Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:943 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 4 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:9434 februari 2026

Uitspraak inhoud

Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/417935 / HA ZA 24-28
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van

1 [naam 1] ,

te [plaats] ,2. [naam 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 1] ,
advocaat: mr. M. Duurtsema,
tegen

1 [naam 3] , voorheen handelend onder de naam [bedrijf 1] ,

te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,2. [naam 4], voorheen handelend onder de naam [bedrijf 2] ,
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,3. [B.V. 1],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 2] en afzonderlijk: [naam 3] en [naam 4] en het Bouwbedrijf ,
advocaat: mr. W. van Veldhuizen.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 11 september 2024 en de daarin genoemde stukken,
– de conclusie van antwoord in reconventie, met productie 124,
– de mondelinge behandeling van 27 februari 2025, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt en een kort proces-verbaal, waaruit blijkt dat de op voorhand door [partij 1] toegezonden aktes overlegging producties en vermeerdering van eis niet ter zitting zijn genomen, omdat beide partijen nog een conclusie na mondelinge behandeling mogen nemen, waarbij [partij 1] alsnog de producties in het geding kan brengen,
– de conclusie na comparitie van [partij 1] met producties 76 t/m 153,
– de antwoord conclusie van [partij 2] met productie 17.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. [naam 3] en [naam 4] hebben beiden een eenmanszaak gehad: [naam 3] vanaf 1 januari 2017 en [naam 4] vanaf 22 september 2017. Op 1 maart 2022 is bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat beide onderneming met ingang van 24 februari 2022 zijn opgeheven.[1]
2.2. [B.V. 1] is opgericht op 24 februari 2022. [B.V. 2] is bestuurder en enige aandeelhouder van deze vennootschap. De eenmanszaken van [naam 3] en [naam 4] zijn op 24 februari 2022 ingebracht in [B.V. 1][2]
2.3. Op of omstreeks 1 mei 2021 hebben [partij 1] een aannemingsovereenkomst[3] gesloten met [bouwbedrijf] voor de bouw van een nieuwbouwwoning aan [adres] te [plaats] (hierna: de woning). [partij 2] zouden de woning voor [partij 1] gaan bouwen voor een aanneemsom van € 483.164,30 incl. 21% btw.
2.4. [partij 2] hebben voor de bouw een open begroting gemaakt[4]. Het ontwerp en de bouwtekeningen zijn gemaakt door [architect] , de constructieberekening door Kracht Constructief Advies en de BENG-berekeningen door HBA B.V. Voor de nieuwbouwwoning is een voorlopig energielabel afgegeven en een bouwbesluitrapportage[5] opgemaakt.
2.5. [partij 2] hebben bij de uitvoering van de werkzaamheden diverse onderaannemers ingeschakeld. Zo was aan de firma [installatiebureau] B.V. (hierna: [installatiebureau] ) onder meer de opdracht gegeven tot het uitvoeren/maken van de warmte installatie (incl. warmtepomp en boiler) en de WTW-installatie. Aan [stukadoorsbedrijf] V.O.F. (hierna: [stukadoorsbedrijf] ) was opdracht gegeven tot het verrichten van het buitenstucwerk.
2.6. Na de totstandkoming van de overeenkomst zijn partijen een bedrag van € 7.973,30 aan minderwerk overeengekomen. Overeengekomen is dat [partij 1] een aantal onderdelen van de open begroting zelf zouden (laten) uitvoeren.
2.7. [partij 2] zijn op 8 juni 2021 met de bouw van de woning begonnen.
2.8. In mei 2022 is tussen partijen discussie ontstaan over het uitgevoerde buitenmetselwerk inclusief het verdiepte voegwerk, het buitenstucwerk, de verwerkte steenstrips, schades en vervuiling van dakoverstekken (Rockpanel).
2.9. In opdracht van [stukadoorsbedrijf] heeft Afbouw Gevelsupport B.V.[6]de gepleisterde en gelijmde steenstripafwerking op de buitengevelisolatie beoordeeld en daarover op 17 mei 2022 gerapporteerd. In opdracht van [partij 1] heeft [adviesbureau][7] op 17 juni 2022 gerapporteerd over het metselwerk, buitenstucwerk, Rockpanel en de dakoverstekken.
2.10. Bij brief van 11 juli 2022 hebben [partij 1] zich op het standpunt gesteld dat [partij 2] toerekenbaar te kort zijn geschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en [partij 2] gesommeerd om de door deskundige [adviesbureau] geconstateerde gebreken te herstellen.[8]
2.11. [partij 1] hebben de betaling van [factuurnummer 1] van 12 juli 2022 opgeschort.
2.12. [partij 1] zijn op 29 juli 2022 in de woning gaan wonen.
2.13. Op 7 september 2022 heeft de oplevering plaatsgevonden. [partij 1] hebben een lijst opgesteld met daarop 36 opleverpunten.[9]
2.14. Bij e-mailbericht van 13 september 2022 heeft de advocaat van [partij 1] [partij 2] aansprakelijk gesteld voor de lekkage in de ouderslaapkamer, de lekkage in de douche en voor de recent ontdekte vochtplek in het plafond in de woonkamer, alsmede voor de daardoor geleden schade.[10]
2.15. Naar aanleiding van de lekkagemeldingen hebben zowel [partij 2] als onderaannemer [installatiebureau] een rapport laten opstellen door respectievelijk Lekdetectiecentrale[11] en Trition .[12]
2.16. Bij brief van 30 september 2022 heeft de advocaat van [partij 2] betwist dat er sprake is van een bouwkundig gebrek met betrekking tot het buitenmetselwerk (inclusief het verdiept voegwerk) en het buitenstucwerk. De bevindingen van deskundige [adviesbureau] worden betwist. Onder verwijzing naar een bijgevoegde lijst heeft de advocaat van [partij 2] aangegeven welke (herstel)werkzaamheden nog zullen worden uitgevoerd. Daarbij is verzocht om betaling van de opgeschorte factuur van 12 juli 2022.[13]
2.17. In het weekend van 21 t/m 23 oktober 2022 is een aardwarmtepomp (Nibe F1155-6PC) en bijbehorende boiler (300 liter) geleverd en gemonteerd. Deze aardwarmtepomp was een ander type pomp dan de overeengekomen Nibe F1155-10PC. Hetzelfde geldt voor de geleverde boiler. Er was een boiler van 400 liter overeengekomen en er is een boiler van 300 liter geplaatst.
2.18. Op 18 november 2022 hebben [partij 1] TechnoConsult B.V. (hierna: TechnoConsult ) opdracht gegeven om bouwgebreken te onderzoeken.
2.19. Op 25 november 2022 heeft de advocaat van [partij 1] aan [partij 2] gemeld dat er nieuwe gebreken (gebreken 37 t/m 43) zijn geconstateerd en [partij 2] gesommeerd om de gebreken waarover geen discussie is te herstellen.[14]
2.20. Bij brieven van 25, 28/29 november 2022 heeft de advocaat van [partij 1] [partij 2] en [installatiebureau] aansprakelijk gesteld voor de lekkage ontdekt op 19 augustus 2022, de lekkage ontdekt op het plafond in de woonkamer op 9 september 2022 en de lekkage in de kleine badkamer geconstateerd op 13 september 2022.[15]
2.21. [partij 2] hebben de aansprakelijkheidsstelling voor de lekkages doorgeleid naar hun aansprakelijkheidsverzekeraar ASR Schadeverzekering N.V. die op 22 december 2022 de aansprakelijkheid heeft afgewezen. [installatiebureau] heeft de aansprakelijkheidsstelling voor de lekkages doorgeleid naar haar verzekeraar Interpolis.
2.22. Bij e-mailbericht van 27 december 2022 heeft de advocaat van [partij 1] [partij 2] bericht dat de kozijnen niet luchtdicht zijn afgewerkt.[16]
2.23. Op 10 mei 2023 is de WTW-installatie geïnstalleerd.
2.24. Op 24 mei 2023 heeft TechnoConsult een rapport uitgebracht. In dat rapport is aansluiting gezocht bij een door [partij 1] opgestelde lijst van 7 november 2022 (bijlage C bij het rapport) met 43 gebreken. TechnoConsult B.V. komt tot een begroting van herstelkosten van € 122.894,00 inclusief btw.[17]
2.25. Op 2 juni 2023 hebben [partij 1] [partij 2] en [installatiebureau] in kort geding gedagvaard.[18] In aanloop naar de zitting heeft [deskundige] op kosten van [partij 2] de aardwarmtepomp, boiler en WTW-installatie in de woning bekeken en daarover op 9 juni 2023 gerapporteerd. [19]
2.26. Bij vonnis in kort geding van 27 juni 2023[20] heeft de voorzieningenrechter de bevindingen van [deskundige] voor wat betreft de WTW-installatie overgenomen en geoordeeld dat de installatie ondeugdelijk is. De vordering is afgewezen omdat onvoldoende vast staat wat er moet gebeuren om de installatie alsnog deugdelijk te laten uitvoeren en op welke wijze herstel kan plaatsvinden. Verder is geoordeeld dat er sprake is van non-conformiteit van de aardwarmtepomp en de boiler omdat niet is geleverd wat is overeengekomen. [partij 2] dient binnen een week de juiste exemplaren te bestellen.
2.27. Op 9 september 2023 is er een bespreking geweest bij [partij 1] over de aardwarmtepomp en de boiler.
2.28. In opdracht van [partij 1] heeft Trition in augustus/september 2023 een onderzoek verricht naar de oorzaak van stankoverlast. Op 13 oktober 2023 is daarover een rapport uitgebracht.[21]
2.29. Op 7 december 2023 heeft Innax (voorheen [deskundige] ) in opdracht van [partij 1] een memo uitgebracht over de aanpassingen aan de WTW-installatie. Op 12 december 2023 heeft Innax een aanvullend rapport uitgebracht.[22]
2.30. Op 29 december 2023 is de dagvaarding in deze procedure uitgebracht. In deze procedure hebben [partij 1] aangevoerd dat er naast de 53 gebreken die in de dagvaarding staan vermeld, nog 11 nieuwe gebreken zijn ontstaan c.q. ontdekt. Bij brief van 30 augustus 2023[23] heeft de advocaat van [partij 1] [partij 2] gesommeerd om binnen redelijke termijn tot herstel van de gebreken 54 t/m 64 over te gaan.
