Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:968 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 11 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:96811 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **ZEELAND-WEST-BRABANT**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Tilburg
Zaaknummer: 11803691 \ CV EXPL 25-3654
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
[werknemer],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. M.A.F.J. Hupkes-van den Brink van DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.,
tegen
[werkgever],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. M.J.J. Rutten.

1 De zaak in het kort

1.1. [werknemer] is als ambulanceverpleegkundige in dienst bij [werkgever] . Hij is een periode arbeidsongeschikt geweest. Deze procedure gaat over de vraag of [werknemer] tijdens ziekte over scholingsdagen en feestdagen aanspraak had op doorbetaling van de gemiddelde onregelmatigheidstoeslag en overwerkvergoeding. [werknemer] vindt van wel en stelt een loonvordering in. [werkgever] vindt van niet. Ook zijn partijen het niet eens over de wijze waarop de referteperiode moet worden berekend, op basis waarvan de gemiddelde onregelmatigheidstoeslag en overwerkvergoeding moet worden bepaald.
1.2. De kantonrechter is van oordeel dat [werknemer] gelijk heeft in zijn standpunten. Dit oordeel wordt hierna onder het kopje 'de beoordeling' uitgelegd. Eerst worden het verloop van de procedure, de feiten, de vorderingen en het verweer daartegen geschetst. Tot slot volgt de beslissing.

2 De procedure

2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
 de dagvaarding met producties 1 tot en met 8,
 de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 28,
 de akte wijziging eis met producties 9 en 10 van [werknemer] ,
 de mondelinge behandeling van 12 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
 de spreekaantekeningen van de gemachtigden van partijen, voor zover zij die tijdens de mondelinge behandeling hebben voorgelezen (uit de zittingsaantekeningen blijkt welke alinea's niet zijn voorgelezen).
2.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten

3.1. [werknemer] is sinds 1 maart 2019 in dienst bij [werkgever] in de functie van ambulanceverpleegkundige. De ambtelijke aanstelling is met ingang van 1 januari 2020 omgezet in een arbeidsovereenkomst. De cao Ambulancezorg is van toepassing op de arbeidsovereenkomst ("de cao").
3.2. [werknemer] werkt 32 uur per week volgens een onregelmatig rooster (vroeg/laat/nacht). Hij ontvangt een onregelmatigheidstoeslag ("ORT"). [werknemer] werkt structureel meer dan de overeengekomen arbeidsduur en ontvangt daarom maandelijks een overwerkvergoeding. Het basissalaris op basis van een arbeidsomvang van 32 uur per week bedraagt € 4.598,28 bruto.
3.3. De ORT en overwerkvergoeding worden uitbetaald in de maand volgend op de maand waarin de onregelmatige uren of overuren zijn gewerkt (artikel 4.1 lid 7 cao). Onregelmatige uren en overwerkuren gewerkt in januari worden dus met het loon in februari uitbetaald.
3.4. [werknemer] is op 12 januari 2024 wegens arbeidsongeschiktheid uitgevallen. Vanaf 27 februari 2024 begon [werknemer] met re-integreren door scholingsdagen te volgen. Vanaf 6 maart 2024 begon [werknemer] zijn werkzaamheden deels weer op te bouwen.
3.5. De bedrijfsarts heeft op 15 mei 2025 geadviseerd om [werknemer] met ingang van 1 juli 2025 hersteld te melden, wat ook is gebeurd.
3.6. Tussen partijen is een geschil ontstaan over het bedrag aan ORT en overwerkvergoeding waar [werknemer] tijdens ziekte recht op heeft. Over dit onderwerp is tussen partijen onderling en tussen hun gemachtigden uitgebreid gecorrespondeerd en gesproken.
3.7. De cao bevat in artikel 14.2 een regeling voor de doorbetaling van loon tijdens arbeidsongeschiktheid:
"Artikel 14.2 Loondoorbetaling
(…)"
3.8. In artikel 6.6 van de cao is het volgende bepaald over feestdagen:
"
      Artikel 6.6 Arbeid op feestdagen
a. roostervrij is en niet werkt, is op die dag betaald vrij naar rato van het dienstverband (7,2 uur bij een voltijd dienstverband) en maakt aanspraak op een vervangende roostervrije dag;
b. werkt, maakt aanspraak op een compensatie naar rato van het dienstverband (7,2 uur bij een voltijd dienstverband) alsmede op alle overige, gebruikelijke vergoedingen waarop hij volgens deze cao recht heeft.
De werknemer die aanspraak maakt op een compensatiedag als bedoeld in sub a en sub b zal deze genieten op een door de werkgever in overleg met de werknemer vast te stellen tijdstip. Dit tijdstip dient te vallen binnen een periode van zes weken, gemeten vanaf de kalenderdatum van de betreffende feestdag.
  1. Geen samenloop met bereikbaarheidsdienst
Als lid 2 van toepassing is, kan de werknemer geen aanspraak maken op een vergoeding voor bereikbaarheidsdienst (conform artikel 11.3), en omgekeerd."
3.9. De bepalingen uit de cao hebben volgens artikel 1.4 een standaardkarakter. Er kan niet van de bepalingen worden afgeweken, tenzij in de cao zelf is bepaald dat dat wel mag.

