover we nu beschikken. Voor een diagnose dementie is naast beeldvorming (hersenen) en een neuropsychologisch onderzoek, ook een klinisch neurologisch onderzoek nodig en informatie over het dagelijks functioneren.Met betrekking tot dit laatste is het de belangrijkste vraag of en in hoeverre er ook sprake is van interferentie, ofwel is onderzochte niet in staat bepaalde dagelijkse taken en verantwoordelijkheden uit te voeren als gevolg van cognitief disfunctioneren. Dit is een cruciaal criterium voor de diagnose dementie. En ondanks navraag van mijn kant blijft het onduidelijk of er inderdaad sprake is van interferentie. Zelf geeft onderzochte aan alles nog te doen en te kunnen en ook de politiemedewerkers geven aan in dat opzicht weinig beperkingen te zien. Het gegeven dat hij de nodige praktisch hulp heeft ingeschakeld wil niet zeggen dat er ook sprake is van interferentie of noodzaak (het niet zonder hulp kunnen functioneren).*
*Ik kon verder beschikken over een Engelstalige schriftelijke verslaglegging van een MRI uitgevoerd in juni dit jaar. Ik heb dit ter beoordeling voorgelegd aan een neuroloog van het Alzheimercentrum in [gemeente] , gespecialiseerd in o.a. imaging bij dementie. Hij maakt uit de beschrijving op dat er inderdaad sprake is van vasculaire schade (witte stofafwijkingen, oudere kleine infarctjes). De infarctjes liggen niet in strategische gebieden die gelinkt zijn aan cognitief functioneren en de hoeveelheid schade is ook niet in die mate die je bij vasculaire dementie verwacht. Mocht er echter in het klinisch beeld duidelijk sprake zijn van cognitieve stoornissen en interferentie, dan zou een diagnose vasculaire dementie kunnen passen. Is dit niet het geval dan kan er eerder gesproken worden van een zgn. Mild Cognitieve Impairment (MCI) op basis van aannemelijk vasculaire schade. In de literatuur wordt hier vaak de term Vasculair Cognitief Impairment (VCI) gehanteerd. Zowel MCI als VCI kunnen voorstadia zijn van een latere dementie.*
*Bij vasculaire dementie en VCI staan vooral aandachtsproblemen en mentale traagheid op de voorgrond, geheugenproblemen zijn minder prominent en kenmerken zich vooral door een matige actieve inprenting, waarbij er echter wel sprake is van voldoende consolidatie zoals blijkt goede herkenning van de eerder geleerde informatie. Dit laatste is een cruciaal onderscheid met de dementie als gevolg van de ziekte van Alzheimer, waar juist de consolidatie ook gestoord is. Dit alles overwegende, is de diagnose vasculaire dementie nu niet te stellen, maar past het toestandsbeeld, de MRI en de bevindingen van het neuropsychologisch onderzoek het best bij VCI waarbij er, naast mentale traagheid, sprake is van geheugenzwakte maar geen geheugenstoornis."*
Verder blijkt uit het rapport dat er weliswaar sprake is van cognitieve kwetsbaarheid bij het neuropsychologisch onderzoek, maar niet van cognitieve stoornissen die een verhoor bij de raadsheer-commissaris zondermeer onbetrouwbaar zouden maken. Bij een verhoor moet nadrukkelijk rekening worden gehouden met de slechthorendheid. *"Omdat betrokkene vaak wel non-verbaal adequaat reageert in het contact (oogcontact, knikken, bevestigen) ontstaat de indruk dat hij het nodige wel hoort en begrijpt. Maar dat is zeker niet het geval. Dit wordt nog eens versterkt door het feit dat onderzochte maar heel beperkt actief aangeeft iets niet helemaal te hebben begrepen of te hebben verstaan en vervolgens datgene doet of vertelt wat hij meent gehoord of begrepen te hebben. Dit kan tot misverstanden leiden en mogelijk zelfs de indruk wekken dat hij 'verward' overkomt door zijn niet passende antwoorden. Bij verhoor is het belangrijk bij onderzochte nadrukkelijk te verifiëren of hij de gestelde vragen voldoende heeft verstaan en begrepen, bijvoorbeeld door consequent de gestelde vragen door hem te laten herhalen."*Op de vraag of deze beginnende aandoening (of een andere aandoening) aanwezig was tijdens de inzet van de getuige in het onderzoek Vidar of toen de getuige werd gehoord in eerste aanleg bij de rechter-commissaris heeft prof. dr. Ponds geantwoord: *"Deze vraag is op basis van de huidige informatie niet goed te beantwoorden. De enige informatie waarover we nu beschikken is hetgeen de politiemedewerker die hem al kent sinds 2016 hierover meldt. Hij ziet geen veranderingen in (cognitief) functioneren tussen nu en 2016 en beoordeelt onderzochte als iemand die nu nog even 'scherp' is als in 2016. Hij heeft wel een tijdlang minder goed gefunctioneerd (met de eerste tekenen in 2017/2018) door het slechte slapen en het horen van stemmen, maar dit is met medicatie verholpen."*<footnoteReference id="_bf7a5d22-ef22-4945-8317-be7f03dba398">[96]</footnoteReference>
De raadsheer-commissaris heeft het rapport van prof. dr. Ponds gedeeld met de verdediging met de uitnodiging om desgewenst vragen aan prof. dr. Ponds te stellen.[97] Het hof stelt vast dat van die mogelijkheid geen gebruik is gemaakt. De advocaten-generaal hebben naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting bij het hof, op verzoek van het hof, een aanvullend proces-verbaal laten opmaken.[98] Uit dat proces-verbaal volgt dat de officier van justitie in mei 2018 niet bekend was met de mentale problemen van A-4110 en dat hij in augustus 2023 door de advocaat-generaal is geïnformeerd dat sprake zou zijn van beginnende vasculaire dementie.
Met betrekking tot het door de verdediging genoemde cocaïne gebruik is gerelateerd dat A-4110 op 13 mei 2019 cocaïne heeft gebruikt. Dit gebruik heeft plaatsgevonden na een spontaan bezoek van [medeverdachte 2] bij A-4110. Deze informatie is aldus de officier van justitie wel degelijk onderdeel van het dossier, hierover wordt gerelateerd in het procesdossier in proces-verbaal van verhoor van A-4110, AHW-055-01 p. 9610 (map 26). Voorts heeft de officier van justitie gerelateerd dat destijds met de begeleiders is doorgesproken dat A-4110 aangesproken wordt op dit cocaïne gebruik en dat hem nogmaals wordt uitgelegd dat dit niet is toegestaan. Dit komt overeen met hetgeen in de verhoren van de WOD-begeleiding wordt verklaard.
Naar aanleiding van de in hoger beroep gevoerde verweren met betrekking tot het hebben van wanen door A-4110 tijdens zijn inzet in Vidar hebben de advocaten-generaal in hoger beroep nog een aanvullende proces-verbaal overgelegd.[99] In dat proces-verbaal verklaart WOD begeleider B-2821 op ambtseed dat de begeleiders pas na de operationele fase, in de loop van 2023, ermee bekend zijn geraakt dat A-4110 stemmen en geluiden hoorde. De begeleider heeft in oktober 2023 een gesprek gehad met neuropsycholoog prof. dr. Ponds. Daarbij is ook het horen van stemmen en geluiden ter sprake gekomen. Dat ging om geluidsoverlast die A-4110 ondervond van zijn buren.
Beoordeling van de betrouwbaarheid van A-4110
Het hof zal hieronder bij de beoordeling van de betrouwbaarheid aandacht besteden aan de verschillende aspecten die de verdediging naar voren heeft gebracht ter onderbouwing van de beweerde onbetrouwbaarheid van de verklaringen van A-4110.
- Rapportage prof. dr. Ponds, (psychische) klachten A-4110 en WOD-begeleiding
Het hof stelt voorop dat uit het rapport van Ponds blijkt dat niet valt te reconstrueren hoe de mentale gezondheid van A-4110 was ten tijde van de inzet in Vidar, maar dat conclusies van prof. dr. Ponds een zorgelijke beeld geven over de gezondheidssituatie van A-4110. Dat is voor het hof aanleiding om buitengewoon voorzichtig en zorgvuldig om te gaan met de verklaringen van A-4110. Echter, anders dan de verdediging heeft bepleit, ziet het hof daarin geen aanleiding alle verklaringen van A-4110 onbruikbaar te achten voor het bewijs of te concluderen dat de OVC-gesprekken waarin A-4110 deelneemt van het bewijs dienen te worden uitgesloten.
Het hof neemt bij zijn weging in aanmerking dat A-4110 intensief werd begeleid door de WOD-begeleiders die hem veelvuldig zagen en dat hij in het kader van zijn WOD-begeleiding regelmatig psychisch werd gemonitord, namelijk dat hij regelmatig sprak met een psycholoog.[100] In die tijd zijn kennelijk geen signalen waargenomen, die zouden kunnen wijzen op mogelijke problemen met de mentale gezondheid van A-4110 waardoor zijn bijstand bij de opsporing onrechtmatig was of op grond waarvan aan zijn waarnemingen en verklaringen getwijfeld diende te worden. Men heeft destijds in ieder geval geen reden gezien A-4110 niet (langer) in te zetten. Achteraf is gebleken dat er in de betreffende periode kennelijk sprake was van verschijnselen, het horen van geluiden en stemmen, die later werden getypeerd als waanbeelden. De relevante passage uit het rapport van prof. dr. Ponds, betrekking hebbende op informatie van begeleidende politiemedewerkers, inhoudende dat "meest opvallende verandering bij onderzochte was het horen van geluiden (bv. kloppen op de deur) en stemmen die er niet waren, waar hij soms heftig op kon reageren (bv. naar een bovenbuurman die hij geagiteerd aansprak en beschuldigde), is gebaseerd op een in een begeleidend gesprek geuite vrij algemene waarnemingen die jaren teruggaan. Dit begon in 2017/2018 en deze later als 'waanbeelden' getypeerde verschijnselen namen in ernst toe." is gebaseerd op in een interview door begeleidende medewerkers van de politie geuite vrij algemene waarnemingen die jaren teruggaan. Dat deze verschijnselen in ernst toenamen - aldus de aan Ponds gegeven informatie - is verder naar het oordeel van het hof weinig concreet.
Het hof stelt vast dat de WOD-begeleiders van A-4110 in de fase van hoger beroep in de zaak van twee medeverdachten bij de raadsheer-commissaris concreet en indringend zijn bevraagd over hun waarnemingen en visie over de mentale gezondheid van A-4110. Deze verklaringen zijn in het dossier van verdachte gevoegd. Zij hebben onder meer verklaard dat A-4110 voorafgaand aan zijn inzet psychologisch is onderzocht en dat hij gedurende het jaar werd gemonitord middels gesprekken met een psycholoog. Men was wel bekend met de gezondheidsproblemen van A-4110. Het ging om fysieke ongemakken en wat medicatie. Mentaal was alles in orde. Hij haalde weleens dingen door elkaar. Het ging dan om dagen of tijdstippen. De inhoud klopte wel.[101] Ook is begeleider B-2821 als getuige gehoord bij de raadsheer-commissaris. Die verklaring houdt onder meer in dat hij A-4110 in 2016 voor het eerst heeft ontmoet. Hij heeft verklaard dat A-4110 eenmaal tijdens een inzet cocaïne heeft gebruikt en dat dat meteen is teruggekoppeld aan de officier van justitie. Over het gebruik wordt verklaard dat A-4110 dat kreeg aangeboden en dat hij dat op dat moment niet kon weigeren. Dat zou zijn opgevallen.[102]
Begeleider B-2820 heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat het eerste contact met A-4110 in 2016 is geweest. Hij heeft verklaard dat er allerlei toetsmomenten zijn voordat een criminele burgerinfiltrant ingezet mag worden. Er wordt gekeken of de zaak en ook de persoon geschikt zijn. Er vindt een psychologisch onderzoek plaats. Het is een continu proces en A-4110 werd de hele tijd gemonitord. Het contact met de psycholoog was een doorlopend geheel. De afspraak was dat hij eenmaal in de drie maanden contact had met de psycholoog. Hij heeft niet gemerkt dat A-4110 leed aan geheugenverlies.[103]
Naar het oordeel van het hof is uit de door de advocaten-generaal overgelegde processen-verbaal genoegzaam gebleken dat politie en justitie tijdens de inzet van A-4110 in het onderzoek Vidar niet op de hoogte waren van de thans door prof. dr. Ponds omschreven geestelijke problematiek van A-4110. Toen het Openbaar Ministerie daarvan, tijdens het hoger beroep, op de hoogte raakte is er gelijk actie ondernomen en hebben de advocaten-generaal het hof meteen geïnformeerd en het verzoek neergelegd voor een neuropsychologisch onderzoek hetgeen heeft geresulteerd in het rapport van prof. Ponds. Het Openbaar Ministerie heeft in dit kader transparant gehandeld. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen in de processen-verbaal wordt gerelateerd.
Het hof heeft zoals hierboven overwogen het rapport van prof. dr. Ponds in ogenschouw genomen. Het hof stelt vast dat in het rapport het volgende wordt geschreven: "Meest opvallende verandering bij onderzochte was het horen van geluiden (bv. kloppen op de deur) en stemmen die er niet waren, waar hij soms heftig op kon reageren (bv. naar een bovenbuurman die hij geagiteerd aansprak en beschuldigde). Dit begon in 2017/2018 en deze later als 'waanbeelden' getypeerde verschijnselen namen in ernst toe.".
Naar het oordeel van het hof blijkt daar niet uit dat de WOD-begeleiders tijdens de inzet op de hoogte waren van de 'waanbeelden' bij A-4110. Prof. dr. Ponds rapporteert immers dat het ging om bijvoorbeeld een bovenbuurman en dat deze verschijnselen laterzijn getypeerd als waanbeelden. Als overwogen zijn de WOD-begeleiders B-2820, B-2821 en B-2992 in de zaken van beide medeverdachten [medeverdachte 9] expliciet ondervraagd op de vraag of zij op de hoogte waren van psychische klachten bij A-4110. Deze verklaringen zijn in het dossier van verdachte gevoegd. Zij hebben die vragen concreet beantwoord en die beantwoording is inhoudelijk in overeenstemming met het nadien door de advocaten-generaal ingebrachte proces-verbaal. Die antwoorden kunnen bovendien passen in de door (wie dan ook) aan prof. dr. Ponds gegeven achtergrondinformatie.
Tussenconclusie hof
In de inhoud van de rapportage van prof. dr. Ponds en hetgeen de WOD-begeleiding concreet over de inzet van A-4110 heeft verklaard vindt het hof – als hierboven al overwogen - geen aanleiding alle verklaringen van A-4110 onbetrouwbaar en onbruikbaar te achten voor het bewijs. De gehoorproblemen van A-4110 maken dit oordeel niet anders.
Het hof heeft hierbij zelf ook de verklaringen van A-4110 inhoudelijk beoordeeld. Het hof constateert dat die verklaringen in de verschillende stadia tijdens zijn inzet en verhoren nadien overwegend consistent zijn. A-4110 geeft vanuit eigen gezichtspunt uitleg over zijn betrokkenheid in de zaak en is daarin authentiek. Voor zover er op bepaalde punten iets anders of nieuws in zijn verklaring naar voren komt, geeft hij op vragen die hem worden gesteld nadere uitleg. De manier waarop A-4110 heeft verklaard acht het hof plausibel. Het hof acht het ook goed voorstelbaar dat door de werking van het geheugen een waarneming kan vervagen. Bij de beoordeling van hetgeen A-4110 in de verschillende stadia van ondervraging heeft verklaard over gebeurtenissen en soms over details die dan al langer geleden hebben plaatsgevonden, houdt het hof rekening met die werking van het geheugen. De beoordeling van de verklaringen van A-4110 verdient daarom die nuance. De verklaringen blijven naar het oordeel - hoe dan ook - in essentie gelijk.
- Eenmalig cocaïne gebruik door A-4110
Het hof heeft het door de verdediging opgeworpen punt van cocaïne gebruik in de beoordeling betrokken. Over dit - zo volgt uit de stukken - eenmalige cocaïne gebruik door A-4110 is op transparante wijze gedocumenteerd en daarover is een navolgbare uitleg gegeven. Dit eenmalige cocaïnegebruik staat naar het oordeel van het hof de betrouwbaarheid van A-4110 evenmin in de weg.
- Verstrengelde belangen?
Door de verdediging is de betrouwbaarheid van A-4110 ook in twijfel getrokken vanwege zijn eigen vooral financiële belang bij voortdurende inzet. Het hof stelt vast dat A-4110 heeft verklaard over zijn beweegredenen om als informant/infiltrant bijstand te verlenen aan de opsporing. Bij de rechter-commissaris heeft A-4110 daarover het volgende verklaard: "Ik had genoeg van alles, ik was er klaar mee. Had genoeg van al die gasten, daarom heb ik het gedaan. Ik heb een hoop beleefd en een hoop ellende gehad. Ik was een beetje gefrustreerd denk ik ook. Ik ben invalide geworden. Alles verandert als je wat overkomt. Je wordt niet meer geaccepteerd zoals het vroeger was."[104] Het hof maakt daaruit op dat de reden voor A-4110 om mee te doen was gelegen in de omstandigheid dat hij zich miskend voelde door het Leeuwarder criminele milieu omdat hij niet meer meedraaide zoals hij dat vroeger deed. Dat ongenoegen maakt op zichzelf de verklaringen van A-4110 niet onbetrouwbaar. Het dossier biedt geen concrete aanknopingspunten om aan te nemen dat het A-4110 niet alleen zou hebben gebracht tot samenwerking met de politie maar ook tot het in strijd met de waarheid afleggen van belastende verklaringen. Daarbij komt dat uit het dossier niet blijkt dat A-4110 specifiek ten opzichte van enige verdachte in het onderzoek Vidar gevoelens van miskenning of veronachtzaming had.
Dat A-4110 heeft gehandeld uit eigen belang en om er zelf beter van te worden en dat die omstandigheid reden is geweest om dingen te verklaren die niet kloppen, is evenmin aannemelijk geworden. Het hof neemt in aanmerking dat het financiële aspect op zich een beweegreden kan zijn voor samenwerking met de politie, maar niet is aannemelijk geworden dat dit A-4110 heeft gebracht tot het afleggen van onbetrouwbare verklaringen. Naar het oordeel van het hof wordt dat weerlegd door de bewijsmiddelen die het hof in dit arrest heeft opgenomen en waaruit blijkt dat de verklaringen van A-4110 bevestiging vinden in overige bewijsmiddelen of daarin ingebed zijn. Het hof stelt in dat verband ook vast dat het dossier inzicht geeft over de vergoeding die A-4110 heeft gekregen.[105] A-4110 en de begeleider zijn daarover bevraagd en hebben die vragen op heldere wijze beantwoord. De officier van justitie heeft daarover verantwoording afgelegd, zoals ook in de overeenkomsten is opgenomen. Het dossier omvat een financiële verantwoording. Er zijn vergoedingen uitgekeerd overeenkomstig de circulaire bijzondere opsporingsgelden. In zoverre is de inhoud van het dossier ook op dit onderdeel van de inzet van A-4110 transparant en controleerbaar. De omvang van de vergoeding zoals die uit dit dossier blijkt maakt het oordeel van het hof niet anders.
Eindconclusie hof over betrouwbaarheid van A-4110
Gelet op al het voorgaande, in samenhang bezien, concludeert het hof samenvattend dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat de politie of het Openbaar Ministerie A-4110 heeft ingezet terwijl zij op de hoogte waren van psychische problemen die aan die inzet in de weg zouden moeten staan. Het hof ziet geen reden de (voortduring van) de inzet van A-4110 als onrechtmatig te beschouwen en evenmin de verklaringen van A-4110 uit te sluiten van het bewijs vanwege onbetrouwbaarheid van die verklaringen. Het hof acht in dit verband met name van belang dat de verklaringen van A-4110 niet op zichzelf staan, maar grotendeels bevestiging vinden in andere bewijsmiddelen als OVC-opnamen, getuigenverklaringen, tapgesprekken en Encrochats. Relevante discrepanties met de verklaringen van A-4110 die duiden op alarmerende geheugenproblemen of onjuiste waarnemingen zijn daaruit niet naar voren gekomen.
Het hof is vanwege de hierboven beschreven psychische problematiek echter wel van oordeel dat heel zorgvuldig en behoedzaam met de verklaringen van A-4110 moet worden omgegaan.
Concreet houdt dat in deze zaak in dat de verklaringen van A-4110 alleen voor het bewijs zullen worden gebruikt voor zover zijn verklaringen voldoende worden ondersteund door ander bewijsmateriaal zoals dat uit het dossier blijkt, onder andere de beschikbare OVC-opnamen, getuigenverklaringen, tapgesprekken en Encrochats. Sprake moet zijn van relevante ondersteuning in overige gegevens in het dossier. De verklaring van A-4110 moet niet op zich staan, maar dient ingebed te zijn in het overige bewijs.
D - Schending van het Tallon-criterium?
*Tallon-criterium*
De opsporingsambtenaar mag bij de tenuitvoerlegging van het bevel pseudokoop of dienstverlening een verdachte niet brengen tot andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds te voren was gericht (artikel 126i, tweede lid, Sv). Dit wordt ook wel het Tallon-criterium of instigatieverbod genoemd.
In de Memorie van Toelichting op de wet BOB wordt onder "3.3. Politiële infiltratie" het volgende opgemerkt over het instigatieverbod:"De infiltrant mag het verrichten van bepaalde handelingen door de verdachte, noodzakelijk voor het bewijzen van strafbare feiten, wel ensceneren, maar het moet blijken dat de verdachte ook zonder tussenkomst van de infiltrant tot het plegen van deze of soortgelijke feiten zou zijn gekomen. De infiltrant maakt de bij de verdachte bestaande opzet slechts zichtbaar De gerichtheid van de opzet van de verdachte kan blijken uit concrete inlichtingen, afkomstig van een betrouwbaar gebleken bron – bijvoorbeeld een informant – die aangeven dat een verdachte voornemens is of bezig is strafbare feiten te plegen. Het is daarnaast van belang te beschikken over gegevens die het meer waarschijnlijk maken dat bedoelde concrete inlichtingen juist zijn. In dit verband kan gedacht worden aan informatie inhoudende dat de verdachte eerder is veroordeeld voor eenzelfde delict, of bij de politie als pleger van een soortgelijk delict als het op te sporen delict bekend staat. Achteraf moet dus kunnen worden vastgesteld dat de verdachte de misdrijven ter zake waarvan hij wordt vervolgd, ook zou hebben begaan als de infiltrant er niet was tussen gekomen. Aan infiltratie is inherent dat sprake kan zijn van beïnvloeding van het opereren van de groep van personen waarin wordt geïnfiltreerd. Om geloofwaardig te zijn dient de infiltrant vaak een actieve rol te spelen in de groep. Hij dient betrokken te raken bij de groep van personen of de criminele organisatie om er vervolgens deel van uit te gaan maken, zodat hij informatie en bewijsmateriaal kan vergaren die nodig is in het belang van het onderzoek. Bovengenoemde voorwaarde beoogt te verzekeren dat de infiltrant bij zijn optreden, personen niet verleidt tot strafbare gedragingen waarop hun opzet niet reeds tevoren was gericht. Daarbij behoeft het niet alleen te gaan om misdrijven die door deze personen worden gepleegd, maar het kan ook gaan om misdrijven die worden beraamd. Het optreden van de infiltrant mag er niet toe leiden dat deze personen misdrijven gaan beramen waar zij zonder tussenkomst van de infiltrant niet toe gekomen waren.''[106] ( Vorenstaande toelichting – voor zover deze ziet op het Tallon-criterium – heeft ook betrekking op de pseudokoop of - dienstverlening (zie p. 34 van de Memorie van Toelichting).[107] Traject [medeverdachte 1]
Redelijk vermoeden van schuld
Ingevolge artikel 27, eerste lid, Sv dient vóórdat de vervolging is aangevangen als verdachte aangemerkt te worden degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Daarom kan, ook als (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit.<footnoteReference id="_0657bdf6-919e-4660-a923-966d8fefe652">[108]</footnoteReference>
De verdenking
Uit het dossier volgt dat het onderzoek van de politie is gestart op basis van de verdenking dat verdachte [medeverdachte 1] zich zou bezighouden met de internationale handel in harddrugs. Deze verdenking is gebaseerd op het proces-verbaal van politie d.d. 20 april 2018.<footnoteReference id="_6acddc96-b609-4ed8-98cf-481ac4dbfef8">[109]</footnoteReference>
Als feitelijke aanleiding wordt in voornoemd proces-verbaal het volgende vermeld:Vanuit hun functie als begeleider bij het team Werken onder Dekmantel hebben B-2820 en B-2821 dinsdag 9 januari 2018 contact gehad met A-4110. Deze laatste staat ingeschreven in het register van het Team Burger in Opsporing van de Landelijke Eenheid. A-4110 gaf in dat gesprek aan dat hij benaderd was door - een voor de begeleiders onbekende - [medeverdachte 1] .
A-4110 vertelde dat [medeverdachte 1] hem had gevraagd of A-4110 'nog wat doet'. [medeverdachte 1] vroeg hem na een kort gesprek of A-4110 binnenkort nog eens langs zou komen. A-4110 vertelde de begeleiders B-2820 en B-2821 dat hij [medeverdachte 1] al jaren kent en dat hij lid is van de [motorclub 1] in [plaats] . Deze [motorclub 1] zouden volgens A-4110 goede contacten hebben met de [motorclub 2] in [plaats] .
