Terug naar bibliotheek
Boek 2. Rechtspersonen
Titel 4. Naamloze vennootschappen
Afdeling 3. Het vermogen van de naamloze vennootschap
Artikel 94a

Artikel 94a (Inbreng anders dan in geld NV)

Laatste versie

1. Indien bij de oprichting inbreng op aandelen anders dan in geld wordt overeengekomen, maken de oprichters een beschrijving op van hetgeen wordt ingebracht, met vermelding van de daaraan toegekende waarde en van de toegepaste waarderingsmethoden. Deze methoden moeten voldoen aan normen die in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. De beschrijving heeft betrekking op de toestand van hetgeen wordt ingebracht op een dag die niet eerder dan zes maanden voor de oprichting ligt. De beschrijving wordt door alle oprichters ondertekend en aan de akte van oprichting gehecht.

2. Over de beschrijving van hetgeen wordt ingebracht moet een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid een verklaring afleggen, die aan de akte van oprichting moet worden gehecht. Hierin verklaart hij dat de waarde van hetgeen wordt ingebracht, bij toepassing van in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden, ten minste beloopt het bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de inbreng moet worden voldaan. Indien bekend is dat de waarde na de beschrijving aanzienlijk is gedaald, is een tweede verklaring vereist.

3. De beschrijving en de accountantsverklaring zijn niet vereist, indien zulks in de akte van oprichting is bepaald ten aanzien van:

a. inbreng van effecten of geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, mits die effecten of geldmarktinstrumenten worden gewaardeerd tegen de gewogen gemiddelde koers waartegen zij gedurende drie maanden voorafgaande aan de dag van de inbreng op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht zijn verhandeld; b. inbreng anders dan in geld, niet zijnde effecten of instrumenten als bedoeld in onderdeel a, die is gewaardeerd door een onafhankelijke persoon die blijkens zijn opleiding en werkzaamheid deskundig is in het uitvoeren van waarderingen, mits de deskundigenwaardering geschiedt met toepassing van in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden en de waarde van hetgeen wordt ingebracht wordt bepaald op een dag die niet eerder dan zes maanden voor de dag van de inbreng ligt; c. inbreng anders dan in geld, niet zijnde effecten of geldmarktinstrumenten als bedoeld in onderdeel a, waarvan de waarde wordt afgeleid uit een jaarrekening die is vastgesteld over het laatste boekjaar dat aan de inbreng voorafgaat en overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEG L 157) aan een accountantscontrole is onderworpen.

4. Indien voor de oprichting bekend is dat de koers is beïnvloed door uitzonderlijke omstandigheden die ertoe leiden dat de waarde van effecten of instrumenten als bedoeld in lid 3, onderdeel a, op de dag van de inbreng aanzienlijk zal zijn gewijzigd of indien voor de oprichting bekend is dat de waarde van inbreng als bedoeld in lid 3, onderdeel b of c, op de dag van de inbreng als gevolg van nieuwe bijzondere omstandigheden aanzienlijk zal zijn gewijzigd, zijn de oprichters verplicht om alsnog een beschrijving op te maken die door alle oprichters wordt ondertekend en waarover een accountantsverklaring als bedoeld in lid 2 wordt afgelegd. De beschrijving en de accountantsverklaring worden aan de akte van oprichting gehecht. Geschiedt de inbreng na de oprichting en is in de periode tussen de oprichting en de inbreng bekend geworden dat zich omstandigheden als bedoeld in de eerste zin hebben voorgedaan, dan is het bestuur verplicht om alsnog een beschrijving op te maken waarover een accountantsverklaring als bedoeld in lid 2 wordt afgelegd.

5. Indien bij de oprichting inbreng op aandelen anders dan in geld wordt overeengekomen onder toepassing van lid 3, legt de vennootschap binnen een maand na de dag van de inbreng ten kantore van het handelsregister een verklaring van de oprichters neer waarin de inbreng wordt beschreven, met vermelding van de daaraan toegekende waarde en de toegepaste waarderingsmethoden. In de verklaring wordt tevens vermeld of de toegekende waarde ten minste beloopt het bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de inbreng moet worden voldaan en wordt voorts vermeld dat zich in de periode tussen de waardering en de inbreng geen nieuwe bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan. De oprichters ondertekenen de verklaring; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt.

