Terug naar bibliotheek
Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:1104 - Raad van State - 20 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:1104•20 februari 2026
Uitspraak inhoud
202503791/1/A2.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Amsterdam,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2025 in zaak nr. 24/7691 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.
Openbare zitting gehouden op 20 februari 2026 om 14:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer;
M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
Het college, vertegenwoordigd door mr. J. van den Boorn.
Bij besluit van 29 juli 2024 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 19 november 2024 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 19 november 2024 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
1. [appellant] is op [geboortedatum] 2001 geboren en in 2015 vanuit Eritrea naar Nederland gekomen. Hij heeft op 7 juni 2024 een urgentieverklaring aangevraagd. Hij heeft in meerdere wooninstellingen gewoond, maar is sinds 8 augustus 2022 dakloos.
2. Het college heeft bij besluit van 19 november 2024 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat een aanvraag op grond van artikel 2.10.5, vierde lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 moet worden geweigerd als de aanvrager niet in één van de in artikel 2.10.6 tot en met 2.10.8 opgenomen urgentiecategorieën valt. [appellant] voldoet niet aan één van de urgentiecategorieën en ook niet aan de aanvullende voorwaarden bij ernstige medische problemen van artikel 11, onder b, van de Nadere regels Huisvestingsverordening Amsterdam 2024. Het college ziet geen reden om van de regels af te wijken door de hardheidsclausule toe te passen.
3. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. [appellant] heeft de gestelde medische problematiek niet met bewijsstukken onderbouwd. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.2 van de uitspraak opgenomen overweging, waarop dat oordeel is gebaseerd.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
1033