*Op 16 januari 2018 vertelde A-4110 de begeleiders dat hij [medeverdachte 1] opnieuw gesproken had. [medeverdachte 1] had hem gevraagd om een afnemer van speed, het liefst uit het buitenland.*
Over deze gang van zaken is een proces-verbaal van bevindingen door B-2820 en B-2821 opgemaakt.[110] Daaruit volgt onder meer dat de door A-4110 gegeven informatie door B-2820 en B-2821 op 16 januari 2018 is doorgegeven aan het Openbaar Ministerie. Uit het bovengenoemde proces-verbaal van verdenking volgt dat op 22 februari 2018 door de officier van justitie is beslist tot het horen van A-4110 als getuige. Diezelfde dag hoorden verbalisanten B-2820 en B-2821 getuige A-4110. Van dat verhoor is een proces-verbaal van verhoor opgemaakt.[111] A-4110 verklaarde – samengevat – dat:Hij op woensdag 3 januari 2018 aan de [adres] in [plaats] werd aangesproken door [medeverdachte 1] . Hij zei: "Hoi hoe is het alles goed met je?" Getuige vertelde dat hij net op vakantie was geweest. [medeverdachte 1] vroeg hem vervolgens: "doe je nog weleens wat? Getuige weet dat [medeverdachte 1] hiermee bedoelt, wapens handelen, drugs handelen, getuige zegt dat [medeverdachte 1] weet dat getuige altijd mee liep met [naam] . Getuige bevestigde [medeverdachte 1] vraag en [medeverdachte 1] , die met vrouw of vriendin was, zei vervolgens: "kom eens bij me langs misschien kunnen we wat doen". Getuige sprak met [medeverdachte 1] af dat hij bij hem langs zou komen. Op 11 januari 2018 is getuige langs de woning van [medeverdachte 1] gereden in [plaats] . Hij heeft een vriend van [medeverdachte 1] gebeld, genaamd [naam] , om te vragen of [medeverdachte 1] nog in [plaats] woonde. Getuige kreeg via [naam] het telefoonnummer van [medeverdachte 1] . Getuige heeft – hij denkt op 12 januari 2018 – [medeverdachte 1] gebeld. [medeverdachte 1] zei naar hem toe te komen op de [adres] . [medeverdachte 1] is bij getuige in de auto gestapt en zij hebben een gesprek gehad. Getuige zei tegen [medeverdachte 1] : "wat zoek je". [medeverdachte 1] zei: "ik zoek iemand voor speed, liever iemand uit het buitenland dan iemand uit Nederland". "Speed kost weinig investering en levert wel wat op" vertelde [medeverdachte 1] getuige. Getuige vroeg [medeverdachte 1] of hij nog wat met transport deed. [medeverdachte 1] zei: "de vorige keer dat we daar over spraken vertrouwde je mij niet". Getuige vroeg hem: "hoezo". [medeverdachte 1] zei: Je keek mij zo raar aan". Dit gesprek was aldus getuige bij [naam] in [plaats] , daar hadden zij een gesprek over het vervoer van cocaïne met boten. Getuige had [medeverdachte 1] had toen voorgesteld bij [naam] in [plaats] , [medeverdachte 1] was daar met een [naam] die nu ook bij de [motorclub 1] is. Getuige denkt dat dit voorzover hij weet niets is geworden. [medeverdachte 1] zei dat hij altijd nog belang bij transport heeft, hij zei: "alleen cocaïne kost te veel inkoop, dan moet je teveel investeren". Hij zei dat hij liever speed deed, dit is voorhanden. [medeverdachte 1] zei dat de jongens met die hesjes er niet bij komen. [medeverdachte 1] zei: we hebben afgesproken dat we bij zaken doen geen hesjes meer aan doen" Hij zei verder dat die jongens met speed niets te maken hebben. Getuige heeft tegen [medeverdachte 1] gezegd dat hij gaat kijken of hij iemand kent. Getuige heeft verder niets over speed of cocaïne gezegd. Getuige zegt dat [medeverdachte 1] wel weet wel dat getuige van vroeger contacten in Denemarken heeft. Getuige kent deze [medeverdachte 1] meer dan 10 jaar, weet zijn achternaam niet. [medeverdachte 1] is aldus getuige ergens in de 30 jaar oud. [medeverdachte 1] wil zich graag profileren in de bovenwereld als de maffia. Hij reed eerder als chauffeur van [naam] , dit is een van de rijksten van Friesland. Toen getuige hem in het begin kende had hij meerdere wapens in de verkoop. Getuige weet dat [medeverdachte 1] lid is van de [motorclub 1] . Deze [motorclub 1] is een supportclub van de [motorclub 2] in [plaats] . [medeverdachte 1] is full member, welke rang weet hij niet. De Hindoestaan die zijn kameraad is zit in de wit. [medeverdachte 1] doet van alles als het maar geld oplevert, drugshandel, wapenhandel. In [plaats] is het algemeen bekend dat [medeverdachte 1] goede contacten heeft met de [motorclub 2] in [plaats] . Getuige weet dat [medeverdachte 1] een vriendin heeft die uit [plaats] komt. De vader van die vriendin heeft een [bakker] in [plaats] ".
Uit het bovengenoemd proces-verbaal van verdenking volgt dat uit een zoekslag in de politiesystemen vervolgens naar voren komt dat ene [medeverdachte 1] , 32 jaar, sergeant at arms is van de [motorclub 1] in [plaats] .
Een check van de gegevens van de Kamer van Koophandel wijst uit dat [medeverdachte 1] vennoot is van [bakker] , [adres] . Voor zover bij politie bekend zijn er aldus het proces-verbaal van verdenking bij de [motorclub 1] geen andere leden die [medeverdachte 1] heten. [112]
Uit een zogenoemd TOOI (Team Openbare Orde Inlichtingen) rapport volgt dat een contact van [medeverdachte 1] de president van de [motorclub 1] is: [naam] , geboren op [geboortedatum] 1969 in [geboorteplaats] .[113]
Geconcludeerd wordt in het bovengenoemde proces-verbaal van verdenking dat de ' [medeverdachte 1] ' waarover getuige A-4110 spreekt, moet zijn: [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1985 in [geboorteplaats] .
Uit een op ambtsbelofte opgemaakt afscherm proces-verbaal van TCI d.d. 13 april 2018 volgt nog dat uit een in Nederland onder leiding van een officier van justitie ander lopend opsporingsonderzoek informatie is ontvangen – samengevat - inhoudende dat:*[medeverdachte 1] sergeant at arms is van de outlaw motorcycle gang [motorclub 1] in [plaats] , een supportclub van de [motorclub 2] in [plaats] . [medeverdachte 1] heeft contact met de kaderleden van de [motorclub 2] , te weten: [naam] , president; [medeverdachte 3] , vice-president; [naam] , treasurer; [naam] , sergeant at arms; [naam] , sergeant at arms. Ook zijn er aanwijzingen dat [medeverdachte 1] zich vermoedelijk bezighoudt met cryptocurrency.*In dit proces-verbaal worden de geboortedata en vermoedelijk door hen gebruikte telefoonnummers beschreven.[114]
Samenvattende conclusie uit het proces-verbaal van verdenking d.d. 20 april 2018 is dat [medeverdachte 1] zich, al dan niet samen met anderen, vermoedelijk bezig houdt met internationale handel in harddrugs.
Beoordeling van de verdenking
Het hof betrekt het bovenstaande bij de beoordeling van de verdenking. Het hof overweegt dat de verdenking van verdachte [medeverdachte 1] op 20 april 2018 in de kern aanvankelijk is gebaseerd op verklaringen van A-4110 die gaan over de ontmoetingen die hij heeft gehad met [medeverdachte 1] op 3 januari en 12 januari 2018. Uit het dossier volgt dat in de aanloop van het proces-verbaal van verdenking is getracht de inhoud van de door A-4110 gegeven informatie te checken. Resultaat daarvan is dat diverse onderdelen van de verklaringen van A-4110 bevestiging vinden in andere bronnen. Daarmee staan de verklaringen van A-4110 niet op zich maar worden zij ingebed in andere gegevens. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat de met opsporing belaste autoriteiten uit de inhoud van die verklaringen in samenhang bezien met hetgeen in het proces-verbaal van verdenkingen de andere bovengenoemde processen-verbaal is bevestigd, ten aanzien van verdachte in redelijkheid een vermoeden van schuld hebben kunnen afleiden ten aanzien van (medeplegen) van (voorbereidingshandelingen voor) de opzettelijke uitvoer van harddrugs. De rechtbank merkt naar het oordeel van het hof terecht op dat geen rechtsregel er aan in de weg staat dat een verdenking kan worden gebaseerd op slechts één verklaring. Waar het om gaat is dat de verdenking is gebaseerd op voldoende objectieve, concrete en controleerbare feiten en omstandigheden. Het hof is van oordeel dat daarvan sprake was. Het hof stelt vast dat op basis van deze verdenking zoals neergelegd in het proces-verbaal van 20 april 2018 ten aanzien van verdachte [medeverdachte 1] een opsporingsonderzoek met de naam Vidar is gestart. Over die start en de daaraan voorafgaande periode zijn meerdere getuigen gehoord. A-4110 heeft in die verhoren verklaard hoe de contacten met [medeverdachte 1] in de beginperiode verliepen. De WOD begeleiders hebben daarover ook verklaringen afgelegd. Het hof stelt op basis van de inhoud van het dossier, waaronder die verklaringen van B-2820 en B-2821, vast dat het opsporingsonderzoek in de zaak daadwerkelijk is aangevangen nadat het proces-verbaal van verdenking was opgemaakt en de officier van justitie daarover een beslissing had genomen. De uitleg van de beide WOD-begeleiders van A-4110 maakt duidelijk dat in de beginperiode tussen 9 januari 2018 (het eerste moment dat zij van A-4110 vernamen dat ene [medeverdachte 1] en A 4110 een ontmoeting hadden gehad) en het moment dat het opsporingsonderzoek en evenmin daarvóór, geen instructie aan A-4110 is gegeven in de richting van [medeverdachte 1] . Helder is geworden dat er contact bestond tussen de WOD-begeleiding en A-4110 in die tijd, dat vond evenwel plaats in de afbouwfase van een eerder onderzoek. De WOD-begeleiders hebben uitgelegd dat tegen A-4110 in die beginperiode voorafgaand aan de start van het opsporingsonderzoek niet anders is gezegd dat A-4110 in zijn contact met [medeverdachte 1] , een bekende van A-4110, kon doen wat hij altijd doet en dat dat zijn eigen keuze was. Het hof acht dat navolgbaar.
Dit leidt ertoe dat het hof de verdediging niet volgt in haar verweer dat het politieonderzoek op een eerder moment is gestart, zonder dat sprake was van een redelijke vermoeden van schuld.Uitlokking?
Het strafrechtelijk onderzoek start voorzover hier relevant met een eerste inzet van A-4110 op 22 mei 2018 op basis van een overeenkomst tot burgerpseudokoop/-dienstverlening. Opdracht van A-4110 was een buitenlandse burger en/of opsporingsambtenaar te introduceren en deze te faciliteren in zijn contacten met verdachte [medeverdachte 1] . Van die eerste inzet op 22 mei 2018 zijn door middel van door A-4110 meegedragen apparatuur OVC geluidsopnamen gemaakt.
Bij de beoordeling van de vraag of verdachte [medeverdachte 1] door A-4110 is uitgelokt strafbare feiten te plegen heeft het hof onder meer de inhoud van de verklaringen van verdachte [medeverdachte 1] , de verklaringen van A-4110 afgelegd tegenover zijn begeleiders, de OVC's van gesprekken waaraan onder meer verdachte [medeverdachte 1] en A-4110 deelnamen, maar ook in een auto afgeluisterde gesprekken en andere hieronder aan te duiden onderzoeksresultaten in aanmerking genomen. Het hof heeft bij zijn afweging ook betrokken hetgeen bij de rechter-commissaris en raadsheer-commissaris gehoorde getuigen, waaronder de WOD-begeleiders van A-4110, hebben verklaard.
Verdachte [medeverdachte 1] stelt - samengevat - door toedoen en onder druk van A-4110 het wilsbesluit te hebben genomen in zee te gaan met A-4110. Ten tijde van zijn zesde politieverhoor op 3 augustus 2018 stelt verdachte [medeverdachte 1] dat er sprake was van een dwingende en dreigende situatie vanuit A-4110, dat hij (verdachte [medeverdachte 1] ) voor hemzelf belastende uitspraken heeft gedaan en drugs heeft verkocht in die situatie omdat hij werd gepusht en meende het niet anders te kunnen doen.
Voor de beoordeling van deze door verdachte [medeverdachte 1] beschreven gang van zaken is onder meer relevant in hoeverre kan worden afgegaan op hetgeen A-4110 en verdachte [medeverdachte 1] over hun gezamenlijke contacten en de aanloop er naar toe verklaren.
Het hof stelt allereerst vast dat A-4110 en verdachte [medeverdachte 1] – hoe dan ook – op 3 januari 2018 een ontmoeting hebben gehad waarbij – naar het hof uit beider verklaringen begrijpt – kort over duistere zaken zoals drugshandel is gesproken. A-4110 heeft verklaard als vervolg van de tijdens die ontmoeting gemaakte afspraak verdachte [medeverdachte 1] nadien te hebben gezocht en op 12 januari 2018 uiteindelijk via een gezamenlijke kennis, [naam] , het telefoonnummer van verdachte [medeverdachte 1] te hebben verkregen. Door de politie is uitgezocht hoe het leggen van dit telefonisch contact is verlopen. Uit het proces-verbaal van analyse eerste contacten januari 2018 A-4110 en [medeverdachte 1] volgt dat [naam] verdachte [medeverdachte 1] (op 12 januari 2018 om 12:06 uur) meedeelt dat A - 4110 het telefoonnummer van [medeverdachte 1] ff moet hebben. Verdachte [medeverdachte 1] appt zijn telefoonnummer naar [naam] om 12:37 uur direct gevolgd door een duimpje omhoog van verdachte [medeverdachte 1] [115] . Volgens de telefoongegevens van verdachte [medeverdachte 1] belt A-4110 diezelfde dag om 14:00 uur met verdachte [medeverdachte 1] en – volgens zowel de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] en A-4110 –rijdt A-4110 kort daarna naar [medeverdachte 1] die bij A-4110 in de auto plaatsneemt. In de geparkeerde auto voeren beiden een gesprek. Dat gesprek op 12 januari 2018 gaat in de visie van A-4110 en verdachte [medeverdachte 1] - hoe dan ook - over drugs.
Verdachte [medeverdachte 1] heeft namelijk over dat gesprek in de auto op 12 januari 2018 tijdens zijn zesde verhoor bij de politie verklaard dat het onderwerp drugs was en dat A-4110 geld wilde verdienen. A-4110 heeft over dat gesprek op 16 januari 2018 tegenover zijn WOD begeleiders verklaard dat verdachte [medeverdachte 1] – kort gezegd – had gezegd dat hij op zoek was naar een buitenlandse afnemer van drugs. Tijdens zijn verhoor op 22 februari 2018 verklaart A-4110 daar ook aldus over. Tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris heeft A-4110 zijn verklaring herhaald en uitleg gegeven op vragen over de ontmoetingen met verdachte [medeverdachte 1] begin januari 2018. Desgevraagd zegt A-4110 tijdens het verhoor van de rechter-commissaris: U houdt mij voor dat ik zeg (pag. 1264: het hof begrijpt tijdens de eerste gearrangeerde (OVC) ontmoeting op 24 mei 2018) dat ik iemand had voor die snelle, maar dat ik eerder heb gezegd dat [medeverdachte 1] daarmee moet komen. U maakt er wat anders van. Er was afgesproken dat ik een klant voor hem zou zoeken, daarom zei ik dat ik iemand voor die snelle heb. Ja klopt, dit was dus een vervolg op een eerder gesprek. U vraagt mij wie de leiding had in die gesprekken. Wij samen, het moet bij hem weg komen niet bij mij. Ik kan niet leveren, bij [medeverdachte 1] moeten de drugs weg komen. U vraagt mij of ik de leiding had in de gesprekken. Nee dat denk ik niet. [medeverdachte 1] is mondig genoeg.
Het hof heeft gekeken hoe het eerste (OVC) gesprek tussen verdachte [medeverdachte 1] en A-4110 op 22 mei 2018 tot stand is gekomen. Uit het dossier leidt het hof af dat A-4110 op 22 mei 2018 om 19:01 uur telefonisch contact zoekt met [medeverdachte 1] om een afspraak te maken. Dat is conform de afspraak in het kader van de WOD-inzet van A-4110. In dat gesprek wordt het volgende tussen A-4110 en verdachte [medeverdachte 1] uitgewisseld:
[medeverdachte 1] (SH) wordt gebeld door NNman (het hof begrijpt: A-4110).[116]
NNma zegt dat [medeverdachte 1] laatst vroeg om een onderdeel voor zijn Harley. NNman zegt dat hij die nu heeft. [medeverdachte 1] vraagt waar NNman nu is. NNman zegt dat hij wel naar [medeverdachte 1] toe kan kome straks. [medeverdachte 1] zegt dat hij nu onderweg is. NNman zit nu ergens in [plaats] en gaat straks weer naar huis. [medeverdachte 1] zegt dat hij even na moet denken want hij heeft meerdere onderdelen nodig gehad voor zijn auto. [medeverdachte 1] bedoelt zijn motor zegt hij. [medeverdachte 1] vraagt of NNman morgen in de stad is. NNman is daar wel maar vraagt aan [medeverdachte 1] of [medeverdachte 1] donderdag ook kan. [medeverdachte 1] zegt dat hij donderdag wel in [plaats] is. Hij heeft wel een paar afspraken. Ze spreken donderdag af. Dan weet NNman alles.
Het hof duidt dit telefonische gesprek tussen A-4110 en verdachte [medeverdachte 1] als een gesprek waarin met behulp van versluierend taalgebruik over drugsactiviteiten wordt gesproken.[117] Het gesprek past naar het oordeel van het hof bij een logisch vervolg op hetgeen eerder tussen beiden is besproken. Het hof stelt vast dat vervolgens op donderdag 24 mei 2018 om 15:24 uur verdachte [medeverdachte 1] telefonisch contact opneemt met A-4110 en een afspraak maakt elkaar kort erna te ontmoeten.
[medeverdachte 1] belt uit met NNM (het hof begrijpt: A 4110).[118]
[medeverdachte 1] zegt dat hij weer in [plaats] is. Hij loopt met zijn kinderen vlakbij de centrale. NNM zit bij [locatie] , bij zich thuis. [medeverdachte 1] loopt naar het [adres] . NNM gaat ook naar het [adres] en dan zien ze elkaar zo bij de Coffeeshop daar.
Het hof stelt vast dat in de geluidsopnamen van het gesprek van 24 mei 2018 hoorbaar is dat na een korte inleiding door A-4110 tegen verdachte [medeverdachte 1] wordt gezegd iemand te hebben voor die snelle.
A: lk had iemand.
J:Waarvoor?
A: Voor die snelle
J:Oke
A: NTV
J: Ja, ie moet die hebben?
A:Wat?
J: Moet ie hebben?
A: Ja, dat ligt er aan, ..NTV..
J: Die jongens zitten vast man, net opgepakt. lk kan wel kijken of hij, NTV. Maar ja dat maakt niet zo veel uit natuurlijk, hij zit vast dus
A: Die Ieren
J: Dat is goed toch
A: Dat is Ierland.
J: Ze willen het hier oppakken?
A: Hé?
J: Willen ze 't hier oppakken of ?
A: Dat moest met hun beprate, ik laat hun hier komme
J:Oh, oke.
A: Wat seist der van? Goed toch? .. NTV..
J: Beter is hier.
A: Ja. We motte maar even kieke.
J: ..NTV.. lk wil eigenlijk wel aan deze kant blijven.
A:Wat?
J: lk wil wel aan deze kant blijven
A:Ja,ja...
J: .. NTV..komt eraan.
(Noot verbalisant: Er loopt vermoedelijk iemand voorbij. Voorbijganger vraagt [medeverdachte 1] hoe het is. [medeverdachte 1] antwoord dat goed met hem gaat.)
A: Oké joh..
J: Ja laat maar gebeure
Het hof is allereerst van oordeel dat de aanvang van dit gesprek op 24 mei 2018 waar
A-4110 meedeelt iemand te hebben voor die snelle, inhoudelijk aansluit op het telefoongesprek dat beiden voerden voor het maken van de afspraak voor het gesprek op 24 mei 2018. De aanvang van het aan het versluierende telefoongesprek, waar wordt gezegd: NNman (A-4110) zegt dat [medeverdachte 1] laatst vroeg om een onderdeel voor zijn Harley. NNman zegt dat hij die nu heeft, kan weer logisch passen bij hetgeen A-4110 heeft verklaard over wat eerder op 16 januari 2018 in de auto tussen verdachte en A-4110 is besproken, namelijk dat verdachte [medeverdachte 1] een - liefst buitenlandse - afnemer zoekt. Dit maakt dat het hof eerder bevestiging ziet van hetgeen A-4110 over de aanloop in januari 2018 verklaart dan dat het hof twijfel heeft over hetgeen A-4110 verklaart. Het hof zal hieronder de (niet door middel van OVC vastgelegde) verklaringen van A-4110 over de aanloop in januari 2018, verder beoordelen.
Vraag die in dat kader ook beantwoord moet worden, is of in het gesprek in mei 2018 en de daarop volgende gesprekken en andere contacten tussen A-4110 en verdachte [medeverdachte 1] , sprake is van het door verdachte [medeverdachte 1] beweerde pushen, dwingen en dreigen van A-4110. Het hof zal hieronder uitleggen waarom daar naar het oordeel van het hof geen sprake van is.
Het hof zal hieronder een korte samenvatting geven van een aantal gesprekken tussen A-4110 en verdachte [medeverdachte 1] gevoerde gesprekken. Alle gesprekken zijn door middel van OVC vastgelegd.
Gesprek 14 juni 2018
Het hof stelt vast dat verdachte [medeverdachte 1] en A-4110 op 14 juni 2018 weer een afspraak hebben met elkaar. In de aanloop naar die afspraak belt A-4110 op 14 juni 2018 naar verdachte [medeverdachte 1] om 11:39 uur.[119]
[medeverdachte 1] wordt gebeld door NNman (het hof begrijpt: A-4110).
[medeverdachte 1] vraagt waar NNman is. NNman zegt dat hij even de stad uit is. [medeverdachte 1] is zo dadelijk in de.stad. NNman zegt 13:00, dan bén ik er. [medeverdachte 1] zegt dat NNman rustig aan moet doen en maar moet laten weten als hij weer de stad in gaat.
Het volgende telefoongesprek vindt plaats diezelfde dag om 13:20 uur.[120] [medeverdachte 1] wordt gebeld door NNman (het hof begrijpt: A-4110).
NNman vraagt waar [medeverdachte 1] is. [medeverdachte 1] zegt dat hij bij [ijssalon] is. NNman komt eraan.
Dit gesprek op 14 juni 2018 vindt plaats bij ijssalon [ijssalon] in [plaats] vanaf 13:33 uur. Verdachte [medeverdachte 1] legt uit dat die jongen in Duitsland vastzit en dat hij bang is bij andere jongens geen goede kwaliteit te kunnen halen. Verdachte [medeverdachte 1] vertelt A-4110 dat het beter is niet te bieden maar te vragen wat ze willen. Verdachte [medeverdachte 1] vertelt A-4110 in de loop van het gesprek over de mogelijkheid wellicht een paar keer mee te kunnen gooien. Verdachte [medeverdachte 1] zegt dat ze het in [plaats] op moeten halen, dan is er controle. Op dit moment betaalt verdachte [medeverdachte 1] 26, een koopje, maar niemand weet dat. Verdachte [medeverdachte 1] zegt dat als ze echt willen gooien, de prijs weer omhoog gaat lopen, dat we 30 vragen.
Gesprek 5 juli 2018 (ook met A-4133)
Op 5 juli introduceert A-4110 zijn zogenoemde Ierse contact bij verdachte [medeverdachte 1] . Verdachte [medeverdachte 1] wil niet praten in het café en evenmin op het terras, geeft aan paranoia te zijn vanwege het feit dat de locatie per SMS was verstuurd en stelt voor naar buiten te gaan. A-4133 legde uit dat A-4110 hem had verteld dat [medeverdachte 1] op zoek was naar nieuwe klanten, hetgeen [medeverdachte 1] bevestigde.
A-4133 informeerde naar wat [medeverdachte 1] voor A-4133 kon doen en verdachte [medeverdachte 1] maakte in eerste instantie twee handgebaren. Bij de eerste bracht hij zijn hand naar zijn neus, waarbij hij snuiven nadeed terwijl het tweede leek op het nadoen van een maken van een lijntje. Toen A-4133 verdachte [medeverdachte 1] vroeg om duidelijk te maken wat hij bedoelde noemde [medeverdachte 1] cocaïne en speed. [medeverdachte 1] en A-4133 gaven beide de wens aan om zaken te doen, maar rustig aan. [medeverdachte 1] ging verder en vertelde A-4133 dat hij 1 kg cocaïne kon leveren voor € 28.000 en dat speed € 1000 zou kosten voor 1 kilo, daarbij uitleggend dat het [medeverdachte 1] € 800 per kg kost. [medeverdachte 1] vertelde A-4133 ook dat zijn belangrijkste leverancier van speed was gearresteerd in Duitsland maar bevestigde dat hij het nog steeds kon leveren. [medeverdachte 1] garandeerde A-4133 dat de kwaliteit van beide drugs hoog was omdat hij geen klachten wilde van klanten en niet wilde dat het terugkwam als het product van slechte kwaliteit was. [medeverdachte 1] besprak hoe de cocaïne op een aantal manieren en in verschillende formaten het land in kwam, waaronder in repen, kleinere pakketjes die werden ingeslikt door koeriers of vermengd met andere producten waarbij het vervolgens eruit wordt gehaald door 'koks' maar dat kan een nasmaak of geur achterlaten. A-4133 vroeg welke omvang aan toekomstige zendingen verdachte [medeverdachte 1] zou kunnen leveren en stelde 10 of 20 kg voor als voorbeeld, en [medeverdachte 1] zei dat alles mogelijk was. [medeverdachte 1] bevestigde verder dat hij ook XTC kon leveren en zei dat hij geen heroïne of crystal meth leverde. Toen A-4133 vroeg naar het tijdsbestek voor de levering van toekomstige bestellingen verklaarde verdachte [medeverdachte 1] dat het kon variëren van een paar uur tot een paar dagen, afhankelijk van de gestelde termijn en de beschikbaarheid. A-4133 gaf aan dat hij mogelijk geïnteresseerd zou zijn in het kopen van 1 kg cocaïne as een proefmonster en [medeverdachte 1] gaf aan dat dit mogelijk was. Men stelde vast dat de prijs € 28.000 was en toen A-4133 het vroeg verklaarde verdachte [medeverdachte 1] dat het hem € 26.000 kostte.
Gesprek 31 juli 2018
Op 31 juli 2018 spreken verdachte [medeverdachte 1] en A-4110 vervolgens af en hebben ze bij verdachte [medeverdachte 1] die avond thuis een ontmoeting. In dit gesprek wordt samengevat door A-4110 aangegeven dat ze veel interesse hebben en dat ze gelijk een kilo willen hebben en dat er meer komt. Verdachte [medeverdachte 1] reageert dat dat toch goed is. Verdachte [medeverdachte 1] vraagt of ze de vakantie willen afwachten, dat iedereen die goed in de handel zit weet dat er nu niets gebeurt. Verdachte [medeverdachte 1] oppert dat we gewoon wat met speed doen. A-4110 vraagt verduidelijking en zegt dat ze wel belang hebben bij wit natuurlijk. A-4110 zegt dat je op speed toch niks verdient. Verdachte [medeverdachte 1] zegt eerst even 10 kilo speed in te kopen voor 700 en dat weg te zetten voor een rooitje. Verdachte [medeverdachte 1] zegt dat het nu vakantietijd is. Dat het niet goed is te happerig te zijn. Verdachte [medeverdachte 1] en A-4110 hebben het over september. Verdachte [medeverdachte 1] zegt dat we dan wel kunnen. Verdachte [medeverdachte 1] stelt voor dat A-4110 nou gewoon zegt tegen hem (het hof begrijpt: de afnemer) dat het nu vakantie periode is. En dat alles mogelijk is.