6. De beschrijving en accountantsverklaring zijn niet vereist, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a. alle oprichters hebben besloten af te zien van de opstelling van de deskundigenverklaring; b. een of meer rechtspersonen op wier jaarrekening titel 9 van toepassing is, of die krachtens de toepasselijke wet voldoen aan de eisen van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182), nemen alle uit te geven aandelen tegen inbreng anders dan in geld; c. elke inbrengende rechtspersoon beschikt ten tijde van de inbreng over niet uitkeerbare reserves, voor zover nodig door het bestuur hiertoe afgezonderd uit de uitkeerbare reserves, ter grootte van het nominale bedrag der door de rechtspersoon genomen aandelen; d. elke inbrengende rechtspersoon verklaart dat hij een bedrag van ten minste de nominale waarde der door hem genomen aandelen ter beschikking zal stellen voor de voldoening van schulden van de vennootschap aan derden, die ontstaan in het tijdvak tussen de plaatsing van de aandelen en een jaar nadat de vastgestelde jaarrekening van de vennootschap over het boekjaar van de inbreng is gedeponeerd bij het handelsregister, voor zover de vennootschap deze niet kan voldoen en de schuldeisers hun vordering binnen twee jaren na deze deponering schriftelijk aan een van de inbrengende rechtspersonen hebben opgegeven; e. elke inbrengende rechtspersoon heeft zijn laatste vastgestelde balans met toelichting, met de accountantsverklaring daarbij, gedeponeerd bij het handelsregister en sedert de balansdatum zijn nog geen achttien maanden verstreken; f. elke inbrengende rechtspersoon zondert een reserve af ter grootte van het nominale bedrag der door hem genomen aandelen en kan dit doen uit reserves waarvan de aard dit niet belet; g. de vennootschap doet ten kantore van het handelsregister opgave van het onder a bedoelde besluit en elke inbrengende rechtspersoon doet aan hetzelfde kantoor opgave van zijn onder d vermelde verklaring.

7. Indien het vorige lid is toegepast, mag een inbrengende rechtspersoon zijn tegen de inbreng genomen aandelen niet vervreemden in het tijdvak, genoemd in dat lid onder d, en moet hij de reserve, genoemd in dat lid onder f aanhouden tot twee jaar na dat tijdvak. Nadien moet de reserve worden aangehouden tot het bedrag van de nog openstaande opgegeven vorderingen als bedoeld in het vorige lid onder d. De oorspronkelijke reserve wordt verminderd met betalingen op de opgegeven vorderingen.

8. De inbrengende rechtspersoon en alle in lid 6 onder d bedoelde schuldeisers kunnen de kantonrechter van de woonplaats van de vennootschap verzoeken, een bewind over de vorderingen in te stellen, strekkende tot hun voldoening daarvan uit de krachtens lid 6 onder d ter beschikking gestelde bedragen. Voor zover nodig, zijn de bepalingen van de Faillissementswet omtrent de verificatie van vorderingen en de vereffening van overeenkomstige toepassing. Een schuldeiser kan zijn vordering niet met een schuld aan een inbrengende rechtspersoon verrekenen. Over de vorderingen kan slechts onder de last van het bewind worden beschikt en zij kunnen slechts onder die last worden uitgewonnen, behalve voor schulden die voortspruiten uit handelingen welke door de bewindvoerder in zijn hoedanigheid zijn verricht. De kantonrechter regelt de bevoegdheden en de beloning van de bewindvoerder; hij kan zijn beschikking te allen tijde wijzigen.

Uitleg in duidelijke taal

1. Indien bij de oprichting inbreng op aandelen anders dan in geld wordt overeengekomen, maken de oprichters een beschrijving op van hetgeen wordt ingebracht, met vermelding van de daaraan toegekende waarde en van de toegepaste waarderingsmethoden. Deze methoden moeten voldoen aan normen die in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd. De beschrijving heeft betrekking op de toestand van hetgeen wordt ingebracht op een dag die niet eerder dan zes maanden voor de oprichting ligt. De beschrijving wordt door alle oprichters ondertekend en aan de akte van oprichting gehecht.

