Terug naar bibliotheek
Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:1107 - Raad van State - 20 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:1107•20 februari 2026
Uitspraak inhoud
202503600/1/A2.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 1 mei 2025 in zaak nr. 24/8189 in het geding tussen:
[appellant]
en
de Dienst Toeslagen.
Openbare zitting gehouden op 20 februari 2026 om 13:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. S.N. Ali, advocaat te Almere, en de Dienst Toeslagen, vertegenwoordigd door mr. M.M. Odijk.
Bij besluit van 3 juli 2024 heeft de Dienst Toeslagen de aanvraag van [appellant] om herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 7 november 2024 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant], tegen het besluit van 7 november 2024, ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
1. [appellant] heeft de Dienst Toeslagen op 11 april 2024 verzocht om een herbeoordeling van haar recht op kinderopvangtoeslag.
2. De Dienst Toeslagen heeft de aanvraag op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen niet in behandeling genomen, omdat de aanvraag te laat, namelijk na 1 januari 2024, is ingediend.
3. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat de bijzondere omstandigheden waar [appellant] zich op beroept, voldoende zijn verdisconteerd in de afwegingen van de wetgever. De Afdeling kan zich vinden in dat oordeel en in de onder 3 tot en met 5.2 van de uitspraak opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan het volgende toe. De Afdeling volgt [appellant] niet in haar betoog dat zij niet is uitgenodigd voor de behandeling van haar zaak op de zitting van 1 mei 2025 bij de rechtbank. De Afdeling stelt vast dat het rechtbankdossier een uitnodigingsbrief voor de zitting bevat geadresseerd aan het kantooradres van de gemachtigde van [appellant]. Uit de zittingsaantekeningen van de rechtbank blijkt verder dat de rechtbank heeft opgemerkt dat [appellant] en haar gemachtigde niet zijn verschenen op de zitting, dat de rechtbank de uitnodigingen heeft gecheckt, heeft vastgesteld dat deze aangetekend zijn verstuurd en niet retour zijn gekomen. De enkele stelling van [appellant] dat zij de uitnodiging niet heeft ontvangen, is in dit geval onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de rechtbank haar niet heeft uitgenodigd voor de zitting.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. De Dienst Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
1033