Gesprek 10 september 2018
Op 10 september 2018 evalueren verdachte [medeverdachte 1] en A-4110 de mislukte deal voor de afnemer van 4 september 2018 in [gemeente] . Verdachte [medeverdachte 1] vertelt in dat gesprek dat hij die rommel niet kon leveren. Ze zouden anders niet terugkomen. Verdachte [medeverdachte 1] vertelt ook dat het 'm niet werd die avond. Dat hij hem heeft gezegd dat hij weer teruggaat met die poen. Verdachte [medeverdachte 1] wil de vakantie van drie weken van A-4110 afwachten. Verdachte [medeverdachte 1] zegt het apart te vinden dat hij rechtstreeks buiten A-4110 zaken zou doen. Verdachte [medeverdachte 1] wil dat A-4110 er tussen blijft en zegt A-4110 dat het over de vakantie van drie weken van A-4110 heen wordt getild.
Gesprek 10 oktober 2018
Op 10 oktober 2018 spreken verdachte [medeverdachte 1] en A-4110 elkaar opnieuw. Een ophanden zijnde levering in de week erop wordt besproken. Verdachte [medeverdachte 1] neemt door dat de prijzen voor blokken skyhigh zijn, vraagt A-4110 of het ook in stukken mag. Verdachte [medeverdachte 1] vraagt A-4110 zondagavond even bij hem te komen. A-4110 vraagt of het droog is. Verdachte [medeverdachte 1] reageert op A-4110 dat het wel kapot is en dat natte wel het beste is. Dat hij gewoon natte heeft, wat net gemaakt is. Dat hij zijn best nog gaat doen voor droge, maar dat dit (natte) in de vriezer ligt. Dat het moet stinken.
Gesprek 14 oktober 2018
Op 14 oktober 2018 vindt er zoals gevraagd door verdachte [medeverdachte 1] een ontmoeting plaats tussen verdachte [medeverdachte 1] en A-4110 met het oog op de komst van de afnemer op de volgende dag. Verdachte [medeverdachte 1] vertelt bij een ander te hebben gekocht nu hij niet meer dan een kilo heeft gekocht. Zegt dat hij normaal per tien kilo koopt. Verdachte [medeverdachte 1] zegt dat het wel natte is, maar niet heel natte. Verdachte [medeverdachte 1] stelt voor dat A-4110 de speed naar [gemeente] rijdt, hetgeen A-4110 niet wil doen. Verdachte [medeverdachte 1] zegt vervolgens tegen A-4110 de dag erop eerst bij hem in de bakkerij te komen en dat A-4110 vervolgens de afnemer op gaat halen. Aldus wordt afgesproken.
Vervolg beoordeling hof van de gesprekken
Het hof heeft de inhoud van de onderlinge communicatie nauwkeurig in ogenschouw genomen. Het hof duidt de rol van verdachte in de onderlinge communicatie veeleer als dominant en bepalend over wat er gaat gebeuren, wanneer en in de wijze waarop. Verdachte [medeverdachte 1] zijn aanvankelijke aarzeling te leveren is niet gelegen in het niet willenleveren van drugs, maar door omstandigheden tijdelijk niet kunnen leveren omdat zijn vaste toeleverancier van speed gevangen is genomen. Daarbij zegt verdachte in het eerste gesprek op 24 mei 2018 dat hij A-4110 eerst nog één keer wil zien en vraagt daar bevestiging van, zegt daarbij ook dat hij zich wel even moet indekken en niemand wil passeren, en dat het leuk en top is dat A-4110 weer helemaal terug is en zegt lachend aan A-4110:*Je mutte weer wat verdiene hier of niet?*Het hof kan in het verloop van dit gesprek op geen enkele manier het door verdachte beweerde pushen en dwingen van A-4110 ontwaren. In zijn verhoren bij de rechter-commissaris heeft A-4110 ook uitleg gegeven over de wijze waarop het gesprek liep. Die uitleg over de gebruikte woorden in hun onderlinge communicatie acht het hof navolgbaar. A-4110 heeft ook op overtuigende wijze uitleg gegeven dat hij niet in de positie was jegens verdachte [medeverdachte 1] dominant te zijn. Die uitleg van A-4110 wordt ook ondersteund door de inhoud van de onderlinge communicatie zoals die door middel van OVC is vastgelegd. Zoals hierboven overwogen was het verdachte [medeverdachte 1] die initiatief in het gesprek nam en bepaalde wat er gebeurde en hoe dat zou gaan.
In het gesprek waarin kennis werd gemaakt met A-4133 als beoogd afnemer van drugs bevestigt verdachte [medeverdachte 1] tegenover A-4133 dat hij op zoek is naar nieuwe klanten en vertelt [medeverdachte 1] over prijzen, kenmerken en beschikbaarheid van verschillende soorten drugs. Het hof heeft ook het verloop van de vervolgafspraken over het leveren van speed of cocaïne in ogenschouw genomen. Het hof stelt vast dat verdachte [medeverdachte 1] in die gesprekken telkens informatie verstrekt die erop duidt dat hij vaker handelt in drugs, goed bekend is met de specifieke eigenschappen van speed, het bewaren daarvan of het verloop vanwege het seizoen in de vraag naar drugs en de schommeling in prijzen. Het hof stelt ook vast dat verdachte in één van de gesprekken vertelt in plaats van de gebruikelijke 10 kilo bij een vaste afnemer te kopen, naar een ander is gegaan voor één kilo speed.
Het hof stelt daarnaast vast dat de verklaring van verdachte [medeverdachte 1] dat
A-4110 dwingend en dreigend in zijn richting was, geenszins is te herleiden uit de inhoud en het verloop van de onderlinge conversaties zoals die in tap - de OVC-gesprekken zijn vastgelegd. Het is verdachte [medeverdachte 1] die aangeeft hoe, waar en wanneer het moet gebeuren. Het is anders dan verdachte [medeverdachte 1] vertelt, niet A-4110, maar verdachte [medeverdachte 1] zelf die in hun gesprek op 14 juni 2018 begint over meegooien. Zijn stelling dat A-4110 niet gepasseerd wilde worden, wordt weersproken door de inhoud van het gesprek op 10 september 2018. Hij reageert op de suggestie van A-4110 dat verdachte [medeverdachte 1] rechtstreeks met de afnemer zaken zou kunnen doen, dat hij juist niet wil dat A-4110 er tussenuit gaat.
Conclusie van dit alles is dat het hof van oordeel is dat verdachte [medeverdachte 1] niet is uitgelokt tot het plegen van de hem verweten feiten.
Het hof is daarnaast van oordeel dat het hof voor wat betreft de aanloop in januari 2018 tot het eerste gesprek uit kan gaan van hetgeen A-4110 daarover heeft verklaard. Die verklaringen van A-4110 worden zoals hierboven weergegeven op relevante wijze ondersteund door het bovenomschreven versluierende taalgebruik in het telefoongesprek, het inhoudelijke verloop van de onderlinge gesprekken en ook andere onderdelen van het dossier, waaronder hetgeen verdachte [medeverdachte 1] met verdachte [medeverdachte 4] heeft besproken ten tijde van de eerste poging tot levering van drugs en andere door verdachte onderhouden contacten met de beoogd afnemer.
Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat verdachte [medeverdachte 1] niet is uitgelokt tot het begaan van de hem verweten feiten.
Het hof acht de afwegingen van de rechtbank op dit onderdeel juist. Het hof verenigt zich daarom ook met de hieronder cursief weergegeven overwegingen uit het vonnis van verdachte [medeverdachte 1] ."Uit de hierna, onder het kopje "Bewijs". genoemde bewijsmiddelen kan afgeleid worden dat verdachte reeds in januari 2018 de wil had om opzettelijk harddrugs buiten het grondgebied van Nederland te brengen. Verdachte heeft deze wil nadien in de gesprekken met A-4110 en/of A-4133 en/of verdachte in de periode van mei 2018 tot en met oktober 2018 meermalen tot uitdrukking gebracht. Verdachte heeft in de aanloop naar het onder 1 ten laste gelegde feit bovendien op geen enkel moment aangegeven zich te willen distantiëren van handel in verdovende middelen. De bewijsmiddelen geven daarentegen blijk van een zekere gretigheid aan de zijde van verdachte om verdovende middelen te leveren en om zaken te doen op de langere termijn. Verdachte wilde geld verdienen. Uit de bewijsmiddelen volgt eerder dat de wil van verdachte ten tijde van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten nog onverkort aanwezig was.
De bewijsmiddelen geven er eerder blijk van dat verdachte zich voor het eerste contact met A-4110 ook al bezig hield met de (internationale) handel in harddrugs. Dit blijkt expliciet uit verdachte zijn eigen woorden, maar eveneens uit de volgende feiten en omstandigheden die indicatief zijn voor voornoemde vaststelling:
De rechtbank acht het daarnaast niet aannemelijk geworden dat A-4110 verdachte in de periode van 3 januari 2018 tot en met 4 september 2018 (tijdens niet-geverbaliseerde en niet-opgenomen contactmomenten)) door middel van bedreiging /intimidatie/dwang/(ontoelaatbare) druk heeft bewogen tot het plegen van de strafbare feiten. Het procesdossier bevat onvoldoende (concrete en objectieve) aanknopingspunten voor (verificatie van) de juistheid van dit scenario.
De in dit verband door getuige [naam] afgelegde verklaringen over diens eigen ervaringen net A-4110 kunnen niet als dergelijke aanknopingspunten worden beschouwd. [naam] heeft immers niet zélf waargenomen of ondervonden op welke wijze A-4110 zich tegenover verdachte heeft gedragen maar baseert zich slechts op zijn eigen ervaringen ('op een slinkse manier onder druk gezet'). Die eigen ervaringen wenst hij kennelijk te extrapoleren richting de verhouding tussen A-4110 en verdachte. Dat levert echter niet neer op dan een gissing waaraan de rechtbank voorbij zal gaan. Daar komt nog bij dat voor de inhoud van [naam] 's verklaringen geen enkele ondersteuning is te vinden in het dossier."
Traject [medeverdachte 2]
In het arrest van medeverdachte [medeverdachte 2] heeft het hof het volgende overwogen.
"Door de verdediging is verweer gevoerd ten aanzien van het handelen door A-4110 en politie-infiltrant A-2395. Kort gezegd komt dat erop neer dat verdachte [medeverdachte 2] door A-4110 is gebracht tot het plegen van andere feiten dan waarop zijn opzet van tevoren was gericht.
De advocaten-generaal menen dat geen sprake is van uitlokking.
Algemene inleiding
In juli en september 2019 onderneemt verdachte [medeverdachte 2] samen met A-4110 een reis naar Thailand om aldaar A-2395 te ontmoeten met het oog op het bespreken van de mogelijkheid tot het opzetten van een drugslijn naar Australië waarbij, aldus het dossier, onder meer verdachte tezamen met anderen, waaronder leden van motorclub de [motorclub 2] zijn betrokken. De aanleiding voor deze reizen ligt in de mededelingen van [medeverdachte 2] tijdens een spontaan bezoek van hem op 4 februari 2019 in de woning van A-4110.
De eerste contacten tussen A-4110 en [medeverdachte 2] in februari en maart 2019
*Het hof stelt vast dat [medeverdachte 2] op 4 februari 2019 aldus A-4110 zegt: Australië hebben ze al, Canada willen ze nog. In Australië was er contact met een hoge politiefunctionaris van politie, maar die is opgepakt. [medeverdachte 2] vertelde A-4110 in dat gesprek ook dat hij eens graag met A-4110 naar Thailand wilde.*
Op 24 maart 2019 komt [medeverdachte 2] opnieuw bij A-4110 langs en is er een onderling gesprek waarin [medeverdachte 2] vertelt over handel ook internationaal over drugs. A-4110 heeft [medeverdachte 2] die dag ook gevraagd wat we konden doen. Daarmee bedoelde A-4110 (die op basis van een daarvoor ondertekende overeenkomst tot burgerinfiltratie opereerde) te vragen aan [medeverdachte 2] waar zijn behoefte ligt voor bijvoorbeeld transport of contacten in de drugshandel. "Ik heb [medeverdachte 2] gezegd dat ik contacten had in Duitsland. [medeverdachte 2] zei me dat ze die contacten al hadden. Ik vroeg vervolgens: 'En Australië dan?'. [medeverdachte 2] was daar enthousiast over, hij zei dat hij daar veel belang bij had. Ik zag dat hij direct daarover ging zitten sms'en met iemand op die speciale telefoon. [medeverdachte 2] zei me dat het dan om cocaïne ging wat die kant op moest. Ik zag dat hij daarbij een 'snuif'gebaar maakte en dat hij zijn vinger onder zijn neus langs haalde. [medeverdachte 2] zei dat het transparant moest zijn. Daarmee bedoelde [medeverdachte 2] dat duidelijk moet zijn hoe de lijn loopt, hoe alles in zijn werk gaat. Ik zei [medeverdachte 2] dat ik dan iemand in Thailand moest spreken. Ik zei hem dat dat een Australiër was. [medeverdachte 2] vroeg me vervolgens een paar keer achter elkaar wanneer we naar Thailand zouden gaan."
Boordeling van deze informatie
Bovengenoemde informatie van A-4110 is op de reguliere wijze vastgelegd in processen-verbaal van verhoor tijdens debriefing door de WOD-begeleiding. Naast deze informatie in de processen-verbaal omvat het dossier evenwel geen ondersteuning, bijvoorbeeld in de vorm van OVC. Aan de hand van de inhoud van het dossier stelt het hof ook vast dat niet eerder dan op 19 april 2019 met machtiging van de rechter-commissaris werd overgegaan tot uitbreiding van (vaste) OVC naar de woning en auto van A-4110 omdat [medeverdachte 2] telkens weer de woning van A 4110 spontaan bleek te bezoeken en de persoonlijke OVC op A 4110 in die niet geregisseerde contactmomenten niet functioneerde. Het hof stelt voorts vast dat de door A-4110 gegeven informatie ook niet op andere wijze wordt ondersteund in het dossier.
Het hof heeft hiervoor in het arrest overwogen dat er aanleiding bestaat de verklaringen van A-4110 met behoedzaamheid te gebruiken. Sprake moet zijn van relevante ondersteuning in overige gegevens in het dossier. De verklaring moet niet op zich staan, maar dient ingebed te zijn in het overige bewijs.
In de gegeven situatie is het hof van oordeel dat het niet goed mogelijk is te toetsen in hoeverre verdachte [medeverdachte 2] tot andere strafbare feiten is gebracht dan waarop zijn opzet was gericht. Het hof heeft enerzijds gezien dat [medeverdachte 2] voorafgaand aan zijn eerste bezoek aan de woning van A-4110 zich - ook aldus zijn eigen uitlatingen – onmiskenbaar bezig hield met handel en transport van drugs en in zoverre heeft de rechtbank op juiste gronden overwogen dat sprake was van een predispositie. Anderzijds stelt het hof vast dat de drugslijn naar Australië als nieuwe transportlijn zou moeten worden opgezet. Het hof heeft ook goed gezien dat [medeverdachte 2] na de bovengenoemde gesprekken met A-4110 in februari en maart 2019 telkens op Thailand en daar te bespreken drugshandel bleef aandringen. Die gesprekken zijn voorzover zij na 19 april 2019 werden gevoerd, wel vastgelegd door middel van OVC en onderdeel van het dossier.
[medeverdachte 2] heeft in zijn verhoor tegenover de politie en ook nadien evenwel steeds ontkend tijdens zijn bezoek aan A-4110 in de woning de door A-4110 beschreven woorden over Canada en Australië te hebben uitgesproken.
Het hof overweegt dat de verklaring van A-4110 over de uitgesproken woorden van [medeverdachte 2] op 4 februari 2019 in die zin weliswaar ingebed lijken te zijn in de geschetste predispositie en onmiskenbare wens tot drugshandel van [medeverdachte 2] , maar dat zij in de inhoudelijke kern op zich staan nu alleen A-4110 over de tijdens het eerste gesprek uitgesproken woorden verklaart terwijl [medeverdachte 2] die woorden over Canada en Australië ontkent te hebben uitgesproken. Het hof stelt daarover vast dat de vraag wie gelijk heeft zich niet laat beantwoorden door andere onderdelen van het dossier. Dit doet afbreuk aan de toetsbaarheid. De beantwoording van de vraag blijft derhalve in de lucht hangen. Het hof beschouwt de in het eerste gesprek door A-4110 beschreven - maar door [medeverdachte 2] bestreden - woorden van Canada en Australië wel als aanvankelijke basis voor hetgeen tussenbeide in de daarop volgende gesprekken wordt afgesproken hetgeen leidt tot inzet van A-2395. Het hof is in de gegeven omstandigheden van oordeel dat de relevantie en importantie van de opgeworpen vraag of bij de inzet van A-4110 (en nadien A-2395) al dan niet in overeenstemming met het zogenoemde instigatieverbod is gehandeld, maken dat het hof de onderzoeksresultaten zoals die zijn verkregen naar aanleiding van inzet van A-4110 (en nadien A-2395) voorzover die gaan over de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen in het kader van het Australië-traject, niet wil gebruiken voor het bewijs van die voorbereidingshandelingen."
E – Overige vormverzuimen
Het hof kan zich grotendeels met de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de overige gestelde vormverzuimen verenigen en zal daarom in zoverre deze overwegingen hierna telkens voor zover relevant (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar 'rechtbank' staat, moet 'hof' worden gelezen en waar het hof dit nodig acht zullen de overwegingen worden aangevuld.
Schending van het verbod van détournement de pouvoir
In hoger beroep is wederom aangevoerd dat in het onderzoek sprake is van schending van het verbod van détournement de pouvoir. De rechtbank heeft in eerste aanleg het volgende overwogen.
"Het gebruik van opsporingsbevoegdheden dient altijd plaats te vinden binnen en ten behoeve van de doeleinden waartoe de wet de bevoegdheden toekent. Gebeurt dit niet dan is sprake van misbruik van bevoegdheden. Toepassing van een bijzondere opsporingsbevoegdheid is altijd uitsluitend toegestaan in het belang van het onderzoek en dient gericht te zijn op het nemen van strafvorderlijke beslissingen (zie ook artikel 132a Sv). Het is niet toegestaan opsporingsbevoegdheden in te zetten die hieraan geen bijdrage (meer) kunnen leveren.
Dit neemt niet weg dat de inzet van opsporingsbevoegdheden tegen een bepaalde verdachte in veel gevallen tevens bijdraagt aan een verbeterde informatiepositie van politie en justitie ten aanzien van anderen, organisaties of personen. Zeker bij een onderzoek naar het beramen of plegen van ernstige misdrijven in georganiseerd verband zal dikwijls veel informatie omtrent een organisatie ingewonnen worden, alvorens ook deze organisatie effectief strafrechtelijk kan worden aangepakt. Het verbeteren van de informatiepositie wordt in het Eerste Boek, Titel V, Sv dan ook als tussengelegen doel erkend: het in kaart brengen van een georganiseerd verband, om uiteindelijk de feiten en verdachten te kunnen selecteren waarvan vervolging moet plaatsvinden. Zeker in de aanvang van dergelijk onderzoek kan dat einddoel nog ver verwijderd zijn. De grens van het toelaatbare wordt echter pas overschreden als de afdoening van strafbare feiten niet het achterliggende doel is, maar wanneer het opbouwen van een informatiepositie doel in zichzelf is.
<footnoteReference id="_f79eced5-147e-4d21-8da1-f814c95899b5">[121]</footnoteReference>
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat de tegen verdachte ingezette opsporingsbevoegdheden zijn gebruikt om zicht te krijgen op de mogelijke betrokkenheid van leden van de [motorclub 2] , bij de internationale handel in harddrugs. Het verbod van détournement de pouvoir verzet zich - in het licht van het vorenstaande - in beginsel niet tegen een dergelijk gebruik van opsporingsbevoegdheden. Dit zou anders kunnen zijn indien de opsporingsbevoegdheden uitsluitend waren ingezet met het oog op het opbouwen van een informatiepositie inzake de betrokkenheid van leden van de [motorclub 2] bij de internationale handel in harddrugs. Niet is gebleken of aannemelijk geworden dat daarvan sprake is geweest. Het verbod van détournement de pouvoir is dan ook niet geschonden."
Het hof sluit zich bij deze overweging van de rechtbank aan en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt aanvullend dat - zoals hierboven reeds overwogen - tegen verdachte [medeverdachte 1] een concrete verdenking bestond op grond waarvan het opsporingsonderzoek is aangevangen.
Het verbod van willekeur
De rechtbank heeft het volgende overwogen.
"Ten aanzien van de beslissing om tegen verdachte een opsporingsonderzoek in te stellen
geniet het Openbaar Ministerie beleidsvrijheid. De rechtbank dient deze beleidsvrijheid te
respecteren en kan de beslissing daarom slechts marginaal toetsen.
<footnoteReference id="_c2e30d85-23fd-442a-8c9a-54cb4ab833ea">[122]</footnoteReference>
*Het optreden van*
politie en justitie laat zich slechts als willekeur aanmerken indien een aan een beslissing
ten grondslag liggende belangenafweging apert onredelijk is.
<footnoteReference id="_b83c3a6f-21ea-449d-a11d-70433381ebed">[123]</footnoteReference>
In het requisitoir van de officieren van justitie wordt de volgende toelichting gegeven op
de beslissing om tegen verdachte een opsporingsonderzoek in te stellen:
" De [motorclub 2] zijn een internationale 1%-MC en sinds 1975 in Nederland aanwezig. De [motorclub 1] is in 2001 opgericht en een wereldwijde supportclub voor de [motorclub 2] en sinds 2013 in Nederland gevestigd. Supportclubs zijn van een lager niveau dan de [motorclub 2] maar scharen zich wel achter de doelstellingen en ideeën van de [motorclub 2] . Voor belangrijke besluiten moet een supportclub goedkeuring krijgen van de [motorclub 2] . Beide clubs scharen zich onder de 1% motorclubs; de leden daarvan beschouwen zich als outsiders. Waar 99% van alle motorrijders wetten en regels respecteren, kenmerken deze l%-ers zich juist door structureel wetten en normen te overtreden en alleen eigen clubregels na te leven.
Voor dit onderzoek is relevant dat in Noord-Nederland sprake is van een charter van de [motorclub 2] in [plaats] , de [motorclub 2] , en een charter van de [motorclub 1] in onder meer [plaats] . De hiërarchie tussen de [motorclub 2] en de [motorclub 1] heeft een rol gespeeld bij strategische keuzes in het opsporingsonderzoek Vidar. Als doelstelling is aan het begin van het onderzoek geformuleerd: vaststellen of uitsluiten dat leden van de [motorclub 2] , betrokken zijn bij de internationale handel in harddrugs. Op dat moment bestond er geen verdenking jegens een lid van de [motorclub 2] , maar wel een verdenking jegens de [motorclub 1] [medeverdachte 1] . Er is gebruik gemaakt van die verdenking om zicht te krijgen op de handel in harddrugs in de verwachting en veronderstelling dat deze internationale handel in harddrugs plaats zal vinden onder goedkeuring of instemming van de [motorclub 2] , juist omdat [medeverdachte 1] een [motorclub 1] is. Mogelijk zou dus zicht kunnen ontstaan op leden van de [motorclub 2] , die wetenschap hebben van die handel en op hun mogelijke betrokkenheid bij de internationale handel in harddrugs"
Gelet op deze toelichting, de tegen verdachte bestaande verdenking, en de omstandigheid
dat verdachte (goede) contacten heeft (met kaderleden van) de [motorclub 2] in
[plaats] ,
<footnoteReference id="_4413ef96-c59a-40a3-b0d7-1cdfa53c724c">[124]</footnoteReference>
*kan niet gezegd worden dat de beslissing om een opsporingsonderzoek*
tegen verdachte in te stellen teneinde zicht te krijgen op de mogelijke betrokkenheid van
leden van de [motorclub 2] , bij de internationale handel in harddrugs
apert onredelijk is en zich als willekeur laat aanmerken. Het verbod van willekeur is dan
ook niet geschonden. Het verweer van de raadslieden wordt verworpen."
De rechtbank heeft naar het oordeel van het hof juiste afwegingen gemaakt. Het hof sluit zich bij de bovenstaande overwegingen aan en maakt deze tot de zijne.
Vormverzuim OVC-opnamen in de woning van [medeverdachte 1]
De verdediging heeft aangevoerd dat voor het maken van geluidsopnamen in woningen van verdachten een machtiging van de rechter-commissaris is vereist en daarnaast aanvullende toestemming van het College van Procureurs-generaal na advisering van de Centrale toetsingscommissie. Hij verbindt daaraan de conclusie dat alle door A-4110 ingebrachte bewijsmiddelen van het bewijs dienen te worden uitgesloten en dat dat subsidiair in ieder geval geldt voor de in strijd met de vereisten in woningen gemaakte opnamen. Meer specifiek gaat het de verdediging om het gesprek op 14 februari 2019 in de woning van [medeverdachte 1] dat is opgenomen met behulp van de opnameapparatuur die A-4133 bij zich droeg.
De advocaten-generaal hebben zich ter terechtzitting van het hof op het standpunt gesteld dat bij het voorbereidend onderzoek zich geen vormverzuimen hebben voorgedaan die moeten leiden tot één van de in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen.
Het hof overweegt hierover als volgt.
Artikel 359a Sv houdt in dat indien blijkt dat bij het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld en de rechtsgevolgen hiervan niet uit de wet blijken, bepaald kan worden dat (a) de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim zal worden verlaagd, indien het door het verzuim veroorzaakte nadeel langs deze weg kan worden gecompenseerd, (b) de resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet mogen bijdragen aan het bewijs van het tenlastegelegde feit en (c) het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk is, indien door het verzuim geen sprake kan zijn van een behandeling van de zaak die aan de beginselen van een behoorlijke procesorde voldoet.
Bij de beoordeling of aan een vormverzuim zoals hiervoor bedoeld enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt, dient de rechter rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is "het belang dat het geschonden voorschrift dient". De tweede factor is "de ernst van het verzuim". Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is "het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt". Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.
Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim.
