Terug naar bibliotheek
Raad van State

ECLI:NL:RVS:2026:1102 - Raad van State - 20 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RVS:2026:110220 februari 2026

Uitspraak inhoud

202502743/1/A2.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Den Haag,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 april 2025 in zaak nr. 24/7696 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Openbare zitting gehouden op 20 februari 2026 om 15:15 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer;
mr. M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. A.R. Bissessur, advocaat te Den Haag, vergezeld door J. Lakjaa, tolk, en het college, vertegenwoordigd door mr. F.W.A. van Driel.
Bij besluit van 26 januari 2024 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen. Het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 8 augustus 2024 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 8 augustus 2024 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
Gronden
1.       [appellant] woonde ten tijde van de aanvraag, op 21 november 2023, samen met zijn drie kinderen, waarvan één minderjarig kind, en zijn ex-partner in een huurwoning met drie slaapkamers. Hij heeft een urgentieverklaring aangevraagd voor zichzelf en drie kinderen. Na de aanvraag zijn nog twee kinderen, geboren uit het huwelijk met zijn echtgenote, vanuit Marokko naar Nederland gekomen.
2.       Het college heeft bij besluit van 8 augustus 2024 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd. Het college heeft erop gewezen dat in artikel 4:5 van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 (de Verordening) staat dat de aanvraag om urgentie wordt geweigerd indien één of meer weigeringsgronden van toepassing zijn. Op de situatie van [appellant] zijn meerdere weigeringsgronden van toepassing, te weten artikel 4:5, aanhef en onder b, c en m, van de Verordening. Een aanvraag om een urgentieverklaring wordt op grond van onderdeel m bijvoorbeeld afgewezen als een aanvrager niet eerst direct voorafgaand aan de aanvraag drie maanden zelf aantoonbaar heeft gereageerd op het beschikbare woningaanbod.
3.       De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank dat het college de aanvraag terecht heeft afgewezen, alleen al omdat [appellant] niet drie maanden voor de aanvraag twee keer per week op het beschikbare woningaanbod heeft gereageerd als bedoeld in artikel 4:5, aanhef en onder m, van de Verordening. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen omdat het verlaten van een woning door echtscheiding geen urgent huisvestingsprobleem is. Ook mocht het college [appellant] tegenwerpen dat hij zijn woonprobleem op een andere manier kan oplossen, bijvoorbeeld door de woning op te eisen voor zichzelf en zijn kinderen. De woning is immers bestemd voor een gezin en met een medische urgentieverklaring aan [appellant] toegekend. De Afdeling volgt verder het oordeel van de rechtbank dat het college de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de situatie van [appellant] niet zo schrijnend is dat een urgentieverklaring moet worden afgegeven. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college geen rekening heeft hoeven houden met de twee kinderen die na de aanvraag naar Nederland zijn gekomen.
4.       Het hoger beroep is ongegrond.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
1033