4 Het geschil

4.1. [werknemer] vordert na wijziging van eis – samengevat – dat de kantonrechter [werkgever] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeelt tot betaling aan [werknemer] van
primair:
I. een bedrag van € 10.148,32 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
II. de buitengerechtelijke incassokosten van € 876,48,
subsidiair:
III. een bedrag van € 6.181,52 bruto, onder verstrekking van een deugdelijke bruto/netto specificatie,
IV. de buitengerechtelijke incassokosten van € 684,08,
in alle gevallen:
V. de maximale wettelijke verhoging over de gevorderde hoofdsom,
VI. de wettelijke rente over de gevorderde hoofdsom, te rekenen vanaf de dag van opeisbaarheid tot aan de dag van volledige betaling,
VII. de proceskosten.
4.2. [werkgever] voert verweer. [werkgever] vindt dat de vorderingen van [werknemer] moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [werknemer] in de kosten van deze procedure.
4.3. De kantonrechter gaat hierna bij de beoordeling in op de relevante standpunten die partijen ter onderbouwing van de vorderingen en het verweer daartegen hebben aangevoerd.

5 De beoordeling

5.1. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] ook tijdens zijn periode van arbeidsongeschiktheid aanspraak heeft gehouden op betaling van ORT en overwerkvergoeding. Partijen verschillen echter van mening over de wijze van berekening van deze toeslagen tijdens arbeidsongeschiktheid.
5.2. De geschilpunten spitsen zich toe op de volgende onderwerpen:
 hoe de referteperiode uit artikel 14.2 lid 1 van de cao moet worden bepaald,
 of de zieke werknemer recht heeft op betaling van de gemiddelde ORT en overwerkvergoeding op dagen dat hij reguliere scholing heeft gevolgd, en
 of de zieke werknemer recht heeft op betaling van de gemiddelde ORT en overwerkvergoeding op feestdagen.
De referteperiode
5.3. In artikel 14.2 lid 1 van de cao is samengevat bepaald dat de werknemer ook tijdens arbeidsongeschiktheid aanspraak behoudt op betaling van structurele looncomponenten. In geval van [werknemer] zijn ORT en overwerkvergoeding structurele looncomponenten. Aan het slot van voornoemd artikel is bepaald:
"De structurele looncomponenten worden gemeten op maandbasis over een periode van zes maanden voorafgaand aan de maand waarin de arbeidsongeschiktheid is ontstaan."
Het standpunt van [werknemer]
5.4. [werknemer] stelt zich op het standpunt dat uit de woorden "gemeten op maandbasis" volgt dat voor het bepalen van de referteperiode moet worden uitgegaan van de maanden waarin de onregelmatige en overwerkuren zijn opgebouwd, niet van de maanden waarin deze uren zijn uitbetaald. De toeslagen worden structureel opgebouwd in de maand waarin is gewerkt, en pas in de maand erna uitbetaald. De cao beoogt een representatief beeld te geven van het loon voorafgaand aan ziekte. Het hanteren van uitbetaalde maanden leidt tot een vertekend beeld dat niet past binnen het doel van de bepaling. Er wordt dan immers in de referteperiode een maand betrokken waarin geen werkzaamheden zijn verricht wegens ziekte. [werknemer] stelt zich dus op het standpunt dat de referteperiode in zijn geval de maanden juli tot en met december 2023 beslaat, en dat moet worden gekeken naar de omvang van de onregelmatige en overwerkuren die hij in die maanden heeft gewerkt.
Het standpunt van [werkgever]
5.5. [werkgever] is van mening dat voor het bepalen van de referteperiode moet worden uitgegaan van de feitelijk betaalde ORT en overwerkvergoeding in de zes maanden voorafgaand aan ziekte. De cao schrijft namelijk niet voor dat gerekend moet worden met de "feitelijk opgebouwde toeslagen in zes maanden voorafgaand aan de ziekte". Uitleg van de bepaling aan de hand van de cao-norm leidt er toe dat moet worden gekeken naar de zes maanden direct voorafgaand aan ziekte en de feitelijk ontvangen toeslagen in die maanden. In de situatie van [werknemer] gaat het dan om de onregelmatige - en overwerkuren die in de maanden juni tot en met november 2023 zijn gewerkt, en die feitelijk zijn uitbetaald in de maanden juli tot en met december 2023. [werkgever] bepaalt dan ook de hoogte van de gemiddelde ORT en overwerkvergoeding die tijdens arbeidsongeschiktheid moet worden doorbetaald op basis van de uitbetalingen die zijn gedaan in de maanden juli tot en met december 2023.