Dit lid bepaalt dat als bij de oprichting van een naamloze vennootschap wordt afgesproken dat aandelen worden volgestort met iets anders dan geld (inbreng anders dan in geld), de oprichters een document moeten opstellen. In dit document, de beschrijving, moet staan wat er precies wordt ingebracht, welke waarde daaraan is toegekend, en welke methoden zijn gebruikt om die waarde te bepalen. Deze waarderingsmethoden moeten algemeen geaccepteerd zijn (normen die in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd). De beschrijving moet de staat van de ingebrachte zaken weergeven op een datum die maximaal zes maanden vóór de oprichtingsdatum ligt. Alle oprichters moeten deze beschrijving ondertekenen, en het document moet aan de officiële akte van oprichting worden toegevoegd (gehecht).

2. Over de beschrijving van hetgeen wordt ingebracht moet een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid een verklaring afleggen, die aan de akte van oprichting moet worden gehecht. Hierin verklaart hij dat de waarde van hetgeen wordt ingebracht, bij toepassing van in het maatschappelijke verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden, ten minste beloopt het bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de inbreng moet worden voldaan. Indien bekend is dat de waarde na de beschrijving aanzienlijk is gedaald, is een tweede verklaring vereist.

Dit lid stelt dat een accountant, zoals gedefinieerd in artikel 393, lid 1, een verklaring moet afgeven over de eerdergenoemde beschrijving van de inbreng anders dan in geld. Ook deze verklaring moet aan de akte van oprichting worden gehecht. In zijn verklaring bevestigt de accountant dat de waarde van de ingebrachte zaken, vastgesteld met algemeen aanvaardbare waarderingsmethoden, minstens gelijk is aan het bedrag dat in geld gestort had moeten worden voor de aandelen (de stortingsplicht). Als na het opstellen van de beschrijving blijkt dat de waarde van de inbreng aanzienlijk is verminderd, dan is een nieuwe, tweede accountantsverklaring nodig.

3. De beschrijving en de accountantsverklaring zijn niet vereist, indien zulks in de akte van oprichting is bepaald ten aanzien van:

Dit lid geeft aan dat de in lid 1 en 2 genoemde beschrijving en accountantsverklaring niet nodig zijn als in de akte van oprichting is vastgelegd dat deze uitzondering geldt voor de volgende situaties:

a. inbreng van effecten of geldmarktinstrumenten als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, mits die effecten of geldmarktinstrumenten worden gewaardeerd tegen de gewogen gemiddelde koers waartegen zij gedurende drie maanden voorafgaande aan de dag van de inbreng op een gereglementeerde markt als bedoeld in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht zijn verhandeld;

Dit onderdeel specificeert een uitzondering: de beschrijving en accountantsverklaring zijn niet vereist bij de inbreng van effecten of geldmarktinstrumenten (zoals gedefinieerd in artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht). Een voorwaarde hiervoor is dat de waardering van deze effecten of geldmarktinstrumenten gebaseerd is op hun gewogen gemiddelde koers op een gereglementeerde markt (eveneens gedefinieerd in artikel 1:1 Wft) over een periode van drie maanden direct voorafgaand aan de dag van inbreng.

b. inbreng anders dan in geld, niet zijnde effecten of instrumenten als bedoeld in onderdeel a, die is gewaardeerd door een onafhankelijke persoon die blijkens zijn opleiding en werkzaamheid deskundig is in het uitvoeren van waarderingen, mits de deskundigenwaardering geschiedt met toepassing van in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar beschouwde waarderingsmethoden en de waarde van hetgeen wordt ingebracht wordt bepaald op een dag die niet eerder dan zes maanden voor de dag van de inbreng ligt;

Dit onderdeel beschrijft een andere uitzondering: voor inbreng anders dan in geld, die niet bestaat uit de in onderdeel a genoemde effecten of instrumenten, is geen beschrijving en accountantsverklaring vereist als de waardering is uitgevoerd door een onafhankelijke deskundige. Deze deskundige moet aantoonbaar (blijkens opleiding en werkzaamheid) bekwaam zijn in waarderingen. De waardering moet gebeuren volgens algemeen aanvaarde methoden, en de waarde moet zijn vastgesteld op een datum maximaal zes maanden vóór de dag van de inbreng.

c. inbreng anders dan in geld, niet zijnde effecten of geldmarktinstrumenten als bedoeld in onderdeel a, waarvan de waarde wordt afgeleid uit een jaarrekening die is vastgesteld over het laatste boekjaar dat aan de inbreng voorafgaat en overeenkomstig Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad (PbEG L 157) aan een accountantscontrole is onderworpen.