Oordeel van het hof
In aanvulling op deze overwegingen stelt het hof vast dat het niet gaat om de woning waar verdachte woonachtig was. In zoverre is er in de strafzaak tegen verdachte geen belang van verdachte geschonden. Het verweer behoeft op grond daarvan geen verdere bespreking en kan niet slagen.
5. Bewijs
<footnoteReference id="_2a38886f-fad5-4710-b142-e5ec94fcebb3">[125]</footnoteReference>
De inhoud van de navolgende bewijsmiddelen, waarbij ieder bewijsmiddel, ook in onderdelen, slechts wordt gebezigd voor het bewijs van het feit, waarop het blijkens de inhoud daarvan betrekking heeft, levert op de redengevende feiten en omstandigheden, op grond waarvan het hof bewezen acht en de overtuiging heeft verkregen, dat verdachte het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierna is bewezenverklaard.
Het hof zal bij de bespreking van het bewijs allereerst aandacht besteden aan de identificatie van PGP telefoons. Ook zal het hof aandacht besteden aan begrippen die in het bewijs terugkomen. De indeling bij de bewijsbespreking is gemaakt aan de hand van de tenlastelegging en ten behoeve van de leesbaarheid. Niet wordt bedoeld de toepasselijkheid van de bewijsmiddelen te beperken tot de desbetreffende zaaksdossiers. Het hof zal afsluiten met een aantal bewijsoverwegingen. Dit levert de volgende indeling in de bespreking van het bewijs op.
Indeling
1 PGP identificaties
Aan [medeverdachte 3] worden de Encrochat-accounts ' [naam] ' en ' [naam] ' toegeschreven.[126]
Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 3] in de periode van 24 mei 2019 tot en met 2 maart 2020 gebruik maakte van deze accounts.
Op 24 mei 2019 rijden A-4110 en [medeverdachte 2] met de auto naar [plaats] , waar [medeverdachte 2] iemand gaat ontmoeten. De auto is op dat moment voorzien van OVC opname apparatuur en camera's. Met de camera's kan zicht worden verkregen op de Encro-telefoon van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] heeft in de auto contact met een persoon die als username " [naam] " heeft. Verbalisanten hebben dit afgeleid uit een foto die gemaakt is met de dashboardcamera in de auto terwijl [medeverdachte 2] een bericht voorleest dat hij de dag ervoor heeft ontvangen.[127] . Uit de OVC-gesprekken komt naar voren dat [medeverdachte 2] het tegenover A-4110 heeft over ' [naam] ' (fonetisch), namelijk over een bericht dat hij de dag daarvoor van ' [naam] " heeft ontvangen. In dat bericht zegt ' [naam] ' de afspraak met [medeverdachte 2] af omdat hij het druk heeft omdat hij volgende week met "de club" naar Engeland gaat en nog allerlei dingen moet regelen.[128] Uit tapgesprekken op 14 mei en 20 mei 2019 volgt dat [medeverdachte 3] vanaf 25 mei 2019 een week naar Engeland gaat met de motorclub voor een 'Run'.[129]
Bij een ontmoeting op 24 augustus 2019 tussen [medeverdachte 2] , A-4110 en diverse andere (onbekende personen) wordt gesproken over Encro-telefoons en het verlengen van de abonnementen op Encrochat. In dit gesprek zegt [medeverdachte 2] : " [naam] is van [medeverdachte 3] ".[130]
Op 7 september 2019 heeft [medeverdachte 2] de Encro-telefoon van A-4110 gebruikt omdat die van hem niet meer werkte. [medeverdachte 2] heeft een aantal contacten in de telefoon van A-4110 gezet. De WOD-begeleiders van A-4110 hebben een foto gemaakt van de contactenlijst van de Encro-telefoon van A-4110. Tijdens
die ontmoeting bespreken [medeverdachte 2] en A-4110 de door [medeverdachte 2] verzonden uitnodigingen:
[medeverdachte 2] : Deze heb je uitgenodigd, deze heb ik ook al gekregen, hier. Kijk ik heb allemaal uitnodigingen
verstuurd.
(...)dit is / [naam] is uhh [plaats]
A-4110: Ja[131]
[medeverdachte 3] wordt op 2 maart 2020 in zijn woning in [plaats] aangehouden. Tijdens de doorzoeking door de politie wordt een Encro-toestel aangetroffen in een wandplank. De username ' [naam] ' was actief op het toestel.[132] Op het toestel wordt DNAmateriaal aangetroffen waarvan het DNA-profiel overeenkomt met het DNA-profiel van [medeverdachte 3] .[133]
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 3] van 24 mei 2019 tot en met 2 maart 2020 de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ' [naam] ', voorheen ' [naam] `. Nu er geen enkele aanwijzing is dat deze accounts gedurende deze periode door meerdere personen zijn gebruikt, oordeelt het hof dat alle berichten van en naar deze accounts van [medeverdachte 3] afkomstig en voor hem bestemd waren.
PGP-identificatie [medeverdachte 2] : [naam] en [naam]
Aan [medeverdachte 2] worden de Encrochat-accounts ' [naam] ' en ' [naam] ' toegeschreven.[134]
Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 2] in de periode van 28 juni 2019 tot en met 2 maart 2020 gebruik maakte van het account ' [naam] ' en hij naar eigen zeggen in september 2018 gebruikte maakte van het account ' [naam] '.
Op 28 juni 2019 is op OVC opnamen – gemaakt in de auto van A-4110 – in combinatie met camerabeelden te zien dat [medeverdachte 2] gebruik maakt van een cryptotelefoon. Te zien is dat [medeverdachte 2] 's gebruikersnaam ' [naam] ' is.[135]
[medeverdachte 2] zegt op 6 september 2019 tegen A-4110 dat zijn PGP (A-4110 spreekt over de "cryptische" telefoon van [medeverdachte 2] ) het niet meer deed omdat het waarschijnlijk is afgelopen en dat deze verlengd moest worden.[136]
Op 10 september 2019 zitten A-4110 en [medeverdachte 2] in de auto onderweg naar een afspraak met [medeverdachte 6] en wordt meermaals gesproken over Encro-telefoons. In de auto zijn geluiden te horen alsof er berichten binnenkomen. Tijdens dit gesprek vertelt [medeverdachte 2] aan A-4110 desgevraagd dat hij ' [naam] ' is. Bij de ontmoeting met [medeverdachte 6] bespreekt [medeverdachte 2] dat het abonnement van zijn telefoon is verlopen en dat deze verlengd moet worden. [medeverdachte 6] zegt: "dus ik had hem geld mee gegeven plus jou [naam] (fon) heet jij", waarop [medeverdachte 2] reageert met: "Nee ik heet niet [naam] . [naam] . [naam] . Dat is de oude van mij [naam] . Dat is een jaar geleden man". [medeverdachte 2] zegt dat hij die naam al 6 of 7 maanden niet meer gebruikt.[137]
[medeverdachte 2] geeft op 10 september 2019 zijn Encro-toestel in bewaring bij A-4110. Bij de debriefing tussen de WOD-begeleiders en A-4110 geeft A-4110 het toestel van [medeverdachte 2] aan de begeleiders zodat het toestel kan worden onderzocht door de politie. Uit dit onderzoek volgt dat aan dit Encro-toestel het telefoonnummer [telefoonnummer] is gekoppeld.[138] In de periode 19 september 2019 tot en met 28 februari 2020 is dit telefoonnummer actief in het toestel met IMEI nummer [nummer] . Het telefoonnummer [telefoonnummer] is in de periode van 11 april 2019 tot en met 9 oktober 2019 actief is in het toestel met IMEI nummer [nummer] .[139]
Op 2 maart 2020 wordt [medeverdachte 2] aangehouden. Door het arrestatieteam is bij [medeverdachte 2] een cryptotelefoon aangetroffen.[140] Het toestel heeft IMEI nummer [nummer] / [nummer] en op het toestel was de Encrochat username ' [naam] ' actief.[141]
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] vanaf september 2018 de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ' [naam] ' en vanaf 28 juni 2019 van het Encrochat-account ' [naam] '. Nu er geen enkele aanwijzing is dat deze accounts gedurende deze periode door meerdere personen zijn gebruikt, oordeelt het hof dat alle berichten van en naar deze accounts van [medeverdachte 2] afkomstig en voor hem bestemd waren.
PGP-identificatie [medeverdachte 6] : [naam]
Aan [medeverdachte 6] wordt het Encrochat-account ' [naam] ' toegeschreven.[142]
Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 6] in de periode van 24 augustus 2019 tot en met 23 november 2019 gebruik maakte van het account ' [naam] '.
Bij het useraccount ' [naam] ' was het IMEI-nummer [nummer] bekend.
Om de telefoonnummers van [medeverdachte 6] vast te stellen zijn er meerdere netwerkmetingen uitgevoerd waaronder in de nabije omgeving van de woning van [medeverdachte 6] . Op 10 juli 2019 te 15:51 uur is het hiervoor genoemde IMEI-nummer gemeten nabij de woning van [medeverdachte 6] , in combinatie met het IMSI-nummer [nummer] . Dit betekent dat dit IMSI-nummer op dat moment fysiek aanwezig was in het device met het genoemde IMEI-nummer. Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik is bij verdachte [medeverdachte 6] . Dit telefoonnummer straalde op 10 juli 2019 te 15:46 uur een cell-id aan bij de [adres] te [plaats] . Deze cell-id straalde uit in de richting waar ook de woning van [medeverdachte 6] is gelegen. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 6] de gebruiker is van het Encro-toestel met IMEI-nummer [nummer] en gebruikt maakt van de username [naam] .[143]
Op 24 augustus 2019 spreken [medeverdachte 2] en A-4110 elkaar. A-4110 vraagt aan [medeverdachte 2] wat "die [medeverdachte 6] " had gezegd, waarop [medeverdachte 2] iets lijkt op te zoeken en vervolgens zegt dat 'die [medeverdachte 6] ' ' [naam] ' heet.[144] Uit onderzoek van de politie is gebleken dat [medeverdachte 6] ook wel ' [medeverdachte 6] ' wordt genoemd.
[medeverdachte 2] laat op 26 augustus 2019 aan A-4110 op zijn Encro-telefoon een bericht zien van "die [medeverdachte 6] ". Uit het gesprek volgt dat hij niet kan omdat er iets is tussengekomen.[145]
Op 8 september 2019 ontmoeten [medeverdachte 2] en A-4110 ' [medeverdachte 6] '. A-4110 verklaarde tegenover zijn WODbegeleiders dat ' [medeverdachte 6] ' aan kwam rijden in een grote donkerkleurige BMW met Duitse kentekenplaten. [medeverdachte 2] en ' [medeverdachte 6] ' spraken over de problemen die [medeverdachte 2] had met zijn PGP. ' [medeverdachte 6] ' zou dit voor [medeverdachte 2] gaan regelen.[146] Uit onderzoek van de politie volgt dat [medeverdachte 6] in die tijd in een zwarte BMW met een Duits kenteken reed.[147]
Op 10 september 2019 ontvangt A-4110 uitleg van [medeverdachte 2] over zijn Encro-telefoon. [medeverdachte 2] vertelt hierbij ook over enkele gebruikersnamen en wie dat zijn. [medeverdachte 2] zegt dat ' [medeverdachte 6] ' de gebruikersnaam ' [naam] ' heeft. In de avond ontmoeten [medeverdachte 2] en A-4110 [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] zegt dat hij een One BC telefoon heeft. Bij de ontmoeting met [medeverdachte 6] bespreekt [medeverdachte 2] dat het abonnement van zijn telefoon verlopen is en verlengd moet worden. [medeverdachte 6] zegt: "dus ik had hem geld mee gegeven plus jou [naam] (fon) heet jij", waarop [medeverdachte 2] reageert: "Nee ik heet niet [naam] . [naam] . [naam] . Dat is de oude van mij [naam] . Dat is een jaar geleden man". [medeverdachte 6] geeft aan het te zullen regelen. [medeverdachte 2] vertelt [medeverdachte 6] dat hij met de telefoon van A-4110 wat contacten heeft teruggehaald en dat niemand reageert op uitnodigen, waaronder [medeverdachte 6] . [medeverdachte 6] zegt dat hij hem ( [medeverdachte 2] of A-4110) ook een uitnodiging heeft gestuurd. [medeverdachte 2] zegt dat de gebruikersnaam van A4110 [naam] is en de gebruikersnaam van [medeverdachte 6] ' [naam] '[148] is.[149] Uit het dossier volgt dat met een One BC telefoon waarschijnlijk een No. 1 BC telefoon wordt bedoeld.[150]
[medeverdachte 2] vertelt A-4110 op 16 oktober 2019 dat hij ' [medeverdachte 6] ' weer had gesproken. Hierbij liet [medeverdachte 2] op zijn Encro-toestel berichten zien, afkomstig van ' [naam] '.[151]
Op 30 oktober 2019 gooien A-4110 en [medeverdachte 2] een enveloppe met € 5.000, - door de brievenbus van de woning van ' [medeverdachte 6] ' in [plaats] . ' [medeverdachte 6] ' had via PGP contact met [medeverdachte 2] gehad en had hem om het geld gevraagd, vertelt [medeverdachte 2] tegen A-4110.[152] Op camerabeelden van de woning van [medeverdachte 6] van 30 oktober 2019 is te zien dat een voertuig de oprit half oprijdt en dat de bijrijder uitstapt met iets rechthoekigs in zijn rechterhand. Wanneer de bijrijder terug naar de auto loopt, is te zien dat de bijrijder voornoemd voorwerp niet meer in zijn rechterhand heeft. Later die avond komt [medeverdachte 6] bij de woning aan.[153]
Op 8 november 2019 ontmoeten [medeverdachte 2] , A-4110 en [medeverdachte 6] elkaar. Ze spreken over de PGPtelefoons. [medeverdachte 6] zegt dat hij "dat kutding" niet altijd bij zich heeft. [medeverdachte 6] zegt dat hij met 5 telefoons rondloopt. Hij heeft [naam] gewoon op de Iphone, hij heeft een Encro, twee onepc (waarschijnlijk 1. BC) en nog een [naam] (fonetisch). [medeverdachte 6] zegt dat hij ook nog "een gewone" heeft.[154]
Wanneer A-4110 op 23 november 2019 tegen [medeverdachte 6] zegt dat hij hem een bericht heeft gestuurd, zegt [medeverdachte 6] "A, sorry, ik heb hem, al 4 dagen niet aan". [medeverdachte 6] vraagt A-4110 of hij ' [naam] is'. Dit bevestigt A-4110. [medeverdachte 6] zegt vervolgens dat hij niet te veel op die "kut telefoon" wil, soms doet hij er even twee uit. Later zegt [medeverdachte 6] tegen A-4110 dat hij [medeverdachte 2] de groeten moet doen, en dat hij "dat ding" even aan zal doen en hen zal mailen.[155] Voorafgaand aan dit gesprek stuurt A4110 naar ' [naam] ' een bericht.[156]
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 6] vanaf 24 augustus 2019 de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ' [naam] '. Nu er geen enkele aanwijzing is dat dit account gedurende deze periode door meerdere personen is gebruikt, oordeelt het hof dat alle berichten van en naar dit account van [medeverdachte 6] afkomstig en voor hem bestemd waren.
PGP-identificatie [medeverdachte 9] : [naam] en [naam]
Aan [medeverdachte 9] wordt het Encrochat-account ' [naam] ' toegeschreven.[157] Bovendien wordt aan [medeverdachte 9] het [app] - account ' [naam] ' toegeschreven.[158]
Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 9] in de periode van 22 november 2019 tot en met 2 maart 2020 gebruik maakte van het Encrochat-account ' [naam] '.
Op 2 maart 2020 worden meerdere verdachten, waaronder [medeverdachte 9] , aangehouden. In het voertuig waarin de verdachten zaten tijdens de aanhouding, dan wel onder de verdachten zijn onder andere de volgende telefoons aangetroffen: - Een Samsung SM-J600 met het IMEI-nummer [nummer] , vermoedelijk in gebruik bij [medeverdachte 9] .[159] - Een BQ crypto-telefoon met de IMEI-nummers [nummer] en [nummer] , door het arrestatieteam aangetroffen bij [medeverdachte 9] .[160]
Op de onder [medeverdachte 9] in beslag genomen BQ telefoon was de username ' [naam] ' actief.[161]
Uit het dossier volgt dat de Samsung SM-J600 in gebruik is bij [medeverdachte 9] . In het toestel zit een simkaart met het IMSI-nummer [nummer] . De politie ziet dit telefoonnummer terug in de tapgegevens en ziet dat het gekoppeld is aan het telefoonnummer [telefoonnummer] , het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 9] .[162] Op de Samsung telefoon is één device user opgeslagen, met daarbij de naam ' [medeverdachte 9] '. Er stonden meerdere useraccounts op de telefoon die verwijzen naar de naam [medeverdachte 9] , zoals ' [medeverdachte 9] @gmail.com', ' [medeverdachte 9] ' en ' [medeverdachte 9] '. Op de telefoon worden ook Telegramgesprekken aangetroffen waarbij in uitgaande berichten de Encro-username ' [naam] ' wordt doorgegeven. Op 22 november 2019 wordt na de vraag "Heb je ook Encro trouwens, als antwoord gestuurd "Voeg me. [naam] ". In een gesprek van 28 november 2019 komt Encro ter sprake en wordt na een inkomend bericht inhoudende "Stuur die van jou voeg ik je toe" geantwoord: " [naam] ".[163]
Bovendien volgt uit het dossier dat [medeverdachte 9] in de periode van 12 februari tot en met 2 maart 2020 gebruik maakte van het [app] - account ' [naam] '.
Zoals hierboven is beschreven is onder [medeverdachte 9] een telefoon in beslag genomen. Dat was een telefoon van het merk Samsung, type J600. Van de berichten in de applicatie [app] die zijn aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 9] , is de zender van de berichten in de periode van 12 februari 2020 tot en met 24 februari 2020 steeds ' [naam] '.[164]
In berichten van 2 maart 2020 vanaf 9.39 uur aan ' [naam] ' zegt ' [naam] ' onder meer dat de auto kapot is, dat hij bij [locatie] staat en vraagt hij de ANWB of andere hulpdienst te bellen. Daarbij wordt vermeld " [kenteken] '.
Uit de opgevraagde historische gegevens van het telefoonnummer van [medeverdachte 11] is gebleken dat hij aansluitend op de vraag om de ANWB te bellen drie keer heeft gebeld naar een telefoonnummer van de ANWB.[165]
Om 9.50 uur is door een observatieteam van de politie gezien dat er in de middenberm van de [adres] te [plaats] (in de buurt van [locatie] ) een Volvo voorzien van het kenteken [kenteken] stond met een telefonerende bestuurder die werd herkend als [medeverdachte 9] . Even later werd gezien dat het voertuig op een afsleepwagen stond en wegreed.[166]
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 9] van 22 november 2019 tot en met 2 maart 2020 de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ' [naam] ' en in de peridode van 2 februari tot en met 2 maart 2020 van het [app] - account ' [naam] '. Nu er geen enkele aanwijzing is dat deze accounts gedurende deze periode door meerdere personen zijn gebruikt, oordeelt het hof dat alle berichten van en naar deze accounts van [medeverdachte 9] afkomstig en voor hem bestemd waren.
PGP-identificatie [medeverdachte 11] : [naam]
Aan [medeverdachte 11] wordt het Encrochat-account ' [naam] ' toegeschreven.[167]
Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 11] in de periode van 3 februari tot en met 2 maart 2020 gebruik maakte van het Encrochataccount ' [naam] '.
Op 2 maart 2020 wordt een BQ-cryptotelefoon inbeslaggenomen die in gebruik was bij [medeverdachte 9] met de username ' [naam] '. In gesprekken aangetroffen op deze telefoon op 3 en 27 februari 2020 wordt [medeverdachte 9] gevraagd naar de naam van zijn broer. [medeverdachte 9] geeft ' [naam] ' door. Tegen de gebruiker ' [naam] ' zegt [medeverdachte 9] : "Voeg me bro toe" en " [naam] ".[168] Op 2 maart 2020 wordt [medeverdachte 11] aangehouden, dit is één van de twee broers van [medeverdachte 9] .[169]
In een gesprek op 2 maart 2020 tussen [medeverdachte 2] , A-4110 en [medeverdachte 10] zegt [medeverdachte 2] dat hij ' [naam] ' heeft toegevoegd, waarop [medeverdachte 10] even later zegt: "zijn broer ken ik wel. Als hij buiten gaat staan dan herken ik hem".[170]
Bij een doorzoeking van de woning van [medeverdachte 11] op 2 maart 2020 wordt op zijn slaapkamer op de vloer een zwarte telefoon van het merk Smart V aangetroffen en inbeslaggenomen.[171] Dit toestel wordt onderzocht en uitgelezen. Op het toestel met IMEI-nummer [nummer] blijkt de Encro-username ' [naam] ' actief te zijn. Er worden berichten aangetroffen van de periode van 24 februari tot en met 2 maart 2020.[172]
Aan [medeverdachte 11] wordt daarnaast het [app] - account ' [naam] ' toegeschreven.[173]
Uit het dossier volgt dat [medeverdachte 11] gebruik maakte van het [app] - account ' [naam] ' op 1 en 2 maart 2020.
Op 1 en 2 maart 2020 is er contact tussen ' [naam] en ' [naam] '. Op 2 maart 2020 stuurt ' [naam] ' het volgende bericht naar ' [naam] ': "Je kan naar me rijden voor pap ze sleutels". Gelet op de inhoud van dit bericht is het aannemelijk dat beide gebruikers dezelfde vader hebben. [medeverdachte 11] en [medeverdachte 9] hebben dezelfde vader. Verder zegt ' [naam] ' tegen ' [naam] ' dat hij de ANWB moet bellen. Uit de historische telefoongegevens van het telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 11] ( [telefoonnummer] ) volgt dat hij na dit bericht drie keer heeft gebeld naar een telefoonnummer van de ANWB.[174]
[medeverdachte 2] zit op 2 maart 2020 in de auto met [medeverdachte 10] en A-4110 en zegt dat ze naar [plaats] moeten en dat "zijn broer" de spullen al klaar had.[175] [medeverdachte 11] en [medeverdachte 9] zijn broers van elkaar.[176]
Gelet op het voorgaande stelt het hof vast dat [medeverdachte 11] in de periode van 3 februari tot en met 2 maart 2020 de gebruiker is geweest van het Encrochat-account ' [naam] ' en in de periode van 1 en 2 maart 2020 van het [app] - account ' [naam] '. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting gaat hof er vanuit dat een gesprek in de middag van 1 maart 2020 tussen [naam] en [naam] niet door [medeverdachte 11] maar door een ander gevoerd is, omdat daarin door [naam] wordt gezegd dat hij zijn eigen enc thuis is vergeten en vanaf half zes daarop weer bereikbaar is. In het later op die middag gevoerde gesprek tussen [naam] en [naam] wordt door [naam] aangegeven "heb deze tel zo niet bik me' en wordt als [app] naam opgegeven ' [naam] '. Het hof leidt uit het voorgaande af dat ook dit gesprek niet door [medeverdachte 11] is gevoerd, maar dat die middag de Encro telefoon van [medeverdachte 11] en zijn Encro account [naam] kennelijk door zijn broer [medeverdachte 9] is gebruikt. Uit de inhoud van berichten leidt het hof ook af dat het gebruik van de account [naam] door een ander dan [medeverdachte 11] een incident betrof. Nu er verder geen enkele aanwijzing is dat de accounts gedurende deze periode door meerdere personen zijn gebruikt, oordeelt het hof dat behoudens de hiervoor aangehaalde gesprekken alle berichten van en naar deze accounts van [medeverdachte 11] afkomstig en voor hem bestemd waren.
Identificatie en gebruik Encrochat
Uit nader identificerend onderzoek naar gebruikers van Encrochat blijkt dat verdachten [medeverdachte 6] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 2] gebruik maken van Encrochat. [177] Zij maken gebruik van Encrochat om af te stemmen over criminele activiteiten.
Op de vraag van A-4110 over de door [medeverdachte 2] getoonde telefoon of dat niet gevaarlijk is, vertelt [medeverdachte 2] dat het geen probleem is, omdat er een 'burner' op zit die de berichten na verloop van tijd wist. Volgens A-4110 is het een normale telefoon om te zien. [medeverdachte 2] vertelt dat de telefoon € 1.500, - kost en hij iedere keer een andere krijgt.[178] Uit een opgenomen vertrouwelijk gesprek tussen [medeverdachte 2] en A-4110 op l7 juli 2019 blijkt dat [medeverdachte 2] al langer gebruik maakt van encryptietelefonie. [medeverdachte 2] vertelt dat hij 'Ennetcom en Savecom' vroeger ook gebruikt heeft.[179] Uit een analyse van de inbeslaggenomen Encrochat toestellen, blijkt dat meerdere deelnemers elkaar in hun contactlijst hebben opgeslagen: - De username [naam] ( [medeverdachte 6] ) staat opgeslagen in de contactenlijst van [naam] ( [medeverdachte 2] ); - De username [naam] ( [medeverdachte 3] ) staat opgeslagen in de contactenlijst van [naam] ( [medeverdachte 9] ), [naam] ( [medeverdachte 11] ) en van [naam] ( [medeverdachte 2] ) - De username [naam] ( [medeverdachte 3] , voorafgaand aan [naam] ) staat opgeslagen in de contactlijst van [naam] ( [medeverdachte 3] ), [naam] ( [medeverdachte 9] ) en van [naam] ( [medeverdachte 2] ); - De username [naam] ( [medeverdachte 9] ) staat opgeslagen in de contactenlijst van [naam] ( [medeverdachte 3] ), [naam] ( [medeverdachte 11] ) en van [naam] ( [medeverdachte 2] ); - De username [naam] ( [medeverdachte 11] ) staat opgeslagen in de contactenlijst van [naam] ( [medeverdachte 3] ), [naam] ( [medeverdachte 9] ) en van [naam] ( [medeverdachte 2] ); - De username [naam] ( [medeverdachte 2] ) staat opgeslagen in de contactenlijst van [naam] ( [medeverdachte 9] ), [naam] ( [medeverdachte 3] , opgeslagen onder de bijnaam ' [medeverdachte 3] ') en [naam] ( [medeverdachte 11] ).[180] Een username wordt opgeslagen in de contactenlijst door een actieve handeling van de gebruiker van het Encrochat toestel.[181]
2 Uitleg van namen, termen en begrippen
Het hof heeft gezien dat in de onderlinge communicatie tussen verdachten gebruik wordt gemaakt van afkortingen, aliassen en versluierend taalgebruik. Ook met het oog op de leesbaarheid van de bewijsparagraaf zal het hof eerst aandacht besteden aan in het onderzoek gebleken aanduidingen van personen en het gebruik van verschillende termen als versluierend taalgebruik.