Het oordeel van de kantonrechter
5.6. De kantonrechter volgt het standpunt van [werknemer] . Dit wordt als volgt toegelicht.
5.7. De bepaling waar het om gaat moet worden uitgelegd. Er staat niet duidelijk 'opgebouwd' of 'uitbetaald', zodat de bepaling ruimte laat voor verschillende interpretaties. Bij de uitleg moet de cao - norm worden toegepast.
5.8. Die norm houdt in dat in beginsel de bewoordingen van de bepaling gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao van doorslaggevende betekenis zijn. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen die de regels tot stand hebben gebracht, voor zover deze niet uit de opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de regels zijn gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de cao gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de uitleg.
5.9. Het gebruik van het woord "gemeten" in artikel 14.2 lid 1 duidt naar het oordeel van de kantonrechter taalkundig op het bepalen van een bepaalde omvang. De omvang van onregelmatige - en overwerkuren in een bepaalde maand wijst daarmee naar het oordeel van de kantonrechter op de opbouw van die uren. Het woord "gemeten" past taalkundig niet bij de hoogte van het loon dat over opgebouwde toeslaguren verschuldigd is. Het meten moet plaatsvinden over een periode van zes maanden "*voorafgaand aan de maand waarin de arbeidsongeschiktheid is ontstaan."*Deze zinsnede duidt er taalkundig op dat de referteperiode direct aansluit op de eerste maand waarin de werknemer uitvalt vanwege arbeidsongeschiktheid.
5.10. De uitleg dat de referteperiode ziet op de door de werknemer opgebouwde onregelmatige - en overwerkuren in de zes maanden direct voorafgaand aan de maand waarin de ziekmelding plaatsvindt, is naar het oordeel van de kantonrechter ook het meest aannemelijk. De situatie zoals die direct vóór de maand van ziekte was wordt op die manier tijdens ziekte zo reëel mogelijk voortgezet. Het laten vallen van een gat tussen de situatie waarin gewerkt wordt en de situatie waarin vanwege arbeidsongeschiktheid niet gewerkt wordt, zoals het geval is in de door [werkgever] voorgestane uitleg, is niet logisch. Het moment van opbouw van de onregelmatige - en overwerkuren is ook steeds vast bepaald en niet voor beïnvloeding vatbaar. Dat is anders met het moment van uitbetaling, dat om allerlei redenen (ook om redenen die buiten de werknemer kunnen liggen) kan afwijken.
5.11. Het voorgaande betekent voor deze zaak dat de maanden waarin de onregelmatige - en overwerkuren zijn opgebouwd bepalend zijn voor de referteperiode. In geval van [werknemer] gaat het gelet op de datum van ziekmelding om de uren opgebouwd in de maanden juli tot en met december 2023.
ORT en overwerkvergoeding over scholingsdagen en feestdagen
5.12. [werknemer] heeft in de periode dat hij vanwege arbeidsongeschiktheid niet werkte scholing gevolgd. Het gaat om scholing die [werknemer] ook zou hebben moeten volgen als hij niet arbeidsongeschikt was geweest, om zijn bevoegdheden en bekwaamheden als ambulanceverpleegkundige te behouden. [werkgever] heeft over de dagen dat [werknemer] tijdens ziekte deze scholing volgde het basissalaris uitbetaald en geen gemiddelde ORT en overwerkvergoeding. Ook tijdens feestdagen die vielen in de periode van arbeidsongeschiktheid van [werknemer] heeft [werkgever] enkel het basissalaris uitbetaald, en geen gemiddelde ORT en overwerkvergoeding. [werknemer] vindt dat hij over zowel de scholingsdagen als de feestdagen wel aanspraak heeft op uitbetaling van de gemiddelde ORT en overwerkvergoeding.
Het standpunt van [werknemer]
