Terug naar bibliotheek
Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:960 - Raad van State - 23 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:960•23 februari 2026
Uitspraak inhoud
BRS.26.000127
ECLI:NL:RVS:2026:960
Datum uitspraak: 23 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 december 2025 in zaak nr. 25/16340 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juli 2025 heeft de minister appellant opgedragen om de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 3 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A. Alam-Khan, advocaat in Delft, hoger beroep ingesteld.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
- De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 31 december 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664.
- Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026
1028