2.31. Hangende deze procedure hebben [partij 1] nog rapporten van Lekdetectiecentrale[24], Drillpro Nederland [25], BlowerTechnic[26], Bosch (althans Drillpro )[27] en Bouwstad Projectmanagement B.V. [28] in het geding gebracht. Bouwstad Projectmanagement B.V. komt in haar rapport tot een begroting van herstelkosten van € 265.280,24 inclusief btw.

3 Het geschil

in conventie
3.1. [partij 1] vorderen, na wijziging eis, om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – samengevat –:
primair:
1.1. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen 4 weken na datum vonnis de gebreken 1, 3, 4, 5, 6, 11, 12, 14, 21, 23, 24, 27, 28, 29, 30, 33, 35, 37, 40, 41, 44, 45, 48, 49, 51, 52, 53, 55, 57, 59, 60, 61, 62 en 64 te herstellen naar eisen van goed deugdelijk werk op straffe van een dwangsom;
1.2. bij gebreke van herstel binnen de onder 1.1. genoemde termijn [partij 1] te machtigen om op kosten van [partij 2] een derde de gebreken te laten herstellen binnen 4 weken na de in 1.1. genoemde termijn;
1.3. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na datum vonnis de gebreken aan de aardwarmtepomp, boiler (gebreken 9, 10, 39 en 47), WTW-installatie (gebreken 8, 46 en 54) en de extra WTW-unit te herstellen conform de offerte van [firma] van 14 oktober 2024 en memo herstelplan WTW Innax van 12 december 2023, op straffe van een dwangsom, dan wel bij gebreke van herstel, [partij 1] te machtigen om op kosten van [partij 2] een derde dit herstel te laten uitvoeren;
1.4. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na datum vonnis de ontbrekende As Built tekeningen (gebrek 58) aan [partij 1] te leveren, bij gebreke waarvan primair [partij 1] door de rechtbank wordt gemachtigd om op kosten van [partij 2] een derde de tekeningen te laten opstellen en leveren of, subsidiair [partij 2] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom;
1.5. indien de ontbrekende As Built tekeningen niet zijn opgesteld, [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om op eigen kosten de tekeningen te laten opstellen en te leveren aan [partij 1] binnen vier weken bij gebreke waarvan primair [partij 1] door de rechtbank wordt gemachtigd om op kosten van [partij 2] een derde de tekeningen te laten opstellen en leveren of, subsidiair [partij 2] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom;
1.6. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.655,11 aan schadevergoeding inzake gebrek 65, vermeerderd met de wettelijke rente;
subsidiair:
2.1. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen 4 weken na datum vonnis de gebreken 1, 3, 4, 5, 6, 11, 12, 16, 21, 23, 24, 27, 28, 29, 30, 33, 35, 37, 40, 41, 44, 45, 49, 51, 52, 53, 57, 60, 61, 62 en 64 te herstellen op straffe van een dwangsom;
2.2. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na datum vonnis de gebreken aan de aardwarmtepomp, boiler (gebreken 9, 10, 39 en 47) en WTW-installatie (gebreken 8, 46 en 54) te herstellen conform de offerte van [firma] van 14 oktober 2024 en memo herstelplan WTW Innax van 12 december 2023, bij gebreke waarvan [partij 1] wordt gemachtigd om op kosten van [partij 2] een derde dit herstel te laten uitvoeren;
2.3. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om de extra WTW alsnog werkend op te leveren conform de offerte van [firma] van 14 oktober 2024 en memo herstelplan WTW Innax van 12 december 2023, bij gebreke waarvan [partij 1] wordt gemachtigd om op kosten van [partij 2] een derde dit herstel te laten uitvoeren;
2.4.a (meer) subsidiair; [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na datum vonnis de herstelkosten van de aardwarmtepomp en boiler (gebreken 9, 10, 39 en 47) van € 28.996,50 aan [partij 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente;
2.4.b (meer) subsidiair; [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na datum vonnis de herstelkosten van de koeling (gebreken 50 en 63) van € 6.500,00 aan [partij 1] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente;
2.5. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om binnen vier weken na datum vonnis de ontbrekende As Built tekeningen (gebrek 58) aan [partij 1] te leveren, bij gebreke waarvan primair [partij 1] door de rechtbank wordt gemachtigd om op kosten van [partij 2] een derde de tekeningen te laten opstellen en leveren of, subsidiair [partij 2] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom;
2.6. indien de ontbrekende As Built tekeningen niet zijn opgesteld, [partij 2] hoofdelijk te veroordelen om op eigen kosten de tekeningen te laten opstellen en te leveren aan [partij 1] binnen vier weken bij gebreke waarvan primair [partij 1] door de rechtbank wordt gemachtigd om op kosten van [partij 2] een derde de tekening te laten opstellen en leveren of, subsidiair [partij 2] wordt veroordeeld tot betaling van een dwangsom;
2.7. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 1.655,11 aan schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente;
zowel primair als subsidiair:
3.1. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de door [partij 1] geleden (vervangende) schade terzake de gebreken en schade met randnummers 146, 157, 158 en 159 van de dagvaarding van € 3.320,18;
3.2. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over het onder 3.1. toe te wijzen bedrag;
3.3. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten als gevolgschade van € 19.873,20 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente,
3.4. te verklaren voor recht dat [partij 1] een bedrag van € 10.875,00 exclusief kosten en btw onverschuldigd heeft betaald en [partij 2] te veroordelen tot terugbetaling van dit bedrag binnen 14 dagen na datum vonnis;
3.5. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over het onder 3.4. toe te wijzen bedrag;
3.6. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten van € 3.198,76 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente;
3.7. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van immateriële schadevergoeding van € 30.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente;
3.8. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van schadevergoeding voor de opgenomen vrije dagen van [partij 1] ten bedrage van € 10.497,86, vermeerderd met de wettelijke rente;
3.9. [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de proceskosten.
3.2. [partij 1] leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [partij 2] tekortgeschoten zijn in de nakoming van de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst. [partij 1] stellen dat sprake is van een groot aantal opleverpunten en later aan het licht gekomen gebreken. [partij 2] zijn in de gelegenheid gesteld om deze gebreken te herstellen, maar hebben daaraan geen gevolg gegeven. Daarom vorderen [partij 1] in deze procedure een veroordeling van [partij 2] tot herstel. Daarnaast dienen [partij 2] de kosten voor de ingeschakelde deskundigen, de incassokosten, immateriële schade en proceskosten te vergoeden, aldus [partij 1]
3.3. [partij 2] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij 1] , met veroordeling van [partij 1] in de kosten van deze procedure.
3.4. [partij 2] voeren als verweer aan dat [naam 3] en [naam 4] geen partij zijn bij de aannemingsovereenkomst en dat de verwijten die [partij 1] [partij 2] maken niet allemaal terecht zijn.
3.5. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.6. [B.V. 1] vordert – samengevat – om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [partij 1] te veroordelen tot betaling van € 109.940,72 vermeerderd met rente en kosten.
3.7. [B.V. 1] legt aan haar vordering ten grondslag dat [partij 1] uit hoofde van de aannemingsovereenkomst per datum oplevering nog het resterende bedrag van de aanneemsom verschuldigd zijn. Dat bedrag is, na verrekening van meer - en minderwerk, nog € 109.940,72 incl. btw.[29]
3.8. [partij 1] voeren verweer en concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij 2] dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij 2] , met veroordeling van [partij 2] in de kosten van deze procedure.
3.9. [partij 1] voeren als verweer aan dat [partij 2] eerst de verplichting hebben om de gebreken te herstellen. Nu zij daarin tekort geschoten zijn, hebben [partij 1] bij e-mail van 30 juli 2024 een beroep gedaan op opschorting.[30] [partij 1] voeren verder aan dat [factuurnummer 2] nog niet opeisbaar is, niet is onderbouwd en ook verder wordt betwist, dat zij hebben geklaagd over [factuurnummer 1] omdat het gevelstucwerk en de metselstrips niet voldoen en dat [factuurnummer 3] niet is voldaan omdat er – ook volgens het vonnis in kort geding – sprake is van non-conformiteit.

4 De beoordeling

in conventie
Inleidende opmerkingen
4.1. De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen een aannemingsovereenkomst in de zin van artikel 7:750 BW tot stand is gekomen. Op grond van deze overeenkomst rust op de aannemer de verplichting om het overeengekomen werk overeenkomstig de gemaakte afspraken, tekeningen, bestekken en overige contractuele voorwaarden uit te voeren en op te leveren. Het werk dient niet alleen te beantwoorden aan hetgeen partijen expliciet zijn overeengekomen, maar moet bovendien voldoen aan de maatstaf van goed en deugdelijk werk. Dit houdt in dat het werk geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik, moet beantwoorden aan de redelijke verwachtingen van de opdrachtgever en moet zijn uitgevoerd met de zorgvuldigheid en vakbekwaamheid die van een redelijk handelend en bekwaam aannemer mag worden verwacht.