5.13. [werknemer] baseert zijn standpunt op de wettelijke loondoorbetalingsplicht tijdens ziekte (artikel 7:629 BW) en artikel 14.2 van de cao. Uit deze bepalingen volgt dat hij zolang hij ziek is recht heeft op betaling van zijn loon en een gemiddelde ORT en overwerkvergoeding. Het maakt daarbij niet uit of hij wel of niet heeft kunnen werken in die periode. De grondslag voor de loonbetaling blijft de voornoemde artikelen. Daarin staat nergens te lezen dat een uitzondering geldt voor scholingsdagen of feestdagen. De gemiddelde ORT en overwerkvergoeding worden bepaald op basis van de referteperiode van zes maanden. De door cao-partijen gekozen referteperiode wordt geacht een representatief beeld te geven van de omvang van de structurele looncomponenten. In deze referteperiode zitten ook scholingsdagen en feestdagen verdisconteerd.
Het standpunt van [werkgever]
5.14. [werkgever] gaat uit van een andere lezing van artikel 14.2 van de cao, meer specifiek lid 3 daarvan. Daarin is bepaald dat de zieke werknemer die volgens zijn re-integratieplan werkzaamheden zonder loonwaarde verricht, recht heeft op 100% van zijn naar tijdruimte vastgestelde loon. Enkel scholing zonder loonwaarde die is opgenomen in een re-integratieplan valt onder de reikwijdte van artikel 14.2 lid 3 cao. De scholing die [werknemer] heeft gevolgd tijdens ziekte betrof reguliere scholing met loonwaarde. De zieke werknemer kan op een dergelijke scholingsdag dezelfde loonwaarde genereren die voor alle medewerkers geldt tijdens de reguliere scholingsdag. Tijdens een reguliere scholingsdag ontvangen niet-zieke medewerkers enkel het basissalaris, er is immers geen sprake van overwerk en/of onregelmatigheid. Datzelfde geldt voor feestdagen. Ook deze worden enkel tegen het basissalaris doorbetaald. Zou bij het volgen van reguliere scholing of op feestdagen tijdens ziekte naast het basissalaris toch een gemiddelde ORT en overwerkvergoeding betaald moeten worden, dan kan dit leiden tot het zeer ongewenste effect dat medewerkers zich bewust ziek melden op die dagen. Ook leidt dat tot het onaannemelijke rechtsgevolg dat een zieke werknemer beter af is dan zijn niet-zieke collega's. Het kan niet de bedoeling zijn dat medewerkers financieel beter worden van ziek zijn.
Het oordeel van de kantonrechter
5.15. Het standpunt van [werkgever] komt er feitelijk op neer dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen dagen waarop de werknemer arbeidsongeschikt is en dagen waarop hij geacht wordt dat niet te zijn. Op reguliere scholingsdagen en feestdagen wordt de arbeidsongeschikte werknemer immers beloond alsof hij arbeidsgeschikt was. Arbeidsongeschiktheid is echter niet deelbaar. Zolang een werknemer wegens ziekte de bedongen arbeid niet volledig verricht, zowel qua omvang als inhoud daarvan, geldt als uitgangspunt het loondoorbetalingsregime tijdens ziekte. De basis daarvan wordt gegeven door artikel 7:629 lid 1 BW. De cao geeft daar in artikel 14.2 een aanvulling op.
5.16. Dat houdt in dat [werknemer] op grond van artikel 14.2 lid 2 cao gedurende het eerste ziektejaar recht houdt op 100% van zijn naar tijdruimte vastgestelde loon. In lid 1 wordt gedefinieerd dat daaronder wordt verstaan het salaris van de werknemer vermeerderd met structurele looncomponenten (in geval van [werknemer] de ORT en overwerkvergoeding), gemeten over de referteperiode. Of [werknemer] in het eerste ziektejaar nu werkt of niet, hij heeft aanspraak op zijn volledige loon als ware hij niet arbeidsongeschikt. Daarvan zijn scholingsdagen en feestdagen niet uitgezonderd.
5.17. In het tweede ziektejaar bestaat op grond van artikel 14.2 lid 2 cao aanspraak op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon. Echter, de zieke werknemer die volgens zijn re-integratieplan, passende arbeid of werkzaamheden zonder loonwaarde verricht, houdt over die gewerkte uren recht op 100% (in plaats van 70%) van het naar tijdruimte vastgestelde loon (artikel 14.2 lid 3 cao). Onder werkzaamheden zonder loonwaarde worden volgens de cao verstaan het verrichten van werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis, het volgen van scholing en het lopen van stage. In het tweede ziektejaar kan er dus een splitsing ontstaan tussen uren waarover aanspraak bestaat op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon (dus inclusief 70% gemiddelde ORT en overwerkvergoeding) en uren waarover 100% (wederom inclusief gemiddelde ORT en overwerkvergoeding) moet worden uitbetaald.