Dit onderdeel noemt nog een uitzondering: voor inbreng anders dan in geld, die niet bestaat uit de in onderdeel a genoemde effecten of geldmarktinstrumenten, is geen beschrijving en accountantsverklaring vereist als de waarde ervan wordt gehaald uit een vastgestelde jaarrekening. Deze jaarrekening moet betrekking hebben op het boekjaar direct voorafgaand aan de inbreng en moet onderworpen zijn aan een accountantscontrole volgens de specificaties van Richtlijn 2006/43/EG.

4. Indien voor de oprichting bekend is dat de koers is beïnvloed door uitzonderlijke omstandigheden die ertoe leiden dat de waarde van effecten of instrumenten als bedoeld in lid 3, onderdeel a, op de dag van de inbreng aanzienlijk zal zijn gewijzigd of indien voor de oprichting bekend is dat de waarde van inbreng als bedoeld in lid 3, onderdeel b of c, op de dag van de inbreng als gevolg van nieuwe bijzondere omstandigheden aanzienlijk zal zijn gewijzigd, zijn de oprichters verplicht om alsnog een beschrijving op te maken die door alle oprichters wordt ondertekend en waarover een accountantsverklaring als bedoeld in lid 2 wordt afgelegd. De beschrijving en de accountantsverklaring worden aan de akte van oprichting gehecht. Geschiedt de inbreng na de oprichting en is in de periode tussen de oprichting en de inbreng bekend geworden dat zich omstandigheden als bedoeld in de eerste zin hebben voorgedaan, dan is het bestuur verplicht om alsnog een beschrijving op te maken waarover een accountantsverklaring als bedoeld in lid 2 wordt afgelegd.

Dit lid stelt dat als vóór de oprichting al bekend is dat uitzonderlijke omstandigheden de koers (en dus de waarde) van de in lid 3, onderdeel a, genoemde effecten of instrumenten op de inbrengdag aanzienlijk zullen hebben veranderd, of als bekend is dat nieuwe bijzondere omstandigheden de waarde van de in lid 3, onderdeel b of c, bedoelde inbreng op de inbrengdag aanzienlijk zullen hebben gewijzigd, de oprichters toch een beschrijving moeten opmaken. Deze beschrijving moet door alle oprichters worden ondertekend, en er moet een accountantsverklaring (zoals bedoeld in lid 2) over worden afgelegd. Beide documenten moeten aan de akte van oprichting worden gehecht. Als de inbreng pas na de oprichting plaatsvindt en in de tussentijd blijkt dat dergelijke waardeveranderende omstandigheden zijn opgetreden, dan moet het bestuur alsnog een beschrijving en accountantsverklaring (zoals in lid 2) laten opmaken.

5. Indien bij de oprichting inbreng op aandelen anders dan in geld wordt overeengekomen onder toepassing van lid 3, legt de vennootschap binnen een maand na de dag van de inbreng ten kantore van het handelsregister een verklaring van de oprichters neer waarin de inbreng wordt beschreven, met vermelding van de daaraan toegekende waarde en de toegepaste waarderingsmethoden. In de verklaring wordt tevens vermeld of de toegekende waarde ten minste beloopt het bedrag van de stortingsplicht, in geld uitgedrukt, waaraan met de inbreng moet worden voldaan en wordt voorts vermeld dat zich in de periode tussen de waardering en de inbreng geen nieuwe bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan. De oprichters ondertekenen de verklaring; ontbreekt de handtekening van een of meer hunner, dan wordt daarvan onder opgave van reden melding gemaakt.

