Terug naar bibliotheek
Raad van State
ECLI:NL:RVS:2025:6308 - Raad van State - 29 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RVS:2025:6308•29 december 2025
Uitspraak inhoud
202400024/1/V3.
Datum uitspraak: 29 december 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 december 2023 in zaak nr. NL22.26521 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 2 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 6 december 2023 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. I.J.M. Oomen, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Overwegingen
1. Appellant komt uit Nigeria. Hij heeft ernstige geheugenproblemen, een schizofreniforme stoornis en een posttraumatische stressstoornis. Hij is vanwege zijn ziektebeeld niet in staat gehoord te worden over zijn asielmotieven. Daarom heeft de minister naar alternatieve vormen gezocht om onderzoek te doen naar de asielmotieven. De minister heeft appellant de mogelijkheid geboden om het asielrelaas samen met zijn gemachtigde op schrift te stellen en zij heeft het relaas aan een landeninformatiespecialist voorgelegd. Ook heeft zij informatie opgevraagd in Italië over de daar gevoerde procedure en gekeken naar de verklaringen die appellant heeft afgelegd tijdens het aanmeldgehoor. De minister stelt dat het op schrift gestelde relaas en de andere verklaringen in Nederland niet overeenkomen met de informatie uit de asielprocedure in Italië. De minister heeft op basis van alle informatie geconcludeerd dat het asielrelaas van appellant niet geloofwaardig is.
2. De eerste grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister het besluit met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Appellant klaagt terecht dat de minister in dit geval niet kon volstaan met het aanbod om zijn asielrelaas met behulp van zijn gemachtigde op schrift te stellen en het opvragen van informatie in Italië over de daar gevoerde procedure.
2.1. In gevallen waarin een vreemdeling blijvend niet kan worden gehoord, moet de minister alle redelijke inspanningen kenbaar hebben verricht die in het gegeven geval gevraagd kunnen worden om de asielmotieven van die vreemdeling en de voor de beoordeling daarvan relevante gegevens op een alternatieve wijze te achterhalen (Werkinstructie 2021/12, onder punt 4.6, die gold ten tijde van het besluit). Pas nadat andere vormen van passende informatievergaring zijn verricht of uitgeput, kan een besluit worden genomen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2057, onder 2.3 en 2.4.
2.2. Appellant klaagt terecht dat de minister niet mocht tegenwerpen dat het relaas in Italië niet overeenkomt met zijn verklaringen in Nederland en het relaas dat zijn gemachtigde op schrift heeft gesteld. Uit het dossier is namelijk niet gebleken op welke wijze de verklaringen die hij heeft afgelegd in Nederland, zijn beïnvloed door zijn psychiatrische problemen. Daarnaast heeft de minister onvoldoende onderkend dat de gemachtigde stelt dat zij ook geen coherent en consistent verhaal aan appellant kan onttrekken. Verder is niet gebleken of de psychische problemen waarmee appellant in Nederland bekend is, ook al in Italië speelden, en zo ja, of de Italiaanse autoriteiten daarmee bekend waren en of zij daarmee rekening hebben gehouden bij het horen en beslissen.
2.3. De Afdeling wijst erop dat de minister in het besluit van 2 december 2022 stelt dat weinig waarde toekomt aan het verslag van de gemachtigde met het asielrelaas en dat niet is uitgesloten dat aan de verklaringen van appellant in Italië ook weinig waarde kan toekomen, omdat hij in Italië mogelijk ook al ernstige psychische problemen had. De conclusie van de minister dat de relazen niet overeenkomen en dat daarom niet het voordeel van de twijfel wordt gegund, is dan ook niet begrijpelijk.
2.4. De minister had, met inachtneming van de medische situatie van appellant en zijn onvermogen zijn relaas toe te lichten en zijn aanvraag met stukken te onderbouwen, onderzoek moeten doen naar andere, passende vormen van informatievergaring. Zij had bijvoorbeeld het Bureau Medische Advisering kunnen inschakelen om samen met appellant de asielmotieven en de voor de beoordeling daarvan relevante gegevens te achterhalen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2020, onder 2.4.
2.5. De eerste grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het is niet nodig wat appellant verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en de Afdeling vernietigt het besluit van 2 december 2022. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 6 december 2023 in zaak nr. NL22.26521;
III. verklaart het beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van 2 december 2022, V-[...];
V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 4.081,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 29 december 2025
872