Terug naar bibliotheek
Raad van State

ECLI:NL:RVS:2026:1026 - Raad van State - 27 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RVS:2026:102627 februari 2026

Uitspraak inhoud

BRS.25.001091
ECLI:NL:RVS:2026:1026
Datum uitspraak: 27 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2025 in zaak nr. NL25.7086 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 februari 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 12 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, de minister opgedragen nader onderzoek te doen naar de vraag of voor betrokkene kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen, en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. K.S. Kort, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Beoordeling van het hoger beroep
  1.        De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Polen, heeft de Afdeling in haar uitspraak van 14 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3800, beantwoord. De overwegingen in die uitspraak zijn hier ook van toepassing. Hieruit vloeit voort dat de grief slaagt.
Conclusie hoger beroep en bespreking beroepsgronden
  1.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
  1.        Betrokkene betoogt dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de aanvraag niet aan zich heeft getrokken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. Hij voert aan dat de minister in het besluit van 12 februari 2025 had moeten ingaan op wat hij heeft meegemaakt in Polen, en dat overdracht aan Polen van onevenredige hardheid getuigt omdat hij psychische klachten ondervindt door zijn eerdere ervaringen in Polen en veel steun heeft aan zijn in Nederland verblijvende zussen.
3.1.        De minister heeft in het besluit van 12 februari 2025 de verklaringen van betrokkene over zijn eerdere ervaringen in Polen betrokken bij de beoordeling of voor Polen van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7.3, overwogen dat, als de minister de omstandigheden waar een vreemdeling zich op beroept al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt.
3.2.        Verder heeft de minister in de overige aangevoerde omstandigheden redelijkerwijs geen aanleiding hoeven zien om de aanvraag van betrokkene met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening onverplicht in behandeling te nemen. De minister wijst er in het besluit van 12 februari 2025 terecht op dat betrokkene de gestelde psychische klachten niet met medische stukken heeft onderbouwd. Ook heeft de minister bij zijn besluit mogen betrekken dat Polen dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland en dat daarom verwacht mag worden dat betrokkene in Polen eventuele medische behandeling kan krijgen. Over de aanwezigheid van de zussen van betrokkene in Nederland heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze omstandigheid onvoldoende bijzonder is om vanwege onevenredige hardheid van overdracht aan Polen af te zien. Betrokkene heeft met de overgelegde verklaring van zijn zus niet aannemelijk gemaakt dat zij zodanig van elkaar afhankelijk zijn dat hij zich zonder zijn zussen niet staande kan houden in Polen.
3.3.        De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
  1.        Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2025 in zaak nr. NL25.7086;
III.        verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Nederhoff, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nederhoff
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2026
347-1149