4.2. Het begrip 'gebrek' dient in juridische zin zorgvuldig te worden beoordeeld. Niet iedere technische constatering of beoordeling door een ingeschakelde deskundige leidt automatisch tot een gebrek in juridische zin. Voor de kwalificatie van een gebrek is bepalend of het werk niet overeenkomt met hetgeen partijen zijn overeengekomen en/of niet voldoet aan de kwaliteit die de opdrachtgever in redelijkheid mocht verwachten. Daarbij wordt zowel gekeken naar de contractuele afspraken als naar de functionele eigenschappen die het werk naar maatstaven van de bouwpraktijk behoort te hebben. Een deskundigenrapport kan dienen als bewijsmiddel om de aard, omvang en oorzaak van vermeende tekortkomingen aan te tonen, maar het oordeel van de deskundige is op zichzelf niet doorslaggevend voor de juridische kwalificatie van het werk.
4.3. Bij de beoordeling van een gebrek kan meewegen dat de aannemer een ontwerp van een architect heeft uitgevoerd. Fouten in het ontwerp kunnen een oorzaak zijn van het gebrek. Dit ontslaat de aannemer echter niet direct van zijn eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering: de aannemer moet het werk nog steeds vakbekwaam en zorgvuldig uitvoeren en eventuele zichtbare, of voor de vakman herkenbare, tekortkomingen in het ontwerp onderkennen.
4.4. Van een gebrek is sprake indien het werk niet aan deze eisen voldoet, bijvoorbeeld omdat het werk afwijkt van de overeenkomst, niet voldoet aan geldende technische normen, ondeugdelijk is uitgevoerd of niet geschikt is voor het beoogde gebruik. Daarbij is niet vereist dat het gebrek reeds bij oplevering zichtbaar was. Ook verborgen gebreken die zich later openbaren, kunnen als gebrek in de zin van de wet worden aangemerkt.
4.5. Indien sprake is van een gebrek, is de aannemer in beginsel gehouden dit gebrek kosteloos te herstellen, tenzij hij aantoont dat het gebrek is veroorzaakt door omstandigheden die niet voor zijn rekening komen. Dit kan zich voordoen bij fouten in een door derden opgesteld ontwerp, voor zover deze fouten voor de aannemer niet herkenbaar waren of hem niet te verwijten zijn.
4.6. [partij 1] stellen dat er diverse gebreken zijn in het uitgevoerde werk en vorderen in de eerste plaats herstel daarvan door [partij 2]
Contractspartijen bij de aannemingsovereenkomst
4.7. [partij 1] houden [partij 2] hoofdelijk aansprakelijk voor de gestelde bouwgebreken. Zij voeren daartoe aan dat de aannemingsovereenkomst van 1 mei 2021 is gesloten met ' [bouwbedrijf] '. Volgens [partij 1] was [B.V. 1] op dat moment geen bekende partij. [naam 3] en [naam 4] waren ten tijde van het sluiten van de aannemingsovereenkomst werkzaam vanuit hun eenmanszaak. Die eenmanszaken zijn opgeheven op de datum van oprichting van [B.V. 1] [partij 1] gaan ervan uit, zo stellen zij, dat [naam 3] en [naam 4] hebben gehandeld op eigen naam en risico en in naam van [B.V. 1] i.o., zodat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn.
4.8. [partij 2] voeren als verweer aan dat met ' [bouwbedrijf] ' de onderneming is bedoeld die [naam 3] en [naam 4] samen zouden gaan exploiteren en die later concreet vorm heeft gekregen door de oprichting van [B.V. 1] (hierna: het Bouwbedrijf ). De aannemingsovereenkomst is getekend door [naam 3] namens het Bouwbedrijf in oprichting. Na haar oprichting heeft het Bouwbedrijf de overeenkomst bekrachtigd doordat zij de overeenkomst is gaan uitvoeren. Het Bouwbedrijf heeft de facturen gestuurd en [partij 1] hebben ook aan het Bouwbedrijf betaald. [naam 3] en [naam 4] zijn dan ook geen partij bij de aannemingsovereenkomst. Sinds de bekrachtiging van de rechtshandeling door het Bouwbedrijf is [naam 3] ingevolge artikel 2:93 lid 2 BW [rechtbank: bedoeld zal zijn artikel 2:203 lid 2 BW] niet langer hoofdelijk verbonden. Voor zover [naam 3] en/of [naam 4] toch namens hun eenmanszaak hebben gehandeld, geldt dat beide eenmanszaken zijn ingebracht in de besloten vennootschap. Daartoe zijn de benodigde akten opgesteld en [partij 1] hebben daaraan ook hun medewerking verleend, aldus [partij 2]
4.9. [partij 1] hebben dit verweer van [partij 2] niet weersproken. Daarmee staat vast dat [naam 3] de aannemingsovereenkomst namens het Bouwbedrijf i.o. heeft gesloten en het Bouwbedrijf na haar oprichting de rechtshandeling van [naam 3] (stilzwijgend) heeft bekrachtigd. Dat betekent dat alleen het Bouwbedrijf kan worden aangesproken tot nakoming van de verbintenissen voortvloeiende uit de aannemingsovereenkomst. De vorderingen tegen [naam 3] en [naam 4] zullen worden afgewezen.
De gestelde gebreken
4.10. Uit de processtukken maakt de rechtbank op dat het in deze procedure gaat om de door [partij 1] gestelde gebreken met de volgende nummers en korte omschrijvingen[31]:
Daarnaast is volgens [partij 1] sprake van gebreken aan de aardwarmtepomp en boiler:
Tot slot zijn er volgens [partij 1] ook gebreken aan de WTW-installaties:
4.11. De gebreken met nummers 1 t/m 36 zijn volgens [partij 1] de opleverpunten van 7 september 2022. De gebreken 37 t/m 53 zijn volgens [partij 1] na oplevering ontdekt. Gedurende deze procedure hebben [partij 1] de eis vermeerderd met de gebreken 54 t/m 65. Gebreken die inmiddels zijn hersteld, zijn door de rechtbank niet in het bovenstaande overzicht vermeld.
4.12. De rechtbank zal hierna per gesteld gebrek beoordelen of het Bouwbedrijf tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst en zo ja, of zij gehouden is tot herstel. Waar een gesteld gebrek onder meerdere nummers valt, zullen deze gebreken gezamenlijk worden besproken. Daarbij zal worden beoordeeld of sprake is van een gebrek in het uitgevoerde werk en of dit gebrek voor rekening en risico van het Bouwbedrijf als aannemer komt. Voor de overzichtelijkheid hanteert de rechtbank bij haar beoordeling de door [partij 1] gebruikte nummering van de gestelde gebreken.
Buitenmetselwerk: gebreken 1 en 60
4.13. Al voor de oplevering zijn partijen met elkaar in discussie geraakt over het buitenmetselwerk en het verdiept voegwerk. [partij 1] stellen dat de buitengevels moeten worden schoongemaakt omdat er metselmortelresten zichtbaar zijn in de lintvoegen en op de betonstenen en dat er een voeg hersteld moet worden (gebrek 1). Een poging om dit schoon te maken (waarvoor GevelGoeroe is ingeschakeld) heeft geleid tot kleurverschil aan de voorzijde van de linkergevel naast de carport. Ter onderbouwing verwijzen [partij 1] naar een rapport van TechnoConsult[32].
4.14. In het rapport van TechnoConsult valt op pagina 11 te lezen dat op steenvlakken aansluitend aan de voegen smet van specie op de stenen zichtbaar is. Daarnaast merkt TechnoConsult op dat sprake is van variatie in diepte van de lintvoegen en kalkafzetting bij een keukenraam. Uit het rapport kan echter niet worden opgemaakt dat deze bevindingen een dusdanige ernst en omvang hebben dat gezegd kan worden dat het Bouwbedrijf het metselwerk ondeugdelijk heeft uitgevoerd en daarmee tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. TechnoConsult schrijft namelijk onder haar beoordeling van het metselwerk op pagina 28 van haar rapport:
"(...) Voor het beoordelen van doorstrijkwerk bestaan geen richtlijnen. (…) Beoordeeld wordt dan ook op basis van goed en deugdelijk werk. Hierbij wordt er (…) vanuit gegaan dat geringe afwijkingen in structuur van de voegen en geringe kalkafzetting niet kan worden voorkomen. Het metselwerk wordt beoordeeld op gelijkmatigheid van kleur en structuur.
Het metselwerk wordt beoordeeld als goed en deugdelijk. Op basis van beoordeling van de foto van het proefmuurtje (...) komt het gerealiseerde metselwerk hier qua kleur van de stenen, type stenen en de voegen mee overeen."
4.15. Gelet op deze beoordeling van TechnoConsult is de rechtbank met het Bouwbedrijf van oordeel dat [partij 1] onvoldoende hebben onderbouwd dat de smet op de buitengevels en/of plaatselijke kalkuitbloei een gebrek oplevert dat door het Bouwbedrijf moet worden hersteld. Hetzelfde geldt voor de beweerdelijke voeg die zou moeten worden hersteld (gebrek 1). Het rapport van TechnoConsult zegt daar niets over. Bovendien stellen [partij 1] zelf dat opnieuw voegen technisch niet mogelijk is gebleken. Het gevorderde herstel wordt dan ook afgewezen voor zover dit ziet op het opnieuw voegen en schoonmaken van alle buitengevels (gebrek 1). Voor wat betreft het muurdeel links van de garage ligt dat anders. GevelGoeroe heeft dit gedeelte van het metselwerk geprobeerd schoon te maken. Het Bouwbedrijf heeft Gevelgoeroe daartoe opdracht gegeven naar aanleiding van klachten van [partij 1] Dat dit niet het gewenste resultaat heeft gehad omdat deze schoonmaakpoging kleurverschil heeft veroorzaakt, staat tussen partijen niet ter discussie. Het kleurverschil wordt ook bevestigd in de rapporten van TechnoConsult en Bouwstad . TechnoConsult schrijft daarover het volgende[33]:
"Het met producten van GevelGoeroe behandelde muurdeel links van de garage is opvallend donkerder dan de rest van de gevel. De afwijking is dusdanig dat wordt geoordeeld dat dit deel van de gevel hersteld dient te worden door het verwijderen en inboeten van metselwerk dat qua vorm, tint en structuur overeenkomt met het onbehandelde metselwerk. Opgemerkt wordt dat ook bij het op deze wijze herstellen kleurverschillen niet voorkomen kunnen worden. Bij deze vorm van herstel dienen kleurverschillen te worden geaccepteerd."