Dit lid bepaalt dat als bij de oprichting gebruik wordt gemaakt van de uitzonderingen in lid 3 voor inbreng anders dan in geld, de vennootschap verplicht is om binnen één maand na de dag van inbreng een verklaring van de oprichters te deponeren bij het handelsregister. Deze verklaring moet de ingebrachte zaken beschrijven, de toegekende waarde ervan vermelden en de gebruikte waarderingsmethoden specificeren. Bovendien moet de verklaring aangeven of de toegekende waarde minstens gelijk is aan de stortingsplicht in geld en bevestigen dat er tussen het moment van waardering en de daadwerkelijke inbreng geen nieuwe bijzondere omstandigheden zijn opgetreden die de waarde beïnvloeden. Alle oprichters moeten de verklaring ondertekenen. Als een handtekening ontbreekt, moet de reden hiervoor worden vermeld.

6. De beschrijving en accountantsverklaring zijn niet vereist, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

Dit lid introduceert een andere set van omstandigheden waaronder de beschrijving en accountantsverklaring niet nodig zijn, mits aan alle hieronder genoemde voorwaarden wordt voldaan:

a. alle oprichters hebben besloten af te zien van de opstelling van de deskundigenverklaring;

Dit onderdeel stelt als voorwaarde dat alle oprichters gezamenlijk besluiten om geen deskundigenverklaring (accountantsverklaring zoals in lid 2) te laten opstellen.

b. een of meer rechtspersonen op wier jaarrekening titel 9 van toepassing is, of die krachtens de toepasselijke wet voldoen aan de eisen van richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PbEU 2013, L 182), nemen alle uit te geven aandelen tegen inbreng anders dan in geld;

Dit onderdeel vereist dat één of meer rechtspersonen (die vallen onder de regels van titel 9 Boek 2 BW of voldoen aan Richtlijn 2013/34/EU) alle nieuw uit te geven aandelen verkrijgen in ruil voor een inbreng anders dan in geld.

c. elke inbrengende rechtspersoon beschikt ten tijde van de inbreng over niet uitkeerbare reserves, voor zover nodig door het bestuur hiertoe afgezonderd uit de uitkeerbare reserves, ter grootte van het nominale bedrag der door de rechtspersoon genomen aandelen;

Dit onderdeel stelt als voorwaarde dat elke rechtspersoon die inbrengt, op het moment van inbreng beschikt over niet-uitkeerbare reserves (eventueel aangevuld uit uitkeerbare reserves door een bestuursbesluit) die minstens gelijk zijn aan het totale nominale bedrag van de aandelen die deze rechtspersoon door de inbreng verkrijgt.

d. elke inbrengende rechtspersoon verklaart dat hij een bedrag van ten minste de nominale waarde der door hem genomen aandelen ter beschikking zal stellen voor de voldoening van schulden van de vennootschap aan derden, die ontstaan in het tijdvak tussen de plaatsing van de aandelen en een jaar nadat de vastgestelde jaarrekening van de vennootschap over het boekjaar van de inbreng is gedeponeerd bij het handelsregister, voor zover de vennootschap deze niet kan voldoen en de schuldeisers hun vordering binnen twee jaren na deze deponering schriftelijk aan een van de inbrengende rechtspersonen hebben opgegeven;

Dit onderdeel vereist dat elke inbrengende rechtspersoon verklaart een bedrag beschikbaar te houden, minstens gelijk aan de nominale waarde van de door hem verkregen aandelen. Dit bedrag dient ter dekking van schulden van de nieuw opgerichte vennootschap aan derden die ontstaan in een specifieke periode (tussen aandeelplaatsing en één jaar na deponering van de eerste jaarrekening na inbreng), indien de vennootschap zelf niet kan betalen en schuldeisers hun vordering binnen twee jaar na die deponering schriftelijk melden bij een van de inbrengende rechtspersonen.

e. elke inbrengende rechtspersoon heeft zijn laatste vastgestelde balans met toelichting, met de accountantsverklaring daarbij, gedeponeerd bij het handelsregister en sedert de balansdatum zijn nog geen achttien maanden verstreken;

Dit onderdeel stelt als voorwaarde dat elke inbrengende rechtspersoon zijn meest recente, vastgestelde balans (inclusief toelichting en accountantsverklaring) heeft gedeponeerd bij het handelsregister, en dat de datum van deze balans niet ouder is dan achttien maanden.

f. elke inbrengende rechtspersoon zondert een reserve af ter grootte van het nominale bedrag der door hem genomen aandelen en kan dit doen uit reserves waarvan de aard dit niet belet;

Dit onderdeel vereist dat elke inbrengende rechtspersoon een reserve vormt (afzondert) ter hoogte van het nominale bedrag van de door hem verkregen aandelen. Dit mag gebeuren uit reserves die hiervoor geschikt zijn.

g. de vennootschap doet ten kantore van het handelsregister opgave van het onder a bedoelde besluit en elke inbrengende rechtspersoon doet aan hetzelfde kantoor opgave van zijn onder d vermelde verklaring.