5.18. Tussen partijen staat vast dat [werknemer] in de periode van 12 januari 2024 tot 1 juli 2025 arbeidsongeschikt was. Er is in het geval van [werknemer] dus sprake van een (gedeeltelijk) tweede ziektejaar. Het voorgaande leidt voor wat betreft scholing die in het tweede ziektejaar is gevolgd en feestdagen die in die periode zijn geweest tot het volgende.
5.19. Als de kantonrechter het standpunt van [werkgever] goed begrijpt, voert zij aan dat de scholing die [werknemer] heeft gevolgd mét loonwaarde is en daarom niet onder de '100% in het tweede ziektejaar regel' van lid 3 valt. [werkgever] past vervolgens echter het loonregime toe dat geldt voor een niet - zieke werknemer. Dat is onjuist, zoals hiervoor al in 5.15 aangegeven is. Ook dan geldt dat het geschetste loonregime tijdens ziekte van toepassing blijft. Scholing mét loonwaarde tijdens ziekte moet beschouwd worden als passende arbeid, zoals [werknemer] terecht aanvoert. Het verrichten van passende arbeid valt ook artikel 14.2 lid 3 cao. [werknemer] behoudt over uren waarin hij scholing heeft gevolgd in het tweede ziektejaar dus aanspraak op 100% van zijn naar tijdruimte vastgestelde loon.
5.20. [werkgever] betaalt tijdens feestdagen het salaris door. Ook over feestdagen bestaat dus recht op loon. Voor zieke werknemers geldt dat het loon moet worden doorbetaald conform de geschetste regels die gelden voor zieke werknemers. Dat betekent in het tweede ziektejaar een aanspraak op 70% van het naar tijdruimte vastgestelde loon (dus inclusief 70% van de gemiddelde ORT en overwerkvergoeding). Die aanspraak kan 100% zijn indien de werknemer passende arbeid verricht op een feestdag. [werkgever] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat [werknemer] niet heeft gewerkt op feestdagen tijdens ziekte, omdat hij vanwege die ziekte niet kon worden ingeroosterd. [werknemer] heeft dit niet weersproken. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat [werknemer] op feestdagen niet heeft gewerkt en dat zijn loonaanspraak in het tweede ziektejaar over feestdagen daarom 70% bedraagt.
5.21. [werkgever] heeft aangevoerd dat zieke werknemers in een betere positie terecht komen dan niet - zieke werknemers waar het scholingsdagen en feestdagen betreft, en dat dit ziekmeldingen in de hand kan werken. Met dit standpunt focust [werkgever] enkel op deze specifieke dagen. Zij laat alle andere dagen buiten beschouwing, dagen waarop de zieke werknemer in een gezonde situatie wellicht méér had kunnen verdienen dan het loon tijdens ziekte. Er moet niet gekeken worden naar de beloning op een enkele dag, maar de beloning over de gehele periode van ziekte moet beschouwd worden. De zieke werknemer is in de regel niet beter af dan de gezonde werknemer. De toelichting van [werkgever] tijdens de mondelinge behandeling over het onderwerp feestdagen kan dit verduidelijken (zie hiervoor 5.20). Als [werknemer] niet ziek was geweest, had hij ook de gelegenheid gehad om te werken op een feestdag (waarvoor op grond van de cao een vergoedingsregeling geldt, zie artikel 6.6 cao). Juist omdat hij wel ziek was, had hij die gelegenheid niet (en moet hij het doen met 70%). Bovendien is niet gesteld of gebleken dat er een onredelijk groot verschil zit tussen het aantal feestdagen en scholingsdagen in de referteperiode (op basis waarvan de gemiddelde ORT en overwerkvergoeding die tijdens ziekte moet worden doorbetaald wordt bepaald) en in de periode van ziekte. Ook daarom kan dus niet gezegd worden dat de zieke werknemer beter af is dan de gezonde werknemer.
De vorderingen van [werknemer]
Hoofdsom
5.22. [werknemer] krijgt gelijk in zijn standpunt over het bepalen van de referteperiode. Hij krijgt ook gelijk in zijn standpunt dat hij recht heeft op gemiddelde ORT en overwerkvergoeding over scholingsdagen en feestdagen tijdens ziekte.