Bouwstad schrijft daarover[34]:
"Het metselwerk wordt in de basis beoordeeld als goed en deugdelijk. Niet acceptabel is het kleurverschil in het behandelde metselwerk."
Met deze rapporten hebben [partij 1] voldoende onderbouwd dat de werkzaamheden die het Bouwbedrijf door onderaannemer Gevelgoeroe heeft laten uitvoeren niet deugdelijk zijn uitgevoerd. Het Bouwbedrijf is hiervoor op grond van artikel 6:76 BW aansprakelijk. Vervolgens heeft het Bouwbedrijf begin 2024 nog Gevelreiniging Benelux ingeschakeld voor het reinigen van het metselwerk. Ook die werkzaamheden hebben blijkens het rapport van Bouwstad , dat van latere datum is, niet tot het gewenste resultaat geleid. Bouwstad schrijft immers dat er nog steeds sprake is van een niet acceptabel kleurverschil. Het Bouwbedrijf zal dan ook veroordeeld worden om dit gedeelte van de gevel, waarop een duidelijk kleurverschil te zien is, te herstellen.
4.16. Tot slot stellen [partij 1] dat aan de voorkant van de woning sprake is van metselwerk dat nog moet worden opgevoegd (gebrek 60). Volgens [partij 1] zou dit worden opgelost door Gevelreiniging Benelux, die ook het schoonmaken van de gevel zou verzorgen, maar die is niet meer bij [partij 1] langs geweest. Het Bouwbedrijf betwist aansprakelijk te zijn voor dit gebrek, omdat dit gebrek bij de oplevering redelijkerwijs ontdekt had kunnen zijn (artikel 7:758 lid 3 BW). Bovendien is Gevelreiniging Benelux niet door het Bouwbedrijf ingeschakeld maar door [partij 1] zelf, aldus het Bouwbedrijf .
4.17. De rechtbank begrijpt uit productie 131, waar [partij 1] naar verwijzen, dat zij dit gebrek bij e-mail van 16 maart 2024 bij het Bouwbedrijf hebben gemeld, geruime tijd na de oplevering op 7 september 2022. Door deze oplevering is ingevolge artikel 7:758 lid 3 BW het Bouwbedrijf ontslagen van de aansprakelijkheid voor gebreken die [partij 1] op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. In het onderhavige geval gaat het om een gebrek dat ten tijde van de oplevering zichtbaar was en had moeten worden meegenomen in de lijst met opleverpunten. Dat is niet gebeurd. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet duidelijk waarom het Bouwbedrijf aansprakelijk is voor dit gebrek. Dat partijen hebben afgesproken dat Gevelreiniging Benelux dit op kosten van het Bouwbedrijf zou herstellen is door [partij 1] niet onderbouwd.
4.18. Concluderend is ten aanzien van het buitenmetselwerk enkel herstel van het kleurverschil aan de voorzijde van de linkergevel naast de carport toewijsbaar.
Steenstrips: gebrek 3
4.19. [partij 1] stellen dat de verlijmde steenstrip tussen de ramen op de eerste verdieping gebreken vertonen. Deze gebreken zien vooral op de dikte van de steenstrips en de voegdiepte, waardoor de gevelafwerking niet vlak is. Ter onderbouwing daarvan verwijzen zij naar de bevindingen van TechnoConsult op pagina 13 en 29 van het rapport[35]. TechnoConsult komt op pagina 29 met betrekking tot de vlakheid van de gevels tot de volgende conclusie:
"Uitgaand van beoordeling op basis van de PBL0357, groep 1 (zie tabel 4.1) wordt vastgesteld dat de onvlakheid buiten de maximaal toegestane afwijking valt.
      *Op grond van bovenstaande beoordeling dienen de maatafwijkingen in zowel vlakheid van het gemetselde gevelvlak als de diepte van de voegen te worden hersteld."*
4.20. Het Bouwbedrijf betwist dat er sprake is van een gebrek. Zij voert daartoe aan dat [partij 1] er op enig moment voor hebben gekozen om geen steenstrips te kopen maar deze zelf te zagen uit de bakstenen die door het Bouwbedrijf waren aangeleverd, omdat dit een besparing van de kosten zou opleveren. Na het zagen van de steenstrips bleek er sprake te zijn van een dikteverschil. Het Bouwbedrijf heeft met [partij 1] besproken dat dit tot een onregelmatig resultaat zou kunnen leiden. Het Bouwbedrijf zou proberen om de steenstrips zo vlak mogelijk aan te brengen. Uiteindelijk heeft dit tot een resultaat geleid waar [partij 1] niet tevreden mee zijn, maar dat, gelet op het al aanwezige dikteverschil in de door [partij 1] gezaagde steenstrips, binnen de marges valt. Ter onderbouwing daarvan verwijst het Bouwbedrijf naar het rapport van Afbouw Gevelsupport[36], waar op pagina 4 staat:
"De strippen zijn verlijmd op een wapeningslaag van het gevelisolatiesysteem. Dit is in principe een vlakke ondergrond. Afwijkingen langs randen en in het vlak van de steenstrippen ontstaan dan door dikteverschil in verlijming of door dikteverschil/maatvariatie in de steenstrippen. (…) Op het werk is aan een restant partij van de betonstrippen een dikteverschil bepaald tot 3 mm. In de verlijmde steenstrippen is zodoende een tolerantie van 6 mm (3+3) toegestaan. (…) De maximale afwijking die daar is aangetroffen in 5 mm, en dus binnen de tolerantie."
Op pagina 7 komt Afbouw Gevelsupport tot de volgende conclusie:
"Het opnieuw aanbrengen/verlijmend van steenstrippen met eenzelfde maatvariatie zal naar verwachting ook geen verbetering opleveren."
4.21. Het Bouwbedrijf heeft geen verweer gevoerd met betrekking tot de diepte van de voegen. In het rapport van Afbouw Gevelsupport wordt daarover op pagina 4 opgemerkt:
"Het voegwerk is hier golvend aangebracht en bij de aansluiting tegen de gepleisterde geveldelen is het voegoppervlak niet goed glad gestreken."
Op pagina 7 komt Afbouw Gevelsupport tot de conclusie dat het aangebrachte voegwerk erg slordig is. Afbouw Gevelsupport geeft het advies om het voegwerk te verbeteren (vervangen), maar merkt daarbij op dat dit in combinatie met de diktevariatie van de steenstrippen in het eindresultaat geen direct zichtbare verbetering zal geven.
4.22. [partij 1] erkennen de steenstrips zelf te hebben gezaagd en hebben niet weersproken dat zij met het Bouwbedrijf hebben besproken dat dit tot een onregelmatig resultaat zou kunnen leiden. Nu uit het rapport van Afbouw Gevelsupport blijkt dat het onregelmatige resultaat niet te wijten is aan de wijze waarop het Bouwbedrijf de steenstrips heeft verwerkt maar aan de dikte van de steenstrips zelf, is de rechtbank met het Bouwbedrijf van oordeel dat het niet aan het Bouwbedrijf te wijten is dat de gevelafwerking onvoldoende vlak is. Voor wat betreft de steenstrips is er dan ook geen sprake van een gebrek. Dat ligt anders ten aanzien van het voegwerk. De conclusie van TechnoConsult dat er een afwijking is in de maatvoering van het voegwerk, is met het rapport van Afbouw Gevelsupport onvoldoende weersproken. In beginsel is het Bouwbedrijf dan ook gehouden het voegwerk te herstellen. De rechtbank merkt in dit verband echter op dat Bouwstad Projectmanagement B.V.[37] (hierna: Bouwstad ) op pagina 14 van haar rapport aangeeft dat het alleen vervangen van het voegwerk niet mogelijk is en ook niet het gewenste resultaat geeft. Dit sluit aan bij de opmerking van Afbouw Gevelsupport, dat vervanging van het voegwerk geen direct zichtbare verbetering zal geven. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen reden om de vordering tot herstel van het voegwerk toe te wijzen, nu het vereiste belang van [partij 1] bij deze vordering ontbreekt.
Rockpanel
      __:__
      gebreken 4, 5, 12, 27, 28 en 29
4.23. [partij 1] stellen dat het om de volgende gebreken gaat:
– de gevelbepleistering is aangebracht na het monteren van de Rockpanelplaten, hetgeen niet conform de bestektekeningen is (gebrek 4),
– de Rockpanelplaten zijn beschadigd, onder andere doordat plakband is gebruikt op de platen en er stucresten op zitten (gebreken 4 en 5),
– de Rockpanelplaten zijn in afwijking van de bevestigingsvoorschriften en de uitvoeringsrichtlijnen van Rockpanel direct verlijmd op een houten onderconstructie waardoor de achtergrondconstructie onvoldoende is geventileerd en de verstrekte garantie van 30 jaar vervalt (gebrek 4),
– de overstek pannendak ter plaatse van het platdak en de onderzijde daarvan is niet afgewerkt met Rockpanel, waardoor er ongedierte de constructie kan binnendringen. Dit is niet conform de bestektekeningen en artikel 3.69 e.v. van het Bouwbesluit (gebrek 12),
– de overstek bij het atelier moet nog worden afgewerkt nadat de screens zijn geplaatst (gebrek 27),
– het Rockpanelplafond van de overstekken, de carport en de overkapping aan de achterzijde van de woning laten los (gebrek 28),
– bij de kolom van de overkapping aan de achterzijde is een stuk afwerking met Rockpanel plaatwerk vergeten (gebrek 29).
