Terug naar bibliotheek
Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:3109 - Rechtbank Amsterdam - 7 mei 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBAMS:2025:31097 mei 2025

Rechtsgebieden

Civiel RechtBurgerlijk Procesrecht

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/760186 / HA ZA 24-1301
Vonnis van 7 mei 2025
in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende in [woonplaats] ,2. [eiser 2],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partijen in verzet,
hierna samen te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
inmiddels zonder advocaat,
tegen
VERENIGING VAN EIGENAARS [naam VvE],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij in verzet,
hierna te noemen: de VvE,
advocaat: mr. E.J. Loos.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

2 De beoordeling

2.1. De VvE heeft bij dagvaarding van 7 mei 2024 een vordering tegen [eiser 1] en [eiser 2] . De vordering gaat onder andere over de bijdrage die [eiser 1] en [eiser 2] , als appartementseigenaren en daarmee leden van de VvE, aan het funderingsherstel zouden moeten leveren. [eiser 1] en [eiser 2] hebben niet in rechte op die dagvaarding gereageerd. Zij zijn daarom bij verstekvonnis van 19 juni 2024 veroordeeld tot dat wat de VvEvan hen heeft gevorderd.
2.2. Bij dagvaarding van 11 oktober 2014 zijn [eiser 1] en [eiser 2] verzet gekomen tegen het verstekvonnis, omdat zij het daarmee niet eens zijn.
2.3. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of zij ontvankelijk zijn in hun verzet.
2.4. Het verzet tegen een verstekvonnis moet op grond van artikel 143 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) worden gedaan door de verzetdagvaarding te laten betekenen binnen vier weken na:
2.5. De verzetdagvaarding van [eiser 1] en [eiser 2] is op 11 oktober 2024 door de deurwaarder aan de VvE betekend. De vraag is dus of dat binnen vier weken is na één van de situaties zoals hiervoor onder 2.4 genoemd.
2.6. [eiser 1] en [eiser 2] vinden dat zij op tijd en daarmee ontvankelijk zijn in hun verzet, omdat zij op 16 september 2024 op de hoogte zijn geraakt van de inhoud van het verstekvonnis nadat het proces-verbaal van beslag roerende zaken van 13 september 2024 bij exploot aan hen is betekend. De verzetdagvaarding is dus binnen vier weken na 16 september 2024 aan de VvE betekend.
2.7. Volgens de VvE zijn [eiser 1] en [eiser 2] al eerder op de hoogte geraakt van het verstekvonnis. Zij wijst in dat kader op:
Daad van bekendheid met de aangevangen tenuitvoerlegging van het verstekvonnis
2.8. De rechtbank oordeelt dat [eiser 1] en [eiser 2] het verzet te laat hebben ingediend, omdat zij op 5 juli 2024 een daad hebben verricht waaruit blijkt dat zij bekend waren met de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis.
2.9. Op 4 juli 2024 heeft de VvE op grond van het verstekvonnis executoriaal derdenbeslag laten leggen op bankrekeningen van [eiser 1] en [eiser 2] . Uit de verklaring van de deurwaarder blijkt dat [eiser 1] en [eiser 2] hem op 5 juli 2024 hebben gebeld, waarbij gesproken is over het verstekvonnis en de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen. De verklaring van de deurwaarder is door [eiser 1] en [eiser 2] niet weersproken. De rechtbank stelt daarom vast dat [eiser 1] en [eiser 2] , gezamenlijk, de deurwaarder hebben gebeld naar aanleiding van het derdenbeslag op de bankrekening. Dit geldt als een daad van bekendheid met dat beslag dat onderdeel is van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis.
2.10. Voor zover het telefoongesprek alleen met [eiser 1] zou hebben plaatsgevonden (omdat de e-mail van de deurwaarder naar aanleiding van dat gesprek alleen aan hem gericht is) geldt dat de VvE heeft aangevoerd en onderbouwd dat het proces-verbaal van executoriaal derdenbeslag op 9 juli 2024 in persoon aan [eiser 2] is betekend.
2.11. Dit betekent dat [eiser 1] en [eiser 2] vanaf 5 juli 2024 (of 9 juli 2024) vier weken de tijd hadden om de verzetdagvaarding uit te brengen. De verzetdagvaarding is op 11 oktober 2024 betekend. Daarmee zijn [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig in verzet gekomen tegen het verstekvonnis. Zij zijn daarom niet-ontvankelijk in hun verzet. Dat betekent dat aan een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren tegen het verstekvonnis niet wordt toegekomen.
2.12. [eiser 1] en [eiser 2] worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van de VvE worden begroot op:
2.13. De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat zowel [eiser 1] als [eiser 2] kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

3 De beslissing

De rechtbank
3.1. verklaart [eiser 1] en [eiser 2] niet-ontvankelijk in hun verzet,
3.2. bekrachtigt het door de rechtbank op 19 juni 2024 gewezen verstekvonnis met zaaknummer C/13/750794/HA ZA 24-536,
3.3. veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.107,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] c.s. niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, rechter, ondersteund door mr. N. Noordmans, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2025.