Terug naar bibliotheek
Raad van State

ECLI:NL:RVS:2026:964 - Raad van State - 23 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RVS:2026:96423 februari 2026

Uitspraak inhoud

BRS.25.002588
ECLI:NL:RVS:2026:964
Datum uitspraak: 23 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 30 oktober 2025 in zaak nr. 24/14806 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de moeder van appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 23 augustus 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Roose, advocaat in Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
  1.        Het hoger beroep richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Appellant legt namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85 van de Vw 2000).
  1.        Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. K. Veen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Veen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026
986