Ter onderbouwing van deze gebreken verwijzen [partij 1] naar de bevindingen van TechnoConsult op pagina's 14 t/m 16 van het rapport[38]. [partij 1] vorderen conform het advies van TechnoConsult op pagina 30 van het rapport algehele vervanging van de Rockpanelbekleding. De Rockpanelbekleding moet volgens [partij 1] opnieuw worden aangebracht conform de voorschriften van Rockpanel, de bestektekeningen en de eisen van goed en deugdelijk werk.
4.24. Als verweer voert het Bouwbedrijf het volgende aan:
– Het Bouwbedrijf betwist dat het aanbrengen van de gevelbepleistering na het monteren van de Rockpanel panelen als een gebrek kan worden beschouwd (gebrek 4). Door de Rockpanel aan te brengen voordat er wordt gestuct vermindert het risico op beschadigingen van het stucwerk. Het Bouwbedrijf heeft Afbouw Gevelsupport het werk laten beoordelen voordat het stucwerk werd aangebracht. De deskundige heeft geoordeeld dat de gehanteerde werkwijze juist was.
– Met betrekking tot de montage van de Rockpanel panelen (gebrek 4) voert het Bouwbedrijf aan dat deze zijn gemonteerd conform de voorschriften van Plastica Plastiflex[39], een product dat vergelijkbaar is met Rockpanel. Het Bouwbedrijf is ervan uitgegaan dat het volgen van de voorschriften van dit zwaardere product geen problemen zou opleveren. Het Bouwbedrijf betwist de conclusie van TechnoConsult dat de gehanteerde wijze van monteren moet worden beschouwd als een gebrek ten aanzien van de duurzaamheid en stabiliteit. Een onderbouwing van deze conclusie ontbreekt, zodat niet duidelijk is waarom TechnoConsult tot deze conclusie komt. Het Bouwbedrijf betwist ook de conclusie van TechnoConsult dat dat er sprake is van onvoldoende ventilatie, nu ook deze conclusie niet is onderbouwd. Dat er sprake is van condensvorming wordt eveneens betwist. TechnoConsult heeft dit ook niet onder de bevindingen opgenomen.
– Het Bouwbedrijf stelt dat zij op instructie van [partij 1] de Rockpanel platen naadloos heeft gemonteerd. Daarbij is niet te voorkomen dat er enige beschadiging aan de Rockpanel platen ontstaat (gebreken 4 en 5). Volgens TechnoConsult zijn deze beschadigingen enkel esthetisch en niet van invloed op de duurzaamheid van de platen, zodat er geen reden is om de platen te vervangen.
– Met betrekking tot gebrek 12 voert het Bouwbedrijf aan dat niet duidelijk is wat [partij 1] precies bedoelen. Voor zover het gaat om de bevindingen van TechnoConsult op pagina 14 onder 2.2.3, onderdeel b) biedt het Bouwbedrijf aan om de onderzijde van de dakoverstek van de westgevel (aansluitend aan de berging) over een lengte van 10 meter af te werken met Rockpanel, als partijen dat ook zijn overeengekomen en dat niet in strijd is met de bestektekeningen. Voor wat betreft de overstek bij het atelier (gebrek 27) wacht het Bouwbedrijf nog op [partij 1] , omdat eerst de screens nog moeten worden geplaatst. Voor zover er sprake is van een gebrek/tekortkoming, is er sprake van schuldeisersverzuim.
– Met betrekking tot gebrek 29 voert het Bouwbedrijf aan dat zij niet precies begrijpt wat [partij 1] hier bedoelen. In het rapport van TechnoConsult wordt hierover ook niets opgemerkt. Het Bouwbedrijf betwist dan ook dat er sprake is van enig gebrek.
4.25. Naar de rechtbank begrijpt, betwist het Bouwbedrijf niet de bevindingen van TechnoConsult[40] zoals weergeven op pagina's 14 tot en met 16, noch de bevindingen van Bouwstad[41] zoals weergegeven op pagina 15, maar wel hun conclusie dat de Rockpanelen niet zijn aangebracht volgens de montagevoorschriften en daarom volledig vervangen moeten worden. De rechtbank is het met het Bouwbedrijf eens dat het enkele feit dat de montagevoorschriften niet zijn gevolgd nog niet leidt tot het oordeel dat er sprake is van een gebrek. Van belang is welke gevolgen dit heeft voor de duurzaamheid en stabiliteit van de Rockpanelbeplating. Zowel TechnoConsult als Bouwstad heeft een visuele inspectie verricht en omschreven welke afwijkingen zij hebben gezien. Naar de rechtbank begrijpt zien van de geconstateerde afwijkingen alleen het naadloos monteren en het verlijmen van de platen op hout in plaats van op stroken Rockpanel op het niet volgen van de montagevoorschriften. De andere afwijkingen hebben een andere oorzaak. Zo zijn volgens TechnoConsult de beschadigingen aan de Rockpanel platen ontstaan tijdens het uitvoeren van het gevelpleisterwerk en de afwijkingen in de glansgraad van het oppervlak van de Rockpanel platen veroorzaakt door het aanbrengen van tape op de platen. TechnoConsult beschouwt de wijze waarop de Rockpanel platen zijn gemonteerd als een gebrek ten aanzien van de duurzaamheid en stabiliteit. Volgens Bouwstad leidt de wijze waarop de Rockpanel platen zijn aangebracht tot een verkorting van de levensduur en schade als gevolg van uitzetting. Hoewel geen van beide deskundigen de oorzaken van de andere afwijkingen aanmerkt als een gebrek, is de rechtbank van oordeel dat de (onvoldoende betwiste) gevolgen van het niet monteren van de Rockpanel platen volgens de daarvoor geldende voorschriften voldoende reden is om de Rockpanel platen volledig te vervangen. Bij de vervanging van de Rockpanel platen kan het Bouwbedrijf tevens de platen aanbrengen die zij vergeten zijn om aan te brengen. Aan een beoordeling van de overige gebreken komt de rechtbank dan niet meer toe, omdat vervanging van de Rockpanel platen tevens het herstel omvat van de overige gestelde gebreken aan de panelen.
Stucwerk: gebrek 6, 14 en 64
4.26. [partij 1] stellen dat het om de volgende gebreken gaat:
– In afwijking van de referentiewoning bevat het stucwerk esthetische afwijkingen in de vlakheid en in de haaksheid van de neggen bij de gevelopeningen. Ook is stucwerk direct tegen de kozijnstijlen aangebracht waardoor scheurvorming van het stucwerk en corrosie op de kozijnstijlen te verwachten is en op diverse plaatsen is polyestergaas zichtbaar aan de onderzijde van het stucwerk (gebrek 6).
– Bij de gevelbetimmering die aansluit op het stucwerk moet nog worden schoongemaakt tussen het hout en het stucwerk (gebrek 14).
– Bij het aanbrengen van kruipruimteventilatie is een waterleiding doorgeboord met als gevolg dat stucwerk bij de achterdeur en onder de carport vies is geworden (gebrek 64).
4.27. Ter onderbouwing van gebrek 6 verwijzen [partij 1] naar de bevindingen van TechnoConsult die echter op pagina 30 van haar rapport[42] tot de volgende conclusie komt:
"(…) Bij beoordeling van afwijkingen in vlakheid zijn incidenteel afwijkingen vastgesteld van 3 mm per 0,4 m en 4,5 mm per 2 meter reilengte. De afwijkingen vallen binnen de toleranties die in de criteria van TBA zijn genoemd. Van een gebrek is derhalve geen sprake. Herstel is niet noodzakelijk.
Ten aanzien van de haaksheid van stukadoorwerk in de neggen zijn geen eisen vastgesteld. (…) De afwijkingen in de haaksheid van de neggen hadden bij een zorgvuldige uitvoering voorkomen kunnen worden. Aangezien de afwijkingen esthetisch van aard zijn en slechts op enkele plaatsen zijn aangetroffen is herstel niet noodzakelijk."
4.28. De rechtbank is het met het Bouwbedrijf eens dat uit het rapport van TechnoConsult niet volgt dat de geconstateerde (esthetische) afwijkingen in de vlakheid en haaksheid van het stucwerk als gebreken zijn aan te merken. Evenmin is toereikend door [partij 1] onderbouwd dat sprake was van een referentiewoning op basis waarvan partijen zijn overeengekomen, dan wel op basis waarvan [partij 1] redelijkerwijs mochten verwachten, dat dergelijke esthetische afwijkingen niet zouden voorkomen. Het gevorderde herstel van vlakheid en haaksheid van de neggen in het stucwerk zal dan ook worden afgewezen. Dat daarnaast sprake zou zijn van stucwerk dat te kort op de kozijnen is aangebracht waardoor scheur - of corrosievorming te verwachten valt en/of dat er op diverse plaatsen polyestergaas zichtbaar is, blijkt niet uit het rapport van TechnoConsult zodat ook dat gevorderde herstel zal worden afgewezen.
4.29. Dat het Bouwbedrijf op 8 januari 2024 heeft schoongemaakt tussen het hout en het stucwerk (gebrek 14) is door [partij 1] niet weersproken. Dit onderdeel behoeft daarom geen verdere bespreking en wordt als afgedaan beschouwd.
4.30. [partij 1] vorderen het schoonmaken van stucwerk dat volgens hen vervuild is geraakt als gevolg van het aanbrengen van kruipruimteventilatie (gebrek 64).
Deze vordering zal worden afgewezen nu geen rapport of foto's zijn overgelegd waaruit blijkt wat de aard en omvang van de gestelde vervuiling is, noch dat deze vervuiling een gebrek oplevert.
