Terug naar bibliotheek
Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:976 - Raad van State - 20 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:976•20 februari 2026
Uitspraak inhoud
BRS.26.000813
ECLI:NL:RVS:2026:976
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 29 januari 2026 in zaak nr. NL26.1692 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 januari 2026 heeft de minister verzoeker in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 29 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
- Omdat de rechter de bewaring ambtshalve moet toetsen, heeft de voorzieningenrechter het hoger beroep in dit geval ook opgevat als een verzoek om een voorlopige voorziening te treffen.
- De eerste grief van verzoeker roept een rechtsvraag op waarnaar de Afdeling nader onderzoek moet doen. In het licht van artikel 5 van het EVRM komt aan het belang van de verzoeker bij de opheffing van de maatregel daarom op dit moment meer gewicht toe dan aan het belang van de minister bij het voortduren daarvan. De voorzieningenrechter heft de maatregel daarom met ingang van vandaag op.
- De minister moet de proceskosten vergoeden. Over de rechtmatigheid van de bewaring en eventuele schadevergoeding zal in de bodemprocedure worden beslist.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de maatregel van bewaring met ingang van vandaag wordt opgeheven;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J. Schipper-Spanninga, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. Schipper-Spanninga
voorzieningenrechter
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026
347-1149