Terug naar bibliotheek
Raad van State

ECLI:NL:RVS:2026:944 - Raad van State - 19 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RVS:2026:94419 februari 2026

Uitspraak inhoud

BRS.25.002763
ECLI:NL:RVS:2026:944
Datum uitspraak: 19 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker], mede namens zijn minderjarige dochter,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 19 december 2025 in zaak nr. NL25.24602 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 mei 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen,
niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 19 december 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij uitspraak van 29 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6414, heeft de voorzieningenrechter bij ordemaatregel bepaald dat de beëindiging van verstrekkingen op 23 december 2025 achterwege blijft.
Overwegingen
  1.        De voorzieningenrechter doet nu uitspraak op het resterende deel van het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat hij opvang en verstrekkingen krijgt.
  1.        Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
  1.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De voorzieningenrechter heeft de minister namelijk al bij het treffen van de ordemaatregel tot vergoeding van de proceskosten van het verzoek veroordeeld.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt
uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist.
Aldus vastgesteld door mr. V.V. Essenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Essenburg
voorzieningenrechter
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026
1179-644