Aliassen
Voor wat betreft de aanduiding van betrokken personen houdt het hof het er met de rechtbank op grond van de inhoud van het dossier voor dat de volgende personen onder andere namen worden aangeduid; Op grond van de bewijsmiddelen die in samenhang worden beschouwd begrijpt het hof dat met de volgende bijnamen wordt bedoeld:
Omwille van de leesbaarheid van het arrest worden voornoemde personen zoveel mogelijk bij hun achternaam aangeduid wanneer over hen wordt gesproken.
Versluierend taalgebruik
Uit de onderlinge communicatie volgt dat regelmatig op dezelfde wijze afkortingen zoals [naam] worden gebruikt. Het hof zal daar bij de bewijsoverwegingen nader op ingaan. Het hof stelt voorts vast dat in het dossier door middel van versluierend taalgebruik wordt gecommuniceerd. Dit wordt hieronder in de bewijsmiddelen duidelijk waar bijvoorbeeld [medeverdachte 3] aan [medeverdachte 2] opdraagt dat in de vrouwelijke vorm "darling" moet worden ge-sms't in plaats van dat "mate" wordt geschreven. [182] Voorts heeft (gepensioneerd undercoveragent) A-4133 verklaard dat door [medeverdachte 1] is voorgesteld in aantallen hoeren te spreken waar kilo's amfetamine werden bedoeld. Voorts verwees [medeverdachte 1] naar de drugs als auto-onderdelen, of speciaal naar amfetamine/speed als 'snel'. [183] [medeverdachte 1] zelf heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat met snelle wordt bedoeld: speed.[184] Ingevolge het proces-verbaal van zaaksdossier 9 wordt vastgesteld dat snellestraattaal voor speed oftewel amfetamine is.[185] De politie heeft in het proces-verbaal van bevindingen specifiek over versluierend taalgebruik het volgende beschreven:
Gedurende onderzoek Vidar is meermaals gebleken dat verdachten en betrokkenen onderling communiceren, vermoedelijk gebruik makend van 'versluierd taalgebruik'. Hiermee wordt bedoeld: het gebruik van woorden die letterlijk iets anders betekenen dan feitelijk bedoeld wordt. Het gebruik van versluierd taalgebruik kan dienen als afscherming tegen opsporingsdiensten. In voorliggend proces-verbaal worden enkele voorbeelden van versluierd taalgebruik beschreven, zoals die zijn geconstateerd in onderzoek Vidar. Uit deze voorbeelden blijkt ook dat verdachten concreet afspraken maken over de wijze waarop zij versluierd taalgebruik toepassen en deze wijze ook daadwerkelijk toepassen. Ook maken verdachten afspraken hierover met infiltranten, waarbij de verdachten actief betrokken zijn bij het tot stand komen van het versluierd taalgebruik.[186]
Het hof stelt op grond van het voorgaande vast dat in dat proces-verbaal over verschillende termen uitleg wordt gegeven aan de hand van het combineren van concrete onderzoeksresultaten. Op basis van die onderzoeksresultaten heeft de politie op navolgbare wijze duiding gegeven aan termen en begrippen die in de chatgesprekken zijn gebruikt. Het hof verenigt zich met die uitleg van de politie. De duiding is naar het oordeel van het hof in lijn met de context van de gesprekken en samenhang met chatberichten en andere onderzoeksresultaten. Dit leidt ertoe dat wanneer hieronder in de bewijsmiddelen bijvoorbeeld termen worden gebruikt als: snelle, snel, fast, sandwich, hoerendoor het hof wordt begrepen dat speed oftewel amfetamine wordt bedoeld. De termen wit, snelle, blok, cake, of neus staan voor cocaïne. Het hof stelt vast dat motoronderdelen of motorgerelateerde items ook wel worden gebruikt om drugs woordelijk te bemantelen. Naar het oordeel van het hof is de vaststelling van de politie dat in de onderlinge communicatie (en daarin te lezen afspraken daarover) dat bewust gebruik wordt gemaakt van aanduidingen die duiden op bewust gebruik van (vrouwelijke) liefdesrelaties, wanneer termen gebruikt worden als babe, darling, honeyof bijvoorbeeld*schatje.*Het hof duidt de term pap op basis van de context en samenhang in het dossier veelal als geld.[187]
Het hof zal hieronder in de bewijsoverwegingen het bovenstaande en ander versluierend taalgebruik nader betekenis geven.
3 Zaaksdossiers en bewijs
Feit 1 (Zaaksdossier 5 – uitvoer 9893,10 gram amfetamine naar Ierland)
Ten aanzien van dit feit is sprake van een bekennende verdachte. Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat het hof met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
Forensisch onderzoek amfetamine
- algemeen dossier, FTO-009-01, pagina 11153 (geschrift);
- algemeen dossier, FTO-009-02, pagina 11160 en 11161 (geschrift);
- algemeen dossier, FTO-009-03, pagina 11164, 11165, 11166 (geschrift);
- algemeen dossier, FTO-009-05, pagina 11171, 11172, 11173;
- algemeen dossier, FTO-009-06, pagina 11176, 11177, 11178, 11179;
- algemeen dossier, FTO-009-06-01, pagina 11180, 11181, 11182, 11183, 11184, 11185, 11186, 11187, 11188, 11189, 11190 (geschrift);
- algemeen dossier, FTO-009-08, pagina 11208,
- algemeen dossier, FTO-009-18, pagina 11219, 11220 (geschrift);
- algemeen dossier, FTO-009-18-01, pagina 11222 en
- algemeen dossier, FTO-062-04, pagina 12620.
Feit 4 (Zaaksdossier 17 – witwassen € 140.000,-)
Uit een OVC opname in de woning van A-4110 op 20 september 2019 blijkt dat [medeverdachte 2] zegt: "Ik weet niet hoe laat die Fin morgen komt."[188]
Uit de passagierslijst van Vantaa Finland naar [plaats] Nederland blijkt dat [medeverdachte 8] s aankomsttijd in Nederland 21 september 2019 om 19.50 uur is en dat er een retourvlucht is geboekt voor 24 september 2019 om 07.00 uur.[189]
Op 21 september 2019 belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 8] .
[medeverdachte 3] gaat [medeverdachte 8] eerst bellen. Telefoon geluid inkomend gesprek (19.47) Alleen zijde [medeverdachte 3] te horen, zegt: [medeverdachte 8] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 8] , what happening, what happening, brother, brother, listen, listen, i am not even home yet, we can do two things, or you wait, or you take a hotel and i will come tomorrow morning, is that ok for you, sorry, one hour and then one hour to drive still, if you take one hotel. then tomorrow
vervolg telefoongesprek (alleen zijde [medeverdachte 3] te horen).
[medeverdachte 3] : Tomorrow eleven o'clock and i can stay all day with you, yes, for me its better. i am fucking tired, yes, yes, like last time, on the airport, ok, ntv, see you tomorrow, at 11 clock, oke, bro, thank you, see you tomorrow, bye bye, ciao, (einde gesprek 19.49)[190]
[medeverdachte 3] zegt dat er een last van zijn schouder valt, zegt dat hij hem morgen ophaalt. [191]
Twee dagen later op 24 september 2019 vindt een overleg plaats tussen [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , waarin geklaagd wordt dat er te weinig geld is binnengekomen. In dit gesprek wordt onder meer gezegd:
[medeverdachte 3] : Van die zeven en twintig duizend (27.000) krijg je nog steeds van die
kleine (ntv) (…)
[medeverdachte 3] : We zullen toch geld moeten hebben…ntv… investeren..We zullen toch, we zullen toch iets moeten doen. (...) Dan moet ik weer iemand sturen gaan halen
[medeverdachte 2] : ( ... ) En... hij zorgt dat dat geld, euh... van die deal die we
ervoor hebben, die zit er ook bij in OF ik krijg die euh, euh (ntv) oktober. Dat is het verhaal.
[verdachte] : Van wie krijgen we die 19 oktober? Van [medeverdachte 8] (fon)? Want euh [medeverdachte 8] (fon) geloof ik op zijn woord niet meer.[192]
Op 16 oktober 2019 komt A-4110 [medeverdachte 2] tegen op het [adres] .[193] Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met audioapparatuur. De opname is uitgewerkt.[194] Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] : Die [medeverdachte 6] heeft gereageerd.
[medeverdachte 2] : Hij moet die vijf ruggen hebben. Dan moet hij even wachten.[195]
A-4110 is verhoord over deze ontmoeting.[196] A-4110 verklaart dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 6] heeft gesproken. [medeverdachte 2] laat zijn PGP-telefoon zien. De berichten zijn afkomstig van [naam]. Dit is de naam die [medeverdachte 6] gebruikt. In het gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] geeft [medeverdachte 6] aan dat hij nog geld moet krijgen. A-4110 weet dat [medeverdachte 6] nog € 5.000,00 zou krijgen.[197]
Onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 8] wijst uit dat op 20 oktober 2019 er weer contact was tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 8] . Zowel op 19 als 20 oktober 2019 werd verbinding gemaakt met routers die allemaal uit kwamen bij Hotel [hotel] te [plaats] (het hof begrijpt: in België). Er kwam vanuit het telefoonnummer dat in gebruik is bij de verdachte [medeverdachte 3] het volgende bericht binnen: 'Were are you bro" Geantwoord werd: bro I am at hotel.
[medeverdachte 8] geeft op 20 oktober 2019 aan dat [medeverdachte 3] de volgende dag om 14:00 moet komen omdat hij om 15:00 uur naar het vliegveld gaat. [198]
Op 21 oktober 2019 bezoekt [medeverdachte 2] de woning van A-4110.[199] Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met audioapparatuur. De opname is uitgewerkt.[200] Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] : Twee uur hebben we een afspraak.[201]
A-4110: Waar?
[medeverdachte 2] : [locatie] .
[medeverdachte 2] : (niet te verstaan) centjes.
[medeverdachte 2] : Als het goed is zijn er weer centjes.[202]
A-4110: Want die [medeverdachte 6] heeft ook nog niks verdiend.
[medeverdachte 2] : Nee.[203]
[medeverdachte 2] : "Doe maar vier uur" zegt hij.
A-4110: Oké, het wordt later.[204]
[medeverdachte 2] : ja, om 4 uur hebben we die afspraak.[205]
[medeverdachte 2] en A-4110 verlaten de woning.[206]
A-4110 is verhoord over deze ontmoeting.[207] A-4110 verklaart dat hij en [medeverdachte 2] om 14.00 uur een afspraak hebben in de [locatie] in verband met binnengekomen geld uit het Finland-transport. De afspraak wordt echter verplaatst naar 16.00 uur. Omstreeks dit tijdstip rijdt A-4110 met [medeverdachte 2] naar de [locatie] .[208]
In de [locatie] vindt een ontmoeting plaats tussen A-4110, [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] .[209] Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met audioapparatuur. De opname is uitgewerkt.[210] Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] komt er bij zitten. [medeverdachte 1] zegt dat [medeverdachte 2] er netjes uit ziet. Mannen begroeten elkaar. [verdachte] bestelt een Spa Blauw.[211]
[medeverdachte 2] : [medeverdachte 3] is weer te laat
A-4110: Wat?
[medeverdachte 2] : [medeverdachte 3] is weer te laat[212]
Geschuif en gerommel met stoelen te horen. Krakende deur.
[medeverdachte 3] komt er bij zitten.[213]
[verdachte] : Laten we dat andere maar snel gaan opbouwen.
[verdachte] : Hebben we tenminste een beetje geld in de zakken.
[medeverdachte 2] : Hoeveel ligt er dan?
[verdachte] : Misschien wel een ton.[214]
[medeverdachte 2] : Is jouw schuld he!? Ja, (lacht), het is jouw schuld!
[medeverdachte 3] : Hij doet het altijd. En het ging altijd goed, maar nu want ik zit ermee in mijn maag. Want ze kennen het niet kwijt op een of andere manier. En ik zeg, het is goed spul hoor!
[medeverdachte 2] : Ja het spul is goed.
[medeverdachte 3] : En ze kennen het niet kwijt. lk snap niet wat het probleem ook is. Ze willen het wel gebruiken. Want er zitten, anders zitten er 100.000, 200.000... ntv.
[verdachte] : Maar hoe kan het dat ze het niet kwijt kunnen? Want kijk, ze hebben winst afgedwongen.
[medeverdachte 3] : jaha
[verdachte] : Dus ze moeten minimaal deze prijs aangeven, snap je?
[medeverdachte 2] : Ja, ja.
[verdachte] : Das logisch. Als je de winst al hebt aangenomen, dan moet je minimaal jouw prijs hanteren.
A-4110: ja
[medeverdachte 2] : Om nog uit, om nog uit de kosten te komen ja.[215]
[medeverdachte 3] : (niet te verstaan) over twee weekjes een andere komst.[216]
[medeverdachte 2] : Wat?
[medeverdachte 3] : Over twee weken de rest. Hoeveel krijgen we dan nog?
[medeverdachte 2] : Hij nog 45.
[medeverdachte 3] : Hij krijgt nog 45?
[medeverdachte 2] : Ja.
[medeverdachte 3] : Dus dan krijgt hij 35. Dan moeten we dat afhalen van die ton.
[verdachte] : Wat we op gaan halen.
[medeverdachte 2] : Wanneer haal je het op?
[medeverdachte 3] : Volgende week.
[medeverdachte 3] : Die kosten gaan bij … (niet te verstaan) ga ik niet weer doen.
[verdachte] : Nee, dat moeten zij gewoon zelf betalen. Die kosten.
[medeverdachte 3] : Dat kan niet.
[medeverdachte 2] : Dan betalen we het zelf wel.
[medeverdachte 3] : Dat moet wel … (niet te verstaan) vorige keer hebben zij betaald.
[verdachte] : Ja, maar … (niet te verstaan) dat hebben we afgesproken toch?
[medeverdachte 3] : Nee, dit hebben wij gemaakt. We zouden het gelijk … (niet te verstaan) [naam] gaan doen.
[medeverdachte 3] : … (niet te verstaan) [naam] .
[verdachte] : Zo ja, oké. [217]
[medeverdachte 3] : Nou, ik geef jou eeh
[medeverdachte 2] : Nou! Jij bent rotzooi aan het...(ntv)jongen, jongen
Opm: Er wordt gelachen
[medeverdachte 2] : wat een rotzooi geld
[verdachte] : Broer! Het zijn gewoon 50-jes
[medeverdachte 2] : nee, maar rotzooi geld toch?
[verdachte] : Een rooitje! Wat moeten we anders hebben? Wat wil je anders hebben?
[medeverdachte 3] : ja
[verdachte] : 2 briefjes van 500? Nou, dan krijg je niks
Opm: Geritsel
[medeverdachte 3] : Hé eeh, dus dan hadden we, jij hebt..(ntv) en jij hebt ook..(ntu)
[medeverdachte 2] : Nou, dan kunnen we een deur open trappen vriend
Opm: Er wordt gelachen
[medeverdachte 2] : Kunnen we een deur open trappen...(ntv) hé feest![218]
A-4110:hoeveel?
[medeverdachte 2] : 11
A-4110: wat?
[medeverdachte 2] : 11 duizend
A-4110: 11?
[medeverdachte 2] : ja
(...)
Inkomend telefonisch bericht.
A-4110: [medeverdachte 6] dan?
[medeverdachte 2] : ja, die [medeverdachte 6] is aan het schreeuwen.
A-4110: he?
[medeverdachte 2] : Die [medeverdachte 6] gaat schreeuwen.(…)
[medeverdachte 3] : Over twee weken is de rest (niet te verstaan). Dan is het klaar.
[medeverdachte 3] : Tenminste, dat wordt mij verteld.[219]
[medeverdachte 3] : Komt een ton binnen. [220]
[medeverdachte 2] : Nou, wat heb ik verdiend. Nou, nou.
[medeverdachte 2] : Ik heb 180 krediet genomen. Ik heb alleen maar gezeik.
[medeverdachte 3] : Kijk, je hebt niet in één keer 60.000 in de hand zitten. Je krijgt een keer 10, een vijf, een keer, een keer vijf, en dat maak je zo op.
[verdachte] : Het hoort in één keer te komen.
[verdachte] : (niet te verstaan) alles weg.
[medeverdachte 3] : Ik weet het.
[medeverdachte 3] : Dan was ik niet in deze auto geweest. had een Maserati geweest.
[medeverdachte 2] : Heb je gevraagd of hij grammetjes verkoopt op straat?
[medeverdachte 3] : Ik denk (niet te verstaan) kilo (niet te verstaan) koopt.
[verdachte] : Een halve kilo per week.
[medeverdachte 3] : Ik kan niet anders bedenken waarom … Ze zitten ons niet te verneuken. Dat geloof ik niet.[221]
[verdachte] : Ik zit even te denken wat een goed idee is. Om te sturen.
[medeverdachte 3] : (niet te verstaan) stuur.
[medeverdachte 2] : Ga jij maar. Ik ga niet meer.[222]
[verdachte] : Laten we er rust over proberen na te denken.
[medeverdachte 3] : We hebben nog een week.[223]
[medeverdachte 3] : Hoeveel zijn we kwijt (niet te verstaan).
[medeverdachte 2] : Acht ruggen.
[medeverdachte 3] : Veel.
[verdachte] : Anders ben je ook vier …
[medeverdachte 2] : En heb je risico …
[verdachte] : Nee, ik denk wel iets meer dan vier.
[medeverdachte 3] : Vier en (niet te verstaan) Ik geef hem wel drie (niet te verstaan).
[verdachte] : Drie en bijna tweeëneenhalf aan onkosten.
[medeverdachte 3] : Ja, daarom.
[medeverdachte 3] : Wat moet er met die auto?
[medeverdachte 2] : Kan je het niet in die banden (niet te verstaan) proppen?
[medeverdachte 3] : Heel moeilijk. Ik kan een hoop in mijn reet stoppen net als die travestiet, maar toch doe ik het liever niet.[224]
[medeverdachte 2] : Wil jij het ophalen? Vier ruggen?
A-4110: Vier ruggen maar?
A-4110: (niet te verstaan) met mijn auto zeker?
[medeverdachte 2] : Wil jij het ophalen?
A-4110: Nee … (niet te verstaan).[225]
A-4110 is verhoord over deze ontmoeting.[226] A-4110 verklaart dat ze die middag rond 14.00 uur naar de [locatie] zouden gaan in verband met het geld wat vanuit het Finland transport binnengekomen zou zijn. De afspraak werd verplaatst naar 16.00 uur die middag. A-4110 verklaart dat er nog is gesproken over het Finland traject en dat dit voor geen meter loopt. Er wordt te weinig geld gemaakt met de verkoop van het eerdere transport. Daarom blijft het geld ook achter. Ze verkopen daar in Finland gewoon te weinig speed, waardoor er elke keer geld te weinig is. Nu bleek ook weer dat er minder geld was binnengekomen dan dat zij dachten. Tijdens het gesprek haalde [medeverdachte 3] een envelop tevoorschijn en gaf die aan [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] telde daar terplekke het geld uit. Er zat 11.000 euro in. Hiervan is er 5000 aan de zoon van [medeverdachte 2] gegeven, 5000 aan A-4110 en [medeverdachte 2] haalde er zelf 1000 vanaf. De envelop waar het geld in zat heeft A-4110 meegenomen en aan de WOD begeleiding overhandigd. Dit hele geldbedrag van 11.000 euro zal wel naar [medeverdachte 6] moeten.[227]
Nadat [verdachte] en [medeverdachte 3] de [locatie] verlaten hebben voert A-4110 nog een gesprek met [medeverdachte 2] .[228] Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met audioapparatuur. De opname is uitgewerkt.[229] Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] : Stelletje pannenkoeken of niet?
A-4110: Hebben ze helemaal niks verkocht?
[medeverdachte 2] : 164.
A-4110: En geld is er niet?
[medeverdachte 2] : Nee, maar komt wel.
A-4110: Schiet niks op.
[medeverdachte 2] : Beetje schijtziek van. Van die ander staat ook nog 100 open. Bijna 200.
A-4110: Moet je wel ophalen.
[medeverdachte 2] : Ga jij dat doen?
A-4110: Haal ik zo op.
[medeverdachte 2] : Mag wel, kan je vier ruggen verdienen.
[medeverdachte 2] : Moet je uit Helsinki ophalen.[230]
A-4110: Over een half jaar hebben we het nog niet.
[medeverdachte 2] : Een pannenkoekenorganisatie. Echt waar. Ik zei tegen hem: "wat zijn jullie? Grammetjesdealers of zo?[231]
A-4110: Die [medeverdachte 6] is het hier toch niet mee eens.
[medeverdachte 2] : Hij kan het weer zelf betalen. Van die ton. Schiet lekker op.
A-4110: Moeten jullie dat zelf geven? Jullie geld moet je zelf voorschieten?
[medeverdachte 2] : Die ton, ja. Met wat die andere mensen hebben gaan we nu die andere mee betalen. Dat is transport.[232]
A-4110: Mijn geld?
[medeverdachte 2] : Nee, ik heb hem 5.000 gegeven en jou ook vijf hè?
A-4110: Van wie is dat geld dat die [medeverdachte 6] niet heeft?
A-4110: Moet die vent niks hebben?
[medeverdachte 2] : Ja (niet te verstaan) die is er niet.[233]
[medeverdachte 2] : Stelletje pannenkoeken zijn het hoor. Ik erger me er kapot aan.[234]
A-4110: Ze lopen allemaal trots met zo'n hesje aan maar ze zijn …
[medeverdachte 2] : Ze kunnen 10 keer niks.[235]
Forensisch onderzoek naar de envelop
De envelop met geld die [medeverdachte 2] in bewaring geeft bij A-4110 is nader onderzocht. Hieruit blijkt dat in de envelop 60 biljetten van € 50, - zaten, tezamen € 3.000,-. Er werd dactyloscopisch en DNA onderzoek verricht aan de envelop. Bij dit onderzoek werden dactyloscopsische sporen aangetroffen die konden worden geïndividualiseerd op [medeverdachte 3] . Ook werden DNA sporen aangetroffen die matchten met [medeverdachte 3] . Op de envelop staat handgeschreven: 'down payment for harley davidson road glide'.[236]
Op 28 oktober 2019 wordt een envelop met daarop de tekst "down payment for Harley Davidson Road Glide" in beslag genomen onder goednummer PL0100-2018272979-1201442.[237] De envelop wordt voorzien van SIN AANI8279NL.[238]
Dactyloscopisch onderzoek
Op de buitenzijde van de envelop worden dactyloscopische sporen aangetroffen.[239] Van deze dactyloscopische sporen worden foto's gemaakt. Deze foto's worden respectievelijk voorzien van SIN AANO3139NL, AANO3140NL, AANO3147NL en AANO3148NL.[240]
Spoor AANO3139NL is te herleiden naar de linker ringvinger (310000560934) van [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] .[241] Uit het verrichte dactyloscopisch onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor 09180319004508400 en de afbeelding van de linker ringvinger van [medeverdachte 3] geregistreerd onder biometrienummer 310000560934. Deze bevindingen liggen geheel in de lijn der verwachting wanneer het spoor van de donor afkomstig is. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein.[242]
Spoor AANO3140NL is te herleiden naar de linker pink (310000560934) van [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] .[243] Uit het onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen het spoor en de afbeelding van de linker pink van [medeverdachte 3] geregistreerd onder biometrienummer 310000560934. Deze bevindingen liggen geheel in de lijn der verwachting wanneer het spoor van de donor afkomstig is. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein.[244]
Spoor AANO3147NL is te herleiden naar de linker duim (310000560934) van [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] .[245] Uit het dactyloscopisch onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen het spoor en de afbeelding van de linker duim van [medeverdachte 3] geregistreerd onder biometrienummer 310000560934. Deze bevindingen liggen geheel in de lijn der verwachting wanneer het spoor van de donor afkomstig is. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein.[246]
Spoor AANO3148NL is te herleiden naar de linker duim (310000560934) van [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] .[247] Uit het dactyloscopisch onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen het spoor en de afbeelding van de linkerduim van [medeverdachte 3] geregistreerd onder biometrienummer 310000560934. Deze bevindingen liggen geheel in de lijn der verwachting wanneer het spoor van de donor afkomstig is. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein.[248]
DNA-onderzoek
Op de buitenzijde van de envelop worden dactyloscopische sporen aangetroffen.[249] Deze sporen worden respectievelijk voorzien van SIN AANI8279NL#D01 tot en met SIN AANI8279NL#D18.[250] Het dactyloscopisch spoor met SIN AANI8279NL#D13, veiliggesteld als AANI8279NL#13, bevat DNA dat afkomstig kan zijn van [medeverdachte 3] . De matchkans van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.[251]
30 oktober 2019
Op 30 oktober 2019 krijgt A-4110 de opdracht om informatie in te winnen over de handel in verdovende middelen van [medeverdachte 2] en eventuele anderen.[252] Diezelfde dag spreken A-4110 en [medeverdachte 2] met elkaar naar [medeverdachte 6] te gaan. [medeverdachte 2] geeft aan dat ze de papieren die avond bij [medeverdachte 6] door de brievenbus moeten gooien. Omstreeks 19.15 uur haalt A-4110 [medeverdachte 2] op. A-4110 en [medeverdachte 2] rijden vervolgens naar de woning van [medeverdachte 6] in [plaats] . [medeverdachte 2] gooit een envelop met geld door de brievenbus van de woning. In deze envelop zit € 5.000,00.[253] Een deel van dit geld komt bij de zoon van [medeverdachte 2] vandaan. Een ander deel uit de envelop van A-4110.[254]
[medeverdachte 2] vertelt tegen A-4110 dat er meer geld komt. [medeverdachte 2] vertelt dat er wel € 100.000,00 uit Finland komt.[255]
Mastgegevens
Op 30 oktober 2019 te 19.44 uur straalt het Encro-toestel van A-4110 een mast aan in [plaats] . Deze mast zendt tevens in de richting van [plaats] .[256]
Camerabeelden
Aan de buitenzijde van de woning op het adres [adres] te [plaats] hangen camera's. Camera 2 geeft zicht op de [adres] .[257] Op 30 oktober 2019 te 19.46 uur is op de camerabeelden van camera 2 te zien dat een voertuig de oprit van de [adres] half oprijdt. De bijrijder stapt uit en heeft iets rechthoekigs in zijn rechterhand vast. Omstreeks 19.47 uur loopt de bijrijder weer terug naar de auto. De bijrijder heeft voornoemd voorwerp niet meer in zijn rechterhand. De auto vertrekt met de bijrijder.[258]
Om 22.12 uur komt [medeverdachte 6] bij de woning.[259]
Bezoek aan [locatie]
Op 4 november 2019 bezoekt A-4110 [locatie] op het [adres] in [plaats] . [locatie] (het hof begrijpt: [naam] ) vertelt aan A-4110 dat [medeverdachte 2] een vriend gestuurd had. Deze jongen heeft dezelfde route genomen als [medeverdachte 2] met zijn gevolg (het hof begrijpt: [naam] en [naam] ). De naam van de jongen is [naam] .[260] heeft voor [naam] een ferry geboekt voor een reis van Travemünde naar Finland. [naam] heeft vorige week bij [locatie] geboekt en is nu al in Finland.[261]
Boekingsgegevens
Op het adres [adres] te [plaats] bevindt zich een reisbureau, genaamd [locatie] . De eigenaar van deze eenmanszaak is [naam] , geboren op [geboortedatum] 1961.[262] [naam] heeft een ondernemersrekening met bankrekeningnummer [nummer] op zijn naam staan. [naam] heeft daarnaast een creditcardrekening met nummer 44629260017.[263]
Op 30 oktober 2019 en 2 november 2019 wordt vanaf de creditcardrekening respectievelijk € 721,98 en € 765,98 overgeboekt naar Finnlines Websales. Finnlines is een rederij die onder andere overtochten aanbiedt van Travemünde naar Finland.[264] De betalingen zijn te linken aan: [naam] , geboren op [geboortedatum] 1984 (telefoonnummer [telefoonnummer] ), [naam] , geboren op [geboortedatum] 1990, en het voertuig met kenteken [kenteken] .[265]
Uit het reserveringssysteem van Finnlines komt naar voren dat voor [naam] , [naam] en het voertuig met kenteken [kenteken] , de volgende reis is geboekt:
Travemünde - Helsinki op 31 oktober 2019, vertrektijd 3.00 uur;
Helsinki - Travemünde op 3 november 2019, vertrektijd 15.30 uur.[266]
Als contactgegevens zijn ontvangen [naam] , telefoonnummer [telefoonnummer] .[267]
Uit de door [locatie] aangeleverde gegevens komt naar voren dat [naam] en [naam] bij [locatie] onder meer de volgende kosten hebben gemaakt:
Kosten voor de overtocht naar Helsinki en hotelkosten.[268] Kosten voor de overtocht van Helsinki naar Duitsland.[269]
Voor [naam] is een kamer geboekt in het [locatie] te [adres] . De incheck is op 1 november 2019. De uitcheck is op 3 november 2019.[270]
Op 1 november 2019 te 15.46 uur vindt via WhatsApp een gesprek plaats tussen [naam] en [naam] , telefoonnummer [telefoonnummer] .[271] Uit dit gesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[naam] : Goed aangekomen?
