Terug naar bibliotheek
Raad van State

ECLI:NL:RVS:2026:875 - Raad van State - 18 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RVS:2026:87518 februari 2026

Uitspraak inhoud

202600275/1/A3.
Datum uitspraak: 18 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk,
verzoeker,
en
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 9 december 2025 heeft het college van gedeputeerde staten het verzoek van elf gemeenten ingewilligd en de gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen en Voorne aan Zee op grond van artikel 99 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) de aanwijzing gegeven binnen twee maanden een gemeenschappelijke regeling te treffen.
Tegen dit besluit heeft het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk bezwaar gemaakt. Tevens heeft het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college van gedeputeerde staten heeft een verweerschrift ingediend.
Het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk heeft een nader stuk ingediend. Ook de colleges van burgemeester en wethouders van Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard en Voorne aan Zee hebben nadere stukken ingediend.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 februari 2026, waar het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, vertegenwoordigd door M. Kitselar en J.W. Steeman, bijgestaan door mr. R.J.G. Bäcker en mr. K.H.M. Brackel, beiden advocaat in Amsterdam, en het college van gedeputeerde staten, vertegenwoordigd door mr. R.A. Tetteroo, bijgestaan door mr. M.J. de Groot en mr. J.M. Huber, beiden advocaat in Rotterdam, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, vertegenwoordigd door mr. J.A. Karreman, mr. S.B.H. Fijneman, drs. I.E.M. Jeurissen en M. Noeverman, en het college van burgemeester en wethouders van Schiedam, vertegenwoordigd door ing. E.A.M. Tas, als partij gehoord.
Overwegingen
Wettelijk kader
1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Inleiding
2.       Alle twaalf in het procesverloop genoemde gemeenten werkten sinds 2015 in het kader van de regionale volkshuisvesting samen in het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam. Een aantal jaar geleden heeft de gemeente Ridderkerk geconstateerd dat de samenwerking leidde (en nog altijd leidt) tot een disproportionele druk op de (sociale) woningmarkt in haar gemeente. Zij is voornemens om een eigen, lokaal woonruimtebemiddelingssysteem te gaan gebruiken, om de positie van de Ridderkerkse woningzoekenden te versterken. Het gemeentebestuur heeft daarom in 2025 geweigerd een nieuwe bestuursovereenkomst voor het samenwerkingsverband te ondertekenen en het is ook niet overgegaan tot vaststelling van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025.
3.       De elf verzoekende gemeenten hebben het college van gedeputeerde staten verzocht om een aanwijzing om de regionale samenwerking voort te zetten. Zij willen versnippering in de regelgeving tegengaan en gelijkluidende regels voor urgentie en sociale huur blijven houden. Het college van gedeputeerde staten heeft daarop alle twaalf gemeenten de aanwijzing gegeven om een gemeenschappelijke regeling te treffen ter behartiging van de belangen van een evenwichtige woonruimteverdeling op basis van de Huisvestingswet. Het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk kan zich daarmee niet verenigen.
Het verzoek
4.       Het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk wil voorkomen dat het college van gedeputeerde staten vanaf 10 februari 2026 overgaat tot het opleggen van een regeling zoals bedoeld in artikel 100 van de Wgr, overeenkomstig de aanwijzing. Het verzoek strekt er daarom toe het besluit te schorsen tot zes weken na de te nemen beslissing op bezwaar.
Spoedeisend belang
5.       Het college van gedeputeerde staten stelt dat het verzoek prematuur is en dat een spoedeisend belang ontbeert. De beoordeling of onvoldoende gevolg is gegeven aan de aanwijzing zal nog moeten plaatsvinden. Ook moeten de twaalf gemeenten over de ontwerpregeling worden gehoord. Daarnaast is het zo dat ook in het kader van het besluit op grond van artikel 100 van de Wgr om een voorlopige voorziening kan worden verzocht.
5.1.    Bij ongedateerde brief, door het college van gedeputeerde staten ontvangen op 2 februari 2026, hebben de twaalf aangeschreven gemeenten medegedeeld geen mogelijkheid te zien om aan de aanwijzing van 9 december  2025 te voldoen. Er is daarmee niet binnen de termijn van twee maanden een regeling aan het college van gedeputeerde staten gezonden, zodat in zoverre aan een toepassingsvoorwaarde van artikel 100 van de Wgr is voldaan. Bovendien heeft het college van gedeputeerde staten direct op 2 februari 2026 de gemeenten uitgenodigd voor een vergadering in februari met als titel "horen over ontwerpregeling" over de toepassing van artikel 100 van de Wgr. Gelet op de door het college van gedeputeerde staten gehanteerde korte termijnen en het feit dat het niet wilde instemmen met een schorsing van het besluit totdat op het bezwaar zou zijn beslist, is niet uitgesloten dat op korte termijn een regeling wordt opgelegd. De voorzieningenrechter acht gelet hierop een spoedeisend belang aanwezig.
Beoordeling van het verzoek
6.       In het verzoek is gevraagd om een voorlopig rechtmatigheidsoordeel over met name de in het bezwaar opgenomen grond dat zich geen zwaarwegend openbaar belang voordoet dat toepassing van de aanwijzingsbevoegdheid rechtvaardigt. De opgeworpen grond is niet gemakkelijk te beoordelen, omdat het hier gaat om nog niet in rechtspraak uitgekristalliseerde regelgeving. Daarnaast vergen de door partijen naar voren gebrachte feiten over de lokale en regionale woningmarkt nader onderzoek. Een en ander leent zich niet voor bespreking in deze voorlopigevoorzieningsprocedure. De voorzieningenrechter zal het verzoek daarom beoordelen aan de hand van een belangenafweging.
