Artikel 2:3 (Doorzendplicht en terugzendplicht geschriften)
1. Het bestuursorgaan zendt een bericht tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.
2. Het bestuursorgaan zendt een bericht dat niet voor hem bestemd is en dat ook niet wordt doorgezonden, zo spoedig mogelijk terug aan de afzender.
3. Voor een elektronisch ontvangen bericht gelden het eerste en tweede lid slechts indien het bestuursorgaan uit het bericht, gelet op de wijze waarop het is verzonden, zonder nadere bewerking kan afleiden aan wie het bericht moet worden door- of teruggezonden.
Uitleg in duidelijke taal
1. Het bestuursorgaan zendt geschriften tot behandeling waarvan kennelijk een ander bestuursorgaan bevoegd is, onverwijld door naar dat orgaan, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender.
Dit betekent dat een bestuursorgaan dat geschriften ontvangt, voor de behandeling waarvan duidelijk (kennelijk) een ander bestuursorgaan bevoegd is, deze geschriften onmiddellijk (onverwijld) moet doorzenden naar dat andere orgaan. Gelijktijdig moet het bestuursorgaan de afzender hiervan informeren (mededeling doen).
2. Het bestuursorgaan zendt geschriften die niet voor hem bestemd zijn en die ook niet worden doorgezonden, zo spoedig mogelijk terug aan de afzender.
Dit betekent dat een bestuursorgaan geschriften die niet voor hemzelf bestemd zijn, en die ook niet worden doorgezonden (bijvoorbeeld omdat onduidelijk is welk ander orgaan bevoegd is), zo snel mogelijk (zo spoedig mogelijk) moet terugzenden aan de afzender.