5.23. [werknemer] heeft het bedrag aan ORT en overwerkvergoeding waar hij op basis van de door hem ingenomen standpunten nog aanspraak op heeft berekend op een bedrag van € 10.148,32 bruto. [werkgever] heeft in haar conclusie van antwoord aangevoerd dat [werknemer] ten onrechte gerekend heeft met de bedragen zoals opgenomen in zijn loonstroken. Er moet gerekend worden met de bedragen zoals opgenomen in de verzamelstaten, waarin de bedragen zijn opgenomen die feitelijk zijn uitbetaald over de betreffende periode. De vordering van [werknemer] is volgens [werkgever] onjuist, althans onvoldoende onderbouwd.
5.24. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] naast het feit dat [werkgever] uitgaat van een onjuist uitgangspunt wat betreft de referteperiode (zie hiervoor vanaf 5.6) met een verwijzing naar verzamelstaten de hoogte van de vordering van [werknemer] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. [werknemer] heeft per maand inzichtelijk gemaakt op welk bedrag hij aanspraak maakt. Het had op de weg gelegen van [werkgever] om in haar betwisting in te gaan op de bedragen die volgens haar zouden volgen uit toepassing van de verzamelstaten. De kantonrechter merkt daarbij op dat de enkele verwijzing naar producties in dat kader niet volstaat. Het is niet aan de kantonrechter om in producties op zoek te gaan naar verweren en bijbehorende bedragen, het is aan [werkgever] om dat uiteen te zetten. Door dat na te laten, heeft zij haar betwisting onvoldoende gemotiveerd en gaat de kantonrechter daaraan voorbij. [werkgever] heeft geen verweer gevoerd tegen het door [werknemer] gevorderde percentage van 100% tijdens het tweede ziektejaar ( [werknemer] gaat in zijn berekening over de gehele periode van ziekte uit van het hetzelfde te ontvangen bedrag aan ORT en overwerkvergoeding), zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat [werknemer] aanspraak heeft behouden op 100% van zijn loon. De primaire vordering van [werknemer] is toewijsbaar.
Wettelijke verhoging en wettelijke rente
5.25. [werknemer] vordert de maximale wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) over de hoofdsom. [werkgever] verzoekt de kantonrechter gemotiveerd om de wettelijke verhoging te matigen tot nihil of een ander percentage.
5.26. De kantonrechter matigt de wettelijke verhoging tot een percentage van 10% over de hoofdsom. De reden hiervoor is het feit dat [werkgever] niet onwillig is om (het juiste bedrag aan) ORT en overwerkvergoeding tijdens ziekte te betalen, maar dat het geschil voortkomt uit een verschil in standpunten over de juiste toepassing van de regels. [werkgever] heeft daarin niet een op voorhand onhoudbaar standpunt ingenomen. Ook acht de kantonrechter relevant dat [werknemer] niet geheel verstoken is geweest van zijn loon inclusief ORT en overwerkvergoeding. Hij heeft elke maand betalingen ontvangen, alleen blijken die nu te laag te zijn geweest.
5.27. De wettelijke rente over de hoofdsom is als onweersproken toewijsbaar. De wettelijke rente is steeds verschuldigd vanaf de dag na de dag waarop de maandelijkse ORT en overwerkvergoeding betaald had moeten zijn.
Buitengerechtelijke incassokosten
5.28. [werknemer] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [werknemer] heeft naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [werknemer] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal het gevorderde bedrag van € 876,48 worden toegewezen.
Proceskosten
5.29. [werkgever] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:

6 De beslissing

De kantonrechter
6.1. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 10.148,32 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, vanaf de dag na de dag waarop de loonbetaling uiterlijk betaald had moeten zijn tot de dag van volledige betaling,
6.2. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen de wettelijke verhoging van 10% over de hoofdsom van € 10.148,32 bruto,
6.3. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 876,48 aan buitengerechtelijke kosten,
6.4. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.620,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.