Terug naar bibliotheek
Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:1101 - Raad van State - 20 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RVS:2026:1101•20 februari 2026
Uitspraak inhoud
202505277/1/A2.
Datum uitspraak: 20 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 augustus 2025 in zaak nr. 25/3043 in het geding tussen:
[appellant]
en
het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (het CBR).
Openbare zitting gehouden op 20 februari 2026 om 10:45 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer;
M.M. Engele, griffier.
Verschenen:
[appellant], bijgestaan door mr. G.A.S. Maduro, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant. [appellant] heeft door middel van een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.
Bij besluit van 14 november 2024 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve Maatregel Drugs en Verkeer (EMD) opgelegd. Het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar heeft het CBR bij besluit van 13 maart 2025 ongegrond verklaard.
Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin het beroep van [appellant] tegen het besluit van 13 maart 2025 ongegrond is verklaard.
Beslissing
De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.
1. [appellant] is op 20 oktober 2024 door de politie Eenheid Rotterdam verzocht om zijn voertuig te stoppen ter naleving van controle van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994). Nadat [appellant] positief was getest voor een te hoog alcoholgebruik, is een speekseltest afgenomen. De uitslag van die test was positief voor cannabisgebruik. [appellant] heeft tijdens zijn aanhouding verklaard benodigdheden voor het maken van een joint op zak te hebben, die ook zijn aangetroffen. De verbalisant heeft verklaard geen uiterlijke tekenen van invloed van alcohol of drugs bij [appellant] te hebben waargenomen, maar wel in de testen aanleiding te hebben gezien op het politiebureau een bloedonderzoek te doen. [appellant] heeft medegedeeld dat bloedprikken bij hem altijd problematisch verloopt. Nadat het bloedprikken in de ene arm is mislukt, is [appellant] in paniek geraakt en heeft hij verzocht de bloedafname in het ziekenhuis te verrichten. [appellant] ontkent dat hij heeft geweigerd mee te werken aan het opgelegde bloedonderzoek.
2. Het CBR heeft [appellant] een EMD opgelegd naar aanleiding van een mededeling van de politie. In die mededeling staat dat de resultaten van de ademtest en de speekseltest leidden tot een verdenking van een gedraging in strijd met artikel 8 van de Wvw 1994 en dat [appellant] heeft geweigerd medewerking te verlenen aan een bloedonderzoek. Het CBR heeft [appellant] daarom bij besluit van 14 november 2024 op grond van artikel 131 van de Wvw 1994 en artikel 17, eerste lid, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Regeling) verplicht om mee te werken aan een EMD.
3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank ten onrechte niet onderkend dat het CBR onvoldoende draagkrachtig heeft gemotiveerd dat [appellant] heeft geweigerd een bloedonderzoek te ondergaan. Dat heeft het CBR in dit geval niet aan het opleggen van de EMD ten grondslag kunnen leggen. Maar de rechtbank heeft terecht overwogen dat het CBR een EMD ook kan opleggen als een proces-verbaal is opgemaakt wegens verdenking van overtreding van artikel 8, eerste of vijfde lid, van de Wvw 1994. Dat proces-verbaal zit in het dossier. De Afdeling voegt daaraan toe dat, anders dan [appellant] betoogt, in het proces-verbaal omstandigheden zijn opgenomen die kwalificeren als "andere omstandigheden, welke leiden tot het vermoeden van rijden onder invloed van drogerende stoffen" als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling, namelijk de positieve speekseltest (zie de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2638) en de eigen verklaring van [appellant] dat hij dagelijks 1 of 2 joints gebruikt.
4. Het hoger beroep is ongegrond.
5. Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Engele
griffier
1033