Terug naar bibliotheek
Hoofdstuk 3. Weigerachtige of onvindbare ouders
Artikel 6. Algemeen

Artikel 6. Algemeen

Laatste versie

1. Aanspraak op aanvullende beurs als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet, voor wat betreft de aanvullende lening die voortvloeit uit de veronderstelde ouderlijke bijdrage van de weigerachtige of onvindbare ouder, bestaat in ieder geval, indien:

a. sprake is van een ernstig en structureel conflict tussen ouder en student, b. het gezag van de ouder is beëindigd op grond van artikel 266 of 267 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, c. de student geen contact met de ouder heeft, d. sprake is van voor de student niet inbare alimentatie als bedoeld in titel 17 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of e. gegevens over de verblijfplaats van de ouder niet kunnen worden achterhaald.

2. Een aanvraag als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, van de wet wordt niet in behandeling genomen indien deze betrekking heeft op:

a. een periode die meer dan twee jaar voor het moment van aanvragen ligt, of b. een periode waarover geen aanvullende beurs is aangevraagd.

Rechtspraak waarin dit artikel wordt benoemd

1 uitspraak gevonden