[naam] : Yes. Zou je alvast de terugweg willen regelen voor mij?[272]
[naam] : Ik kan nu even niet in het systeem. Ze zijn bezig met nieuwe software. Zodra ze er klaar mee zijn App ik je.[273]
Telefoonnummer [telefoonnummer] .
Op 13 januari 2020 belt [naam] naar de politie met telefoonnummer [telefoonnummer] .[274] Dit telefoonnummer staat op naam van [naam] , wonende aan de [adres] .[275] Op voornoemd adres staat ook [naam] ingeschreven.[276]
Uit de historische verkeersgegevens van telefoonnummer [telefoonnummer] komt naar voren dat het telefoonnummer het meest contact heeft met het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer staat op naam van [naam] , wonende te [adres] . Ook is er veel contact met telefoonnummer [telefoonnummer] , welk nummer eveneens op naam staat van [naam] .[277]
Op 30 oktober 2019 maakt het telefoonnummer [telefoonnummer] tussen 17.32 uur en 19.56 uur een reisbeweging van [plaats] naar Bad Nieuweschans. Vanaf 30 oktober 2019 te 19.56 uur tot 5 november 2019 te 0.50 uur worden geen masten in Nederland aangestraald. [278]
Tussen 1 november 2019 te 7.41 uur en 3 november 2019 te 14.13 uur maakt het telefoonnummer gebruik van IP-adressen van het Finse telecombedrijf [bedrijf] .[279]
Tussen 5 november 2019 te 0.50 uur en 1.48 uur maakt het telefoonnummer een reisbeweging van [plaats] naar [plaats] . [280]
Tussen 30 oktober 2019 te 19.59 uur en 5 november 2019 te 13.15 uur maakt het telefoonnummer het meest contact met telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer staat op naam van [naam] . [281]
Op 30 oktober 2019 te 16.44 wordt vanaf het telefoonnummer gebeld naar telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer staat op naam van [naam] , de eigenaar van [locatie] .[282]
Telefoonnummer [telefoonnummer]
Op 22 oktober 2019 te 20.14 uur belt [verdachte] ( [telefoonnummer] ) naar een man die gebruikt maakt van telefoonnummer [telefoonnummer] . Uit de uitwerking van het opgenomen gesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
NNM5 moet het nummer van [naam] naar [verdachte] sturen.[283]
Op 22 oktober 2019 te 20.15 uur ontvangt het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] een sms van telefoonnummer [telefoonnummer] . In deze sms staat het volgende:
Naam: [naam] (het hof begrijpt: [naam] )
Mobiel: [telefoonnummer] .[284]
Het telefoonnummer [telefoonnummer] betreft een prepaid nummer. Uit historische verkeersgegevens blijkt dat er het meest contact is met telefoonnummers die bij [verdachte] in gebruik zijn. Dit telefoonnummer maakt het meest gebruik van de mast op de locatie [adres] . Deze mast zendt in de richting waar ook de woning van [naam] onder valt.[285] Het telefoonnummer [telefoonnummer] reist mee met het telefoonnummer [telefoonnummer] (onder meer op 25 augustus 2019, 31 augustus 2019, 8 september 2019, 10 september 2019, 11 september 2019).[286]
Op 1 november 2019 te 11.23 uur maakt telefoonnummer [telefoonnummer] gebruik van het telecomnetwerk van een Finse provider met code 24412. 244 is de mobile country code en hoort thuis bij Finland. In de periode van 30 oktober 2019 tot en met 5 november 2019 is alleen maar contact geweest met het telefoonnummer [telefoonnummer] in gebruik bij [verdachte] . Gedurende de opgevraagde periode maakte dit telefoonnummer gebruik van één IMEI-nummer. Dit betreft [nummer] .[287]
IMEI [nummer] gekoppeld aan telefoonnummer [telefoonnummer] .
Vanaf 5 november 2019 te 09:56:19 uur wordt het IMEInummer
gekoppeld aan het telefoonnummer [telefoonnummer] . Na 1 november 2019 om 11:23 uur wordt het simkaartje van het telefoonnummer [telefoonnummer] hoogstwaarschijnlijk uit het toestel gehaald en later vervangen door het simkaartje met het telefoonnummer [telefoonnummer] .[288]
Uit onderzoek van de politie volgt dat het prepaid telefoonnummer [telefoonnummer] in de periode van 4 oktober 2019 tot en met 5 november 2019 contact heeft met het telefoonnummer van [verdachte] ( [telefoonnummer] ). Op 5 november 2019 om 10.55.21 vindt een gesprek plaats tussen deze telefoonnummers waarin door [verdachte] tegen degene die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer] (het hof begrijpt: [naam] ) wordt gezegd dat hij bij de [adres] moet komen.[289]
Telefoon van [naam]
Op 25 augustus 2020 wordt onder [naam] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] een telefoon van het merk iPhone in beslag genomen onder goednummer PL0100-2020233194-1302383.[290]
Op 31 oktober 2019 te 19.34 uur (UTC+1) maakt de telefoon van [naam] verbinding met het Wifi-netwerk van het passagiersschip, de [locatie] .[291]
Op 1 november 2019 worden twee foto's gemaakt op de locatie [adres] te Helsinki, Finland.[292]
Op 2 november 2019 te 11.25 uur (UTC +1) maakt de telefoon van [naam] verbinding met de Wifi van de [locatie] in Helsinki.
Tussen 1 november 2019 en 3 november 2019 maakt de telefoon van [naam] in totaal 16 keer contact met het Wifi-netwerk van het [locatie] in Helsinki.
Op 4 november 2019 maakt de telefoon van [naam] tussen 7.29 uur (UTC+1) en 19.42 uur (UTC+1) contact met het Wifi netwerk van het passagiersschip de [locatie] .[293]
Relevante verklaringen [naam] en [naam]
Op 25 augustus 2020 wordt [naam] , geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] , door de politie verhoord.[294] [295] heeft een half jaar - van juli 2019 tot eind januari 2020 - een relatie gehad met [naam] .[296] Aan [naam] wordt voorgehouden dat zij in de periode van 30 oktober 2019 tot en met 5 november 2019 een reis heeft gemaakt naar Finland met [naam] .[297] Over deze reis verklaart [naam] dat [naam] een reis naar Finland moest maken en dat hij iets moest ophalen. [naam] werd er voor betaald.[298] heeft de reis geboekt. Hij heeft [naam] meegevraagd.[299] en [naam] zijn met de boot naar Finland gereisd. Op de boot hadden ze een overnachting. Ze zijn twee nachten in Helsinki gebleven. Daarna zijn ze met de boot teruggegaan. Ze hebben op de boot overnacht.[300]
Op 25 augustus 2020 wordt [naam] , geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] door de politie verhoord.[301] [naam] verklaart dat hij gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] .[302] [naam] verklaart dat hij in de periode van 30 oktober 2019 tot en met 5 november 2019 een reis heeft gemaakt naar Finland met Finnlines. [naam] heeft deze reis gemaakt met een vriendin. [naam] verklaart dat hij twee dagen in Helsinki is geweest.[303] [naam] heeft de reis zelf geboekt.[304] [naam] is met een BMW voorzien van kenteken [kenteken] de boot bij Travemünde opgegaan.[305]
Ontmoeting op De [adres]
Op 4 november 2019 te 17.12 uur belt [verdachte] met een man ( [telefoonnummer] ). Het telefoonnummer van deze man staat op naam van [naam] , wonende aan de [adres] .[306] [naam] is de broer van de partner van [verdachte] : [naam] .[307] Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[verdachte] : Jij ziet mij morgen.
NNM: Dat is goed. [308]
Op 4 november 2019, omstreeks 19.00 uur, bezoekt [medeverdachte 2] de woning van A-4110.[309] Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met audioapparatuur. De opname is uitgewerkt.[310] Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] : Bijna een hartaanval.
[medeverdachte 2] : Die man die ophaalt heeft problemen. Krijg de tering! € 140.000,00.
A-4110: Weg?
[medeverdachte 2] : Nee, is al opgelost.[311]
A-4110 is verhoord over de ontmoeting. A-4110 verklaart dat hij met [medeverdachte 2] heeft gesproken over Finland. A-4110 vertelt dat [medeverdachte 2] zich doodschrok omdat het bijna mis was gegaan met € 140.000,00. Uiteindelijk is het opgelost.[312]
Op 5 november 2019 te 3.54 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 2] . Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] zegt dat hij morgen half 11 bij [verdachte] is.[313]
Om 10.32 uur wordt [verdachte] gebeld door een man die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer] (het hof begrijpt: [naam] ). Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
NNM zegt dat hij daar is waar [verdachte] zei dat hij moest zijn. [verdachte] is daar nog niet en belt NNM over 5 minuten als hij in de auto zit. Dan zegt hij precies waar. [verdachte] wordt zo opgehaald door die vriend van hem.[314]
Om 10.45 uur belt [medeverdachte 2] naar [verdachte] ( [telefoonnummer] ). Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] vraagt hoe laat [verdachte] bij hem is.
[verdachte] zegt: We komen er nu aan.[315]
Om 10.49 uur wordt [verdachte] gebeld door [medeverdachte 2] . Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] zegt dat [verdachte] hem gewoon buiten laat wachten. [medeverdachte 2] vraagt wat dat voor streken zijn.
[medeverdachte 3] roept: Loop naar de [locatie] .
[verdachte] roept: Loop naar de [locatie] godverdomme. Wat zit je nou te janken. Mafkees.[316]
Om 10.55 uur wordt [verdachte] gebeld door de man die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer] (het hof begrijpt: [naam] ). Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[verdachte] zegt dat de man bij De [adres] moet komen. In [locatie] .[317]
Om 10.56 uur ontvangt het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , een sms van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit nummer staat op naam van [naam] . In de sms staat de tekst: Kom je nog langs?[318]
Om 10.57 uur wordt vanaf het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , een sms verzonden naar telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit telefoonnummer staat op naam van [naam] , wonende aan de [adres] . In de sms staat de tekst, zakelijk weergegeven: Op welk nummer woont [naam] ?[319]
Om 10.58 uur wordt [verdachte] gebeld door de man met telefoonnummer [telefoonnummer] . Dit nummer staat op naam van [naam] . Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[verdachte] vraagt wat het nummer van NNM is.
NNM: 24-7.
[verdachte] : Oké. Eén minuut.[320]
Om 12.18 uur straalt de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [medeverdachte 3] , een mast aan op de locatie [locatie] .[321] Deze mast zendt in de richting van De [adres] te [plaats] .[322]
Om 12.22 uur straalt de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , een mast aan op de locatie [locatie] .[323] Deze mast zendt in de richting van De [adres] te [plaats] .[324]
Om 12.22 uur straalt de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [medeverdachte 2] , een mast aan op de locatie [locatie] .[325] Deze mast zendt in de richting van De [adres] te [plaats] .[326]
Om 13.08 uur wordt [medeverdachte 2] gebeld door [naam] . Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[naam] vraagt waar [medeverdachte 2] is. [medeverdachte 2] zegt dat hij bij De [adres] is in [locatie] .[327]
Om 13:55 uur ontvangt het telefoonnummer [telefoonnummer] , in gebruik bij [verdachte] , een sms van het telefoonnummer [telefoonnummer] , dit nummer staat op naam van [naam] . In de sms staat de tekst:
[verdachte] dank je wel, ik waardeer het heel erg het komt goed uit????[328]
Getuigenverklaringen
Op 23 november 2020 is [naam] , geboren op [geboortedatum] 1986, wonende aan de [adres] , door de politie verhoord.[329] [naam] heeft het afgelopen anderhalf jaar gebruik gemaakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] . [naam] woont al zes jaar op De [adres] .[330] [verdachte] is de zwager van [naam] .[331]
€ 34.800,00 naar [medeverdachte 6] ( [medeverdachte 6] )
Op 6 november 2019 te 16.49 uur wordt ( [medeverdachte 6] ) [medeverdachte 6] gebeld door ( [medeverdachte 2] ) [medeverdachte 2] . Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] : Zeg maar wanneer.
[medeverdachte 6] : Het liefst vanavond.
[medeverdachte 2] : Kan het niet morgenvroeg?
[medeverdachte 6] : Ja dat kan ook wel.
[medeverdachte 2] : Maak je geen zorgen. Wat ik tegen je zei dat ligt veilig. Dat is geparkeerd.[332]
Op 7 november 2019 te 12.56 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 6] . Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] : Het wordt wat later. Ik kom wel naar jou toe.
[medeverdachte 6] : Ik zit hier nu een half uur te wachten.
[medeverdachte 6] : Laat me als het kan even weten. Ik rij nu weer weg.
[medeverdachte 2] : Ik kom naar jou toe.
[medeverdachte 6] : Eerst bellen.[333]
Om 20.09 uur belt [medeverdachte 2] naar [medeverdachte 6] . Uit de uitwerking van het opgenomen telefoongesprek blijkt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] vraagt of ze morgen kunnen doen.
[medeverdachte 2] zegt dat hij morgen bij [medeverdachte 6] komt.
[medeverdachte 6] vindt dat goed.[334]
Op 8 november 2019 krijgt A-4110 de opdracht om met [medeverdachte 2] mee te gaan naar de ontmoeting met [medeverdachte 6] .[335] Diezelfde dag, omstreeks 13.00 uur, haalt A-4110 [medeverdachte 2] op bij zijn woning.[336] Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met audioapparatuur. De opname is uitgewerkt.[337] Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
A-4110: Waar moeten we heen?[338]
[medeverdachte 2] : Ik moet even bij [medeverdachte 1] langs.
[medeverdachte 2] : Dan pak ik het even en dan gaan we naar … Cash.
A-4110: Gaan we naar die …?
A-4110: [medeverdachte 6] ?
[medeverdachte 2] : Ja.
A-4110: Waar zien we hem?
[medeverdachte 2] : Bij hem thuis.[339]
[medeverdachte 2] : In totaal heb ik gekregen … 55 ongeveer.[340]
A-4110: Woont hij hier?
[medeverdachte 2] : Daar is het toch? [341]
Auto staat stil.
Auto wordt gestart.
[medeverdachte 2] stapt in. [medeverdachte 2] zegt dat er iemand met zijn tengelltijntjes aan gezeten heeft.
[medeverdachte 2] : € 200,00 gehad.[342]
[medeverdachte 2] : Ik investeer nou ook weer. Ik heb ook veel geld geïnvesteerd.
A-4110: Wat heb je geïnvesteerd?
[medeverdachte 2] : Boven de 20.
[medeverdachte 2] : Ik wil niet in de auto praten.
[medeverdachte 2] : Ik weet wel wanneer je moet oppassen. Daarom veroordeelden ze me ook nooit. [343]
A-4110: Moet hij nog veel hebben?
[medeverdachte 2] : Nee, 10 in totaal.
A-4110: Bijna klaar?
[medeverdachte 2] : Ja.
[medeverdachte 2] : Het probleem met hen is dat ze elke keer kleine partijtjes geven. Het is toevallig dat er nou wat groots binnenkomt.
[medeverdachte 2] : Elke keer van die kleine bedragen maar nu is het toevallig groot.[344]
A-4110 is verhoord over dit deel van de ontmoeting.[345] A-4110 verklaart dat hij en [medeverdachte 2] naar de zoon van [medeverdachte 2] zijn gereden. [medeverdachte 2] is ongeveer 10 minuten binnen geweest in de woning. Toen [medeverdachte 2] terugkwam had hij een plastic zak bij zich. In deze zak zit het geld dat bestemd is voor [medeverdachte 6] . Het gaat om een bedrag van € 34.800,00. A-4110 en [medeverdachte 2] rijden vervolgens naar het huis van [medeverdachte 6] in [plaats] . In de woning vindt een ontmoeting plaats tussen A-4110, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 6] .[346] Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met audioapparatuur. De opname is uitgewerkt.[347] Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] : Ellende met die lui.
[medeverdachte 6] : Dat het zolang heeft geduurd bedoel je?
[medeverdachte 2] : Ja.
[medeverdachte 2] : Anderhalve ton staat nog open. 162 om precies te zijn. Hij betaalt wel, maar in kleine beetjes. Ik heb hier 34 nog wat.[348]
[medeverdachte 6] : Ik moet nu nog 10 van jou hebben.
[medeverdachte 2] : Ja.
[medeverdachte 6] : Dan staan we quitte.[349]
[medeverdachte 2] : Maar voor volgende week als het kan? [350]
[medeverdachte 6] : Die Finnen?
[medeverdachte 2] : Ja. 60 snel.
[medeverdachte 2] : Eén blok en 20.000 of 30.000 pilletjes.
[medeverdachte 6] : Wacht even. 60 snelle. Eén duur.
[medeverdachte 6] : En hoeveel van die dingen?
[medeverdachte 2] : 20.000, 30.000 pilletjes.
[medeverdachte 2] : Je krijgt je geld gelijk deze keer. Dat is allemaal geregeld.
[medeverdachte 6] : Oké.
[medeverdachte 2] : Want we werken niet met die ene man.
[medeverdachte 2] : We hebben die snelle erheen gestuurd. Die heeft alles gewoon keurig betaald.
[medeverdachte 6] : En die 60 snelle. Wat hadden we daar voor prijs?
[medeverdachte 2] : Moet jij zeggen toch?
[medeverdachte 6] : Ik zat op 700.
[medeverdachte 2] : Ja, 700 [naam] .
[medeverdachte 6] : Dus dan zet ik die op 500.
[medeverdachte 6] : 60 is niet zoveel.
[medeverdachte 6] : En die dure waar komt die op?
[medeverdachte 2] : Wij hebben 28 betaald.
[medeverdachte 6] : Die dure voor transport.
[medeverdachte 2] : Dat moet jij zeggen.
[medeverdachte 6] : Dat is niet een heel dik [naam] .
[medeverdachte 2] : Dat weet ik. Misschien dat er nog 15 blokken bijkomen, maar dat kan ik niet garanderen.
[medeverdachte 6] : Die rondjes. Als er 20.000 zijn. Wat kost dat om die daar heen te brengen?
[medeverdachte 2] : Naar Ierland betaalde ik een dubbeltje of 15 cent.
[medeverdachte 6] : Stel je voor die rondjes doe je op 20 cent. Dat zal vier ruggen zijn.
[medeverdachte 6] : Dan heb je een [naam] van 37 ruggen.
[medeverdachte 6] : Dat is niet veel [medeverdachte 2] .[351]
[medeverdachte 6] : Het mooiste is als die man 100 snelle doet of 200.
[medeverdachte 2] : Ik zal even overleggen.
[medeverdachte 6] : Vanaf hier naar Estland ben je al 20 ruggen kwijt. Dan moet het nog naar Finland.
[medeverdachte 6] : Finland is sowieso een kutland.
[medeverdachte 6] : Als je daar binnenkomt ben ik altijd op mijn hoede daar.
[medeverdachte 6] : Maar dit moet omhoog. Dit moet sowieso naar de 60, 70 ruggen. Anders hebben we er niets aan.
[medeverdachte 6] : Probeer dat even. Even kijken wat ze daarvan zeggen.
[medeverdachte 2] : Ja.
[medeverdachte 2] : Als zij (niet te verstaan) 50, 60 ruggen hebben dan gaat het sowieso door?
[medeverdachte 6] : Ja, dan lukt het.
[medeverdachte 2] : Moet volgende week er staan.
[medeverdachte 6] : Kijk maar even wat er mogelijk is.[352]
[medeverdachte 6] : Hoe is het met de duur? Is hij duur of is hij alweer aan het zakken?
[medeverdachte 2] : Is veel te duur. Er zijn twee ingangen: Bremen en Hamburg.
[medeverdachte 2] : 100 % dat ze het eruit halen.[353]
[medeverdachte 6] : En wat vragen die dan?
[medeverdachte 2] : Weet ik niet. Maar ze kunnen (niet te verstaan) wereldprijs verdienen.
[medeverdachte 6] : Er is ook niet veel volgens mij.
[medeverdachte 2] : Nee niets. Ze hebben (niet te verstaan) dichtgegooid. Antwerpen dichtgegooid. Al die grote jongens hebben een probleem. Ze moeten naar ons komen.
[medeverdachte 6] : Ze hebben het aardig onder controle die vieze flikkers.
[medeverdachte 6] : Het wordt er niet beter op.
[medeverdachte 6] : Hamburg is laatst ook 4.200 gepakt.[354]
[medeverdachte 6] : Ik heb nu deze [naam] op de iPhone. Dan heb ik die Encro. En dan heb ik nog twee. Ik loop met vijf telefoons rond.[355]
[medeverdachte 6] : [medeverdachte 2] , kijk even hoe je het doet met die Finnen. Met transport.
[medeverdachte 2] : Ik ga (niet te verstaan) overleg met Rotterdam. Probeer ik dat erbij te krijgen. Anders moet het (niet te verstaan) of moeten het uitstellen.
[medeverdachte 6] : Of ik heb zelf nog een (niet te verstaan). Dat kan ook.
[medeverdachte 6] : Ik ben daar nog niet mee bezig geweest maar ik denk wel dat ik het voor elkaar krijg.
[medeverdachte 2] : Dat is mooi. Je mag ook mee gooien hoor.
[medeverdachte 6] : Als het zo moet zijn dat er iemand moet zijn van ons om het uit de vrachtwagen te halen en op bestemming te brengen …
[medeverdachte 2] : Ja.
[medeverdachte 6] : Heb je daar iemand voor? Als het echt zou moeten?
[medeverdachte 2] : Ja, ik heb die mensen daar.
[medeverdachte 6] : Maar heb je iemand die naar Helsinki vliegt dan? Wat voor man is dat?
[medeverdachte 2] : Dat is te regelen. Ik zit nog voor iemand te kijken.
[medeverdachte 6] : In Finland krijgen jullie 10, 15 jaar.[356]
[medeverdachte 6] : Die [naam] moet zeker omhoog anders wordt het toch niets.
[medeverdachte 6] : Ik ga even kijken. Dan doen we een combi.
[medeverdachte 6] : Misschien heb ik ook nog wel wat mensen.
[medeverdachte 6] : Ik hou altijd de boot wat af van het kutland.[357]
A-4110 is verhoord over dit deel van de ontmoeting.[358] A-4110 verklaart dat [medeverdachte 2] de plastic zak met geld aan [medeverdachte 6] heeft gegeven. [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 6] of hij een apart transport naar Finland wil doen met een partij drugs. 20.000 à 30.000 xtc-pillen, speed en een blok. [medeverdachte 6] kan daar € 30.000,00 mee verdienen. [medeverdachte 6] vindt dit te weinig. [medeverdachte 6] klaagt aan tafel over de Finnen. [medeverdachte 6] vindt dat het te lang duurt.[359]
Op de terugweg vindt in de auto een gesprek plaats tussen A-4110 en [medeverdachte 2] .[360] Het gesprek dat plaatsvindt is opgenomen met audioapparatuur. De opname is uitgewerkt.[361] Uit deze uitwerking komt onder meer het volgende naar voren, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] : Ik ben blij dat ik even gegaan ben.[362]
A-4110: Hij telt het niet eens.
[medeverdachte 2] : Dat is toch lekker voor hem. Had jij niet op gerekend denk ik.
[medeverdachte 2] : Kom ik met vijf ruggen aankakken.
A-4110: Vijf?
[medeverdachte 2] : Wat ik door de brievenbus heen gegooid heb. [363]
[medeverdachte 2] : Ik heb nou echt gepusht voor dat geld.[364]
[medeverdachte 2] : (niet te verstaan) transportbedrijf (niet te verstaan) die heeft het geld wel nodig.
[medeverdachte 2] : Er is € 140.000,00 binnengekomen.
[medeverdachte 2] : 135, 140 geloof ik.
A-4110: Is dat binnengekomen?
[medeverdachte 2] : Ja, totaal.
[medeverdachte 2] : Ik heb alles gedeeld met hen.
[medeverdachte 2] : Ik zit zelf al op 30.
[medeverdachte 2] : Ik heb toch de investering gedaan.[365]
[medeverdachte 2] : Wat denk je dat dat kost? Ook even 20 de man.
A-4110: Die neger ook?