7.       De voorzieningenrechter begrijpt dat de belangen die de bestuursorganen in deze zaak aan de orde stellen, groot zijn. Enerzijds is er het gestelde belang van het college van gedeputeerde staten en de elf verzoekende gemeenten om de regionale samenwerking, gezamenlijke inzet en afstemming te continueren, om zo te komen tot een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte. Anderzijds is er het gestelde belang van het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk om gevrijwaard te blijven van het ingrijpen in de gemeentelijke autonomie niet te worden geconfronteerd met een opgelegde gemeenschappelijke regeling waaraan zij niet deel wenst te nemen.
Het uitgangspunt van de Wgr is vrijwilligheid. De wetgever heeft het instrumentarium van de verplichte samenwerking als ultimum remedium in de wet opgenomen (Kamerstukken II 1980/81, 16 538, nr. 3, p. 24). Hiervan uitgaand lijkt het de voorzieningenrechter van belang dat eerst een gedegen inhoudelijke behandeling van het bezwaar over de aanwijzing plaatsvindt voordat de gemeente Ridderkerk zich al geconfronteerd ziet met een besluit tot oplegging van een regeling op grond van artikel 100 van de Wgr en zij daarvoor de voorzieningenrechter opnieuw om schorsing moet vragen. Op de zitting is toegelicht dat de hoorzitting in bezwaar op 5 maart 2026 zal plaatsvinden en dat het college van gedeputeerde staten in de eerste week van april, mogelijk iets eerder, een besluit op het bezwaar kan nemen. Het college van gedeputeerde staten heeft gelet op deze korte tijdsplanning onvoldoende duidelijk gemaakt welke belangen eraan in de weg staan om de huidige juridische situatie tot zes weken na het nemen van het besluit op bezwaar te laten voortduren. Verder is ter zitting gebleken dat de Verordening Woonruimtebemiddeling Ridderkerk 2026 voorlopig niet in werking zal treden omdat het lokale woonruimtebemiddelingssysteem pas op zijn vroegst in januari 2027 gereed zal zijn. De Verlengde verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 - die nog voor een groot deel overeenkomt met de in de elf verzoekende gemeenten geldende Verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 - blijft dus voorlopig in de gemeente Ridderkerk van kracht. Gelet op al deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan de belangen van verzoeker meer gewicht toekomt dan aan de belangen van het college van gedeputeerde staten.
Conclusie en proceskosten
8.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening op na te melden wijze toe te wijzen.
Dit betekent dat het college van gedeputeerde staten tot zes weken na het nemen van het besluit op bezwaar in deze procedure over het aanwijzingsbesluit niet op grond van artikel 100 van de Wgr een regeling kan opleggen. De te treffen voorziening staat er overigens niet aan in de weg dat het college van gedeputeerde staten een ontwerpregeling als bedoeld in artikel 100, derde lid, van de Wgr opstelt en de betrokken gemeenten daarover hoort.
9.       Het college van gedeputeerde staten moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        schorst het besluit van 9 december 2025, kenmerk PZH-2025-883838490 DOS-2013-0009992, tot zes weken nadat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland op het daartegen ingediende bezwaar heeft beslist;
II.       veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van de bij het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten ten bedrage van € 1.332,-, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III.      gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 596,-.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Konings
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026
612
BIJLAGE
Wettelijke kader
Wet gemeenschappelijke regelingen
Artikel 99
1 Op verzoek van het bestuur van een of meer gemeenten kunnen gedeputeerde staten, indien een zwaarwegend openbaar belang dat vereist, gemeenten aanwijzen waarvan de besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen.
2 Een aanwijzing kan ook betreffen de verplichting tot wijziging of opheffing van een bestaande regeling, alsmede de verplichting tot toetreding tot of uittreding uit een bestaande regeling.
3 Alvorens een aanwijzing te geven, plegen gedeputeerde staten overleg met de besturen van de betrokken gemeenten. Bij een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, plegen gedeputeerde staten tevens overleg met het bestuur van het openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan dat bij de betreffende regeling is ingesteld. Het overleg duurt ten hoogste dertien weken, te rekenen vanaf de datum waarop gedeputeerde staten de betrokken besturen tot het voeren van overleg in de gelegenheid hebben gesteld.
4 Bij de aanwijzing stellen gedeputeerde staten een termijn binnen welke een regeling ter kennisneming aan hen dient te worden gezonden. Deze termijn bedraagt ten hoogste zes maanden.
Artikel 100
1 Gedeputeerde staten leggen uiterlijk binnen zes maanden na het verstrijken van de termijn, bedoeld in artikel 99, vierde lid, een regeling op overeenkomstig de aanwijzing, bedoeld in artikel 99, eerste lid, indien geen regeling aan hen is gezonden, of indien uit de ter kennisneming toegezonden regeling blijkt dat aan de aanwijzing onvoldoende gevolg is gegeven.
2 Een oplegging kan ook betreffen de oplegging van een wijziging of opheffing van een bestaande regeling, alsmede de oplegging van een toetreding tot of uittreding uit een bestaande regeling.
3 Alvorens een regeling op te leggen, horen gedeputeerde staten de besturen van de betrokken gemeenten over het ontwerp van de op te leggen regeling. Bij een oplegging als bedoeld in het tweede lid, horen gedeputeerde staten tevens het bestuur van het openbaar lichaam of het gemeenschappelijk orgaan dat bij de betreffende regeling is ingesteld.