Dit onderdeel stelt als voorwaarde dat de vennootschap het besluit genoemd onder a (afzien van deskundigenverklaring) deponeert bij het handelsregister, en dat elke inbrengende rechtspersoon zijn verklaring genoemd onder d (beschikbaar stellen bedrag voor schulden) eveneens bij het handelsregister deponeert.

7. Indien het vorige lid is toegepast, mag een inbrengende rechtspersoon zijn tegen de inbreng genomen aandelen niet vervreemden in het tijdvak, genoemd in dat lid onder d, en moet hij de reserve, genoemd in dat lid onder f aanhouden tot twee jaar na dat tijdvak. Nadien moet de reserve worden aangehouden tot het bedrag van de nog openstaande opgegeven vorderingen als bedoeld in het vorige lid onder d. De oorspronkelijke reserve wordt verminderd met betalingen op de opgegeven vorderingen.

Dit lid beschrijft de gevolgen als de uitzonderingsregeling van lid 6 is toegepast. Een rechtspersoon die op deze wijze heeft ingebracht, mag de verkregen aandelen niet verkopen (vervreemden) gedurende de periode genoemd in lid 6, onderdeel d. Ook moet deze rechtspersoon de in lid 6, onderdeel f, genoemde reserve aanhouden tot twee jaar na afloop van de periode uit lid 6d. Daarna moet de reserve nog worden aangehouden voor het bedrag van eventuele openstaande vorderingen van schuldeisers (zoals bedoeld in lid 6d). De reserve neemt af naarmate er betalingen worden gedaan op deze vorderingen.

8. De inbrengende rechtspersoon en alle in lid 6 onder d bedoelde schuldeisers kunnen de kantonrechter van de woonplaats van de vennootschap verzoeken, een bewind over de vorderingen in te stellen, strekkende tot hun voldoening daarvan uit de krachtens lid 6 onder d ter beschikking gestelde bedragen. Voor zover nodig, zijn de bepalingen van de Faillissementswet omtrent de verificatie van vorderingen en de vereffening van overeenkomstige toepassing. Een schuldeiser kan zijn vordering niet met een schuld aan een inbrengende rechtspersoon verrekenen. Over de vorderingen kan slechts onder de last van het bewind worden beschikt en zij kunnen slechts onder die last worden uitgewonnen, behalve voor schulden die voortspruiten uit handelingen welke door de bewindvoerder in zijn hoedanigheid zijn verricht. De kantonrechter regelt de bevoegdheden en de beloning van de bewindvoerder; hij kan zijn beschikking te allen tijde wijzigen.

Dit lid regelt dat zowel de inbrengende rechtspersoon als de schuldeisers (genoemd in lid 6, onderdeel d) de kantonrechter van de plaats waar de vennootschap is gevestigd, kunnen vragen om een bewind in te stellen over de vorderingen. Dit bewind is bedoeld om ervoor te zorgen dat de schuldeisers betaald worden uit de bedragen die volgens lid 6d beschikbaar zijn gesteld. Bepalingen uit de Faillissementswet over het controleren (verificatie) en afhandelen (vereffening) van vorderingen zijn hierop van toepassing, voor zover relevant. Een schuldeiser mag zijn vordering niet verrekenen met een eventuele schuld die hij heeft aan de inbrengende rechtspersoon. Beslissingen over de vorderingen en de inning ervan kunnen alleen plaatsvinden onder het bewind, tenzij het gaat om schulden die zijn ontstaan door handelingen van de bewindvoerder zelf. De kantonrechter stelt de bevoegdheden en de vergoeding van de bewindvoerder vast en kan deze beslissing op elk moment aanpassen.