[medeverdachte 2] : Ja ook. Hij ook ja.[366]
[medeverdachte 2] : Als hij nou die combideal wil doen dan hebben we volgende week ook geld.[367]
A-4110 is verhoord over dit deel van de ontmoeting.[368] A-4110 verklaart dat [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] elk € 20.000,00 hebben gestopt in een nieuw transport naar Finland. [medeverdachte 2] zei ook dat er € 150.000,00 (het hof begrijpt: € 140.000,00) van de Finnen was binnengekomen.[369]
Feit 5 (Zaaksdossier 22 – witwassen contante stortingen [naam] & [verdachte] )
Verdachte is de echtgenoot van [naam] .[370] De betaalrekening met nummer [nummer] staat op naam van [naam] .[371] In de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 wordt in totaal € 92.225, - contant gestort op deze rekening.[372] Over de jaren worden de volgende totaal bedragen gestort:
2014: € 15.085,-;
2015: € 18.560,-;
2016: € 25.120,-;
2017: € 28.510,-;
2019: € 4.950,-.[373]
Volgens de aangifte inkomstenbelasting was het inkomen van [verdachte] en zijn fiscaal partner in 2016 € 21.806, - en in 2017 € 16.767,-. Van de overige jaren zijn geen gegevens bekend.[374] Het inkomen van [verdachte] heeft in de jaren 2016 en 2017 betrekking op het resultaat uit overige werkzaamheden.[375] De eenmanszaak van [verdachte] heeft in het jaar 2017 een omzet van € 3.510,-.[376]
Relevante verklaringen verdachte en [naam]
Op 21 oktober 2020 is [naam] door de politie verhoord.[377] verklaart dat verdachte haar partner is.[378] verklaart dat verdachte elke maand contant geld op haar rekening stort zodat de vaste lasten betaald kunnen worden. Verdachte maakte ook gebruik van haar rekening als hij iets moest pinnen of iets niet met contant geld kon betalen.[379] Nadat de politie [naam] het totaalbedrag aan stortingen in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 voorhoudt verklaart [naam] dat verdachte haar het contante geld gaf en dat zij het stortte op haar rekening.[380] stort het door [verdachte] gegeven geld zelf op haar rekening. [naam] weet niet wat de herkomst van het geld is.[381]
Verdachte heeft verklaard dat hij in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019 contante gelden aan [naam] heeft gegeven. [382]
Verdachte wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de uitvoer van amfetamine naar Noord-Ierland en het witwassen van twee geldbedragen.
Standpunt verdediging
Verdachte heeft in eerste aanleg de tenlastegelegde feiten ontkend. In hoger beroep heeft verdachte ten aanzien van feit 1 een bekennende verklaring afgelegd. De raadsman van verdachte heeft in hoger beroep enkel voor de feiten 4 en 5 vrijspraak van verdachte bepleit.
Standpunt advocaten-generaal
De advocaten-generaal concluderen, overeenkomstig het op de zitting van het hof overgelegde requisitoir, tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feiten.
Oordeel van het hof
Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen overweegt het hof als volgt.
Feit 4
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat naar bestendige jurisprudentie voor een bewezenverklaring van het in de delictsomschrijving van art. 420bis van het Wetboek van Strafrecht (Sr) opgenomen bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is voor een veroordeling ter zake van dit wetsartikel vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp "afkomstig is uit enig misdrijf" kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is daarbij aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, (min of meer) verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
De omstandigheid dat zo'n verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Indien de verdachte voormelde verklaring geeft, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. De rechter zal dan mede op basis van de resultaten van dat onderzoek moeten beoordelen of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring uitblijft, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn overwegingen omtrent het bewijs.
Vermoeden van witwassen
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het witwassen van € 140.000,-. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat medeverdachte [naam] in de periode van 30 oktober 2019 tot en met 5 november 2019 een geldbedrag van € 140.000, - uit Finland heeft opgehaald.
Uit het OVC-gesprek van 21 oktober 2019 tussen [medeverdachte 2] en A-4110 volgt dat er later die dag een afspraak plaatsvindt. [medeverdachte 2] merkt verder het volgende op: "Als het goed is zijn er weer centjes". Bij de ontmoeting tussen verdachte, A-4110, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wordt besproken dat "volgende week" weer geld wordt opgehaald. Over twee weken is het "klaar" en "komt een ton binnen", aldus [medeverdachte 3] . Hieruit volgt dat besproken wordt dat er geld zal worden opgehaald in het kader van het eerdere Finlandtransport.
In de periode van 31 oktober 2019 tot en met 3 november 2019 is [naam] samen met [naam] in Finland. Tijdens de reis maakt [naam] gebruik van het telefoonnummer [telefoonnummer] . Nadat [naam] terugkomt in Nederland heeft hij op 5 november 2019 telefonisch contact met verdachte en spreken ze af om elkaar te ontmoeten op De [adres] te [locatie] . Bij die ontmoeting zijn ook [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aanwezig. Tijdens deze ontmoeting is het geldbedrag aan [medeverdachte 2] overhandigd. Uit de bewijsmiddelen blijkt verder dat [medeverdachte 2] van dit geldbedrag van € 140.000, - ongeveer € 55.000, - voor zichzelf heeft gekregen. [medeverdachte 2] brengt op 8 november 2019 een deel van het totale geldbedrag (€ 34.800,-) naar [medeverdachte 6] .
In reactie op het verweer van de verdediging dat niet kan worden vastgesteld dat [naam] de gebruiker is geweest van telefoonnummer [telefoonnummer] overweegt het hof het volgende. In het bijzonder valt dit op te maken uit het feit dat het prepaidnummer 0606 44 57 31 68 het meest gebruik maakt van de mast aan de Snekertrekweg 1, die zendt in de richting waar ook de woning van [naam] onder valt; dat dit telefoonnummer op verschillende data in de maanden voorafgaand aan de reis naar Finland met de 'gewone'/ privé telefoon van [naam] is meegereisd en dat dit telefoonnummer gedurende de reis naar Finland met de 'gewone' / privé telefoon van [naam] en [naam] is meegereisd. Daarbij komt dat in een sms-bericht van 22 oktober 2019 door [verdachte] om het telefoonnummer van [naam] wordt gevraagd waarop vervolgens wordt geantwoord: [naam] Mobiel: [telefoonnummer] . Voorts volgt uit de bewijsmiddelen dat het IMEI-nummer [nummer] waaraan het telefoonnummer [telefoonnummer] in de betreffende periode gekoppeld was, enkele dagen daarna, vanaf 5 november gekoppeld wordt aan het telefoonnummer [telefoonnummer] . Vervolgens heeft dit telefoonnummer, evenals telefoonnummer [telefoonnummer] in de periode daarvoor, contact met het telefoonnummer van [verdachte] .
Op grond van het bovenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, kan de koppeling van [naam] aan prepaidnummers [telefoonnummer] en [telefoonnummer] worden vastgesteld. Naar het oordeel van het hof biedt het dossier en hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen concrete aanknopingspunten voor een ander oordeel. Het verweer wordt verworpen.
Het hof is van oordeel dat voornoemde omstandigheden – in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd – redengevend zijn voor het bewijs dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen het door [naam] gesmokkelde geldbedrag, opzettelijk voorhanden heeft gehad. Het hof is van oordeel dat het voorhanden hebben en heimelijk transporteren van grote contante geldbedragen zoals in deze zaak, buiten het bankwezen om, waarmee alleen al door het aanwezig hebben en vervoeren ervan aanzienlijke veiligheidsrisico's zijn gemoeid, een redelijk vermoeden van witwassen oplevert. Het hof heeft daarbij ook gezien dat in het kader van hun samenwerking bij het plegen van het feit voor de onderlinge communicatie onder andere gebruik is gemaakt van PGP-telefoons. Dat maakt het heimelijke karakter van het geldtransport te meer duidelijk nu dergelijke communicatie plaatsvindt via aliassen en bovendien niet gemakkelijk kan worden onderschept. Het hof is van oordeel dat in de gebezigde bewijsmiddelen feiten en omstandigheden zijn vervat, die redengevend zijn voor het vermoeden dat het geldbedrag betrekking heeft op de winst uit de verkoop en de levering van verdovende middelen in Finland en zodoende van enig misdrijf afkomstig zijn. Het voorgaande rechtvaardigt in ieder geval het vermoeden dat het geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.
Verdachte heeft ontkend dat hij het geldbedrag voorhanden heeft gehad. Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen zoals opgenomen in dit arrest. In het bijzonder wijst het hof op de contacten die verdachte met [naam] heeft gehad tijdens en na afloop van de reis naar Finland, het feit dat hij blijkens de bewijsmiddelen een afspraak regelt om het geld op te halen en dat hij gedurende de tijd dat die afspraak plaatsvond telefoonmasten aanstraalt bij de locatie van die afspraak. Het hof volgt de verdediging niet in de stelling dat verdachte enkel contact zou hebben met [naam] om zo van zijn verslaving af te komen. Mede nu er voor deze stelling van de verdediging geen concrete onderbouwing is aangevoerd of te vinden is in het dossier, houdt het hof het er – mede gelet op het tijdpad dat uit de bewijsmiddelen volgt – voor dat de contacten met [naam] direct te koppelen zijn aan het geldtransport vanuit Finland. Het is verdachte die de contacten met [naam] onderhoudt tijdens het transport en die vervolgens een afspraak maakt om het geldbedrag weer op te halen en te verdelen.
Uit het financieel onderzoek naar het vermogen van [medeverdachte 8] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] , is gebleken dat zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] en [medeverdachte 8] niet beschikken over een legaal inkomen. Het inkomen van [medeverdachte 3] is laag.
Uit de financiële gegevens van de verdachten is niet gebleken dat zij een openstaande vordering bij een derde hebben of hadden, die het ontvangen van een aanzienlijk
geldbedrag zou kunnen verklaren. Verder is niet gebleken dat het ontvangen of opgehaalde geldbedrag passend is bij hun inkomen, beroep of onderneming. Legale inkomsten kunnen een dergelijke voorraad over te dragen contant geld derhalve niet verklaren.[383]
Het hof is in het licht van het vorenstaande van oordeel dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geldbedrag niet van misdrijf afkomstig is.
Verdachte heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende tegenwicht geboden aan de verdenking van witwassen. Hij heeft geen concrete, (min of meer) verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring afgelegd op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Op grond van het voorgaande is geen andere conclusie mogelijk dan dat het geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daar wetenschap van heeft gehad.
Medeplegen
Bij het begaan van dit feit is tussen verdachte en één of meer anderen sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking gericht op het voltooien daarvan dat sprake is geweest van medeplegen. De intellectuele en/of materiële bijdrage van verdachte aan het feit is daarbij, gelet op de rol van verdachte in de voorbereiding, de (deels gezamenlijke) uitvoering van het delict en het belang van die rol, van zodanig gewicht geweest dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Verdachte heeft het contact onderhouden met de transporteur van het geld en hij heeft ervoor gezorgd dat het in Finland opgehaalde geldbedrag vervolgens in Nederland weer werd opgehaald en verdeeld. Anders dan de verdediging ziet het hof hierin wel degelijk een wezenlijke rol bij het tenlastegelegde geldtransport. Zowel verdachte als zijn medeverdachten hebben wetenschap gehad dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren, zo volgt ook uit de bewijsmiddelen.
Het hof komt dan ook tot een bewezenverklaring van witwassen. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Feit 5
Tenlastelegging
Het hof stelt ten eerste vast dat de tenlastelegging ten aanzien van dit feit op de zitting van het hof van 5 februari 2024 is gewijzigd. Bij requisitoir hebben de advocaten-generaal evenwel het hof verzocht deze gewijzigde tenlastelegging verbeterd te lezen. In de gewijzigde tenlastelegging is nagelaten om het in 2018 gestorte contante bedrag van € 25.710, - op te nemen.
Het hof wijst dit verzoek van de advocaten-generaal om de tenlastelegging verbeterd te lezen af. Een dergelijke uitleg van de reeds in hoger beroep gewijzigde tenlastelegging is naar het oordeel van het hof ontoelaatbaar, nu hierdoor een extra witwasverwijt aan de tenlastelegging zou worden toegevoegd door een geheel ander tijdvak en bijbehorend geldbedrag toe te voegen. Van herstel van een kennelijke misslag of schrijffout waardoor de verdachte niet in zijn verdediging is geschaad is volgens het hof geen sprake.[384] Het hof beoordeelt dit feit op grond van de op 5 februari 2024 ter terechtzitting toelaatbaar geachte en vastgestelde gewijzigde tenlastelegging.
Juridisch kader
Het hof stelt vast dat het dossier geen bewijs bevat op grond waarvan een rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen het onverklaarbare vermogen van verdachte en een bepaald misdrijf (het brondelict). Niettemin kan in een dergelijke situatie bewezen worden geacht dat het geldbedrag "uit enig misdrijf" afkomstig is, indien de vastgestelde feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat sprake is van een vermoeden van witwassen. Indien zo'n geval zich voordoet, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geldbedrag die concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Bij de beoordeling van deze verklaring spelen de omstandigheden waaronder en het moment en de wijze waarop deze tot stand is gekomen mede een rol. Zo kan het van belang zijn of de verdachte van meet af aan een tegenwicht tegen de verdenking heeft geboden of dat hij eerst in een laat stadium van het onderzoek is gaan verklaren op een wijze die aan de hiervoor genoemde vereisten voldoet. Zodra het door de verdachte geboden tegenwicht daartoe aanleiding geeft, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de, uit de verklaringen van de verdachte blijkende, alternatieve herkomst van het geld. Uit de resultaten van een dergelijk onderzoek zal dienen te blijken dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de hoeveelheid geld waarop de verdenking betrekking heeft, een legale herkomst heeft en dat derhalve een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Vermoeden van witwassen
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek Vidar ontstond tegen verdachte een sterke verdenking van witwassen vanwege – kort gezegd – onverklaarbaar vermogen. Uit het onderzoek bleek niet dat verdachte in de ten laste gelegde periode legaal werk of inkomen had, om te voorzien in normaal levensonderhoud. Ondertussen werden wel forse contante stortingen gedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij gedurende de ten laste gelegde periode contante geldbedragen aan [naam] heeft gegeven. [naam] heeft deze bedragen vervolgens op haar rekening gestort. Over de herkomst van de geldbedragen beroept verdachte zich aanvankelijk op zijn zwijgrecht.
Het vorenstaande rechtvaardigt het vermoeden dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn. Dit vermoeden wordt versterkt door het feit van algemene bekendheid dat het voorhanden hebben van grote contante geldbedragen door privé personen is, in het geval dat geld op legale wijze is verkregen, hoogst ongebruikelijk vanwege het risico van onder meer diefstal, waarbij het geld niet is verzekerd.
Wetenschap dat het geld afkomstig is van misdrijf
In het licht van het vorenstaande mag worden verlangd dat verdachte een verklaring geeft over de herkomst van de contant gestorte geldbedragen.
Verdachte heeft verklaard dat het geld afkomstig is van gespaard geld uit zijn werk in de visserij in de voorafgaande jaren, betalingen voor verfklussen bij particulieren, een uitkering van levensverzekeringen, privéleningen, verhuurinkomsten van het huis in Spanje, geld dat hij van de rekening van zijn zoon heeft gehaald en gokwinsten. Deze verklaringen zijn nader onderbouwd bij brief van 16 maart 2022:
Ten aanzien van het bedrag van € 35.193,32, betreffende de uitkering van twee levensverzekeringen, heeft verdachte een concrete en verifieerbare verklaring afgelegd over de herkomst van het geld. Die verklaring is onderbouwd met stukken, waaruit blijkt dat dit bedrag is uitbetaald. Het hof acht het niet onwaarschijnlijk dat verdachte dat geld heeft opgenomen en later weer heeft gestort. Gelet daarop is het hof van oordeel dat ten aanzien van dit bedrag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat dit afkomstig is van misdrijf.
Datzelfde geldt ten aanzien van een bedrag van € 10.100, - voor de huurinkomsten van de woning van verdachte in Spanje. De getuigen [naam] , [naam] , [naam] en [naam] verklaren dat zij voor hun verblijf in de vakantiewoning van verdachte contant zo'n € 300, - tot € 600, - betaalden. Het hof volgt de advocaten-generaal in de berekening dat dit gelet op door deze getuigen genoemde bedragen en frequentie van hun verblijf om een totaalbedrag van € 10.100, - gaat. Het hof is van oordeel dat ten aanzien van dit bedrag niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat dit afkomstig is van misdrijf.
Verdachte heeft met betrekking tot de gokwinsten verklaard dat deze door [naam] voor hem werden ontvangen en heeft daarover stukken aangeleverd. Het hof kan op basis van deze stukken echter niet vaststellen dat het verdachte is geweest en niet [naam] - die zelf gokte - deze gokwinsten heeft gemaakt en evenmin dat deze opgenomen geldbedragen aan verdachte zijn uitgekeerd. De door [naam] bij de raadsheer-commissaris afgelegde verklaring is voor het hof, vanwege het feit dat zijn verklaring onvoldoende concreet is aangaande wanneer verdachte welke gokwinsten via de rekening van de getuige zou hebben ontvangen, onvoldoende redengevend om te komen tot de conclusie dat aannemelijk is geworden dat verdachte met gokken een dergelijk geldbedrag heeft verdiend.
Ten aanzien van stukken waaruit blijkt dat er in 2018 diverse grote geldbedragen zijn opgenomen van de rekening van de zoon van verdachte kan het hof niet vaststellen dat verdachte over deze geldbedragen heeft beschikt. Het hof acht de verklaring van verdachte en van de zoon van verdachte ( [naam] ) op dit punt onvoldoende specifiek. Een dergelijke specifieke verklaring mag naar het oordeel van het hof wel verwacht worden van verdachte en zijn zoon, nu om het een dergelijk groot bedrag gaat. Verdachte zou over een langere periode in niet concrete porties geld hebben opgenomen van de bankrekening van zijn zoon, om deze opnames vervolgens weer terug te storten op zijn eigen rekening. Een verklaring over de reden hiervoor ontbreekt, zo stelt het hof vast, mede gelet op de verklaring van verdachte dat hij het betreffende geld opnam en het vervolgens opmaakte. Dit brengt het hof tot het oordeel dat de verklaring van verdachte op dit punt zonder meer onaannemelijk is.
Ten aanzien van de overige verklaringen acht het hof de uitleg eveneens onvoldoende concreet en onvoldoende verifieerbaar. Zo zijn er ook geen concrete verifieerbare stukken aangeleverd waaruit volgt dat het geld van verfklussen en privéleningen afkomstig kan zijn en ook acht het hof het niet goed volgbaar en niet waarschijnlijk dat verdachte in de ten laste gelegde periode (2014 tot en met 2019) nog in het bezit was van de in 2009 tot en met 2011 legaal verkregen inkomsten. Verdachte heeft ook dat niet concreet gemaakt.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de verklaringen die verdachte heeft gegeven over de herkomst van de in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen, met uitzondering van een bedrag van € 35.193,32 en € 10.100,-, niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn. Dat het Openbaar Ministerie geen nader onderzoek naar die verklaringen heeft gedaan lag dus voor de hand.
Gelet op het feit dat verdachte in de periode 2014 tot en met 2019 grote contante bedragen heeft gestort en in het bijzonder op het feit dat er geen legale herkomst voor een groot deel van de betreffende bedragen te herleiden is, is het hof van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het voorwerp in de tenlastelegging uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het voorwerp.
Het hof is van oordeel dat nu de verdachte ten aanzien van het grootste deel van het contante geld geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst daarvan, er geen andere conclusie mogelijk is dan dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde voorwerp onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dit wist. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.
Gewoontewitwassen
Gelet op de duur van de witwashandelingen, het aantal stortingen en de totale omvang van de stortingen is sprake van gewoontewitwassen.
Het hof komt tot een bewezenverklaring van gewoontewitwassen. Het hof verwerpt het verweer van de verdediging.
Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel - ook in onderdelen - slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:
- zaaksdossier 5)hij op 14 februari 2019 in [plaats] tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid, bewerkt, afgeleverd, verstrekt en vervoerd en voorhanden heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 9893 gram amfetamine (speed), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
- ( zaaksdossier 17)hij in de periode van 30 oktober 2019 tot en met 8 november 2019 in Nederland en in Helsinki (Finland), tezamen en in vereniging met anderen, een geldbedrag, te weten een bedrag van ongeveer 140.000 euro voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders wisten dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
- ( zaaksdossier 22)hij in de periode van 3 april 2014 tot en met 2 april 2019, te [plaats] , meermalen, geldbedragen heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en daarvan gebruik gemaakt, immers heeft hij, - in 2014 15.085 contant gestort; - in 2015 18.560 contant gestort; - in 2016 25.120 contant gestort; - in 2017 28.510 contant gestort; - in 2019 4.950 contant gestort;
terwijl hij wist dat die geldbedragen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van witwassen.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof is met de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de productie van 9.893,10 gram amfetamine voor medeverdachte [medeverdachte 1] . Het is een feit van algemene bekendheid dat achter de productie en verspreiding van en de handel in harddrugs doorgaans een wereld van (grootschalige) georganiseerde en ondermijnende criminaliteit schuilgaat, waarbij het gebruik van (excessief) geweld niet geschuwd wordt. Dergelijke handel maakt het mogelijk dat harddrugs op grote schaal kunnen worden gebruikt. Het gebruik van deze middelen kan leiden tot acute gezondheidsincidenten, maar ook tot gezondheidsschade op de langere termijn. Regelmatig drugsgebruik en verslaving brengt bovendien negatieve gevolgen met zich mee voor de sociale omgeving van de gebruiker en de maatschappij.
Verdachte heeft voorts samen met anderen een uit misdrijf afkomstig geldbedrag (gesmokkeld uit Finland) van € 140.000,00 voorhanden gehad, en verder, in de jaren van 2014 tot en met 2019, een totaalbedrag van € 46.931,68 witgewassen door geldbedragen met een criminele herkomst contant te storten op de rekening van zijn vrouw. Dergelijk handelen verziekt de integriteit van het financiële en economische verkeer. De opbrengsten van misdrijven worden aan het zicht onttrokken en daaraan wordt een schijnbare legale herkomst verschaft. Door het wegsluizen van crimineel geld wordt de opsporing van onderliggende misdrijven bovendien bemoeilijkt.
Het hof houdt het ervoor dat gerdachte heeft geen rekening gehouden met de voornoemde gevolgen van zijn handelen en zich kennelijk enkel laten leiden door zijn eigen financiële belangen. Dat rekent het hof verdachte aan.
Het hof heeft voorts gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 8 januari 2024. Hieruit volgt dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. Verdachte is niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Daarnaast heeft het hof ook gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die uit het dossier blijken en zoals die door verdachte ter terechtzitting zijn toegelicht. Het hof heeft ook acht geslagen op het meeste recente reclasseringsrapport d.d. 17 januari 2024. Daarin wordt beschreven dat verdachte het roer heeft omgegooid. Hij heeft zich laten behandelen in een verslavingskliniek. Sindsdien is hij clean. Hij heeft zich bekeerd tot het Christelijke geloof en staat en stuk positiever in het leven. Verdachte toont goede wil om zijn leven te beteren en heeft daarin ook de nodige stappen gezet. Hij heeft huisvesting en werk.
Het hof stelt vast dat verdachte in hoger beroep zijn betrokkenheid bij feit 1 heeft bekend. In die zin heeft hij verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen. Dit valt hem te prijzen. In die zin kan worden gezegd dat verdachte tot inkeer is gekomen. Daarmee lijkt één van de strafdoelen van het strafrecht te zijn bereikt en leidt dit tot enige clementie.
Ondanks voorgaande positieve ontwikkeling in het leven van verdachte kan, gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde, kan naar het oordeel van het hof evenwel niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van drie jaren passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Het hof zal daarvan een deel, te weten één jaar gevangenisstraf, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren. Dit voorwaardelijke deel van de straf dient mede als stok achter de deur om te voorkomen dat verdachte zich na zijn detentie weer schuldig gaat maken aan enig strafbaar feit.
Redelijke termijn
Het hof heeft zich ook rekenschap gegeven van de redelijke termijn. Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Bij de vraag of sprake is van een schending van de redelijke termijn moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld.
In de onderhavige zaak is de redelijke termijn aangevangen op 9 mei 2020, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld. De rechtbank heeft op 17 augustus 2022 vonnis gewezen. Het hof stelt vast dat de rechtbank na ruim twee jaren en vijf maanden vonnis heeft gewezen. In deze zaak dient bij de vraag of sprake is van schending van de redelijke termijn rekening te worden gehouden met de bijzondere omstandigheden van deze zaak. Naar het oordeel van het hof wordt de langere behandelduur in eerste aanleg gerechtvaardigd door de complexiteit en omvang van de zaak (de zaak tegen verdachte maakt deel uit van een megazaak met in eerste aanleg 21 verdachten en in hoger beroep 14 verdachten) en in het aantal getuigenverhoren dat heeft plaatsgevonden in eerste aanleg. Het hof stelt vast dat de rechtbank de zaak voortvarend heeft behandeld en dat de zaak op geen enkel moment onnodig lang heeft stilgelegen. Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de redelijk termijn in deze zaak niet is overschreden.
Voorlopige hechtenis
De raadsman heeft bij pleidooi verzocht om het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op te heffen.
Het hof stelt vast dat verdachte gedurende langere tijd geschorst is geweest terwijl zich geen noemenswaardige incidenten hebben voorgedaan. Het hof ziet daarin, uit overwegingen van redelijkheid en opportuniteit, aanleiding om met ingang van heden het (inmiddels geschorste) bevel van de voorlopige hechtenis op te heffen bij arrest. Dat leidt ertoe dat de op te leggen gevangenisstraf bij het onherroepelijk worden van de veroordeling te zijner tijd (verder) moet worden ondergaan.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van het beslag geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de advocaten-generaal
De advocaten-generaal hebben gevorderd om te beslissen op het beslag conform het vonnis van de rechtbank.
Oordeel van het hof
Het hof kan zich ten aanzien van de beslissing op het beslag met de overwegingen van de rechtbank verenigen. Het hof zal deze overwegingen hierna (cursief) overnemen en tot de zijne maken. Daar waar 'rechtbank' staat, moet nu 'hof' worden gelezen.
"Onttrekking aan het verkeer
De rechtbank acht het volgende inbeslaggenomen voorwerp, waarvan verdachte als de redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer en zal daartoe ook overgaan: - een cryptotelefoon van het merk BQ Aquarius (nummer 1266435).
Dit voorwerp is bij gelegenheid van het onderzoek naar de door verdachte ten laste gelegde feiten aangetroffen. Het voorwerp betreft een cryptotelefoon. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke telefoons - waarmee versleutelde berichten kunnen worden verstuurd - veelvuldig worden gebruikt in het criminele milieu.