Hemelwaterafvoer: gebrek 11
4.31. [partij 1] vorderen het plaatsen van een hemelwaterafvoer, waarvoor zij de materiaal - en kleurkeuze nog moeten doorgeven. Zij stellen dat de hemelwaterafvoer pas geplaatst kan worden na herstel van gebrek 1, het schoonmaken van het buitenmetselwerk. Nu het gevorderde herstel van dat gebrek wordt afgewezen, niet blijkt dat het plaatsen van de hemelwaterafvoer daarvan überhaupt afhankelijk was en [partij 1] zelf de benodigde gegevens niet hebben aangeleverd, verhinderen zij de uitvoering van de prestatie. Het uitblijven van de prestatie is derhalve aan [partij 1] te wijten zodat het Bouwbedrijf op dit moment niet in verzuim is en er geen tekortkoming aan haar zijde bestaat. De vordering gericht op het plaatsen van de hemelwaterafvoer wordt daarom afgewezen. Aangezien het schuldeisersverzuim van [partij 1] het Bouwbedrijf niet bevrijdt van de op haar rustende verbintenis, gaat de rechtbank ervan uit dat het Bouwbedrijf tot uitvoering van deze werkzaamheden over zal gaan zodra [partij 1] de daarvoor benodigde medewerking en gegevens verstrekken.
Bellen op lak stalen kolom: gebrek 30
4.32. [partij 1] stellen dat de grondverf op een stalen kolom bij de overkapping aan de achterzijde van de woning bellen vertoont en loslaat. Ter onderbouwing verwijzen zij naar foto's en de reactie van Bouwstad , opgenomen onder producties 46 en 98. Het Bouwbedrijf heeft niet aannemelijk gemaakt dat het loslaten van de verf het gevolg is van omstandigheden buiten haar invloedssfeer. Zij heeft wel aangegeven dat dit probleem waarschijnlijk onder de garantie van de leverancier valt en dat zij hierover contact zal opnemen met de leverancier.
4.33. Het op zo'n korte termijn loslaten van de verf duidt erop dat de kolom niet voldoet aan de eigenschappen die op grond van de aannemingsovereenkomst redelijkerwijs mochten worden verwacht. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom sprake van een gebrek dat voor rekening en risico van het Bouwbedrijf komt. Het Bouwbedrijf is gehouden dit gebrek kosteloos te herstellen. Zij zal hiertoe worden veroordeeld, waarbij het haar vrijstaat de leverancier al dan niet bij het herstel te betrekken.
Twee douches tegelijk gebruiken: gebrek 37
4.34. [partij 1] stellen dat bij het gebruik van twee douches tegelijk de waterdruk aanzienlijk wegvalt en lager is dan zij redelijkerwijs mochten verwachten. Ter onderbouwing verwijzen zij naar de rapporten van TechnoConsult en Bouwstad . Die schrijven daarover het volgende:
TechnoConsult[43]:
"De beoordeling van de capaciteit van de warmwatervoorziening is uitgevoerd op basis van de indeling in comfort klassen warm tapwater. De laagste comfortklasse is klasse M. voor deze klasse geldt dat per minuut minimaal 10 liter water geleverd dient te worden met een temperatuur van 40 °C. Aan deze eis wordt met een capaciteit van 8,1 l/min niet voldaan. De capaciteit van de warmwatervoorziening wordt op grond van het uitgevoerde onderzoek aangemerkt als onvoldoende."
Bouwstad[44]:
"De meting werd uitgevoerd op de handdouches. Bij gebruik van één douche was de doorstroom (bij 43°C) 8,6 liter per minuut. Indien een tweede douche werd aangezet leverden deze beide douches per stuk nog slechts 6,1 liter warm water per minuut. Dit is voor een handdouche weinig, en onvoldoende voor een regendouche. Op het moment dat de boiler gevuld is, zouden de douches volop warm water moeten kunnen leveren. Aandachtspunt is derhalve de leidingdiameter van de watertoevoer. (…) voor een hoofdleiding is een diameter van 20 mm gebruikelijk, zeker bij een hoog warmwaterverbruik. De leiding achter het boilervat heeft een kleinere diameter (max 14 mm, meting Bouwstad ). Op diverse locaties zijn koppelingen en bochtstukken aangebracht. De leidingen dienen in zijn geheel te worden nagezien op voldoende leidingdiameter en consistentie in de leidingdiameter, om er zeker van te zijn dat de tappunten voldoende wateraanvoer hebben (c.q. kunnen ontvangen) voor de gewenste doorstroomsnelheid."
4.35. Het Bouwbedrijf betwist dat het douchedebiet bij gebruik van twee douches te ver terugloopt en verwijst naar een rapport [deskundige] . In dat rapport[45] schrijft [deskundige] weliswaar dat het gebruikelijk is dat het debiet zakt bij gebruik van twee douches tegelijk en dat dit effect binnen de normen valt, maar in dat rapport valt ook te lezen dat dit niet door meting is vastgesteld. Het Bouwbedrijf verwijst dus naar een rapport waarin staat dat geen meting door [deskundige] is verricht. Gelet hierop heeft het Bouwbedrijf de rapporten van Bouwstad en TechnoConsult , waarin wel aan de hand van metingen is vastgesteld dat het douchedebiet te laag is, onvoldoende weersproken. Dat de oorzaak hiervan gelegen is in de leidingdiameter, zoals Bouwstad in haar rapport schrijft, heeft het Bouwbedrijf ook onvoldoende weersproken. De rechtbank is van oordeel dat het te lage douchedebiet een gebrek is dat het Bouwbedrijf gehouden is te herstellen. Van een woning met twee douches mag immers worden verwacht dat deze met voldoende doorstroomsnelheid tegelijkertijd gebruikt kunnen worden. Als de oorzaak gelegen is in te smalle leidingen, zal het Bouwbedrijf deze moeten vervangen. Dat een door [partij 1] geplaatste waterontharder de oorzaak daarvan is, dan wel een negatief effect heeft op het douchedebiet, zoals het Bouwbedrijf nog heeft aangevoerd, is op geen enkele wijze onderbouwd zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat. Het Bouwbedrijf zal tot herstel van gebrek 37 worden veroordeeld.
Geluidsoverlast waterleidingen/riool
      __:__
      gebrek 45
4.36. [partij 1] stellen geluidsoverlast te ondervinden wanneer de wasmachine en vaatwasser water wegpompen doordat waarschijnlijk iets niet aan de afwatering deugt. De rechtbank is met het Bouwbedrijf van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd wat de aard, omvang en oorzaak van de gestelde geluidsoverlast is. Daardoor is niet gebleken dat sprake is van een gebrek dat het Bouwbedrijf gehouden is te herstellen.
Geluidsoverlast afzuiging atelier: gebrek 48 en 55
4.37. [partij 1] stellen, onder andere bij regen, geluidsoverlast te ervaren van de afzuiging die geplaatst is in het atelier. Onder verwijzing naar de rapporten van Bouwstad en BlowerTechnic[46], die beiden adviseren om een afzuiging met terugslagklep te plaatsen, stellen [partij 1] dat het ontbreken van een terugslagklep een gebrek is.
4.38. Om te kunnen spreken van een gebrek moet sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst. Nu niet is gebleken dat een ventilatie met terugslagklep onderdeel uitmaakte van de overeengekomen prestatie en evenmin voldoende is onderbouwd dat de geluidsoverlast dermate ernstig is dat de afzuiging niet voldoet aan de eisen van goed en deugdelijk werk, kan niet worden aangenomen dat sprake is van een gebrek dat het Bouwbedrijf gehouden is te herstellen. Het gevorderde herstel zal daarom worden afgewezen.
WTW-installatie
      __: g__
      ebreken 8, 46 en 54
4.39. [partij 1] stellen dat de WTW-installatie (een warmteterugwinning-ventilatiesysteem) in de berging niet goed en deugdelijk is geïnstalleerd door [installatiebureau] , die daartoe als onderaannemer is ingeschakeld door het Bouwbedrijf (gebreken 8 en 46). [partij 1] verwijzen naar een rapport van [deskundige] van 9 juni 2023[47], die in opdracht van het Bouwbedrijf onder andere de WTW-installatie heeft onderzocht. In dat rapport staat dat het ventilatiesysteem dat door [installatiebureau] is geplaatst in de berging/garage (naast de aardwarmtepomp) niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit en de bouwvergunning. Er is veel onbalans in debiet tussen afzuig en toevoer van lucht, het debiet is te laag, de luchtweerstand in de kanalen te [naam 2] en het systeem produceert overmatig geluid. Oorzaken zijn onder meer knikbochten in aansluitslangen, waardoor de toevoer wordt afgeknepen, en een ongeschikt kanalenontwerp waarbij vanaf de ventilatie-unit alle lucht door één hoofdkanaal gaat. [deskundige] concludeert dat herstelmogelijkheden beperkt zijn doordat de kanalen zijn ingestort in beton. Aanpassing in de aansluitslang tussen de unit en de kanalen
en plaatsing van een tweede WTW-unit op zolder zijn volgens [deskundige] nodig om de prestaties (debieten) en geluidsniveaus binnen de normen te brengen. Tot slot geeft [deskundige] aan dat de afstandsbediening niet goed lijkt te werken.
4.40. Bij vonnis in kort geding van 27 juni 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de bevindingen van [deskundige] voor wat betreft de WTW-installatie overgenomen en geoordeeld dat de installatie ondeugdelijk is geïnstalleerd. De rechtbank is met de voorzieningenrechter van oordeel dat uit het rapport van [deskundige] voldoende blijkt dat de installatie gebrekkig is omdat, kort gezegd, de debietseisen niet worden gehaald en de installatie bovendien overmatig geluid produceert, terwijl uit de bevindingen duidelijk volgt wat de oorzaken daarvan zijn. Dat [deskundige] het geluid niet heeft gemeten en [partij 1] geen geluidsmetingen hebben overgelegd, zoals het Bouwbedrijf aanvoert, acht de rechtbank niet relevant. [deskundige] schrijft immers in haar rapport dat met de door haar aanbevolen aanpassingen de snelheid en weerstand in de kanalen sterk verminderen waardoor niet alleen debietseisen gehaald kunnen worden maar ook het geluidsoverlast sterk zal reduceren en bij goede uitvoering binnen de normen zullen blijven. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen. De stelling van [partij 1] dat de installatie bovendien gebrekkig is omdat deze een te [naam 2] stroomverbruik zou hebben, wordt evenwel niet gevolgd omdat dit niet uit het overgelegde rapport blijkt.