<footnoteReference id="_ed6e1f24-6181-4a25-b2b9-60b3a89e833e">[385]</footnoteReference>
<footnoteReference id="_b9fd3fad-9ef4-49b8-929e-89c5f84b0196">[386]</footnoteReference>
*De rechtbank acht het ongecontroleerde bezit van deze telefoon door verdachte dan ook in strijd met het algemeen belang.*
Teruggave van het voorwerp aan verdachte
De rechtbank is van oordeel dat het volgende inbeslaggenomen voorwerp moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet: - een iPhone (nummer 1266440)."
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 4 en 5 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - een cryptotelefoon van het merk BQ Aquarius (nummer 1266435).
Gelast de teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: - een iPhone (nummer 1266440).
De voorlopige hechtenis
Heft op het (geschorste), tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. J. Dolfing, voorzitter,
mr. T.H. Bosma en mr. M.B. de Wit, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. Dörholt, griffier,
en op 12 juli 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 r.o. 3.6.5.
HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, r.o. 2.5.2 en 2.5.3.
Voluit: Wet van 27 mei 1999 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de regeling van
enige bijzondere bevoegdheden tot opsporing en wijziging van enige andere bepalingen (bijzondere
opsporingsbevoegdheden).
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 47 (MvT).
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 121 (MvT).
Kamerstukken II 1997/98, 25 403, nr. 7, pagina 71.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 47 (MvT).
Kamerstukken II 1998/1999, 25 403, nr. 33.
Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 192.
Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195.
Dit is alleen anders bij een motie van wantrouwen.
C.A.J.M. Kortmann c.s., Constitutioneel recht, p. 276 8e druk.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 24 (MvT).
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 24 en 25 (MvT).
Concl. A-G Vellinga, ECLI:NL:PHR:2011:BT2099 ro. 10, bij, HR 8 november 2011, ECL1:NL:HR:2011:BT2099, NJ2QH/530. HR 8 november 201 l, ECLI:NL:HR:2011:BT2099/NJ2011/530. ro. 2.5.
Concl. A-G Harteveld, ECLI:NL:PHR:2013:2696, ro. 4.6. bij, HR 15 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:913
Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, Stcrt. 2014, 24442, onder 2.9.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 29 (MvT).
Vgl. Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 74 (MvT).
HR 4 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC9598, NJ 1994/294, ro. 5.5.
HR 5 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0315, NJ 1996/238, ro. 4.2. & Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 11 (MvT).
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 30 (MvT).
Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, Stcrt. 2014, 24442, onder 2.9 & Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 121 (MvT).
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 46 (MvT), Kamerstukken II 1997/98, 25 403, nr. 7, pagina 68 & Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, Stcrt. 2014, 24442, onder 2.9.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 47 (MvT).
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 46 en 47 (MvT).
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 15 (MvT).
Zie artikel 140a van het wetboek van Strafvordering (Sv)
Artikel 131 van de Wet op de rechterlijke organisatie jo. artikel 11, tweede lid, Reglement van Orde College van procureurs-generaal, Stcrt. 1999, 106.
Artikel 11, derde lid, Reglement van Orde College van procureurs-generaal, Stcrt. 1999, 106.
Kamerstukken II 1997/98, 25 403, nr. 7, pagina 28.
Kamerstukken II 1997/98, 25 403, nr. 7, pagina 28.
Vgl. HR 20 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6245, NJ 2000,502.
Vgl. Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 15 en 16 (MvT) en kamerstukken II 1997/98, 25 403, nr. 7, pagina 5.
Vgl. C.A.J.M. Kortmann c.s., o.c., pagina 359 en kamerstukken II 1997/98, 25 403,nr. 7, pagina 5.
Algemeen dossier nazending december 2021, JUS-018-02, pagina 10005.
Algemeen dossier nazending december 2021, JUS-018-02, pagina 10005.
Algemeen dossier nazending december 2021, JUS-018-02, pagina 10006.
Algemeen dossier nazending oktober 2021, JUS-018-01, pagina 9580.
Methodieken dossier, BOB-040-02, pagina 2472.
Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, Stcrt. 2014, 24442, onder 2.9.
Vgl. HR 19 juni 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC8556, NJ 1991/119, m.nt. M. Scheltema, Th.W. van Veen, r.o. 5.1. & Vgl. HR 26 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:B04015, NJ 2012/63, m.nt. B.F. Keulen, r.o. 2.6.
HR 30 maart 2004, ECLI:NL:PHR:2004:AM2533, NJ 2004/376, m.nt. Y. Buruma. r.o. 3.3 & Vgl. J.H. Crijns, "Beginselen van een behoorlijke strafrechtspleging", in: C.P.M. Cleiren, Th.A. de Roos en M.A.H. van der Woude (red.), Jurisprudentie strafrecht select. Den Haag; SDU Uitgevers 2008, pagina 63.
Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, Stcrt. 2014, 24442, onder 2.9.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 3.
Methodiekendossier, proces-verbaal aanvraag overeenkomt criminele burgerinfiltratie, p. 2463 e.v.
E.M. Moerman, Inburgeren in de opsporing. Over de juridische positie van de burger in de opsporing van
strafbare feiten (diss. Rotterdam), Rotterdam: E.M. Moerman 2016, pagina 139.
E.M. Moerman, o.c., pagina 139.
Vgl. E.M. Moerman, o.c., pagina 21.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 3 (MvT).
Aanwijzing opsporingsbevoegdheden, Stcrt. 2014, 24442, onder 2.9.
Voluit: opsporingsambtenaren van het team Werken onder Dekmantel, Afdeling Afgeschermde Operaties, van de Dienst Landelijke Operationele Samenwerking van de Nationale Politie Landelijke Eenheid.
Algemeen dossier, AHW-211-01, pagina 10339 e.v.
Kamerstukken II 2013/14, 29 279, nr. 195, pagina 20.
Kamerstukken II 1995-1996, 24 072, nrs. 10-11, pagina 74.
O.S. Pluimer, "Criminele burgerinfiltratie anno 2017: heimelijke opsporing in de duisternis", TPWS 2017/3, onder 7.2.
Kamerstukken II 2012/13, 29 911, nr. 83, pagina l, 2 en 3.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, pagina 31 en 32 (MvT).
O.S. Pluimer, o.c., onder 7.2.
Vgl. HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321, NJ 2013/308, m.nt. B.F. Keulen, ro. 2.4.1.
Kamerstukken II 2013/2014, 29 279, nr. 195.
Methodiekendossier, BOB-040-03 p. 2485.
Vgl. Kamerstukken II 2013/14, 29 279, nr. 195, pagina 14.
Algemeen dossier nazending december 2021, JUS-018-02, pagina 10006 & algemeen dossier nazending december 2021, JUS-018-03, pagina 10007.
Methodiekendossier, BOB-040-02, p. 2471 e.v.
Algemeen dossier ZD-6 p. 123 e.v.
Methodiekendossier, BOB-002-08, p. 527 e.v. & Methodiekendossier, BOB-010-09, p. 1245 e.v.
ECLI:NL:PHR:2024:122 r.o. 3.1.
Methodiekendossier, proces-verbaal aanvraag overeenkomst burgerpseudokoop/burgerpseudodienstverlening, BOB-002-01 p. 505 e.v.
Methodiekendossier, overeenkomst tot pseudokoop/pseudodienstverlening met een burger, BOB-002-02 p. 507 e.v.
Methodiekendossier, proces-verbaal aanvraag overeenkomst burgerpseudokoop/burerpseudodienstverlening, BOB-002-03 p. 513 e.v.
Verlening overeenkomst tot pseudokoop/pseudodienstverlening met een burger, BOB-002-04 p. 516 e.v.
Methodiekendossier, BOB-002-06 p. 521 e.v.
Methodiekendossier, BOB-002-07, p. 523 e.v.
Methodiekendossier, BOB-002-08, p. 527 e.v.
Methodiekendossier, BOB-010-01 p. 1219 e.v.
Methodiekendossier, BOB-010-02 p. 1223 e.v.
Methodiekendossier, BOB-010-03, p. 1225 e.v.
Methodiekendossier, BOB-010-04, p. 1231 e.v.
Methodiekendossier, BOB-010-05, p. 1235 e.v.
Methodiekendossier, BOB-010-06, p. 1237 e.v.
Methodiekendossier, BOB-010-07, p. 1239 e.v.
Methodiekendossier, BOB-010-08, p. 1243 e.v.
Methodiekendossier, BOB-010-09, p. 1245 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-01, p. 2463 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-02, p. 2471 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-03, p. 2477 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-04, p. 2487 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-05, p. 2489 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-06, p. 2512 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-07, p. 2514 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-08, p. 2532 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-09, p. 2534 e.v.
Methodiekendossier, BOB-040-10, p. 2546 e.v.
E-mail d.d. 21 augustus 2023 om 12:06 uur van de advocaat-generaal van der Spek.
prof. dr. R.W.H.M. Ponds, klinisch neuropsycholoog, rapport d.d. 22 oktober 2023.
Zie de begeleidende email bij het rapport.
Proces-verbaal d.d. 7 februari 2014 opgemaakt op ambtsbelofte door de Officier van Justitie M.S. Kappeyne van de Coppello.
Een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal, nummer B120240213 d.d. 14 februari 2014.
Proces-verbaal verhoor van getuige B-2820 bij de raadsheer-commissaris, d.d. 15 november 2023 en Proces-verbaal verhoor van getuige B-2992 bij de raadsheer-commissaris d.d. 9 januari 2024.
Proces-verbaal verhoor van getuige B-2992 bij de raadsheer-commissaris d.d. 9 januari 2024, p. 4.
Proces-verbaal verhoor van getuige B-2821 bij de raadsheer-commissaris, d.d. 16 november 2023.
Proces-verbaal verhoor van getuige B-2820 bij de raadsheer-commissaris, d.d. 15 november 2023.
Proces-verbaal verhoor getuige A-4110 bij de rechter-commissaris d.d. 29 en 30 april 2021, p. 4.
Algemeen dossier, AHW-207-01, p. 10333 & AHW-207-02 p. 10334.
Kamerstukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 31-32.
ECLI:NL:PHR:2024:122 r.o. 3.1.
HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1973, r.o. 2.3.2.
Proces-verbaal van verdenking d.d. 20 april 2018, dossier, p. 1245 en p. 1248.
Proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 april 2018, dossier, p. 1257
Proces-verbaal van verhoor A-4110 (GET-001-01) d.d. 29 maart 2018, dossier p. 12750 e.v.
Proces-verbaal van verdenking AH-001-01 p. 1247.
TOOI informatierapport openbare orde, dossier p. 15062.
Afscherm proces-verbaal d.d. 13 april 2018, dossier p. 15056.
Proces-verbaal van bevindingen, dossier p. 8774.
Afgeluisterd telefoongesprek dossier, p. 13748.
Proces-verbaal van bevindingen, dossier p. 9034.
Afgeluisterd telefoongesprek dossier, p. 13748.
Afgeluisterd telefoongesprek dossier p. 13753.
Afgeluisterd telefoongesprek dossier p. 13754.
Kamerstukken II 1997/98, 25 403, nr. 7, pagina 43.
G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, pagina 67.
Vgl. G.J.M. Corstens, o.c., pagina 67 & Vgl. C.P.M. Cleiren, Beginselen van een goede procesorde. Een analyse van rechtspraak in strafzaken (diss. Leiden), Arnhem: Gouda Quint BV 1989, pagina 127.
algemeen dossier, GET-001-01, pagina 12750 & algemeen dossier, TCI-001-01, pagina 15056.
Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt hierna steeds verwezen naar pagina's van in de wettelijke vorm op ambtseed/ambtsbelofte en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakte processen-verbaal uit de dossiers van het onderzoek Vidar (nummer NNRAA18011) van de Nationale Politie, Eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Generieke Opsporing.
algemeen dossier, AH-122-01, pagina 4661 e.v. (map 14).
algemeen dossier, AH-122-01, pagina 4661 (map 14)
algemeen dossier, AH-082-05, pagina 2732 e.v. (map 8). AH-082-05-01, pagina 2766 e.v. (map 8).
algemeen dossier, TA020, sessie 10314 d.d. 14-05-2019 16:38:53 uur, pagina 14139 (map 42). TA020, sessie 10527 d.d. 20052019 15:50:33 uur, pagina 14144 (map 42).
algemeen dossier, AH-103-18, pagina 3681 e.v. (map 11).
algemeen dossier, AH-104-04 OVC uitwerking 07-09-2019
beslagdossier, IBN-002-01-02, pagina 145 e.v., IBN-002-02-27, pagina 205 en 206. Algemeen dossier AH-122-01, pagina 4661 e.v. (map 14).
algemeen dossier, FTO-018-03, pagina 11619 (map 34). FTO-018-02, pagina 11614 (map 34).
algemeen dossier, AH-122-04, pagina 4673 e.v. (map 14).
algemeen dossier, AH-099-10-01, pagina 3374 e.v. (map 10).
algemeen dossier, AHW-115-01, pagina 9826 (map 27). AH-104-03, pagina 3907 e.v. (map 12).
algemeen dossier, AH-104-07 OVC, pagina 3946 e.v. (map 12).
algemeen dossier, AH-122-04, pagina 4673 e.v. (map 14). BOB-151-01, pagina 5046 e.v. (Methodiekendossier). BOB-157-01, pagina 5285 (Methodiekendossier).
algemeen dossier, AH-122-04, pagina 4673 e.v. (map 14). BOB-151-01, pagina 5046 e.v. (Methodiekendossier). BOB-157-01, pagina 5281 (Methodiekendossier).
algemeen dossier, V-005-01, pagina 15501 (map 46). IBN-028-02-04, pagina 840 (Beslagdossier).
algemeen dossier, AH-122-04, pagina 4673 e.v. (map 14).
algemeen dossier, AH-234-01, pagina 7545 e.v. (map 21).
algemeen dossier, AH-234-02, pagina 9412 en 9413 (map 51) & TTI-059-01 pagina 9548 (map 51).
algemeen dossier, AH-103-18, pagina 3681 e.v. (map 11)
algemeen dossier, AHW-111-01, pagina 9807 (map 27). AH-103-20, pagina 3804 e.v. (map 11).
algemeen dossier, AHW-117-01, pagina 9832 e.v. (map 27) & Ah-140-05, pagina 3925 e.v. (map 12).
algemeen dossier, AH-234-01, pagina 7546 (map 21).
Op grond van AH-234-01, pagina 7547 (map 21) begrijpt het hof: ' [naam] '.
algemeen dossier, AH-104-07, pagina 3946 e.v. (map 12).
algemeen dossier, AH-234-01, pagina 7546 e.v. (map 21).
algemeen dossier, AHW-147-01, pagina 9935 (map 27).
algemeen dossier, AHW-158-01, pagina 9954 e.v. (map 27). AH-105-07, pagina 4334 e.v. (map 13). AH-105-17, pagina 4463 e.v. (map 13)
algemeen dossier, AH-206-01, pagina 7362 e.v. (map 21).
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4501 e.v. (map 13).
algemeen dossier, AH-106-06, pagina 4538 e.v. (map 13).
algemeen dossier, AH-234-01, pagina 7548 (map 21).
algemeen dossier, AH-122-02, pagina 4666 e.v. (map 14).
algemeen dossier, AH-218-01, pagina 7408 .e.v. (map 21).
beslagdossier, IBN-028-02-02, pagina 837.
beslagdossier, IBN-028-02-03, pagina 838 en 839.
algemeen dossier, AH-122-02, pagina 4666 e.v. (map 14).
algemeen dossier, AH-122-02, pagina 4666 e.v. (map 14). AH-169-01, pagina 6431 (map 18).
algemeen dossier, AH-122-02, pagina 4666 e.v. (map 14).
algemeen dossier, AH-218-01, pagina 7409 e.v. (map 21).
algemeen dossier, AH-218-01, pagina 7409 e.v. (map 21).
algemeen dossier, AH-218-01, pagina 7409 e.v. (map 21) en algemeen dossier, TTI-050-01, pagina 15132 e.v. (map 45).
algemeen dossier, AH-122-03, pagina 4671 e.v. (map 14).
algemeen dossier, AH-122-03, pagina 4671 e.v. (map 14).
algemeen dossier, V-022-01, pagina 17189 en 17190 (map 50). AH-122-03, pagina 4671 e.v. (map 14).
algemeen dossier, AH-172-02, pagina 6481 (map 18).
beslagdossier, IBN-021-02-04, pagina 739.
algemeen dossier, AH-122-03, pagina 4671 e.v. (map 14).
algemeen dossier, AH-218-01, pagina 7409 e.v. (map 21).
algemeen dossier, AH-218-01, pagina 7409 e.v. (map 21).
algemeen dossier, AH-172-02, pagina 6470.
algemeen dossier, AH-218-01, pagina 7109.
algemeen dossier, ZD 11, pagina 453.
algemeen dossier, AHW-028-01, pagina 9497.
algemeen dossier, AH-095-01, pagina 2943.
algemeen dossier, AH-247-01 pagina's 7634 en 7635 & AH-247-02 pagina 7636.
algemeen dossier, ZD 11, pagina 454.
algemeen dossier, AH-172-01, pagina 6449.
algemeen dossier, AHW-017-02, pagina 9444.
algemeen dossier, verhoor [medeverdachte 1] , pagina 15254.
algemeen dossier, ZD-009, pagina 271.
algemeen dossier, AH-280-01, pagina 9034 e.v.
algemeen dossier, AH-284-01, pagina 9092.
algemeen dossier, AH-104-11, pagina 4118.
algemeen dossier, AH-260-03-10, pagina's 8334 en 8335.
algemeen dossier, TA052, sessie 3043, pagina 5735.
algemeen dossier, TA052, sessie 3044, pagina 5736.
algemeen dossier, AH-104-13, pagina 4123.
algemeen dossier, AHW-147-01, pagina 9935.
algemeen dossier, AH-105-07, pagina 4334 en verder.
algemeen dossier, AH-105-07, pagina 4335.
algemeen dossier, AHW-147-01, pagina 9935.
algemeen dossier, AHW-147-01, pagina 9935.
algemeen dossier, AH 220-01, pagina 7435 e.v.
algemeen dossier, AHW-151-01, pagina 9941.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4388 en verder.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4389.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4390.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4391.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4392.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4397.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4398.
algemeen dossier, AHW-151-01, pagina 9941 en verder.
algemeen dossier, AHW-151-01, pagina 9941.
algemeen dossier, AHW-151-01, pagina 9941.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4388 en verder.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4403.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4408.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4410.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4411.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4412.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4415.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4416.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4416.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4417.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4418.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4418.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4420.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4421.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4421.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4422.
algemeen dossier, AHW-151-01, pagina 9941 en verder.
algemeen dossier, AHW-151-01, pagina 9942.
algemeen dossier, AHW-151-01, pagina 9942.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4388 en verder.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4424.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4425.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4425.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4426.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4430.
algemeen dossier, AH-105-11, pagina 4431.
Algemeen dossier, zaaksdossier 11, pagina 432.
algemeen dossier, FTO-013-02, pagina 11304 (geschrift, kennisgeving van inbeslagneming).
algemeen dossier, FTO-013-03, pagina 11305.
algemeen dossier, FTO-013-04, pagina 11307 (geschrift, rapport NFI).
algemeen dossier, FTO-062-05, pagina 12714.
algemeen dossier, FTO-013-33, pagina 11347 en 11348 (geschrift, rapport dactyloscopisch onderzoek).
algemeen dossier, FTO-013-33, pagina 11348 (geschrift, rapport dactyloscopisch onderzoek).
algemeen dossier, FTO-013-34, pagina 11366-11367 (geschrift, rapport dactyloscopisch onderzoek).
algemeen dossier, FTO-013-34, pagina 11367 (geschrift, rapport dactyloscopisch onderzoek).
algemeen dossier, FTO-013-35, pagina 11385-11386 (geschrift, rapport dactyloscopisch onderzoek).
algemeen dossier, FTO-013-35, pagina 11386 (geschrift, rapport dactyloscopisch onderzoek).
algemeen dossier, FTO-013-36, pagina 11404-11405 (geschrift, rapport dactyloscopisch onderzoek).
algemeen dossier, FTO-013-36, pagina 11405 (geschrift, rapport dactyloscopisch onderzoek).
algemeen dossier, FTO-013-04, pagina 11307 (geschrift, rapport NFI).
algemeen dossier, FTO-013-04, pagina 11308 (geschrift, rapport NFI)
algemeen dossier, FTO-013-05, pagina 11310 en 11311 (geschrift, rapport NFI).
algemeen dossier, AHW-158-02, pagina 9956.
algemeen dossier, AHW-158-01, pagina 9954.
algemeen dossier, AHW-158-01, pagina 9955.
algemeen dossier, AHW-158-01, pagina 9955.
algemeen dossier, AH-206-01, pagina 7363.
algemeen dossier, AH-206-01, pagina 7362.
algemeen dossier, AH-206-01, pagina 7364.
algemeen dossier, AH-206-01, pagina 7364.
algemeen dossier, AHW-162-01, pagina 9966.
algemeen dossier, AHW-162-01, pagina 9967.
algemeen dossier, AH-112-01, pagina 4616.
algemeen dossier, AH-112-01, pagina 4617.
algemeen dossier, AH-112-01, pagina 4617.
algemeen dossier, FIN-067-01, pagina 10971.
algemeen dossier, RHV-052-02, pagina 13718.
algemeen dossier, RHV-052-02, pagina 13718.
algemeen dossier, AH-265-01, pagina 8731.
algemeen dossier, AH-265-01, pagina 8732.
algemeen dossier, AH-265-01, pagina 8733.
algemeen dossier, AH-265-01, pagina 8728.
algemeen dossier, AH-265-01, pagina 8734.
algemeen dossier, AH-265-01, pagina 8735.
algemeen dossier, BHV-2020012363-1, pagina 10477.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4607.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4606.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4608.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4609.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4609.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4609.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4609.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4609.
algemeen dossier, TA067, sessie 467, pagina 14849.
algemeen dossier, TA067, sessie 468, pagina 14849.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4610.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4611.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4611.
algemeen dossier, AH-110-02, pagina 4612.
algemeen dossier, TA067-1960, pagina 14861.
beslag dossier, IBN-043-01, pagina 1003.
algemeen dossier, AH-266-01, pagina 8743.
algemeen dossier, AH-266-01, pagina 8744.
algemeen dossier, AH-266-01, pagina 8743.
algemeen dossier, GET-009-01, pagina 12827 en verder.
algemeen dossier, V-027-04, pagina 17388 en verder.
algemeen dossier, GET-009-01, pagina 12829.
algemeen dossier, GET-009-01, pagina 12830 en 12831.
algemeen dossier, GET-009-01, pagina 12831.
algemeen dossier, V-027-04, pagina 17390.
algemeen dossier, V-027-04, pagina 17391.
algemeen dossier, V-018-06, pagina 16956 en verder.
algemeen dossier, V-018-06, pagina 16963.
algemeen dossier, V-018-06, pagina 16967.
algemeen dossier, V-018-06, pagina 16968.
algemeen dossier, V-018-06, pagina 16968.
algemeen dossier, TA067-1820, pagina 14856 (geschrift, uitwerking tapgesprek).
algemeen dossier, AH-110-01, pagina 4585 en 4592.
algemeen dossier, TA067-1820, pagina 14856 (geschrift, uitwerking tapgesprek).
algemeen dossier, AHW-163-01, pagina 9968.
algemeen dossier, AH-106-03, pagina 4497 en verder.
algemeen dossier, AH-106-03, pagina 4497 en verder.
algemeen dossier, AHW-163-01, pagina 9968.
algemeen dossier, TA067-1893, pagina 14858 (geschrift, uitwerking tapgesprek).
algemeen dossier, TA067-1942, pagina 14860.
algemeen dossier, TA062-2666, pagina 14714.
algemeen dossier, TA062-2670 pagina 14715.
algemeen dossier, TA067-1960, pagina 14861.
algemeen dossier, TA067-1961, pagina 14861.
algemeen dossier, TA067-1962, pagina 14862.
algemeen dossier, TA067-1965, pagina 14862.
algemeen dossier, TA020-33441, pagina 14238.
algemeen dossier, AH-110-01, pagina 4599.
algemeen dossier, TA067-1986, pagina 14862.
algemeen dossier, AH-110-01, pagina 4599.
algemeen dossier, TA062-2671, pagina 14715.
algemeen dossier, AH-110-01, pagina 4600.
algemeen dossier, TA062-2673, pagina 14716.
algemeen dossier, TA062-1999, pagina 14863.
algemeen dossier, GET-013-01, pagina 13019 en verder.
algemeen dossier, GET-013-01, pagina 13020.
algemeen dossier, GET-013-01, pagina 13021.
algemeen dossier, TA043-28513, pagina 14526.
algemeen dossier, TA062-2764, pagina 14721.
algemeen dossier, TA062-2722, pagina 14721.
algemeen dossier, AHW-164-02, pagina 9975.
algemeen dossier, AHW-164-01, pagina 9972.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4501 en verder.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4502.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4503.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4503.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4505.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4505.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4506.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4508.
algemeen dossier, AHW-164-01, pagina 9972.
algemeen dossier, AHW-164-01, pagina 9972.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4501 en verder.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4512.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4513.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4513.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4514.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4515.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4515.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4516.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4521.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4522.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4523.
algemeen dossier, AHW-164-01, pagina 9972.
algemeen dossier, AHW-164-01, pagina 9972.
algemeen dossier, AHW-164-01, pagina 9972.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4501 en verder.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4526.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4527.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4527.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4527.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4528.
algemeen dossier, AH-106-04, pagina 4529.
algemeen dossier, AHW-164-01, pagina 9972.
algemeen dossier, AHW-164-01, pagina 9973.
algemeen dossier, FIN-005-04, pagina 10549.
algemeen dossier, FIN-005-04, pagina 10550.
algemeen dossier, FIN-010-04, pagina 10568 en verder.
algemeen dossier, FIN-010-04, pagina 10570.
algemeen dossier, FIN-004-04, pagina 10547.
algemeen dossier, FIN-004-04, pagina 10547.
algemeen dossier, FIN-004-04, pagina 10547.
algemeen dossier, V-028-04, pagina 17421 en verder.
algemeen dossier, V-028-04, pagina 17424.
algemeen dossier, V-028-04, p. 17428.
algemeen dossier, V-028-04, p. 17436.
algemeen dossier, V-028-04, p. 17436.
Proces-verbaal ter terechtzitting rechtbank d.d. 22 maart 2022, p.3.
algemeen dossier, zaaksdossier 16, pagina 648.
Hoge Raad 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3047.
Rb. Zeeland-West-Brabant 6 april 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:1625.
Rb. Gelderland 16 maart 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1359. - - - ## Voetnoten