4.41. Dat de installatie-werkzaamheden zijn uitgevoerd door onderaannemer [installatiebureau] en dat [partij 1] daarover rechtstreeks met [installatiebureau] hebben gecommuniceerd, ontslaat het Bouwbedrijf niet van haar gehoudenheid de geconstateerde gebreken te verhelpen. Bij de totstandkoming van de aannemingsovereenkomst heeft onderaannemer [installatiebureau] een offerte uitgebracht voor onder andere het plaatsen van een WTW-installatie in de berging. Deze offerte maakte integraal onderdeel uit van de open begroting (post [kenmerk] ) en komt daarmee volledig voor rekening en risico van het Bouwbedrijf als aannemer. Dit volgt ook uit het wettelijke stelsel van aanneming van werk. Op grond van artikel 7:751 BW is de aannemer jegens de opdrachtgever volledig aansprakelijk voor tekortkomingen van door hem ingeschakelde onderaannemers, alsof hij het werk zelf heeft uitgevoerd. De opdrachtgever heeft daarmee uitsluitend de hoofdaannemer als contractspartij en mag deze aanspreken op de deugdelijkheid van het gehele werk. De stelling van het Bouwbedrijf dat [installatiebureau] (uiteindelijk) het herstel dient te verrichten, is dus niet juist. Het Bouwbedrijf blijft verantwoordelijk voor het herstel en indien zij daarvoor een onderaannemer inschakelt, rust op haar de verplichting ervoor zorg te dragen dat die onderaannemer het herstel deugdelijk uitvoert.
4.42. In de betreffende offerte van [installatiebureau] is overigens opgenomen dat de WTW-installatie, anders dan op de tekening van de architect was voorzien, niet op zolder maar in de berging op de begane vloer zou worden geplaatst. [partij 1] hebben met deze wijziging ingestemd en kunnen daarvan nu geen punt meer maken. Dat deze opstelplaats niet fout is geweest, blijkt overigens ook uit het rapport van [deskundige] .
4.43. Partijen zijn naar aanleiding van het kort geding vonnis, waartegen geen rechtsmiddel is ingesteld, met elkaar in gesprek gegaan. Dat heeft geresulteerd in een herstelplan inhoudende dat de bestaande installatie wordt aangepast vanwege geknepen aansluitflexibels en op de eerste verdieping/zolderetage een extra WTW-unit wordt geïnstalleerd. Innax (voorheen genaamd [deskundige] ) heeft daarover op 12 december 2023 een memo[48] opgesteld waarin onder andere is opgenomen:
"(…)Besproken is om het ventilatiesysteem te splitsen door het stijgkanaal te onderbreken en vanaf de zolderruimte met een nieuwe WTW-unit de verdieping te ventileren.
De WTW-unit in de garage dient ook te worden aangepast vanwege afgeknepen aansluitflexibels. Daarnaast is men in voorbereiding om de gehele installatie in de garage (warmtepomp en boiler) aan te passen. Dit heeft verdere studie nodig. Omdat de aanpassingen aan de WTW op de verdieping los uitgevoerd kan worden van de 'garage installatie' wordt nu vanwege de voortgang alleen deze aanpassingen in deze memo behandeld. (…)"
Verder beschrijft Innax in haar memo hoe en waar de unit op zolder geplaatst moet worden, welke geluidwerende maatregelen daarbij genomen dienen te worden, hoe de condensafvoer dient te worden aangebracht en op welke wijze kanalen op de bovenverdiepingen aangepast dienen te worden.
4.44. In januari 2024 is op zolder een extra WTW-installatie geïnstalleerd. Dit werk is uitgevoerd door [bedrijf 4] die daartoe door onderaannemer [installatiebureau] was ingeschakeld. [partij 1] stellen dat ook deze installatie niet goed en deugdelijk is uitgevoerd omdat de vlotterpomp en afvoerleiding van de installatie te veel geluid maken, de schakeling/aansturing niet goed werkt en er een verkeerde luchtafvoerpijp vanaf deze installatie door het dak is doorgevoerd. Bovendien werkt de waterafvoer niet, is de vlotterpomp stuk en is er een lekkage bij de afvoer van het condenswater. De vlotterpomp is aangebracht in afwijking van het herstelplan van Innax . Dit alles is volgens [partij 1] bevestigd door Bouwstad die in haar rapport op pagina 8 en verder schrijft[49]:
"Eind 2023 - begin 2024 is voor de slaapverdieping een separate ventilatie-unit geplaatst op zolder. Deze is voorzien van een vlotterpomp die volgens de bewoners veel geluid produceert. Ten tijde van ons locatiebezoek stonden de ventilatievoorzieningen uit. De bedieningsknop van de ventilatie op de slaapverdieping lijkt niet goed te functioneren.
De uitmondingen van de (ingestorte) leidingen bevinden zich op ongunstige locaties ten opzichte van het op de begane grond opgestelde apparaat. Mede daardoor zijn alle leidingen voorzien van diverse bochtstukken. (…) In een ventilatiesysteem geldt als hoofduitgangspunt dat een knikbocht of hoek zorgt voor weerstand. De weerstand zorgt voor afname van de luchtstroom en veelal voor toename van geluid. De knikbochten leiden direct tot reductie van de inblaas - en afzuigdebieten. [deskundige] concludeerde in de rapportage d.d. 9 juni 2023 dat de vereiste debieten ( Bouwbesluit en de verleende bouwvergunning (….) niet gehaald worden met de installatie op de begane grond, deels door de vele bochten en deels doordat alle lucht vanaf de unit door één hoofdkanaal gaat. De unit moet op volle kracht draaien en door de hoge stromingssnelheid is er veel bijgeluid dat waarneembaar is bij de ventielen. De geluidsproductie is volgens [deskundige] te hoog en ligt boven de norm van 30dB(A). Volgens [deskundige] was een herontwerp van het ventilatiesysteem nodig met mogelijk een tweede systeem op zolder ten behoeve van de slaapverdieping. Deze aanpassing is uitgevoerd, er is een tweede systeem geplaatst op de zolder. Er is, voor zover ons bekend, vooraf geen herontwerp en herberekening gedaan met de gesplitste systemen. Daardoor is niet bekend of de gesplitste systemen de juiste debieten kunnen halen en of het probleem met geluid hiermee verholpen zou moeten zijn. (…)
Als we dat nu toetsen aan de gegevens uit de rapportage van [deskundige] dan concluderen we het volgende. Gemeten is een toevoer op de begane grond van 170.4 m3/h. dat is niet in balans met de geëiste afvoer van 285m3. Het is niet duidelijk of deze disbalans is opgelost en de toevoer vergroot is. Tevens lijkt de luchtsnelheid nog steeds te hoog te zijn (…). Ook op de verdieping is een disbalans tussen de eis (150 m3/h) en de gemeten toevoer (97 m3/h). De unit (…) heeft een luchtvolumestroom van 280 m3/h. Dat betekent dat de unit flink teruggetoerd moest worden om geluidsoverlast vanwege te hoge afzuigvolumes en luchtsnelheid (…) te voorkomen. De Unit is gemonteerd op de steenachtige achterwand. Aannemelijk is dat dit een snelbouwer van Jubi is, (…). INNAX adviseert in haar rapportage van 7 december 2023 om de ventilatie unit te monteren aan een wand > 200 kg/m2. Dit is een massadichtheid die ook andere gerenommeerde merken hanteren voor wandmontage om ongewenste trillingen en geluiden te voorkomen. Aangezien de locatie en dus de massadichtheid van de wand vaststaat is geluid door trilling te voorkomen of sterk te reduceren door maatregelen te nemen tegen het in trilling brengen van de wand en vloer. Een mogelijkheid die veel fabrikanten bieden is een trillingsarme vloermontage (…). De inblaasventielen in de slaapkamer aan de voorzijde zitten direct naast de ventilatie unit. Deze ventielen moeten enorm geknepen worden, wat een oorzaak kan zijn van luchtgeluid. Ook direct geluid van de ventilatie-unit is aannemelijk vanwege de extreem korte afstand. De inblaasventielen in de masterbedroom hebben meerdere bochtstukken vlakbij de inblaasventielen, mogelijk veroorzaakt dit alsnog luchtgeluid. Middels geluiddempende maatregelen kan dit geluid wellicht gereduceerd worden.
Innax adviseerde het condenswater van de WTW af te voeren naar de standleiding, met een klein afvoerbuisje onder afschot. In werkelijkheid is een opvangbak onder de installatie geplaatst en wordt condenswater/lekwater met een luidruchtige vlotterpomp afgepompt naar riool. Op de markt zijn condensaatpompen verkrijgbaar speciaal voor dergelijke doeleinden, die een beperkte geluidsproductie hebben. Ons advies is om de huidige opstelling te vervangen door een product dat geschikt (geschikter) is om het condenswater af te voeren en niet storingsgevoeling en/of veel geluid produceert.
4.45. De rechtbank is van oordeel dat uit de rapporten van Innax en Bouwstad voldoende blijkt dat zowel de WTW-unit op de begane grond als de unit op de verdieping gebreken vertoont die herstel noodzakelijk maken. Het Bouwbedrijf heeft deze rapporten niet gemotiveerd weersproken, maar enkel aangevoerd dat het rapport van Bouwstad de door [partij 1] ervaren problemen niet, althans niet in zodanige mate, bevestigt dat vervanging van de volledige installatie gerechtvaardigd zou zijn. Dat standpunt kan het Bouwbedrijf niet baten. [partij 1] vorderen immers in het petitum geen volledige vervanging, maar herstel van de installaties conform het door Innax opgestelde herstelplan. Uit dit herstelplan blijkt niet dat de installatie opnieuw moet worden ontworpen en in zijn geheel zou moeten worden vervangen.
4.46. Ten aanzien van de WTW-unit op de begane grond staat op basis van het herstelplan vast dat de aansluitflexibels moeten worden aangepast. Deze werkzaamheden zijn tot op heden niet uitgevoerd. Weliswaar is reeds een extra WTW-unit op zolder geplaatst zoals het herstelplan voorschrijft, maar uit het rapport van Bouwstad blijkt overtuigend dat de installatie hiervan onjuist is uitgevoerd waardoor nieuwe klachten zijn ontstaan. Daarmee is voldoende aannemelijk geworden dat de huidige situatie niet voldoet aan de eisen die het herstelplan stelt.
4.47. [partij 1] hebben het herstelplan van Innax als uitgangspunt genomen voor hun vordering. Dit plan is in overleg tussen partijen opgesteld en geen van hen heeft aangevoerd dat herstel overeenkomstig dit plan de bestaande problemen niet zou oplossen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid, uitvoerbaarheid en afdoende werking van het herstelplan. Het Bouwbedrijf zal daarom worden veroordeeld tot herstel van beide WTW-installaties overeenkomstig het Innax - herstelplan. Door wie het Bouwbedrijf dit herstel laat uitvoeren, staat haar in beginsel vrij, zolang het herstel maar volledig en deugdelijk wordt uitgevoerd in overeenstemming met het Innax - herstelplan van 12 december 2023. Het Bouwbedrijf blijft daarbij verantwoordelijk voor het eindresultaat.
4.48. Het Bouwbedrijf heeft nog gesteld dat [partij 1] het verhelpen van gebreken aan de WTW-units zouden koppelen aan het oplossen van problemen aan de aardwarmtepomp en dat hierdoor sprake zou zijn van schuldeisersverzuim aan de zijde van [partij 1] De rechtbank volgt dit standpunt niet. Uit de vordering van [partij 1] blijkt niet dat zij het herstel van de WTW-installaties afhankelijk stellen van het oplossen van de gebreken aan de aardwarmtepomp, die hieronder afzonderlijk worden beoordeeld. Ook uit de overgelegde rapporten blijkt niet dat het herstel van de WTW-units daaraan gekoppeld zou zijn. [partij 1] vorderen herstel van de WTW-units conform het Innax - herstelplan en het is niet aannemelijk dat zij, nadat zij dit herstel hebben gevorderd, vervolgens zouden weigeren mee te werken aan de uitvoering daarvan. Van schuldeisersverzuim met betrekking tot de WTW-installaties is derhalve geen sprake.
Aardwarmtepomp: gebreken 9, 10, 39, 47, 50 en 63
4.49. Onderdeel van de aannemingsovereenkomst was de levering en installatie van een aardwarmtepompinstallatie. Het Bouwbedrijf heeft daarvoor [installatiebureau] als onderaannemer ingeschakeld. Vast staat dat in oktober 2022 een ander type aardwarmtepomp en bijbehorende boiler is geleverd en gemonteerd dan was overeengekomen. Namelijk een Nibe F1155-6PC (6 kW) in plaats van de Nibe F1145-10PC (10 kW) en een boiler met een capaciteit van 300 in plaats van 400 liter. Bij kort geding vonnis van 27 juni 2023 is het Bouwbedrijf op straffe van een dwangsom veroordeeld om de overeengekomen exemplaren van de warmtepomp en boiler te bestellen. Het Bouwbedrijf heeft aan deze veroordeling voldaan, waarna de leverancier er op gewezen heeft dat de overeengekomen aardwarmtepomp en boiler niet met elkaar gecombineerd kunnen worden. Het Bouwbedrijf is vervolgens aan de slag gegaan met een alternatief en heeft daarbij [deskundige] en [firma] betrokken. Dit heeft geresulteerd in aanbieding van [firma] van 21 januari 2024[50] om het huidige warmtepompsysteem te vernieuwen. Daarbij heeft [firma] voor wat betreft de door [partij 1] gewenste koeling het volgende aangegeven:
"(…) De vraag van de klant is tevens een zo optimaal mogelijke koeling voor de woning. Nu is het koelingssysteem van een bodem gebonden warmtepomp passieve koeling. Dit wil zeggen dat je met koud water door de vloerverwarmingsbuizen gaat. De temperatuur door de buizen wordt bepaald door een condens beveiliging die in de warmtepomp is in te stellen, maar hierdoor wordt het mogelijke koelvermogen beperkt.
Met passieve koeling kun je geen ingestelde gewenste ruimtetemperatuur realiseren, afhankelijk van de buitentemperatuur en soort woning kun je de woning een paar graden afkoelen, het wordt daarom ook wel topkoeling genoemd.
Op de nieuwe warmtepomp zijn vele instellingen betreft de koeling mogelijk, maar het blijft topkoeling. Voor het eindresultaat is geen garantie af te geven hoe ver de slaapkamers naar beneden kunnen worden gekoeld, omdat dit door de bouwkundigheid van de woning wordt bepaald en niet door instellingen op de warmtepomp.(…)"
De aanbieding van [firma] is met [partij 1] gedeeld. Zij hebben dit nieuwe ontwerp voor de aardwarmtepomp bij e-mail van 1 februari 2024 afgewezen en daarbij aangegeven[51]:
"(…) We hebben in 2021 een aannemers overeenkomst getekend en in dit contract staat dat we gekocht hebben:
"vloerverwarming/koeling" Het leveren en aanbrengen van vloerverwarming/koeling, op de gehele begane grond en 1e verdieping.
In september 2023 is ons pas verteld dat vloerkoeling in ons huis niet gaat werken vanwege te veel ramen in het atelier en te hoge slaapkamers op de 1e verdieping.
In de nieuwe aanbiedingen wordt nu aangegeven, dat door de bouwkundigheid van de woning de koeling niet gaat werken (dit hebben we ondervonden in september 2023 toen de koeling met de huidige aardwarmtepomp heeft aangestaan) en niet door de instellingen op de aardwarmtepomp.
Daarnaast is ons duidelijk geworden dat er passieve en actieve koeling bestaat en is er gebleken dat er actieve koeling benodigd is terwijl de aardwarmtepomp passieve koeling is.
Hier worden we nu pas voor gewaarschuwd terwijl dit bij aanvang van deze bouw had moeten worden gemeld maar ook tijdens de spoedprocedure is dit nooit gemeld. (…)
Graag zien we binnen een termijn van 10 dagen het volgende tegemoet:
Ps: uit bovenstaande mag duidelijk zijn dat de aardwarmtepomp nog niet besteld kan worden zolang niet alle uitgangspunten hierin meegenomen zijn. (…)"
4.50. Er is nog geen nieuwe aardwarmtepomp en boiler geïnstalleerd. [partij 1] voeren aan dat het nieuwe ontwerp van de aardwarmtepompinstallatie ondeugdelijk is, omdat de woning volgens hen ook met dit ontwerp in de zomer onvoldoende kan worden gekoeld. Zij stellen dat het Bouwbedrijf hen niet heeft gewaarschuwd voor deze tekortschietende koelcapaciteit en evenmin heeft gewezen op de noodzaak van aanvullende koeling door middel van airco's, terwijl de tekeningen van de architect onderdeel uitmaakten van de aanbieding. Naar de mening van [partij 1] voldoet het nieuwe ontwerp daarom niet aan de eisen die aan de koeling van de woning mochten worden gesteld en is het Bouwbedrijf tekortgeschoten in de nakoming van de aannemingsovereenkomst.
4.51. [partij 1] hebben een vernieuwingsofferte van [firma] van 14 oktober 2024[52] overgelegd. Deze offerte gaat uit van hetzelfde type aardwarmtepomp en boiler als het eerdere ontwerp van 21 januari 2024. [partij 1] vorderen dat het Bouwbedrijf wordt veroordeeld de aardwarmtepomp en boiler conform deze offerte te herstellen, alsmede dat het Bouwbedrijf bijdraagt aan de kosten van de aanschaf van airco's waartoe zij een offerte[53] van [bedrijf 3] hebben overgelegd.
4.52. Het Bouwbedrijf stelt dat er sinds januari 2024 een deugdelijk voorstel gereed ligt om [partij 1] te voorzien van het juiste type aardwarmtepomp en boiler. Volgens het Bouwbedrijf is de voorgestelde installatie wél geschikt voor koeling. Een aardwarmtepomp biedt passieve koeling, waarbij de mate van koeling afhankelijk is van de temperatuur van het bronwater en dus naar zijn aard beperkt is. Dit betekent echter niet dat de installatie ongeschikt is om de woning te koelen. Ook uit de door [partij 1] zelf overgelegde BENG-berekening blijkt dat met uitsluitend koeling via de aardwarmtepomp aan de geldende normen wordt voldaan, terwijl ook het energielabel uitgaat van alleen bodemkoeling. Dat [partij 1] meer koeling wensen dan een aardwarmtepomp kan bieden, levert volgens het Bouwbedrijf geen tekortkoming aan haar zijde op. Er zijn hiervoor geen bijzondere eisen overeengekomen en evenmin is een waarschuwingsplicht geschonden. Het deugdelijk uitvoeringsplan ligt al sinds januari 2024 klaar, maar [partij 1] weigeren dit te laten uitvoeren omdat zij kosteloos plaatsing van airco's verlangen. Volgens het Bouwbedrijf is daarom sprake van schuldeisersverzuim, nu [partij 1] de nakoming verhinderen.
4.53. Vast staat dat een andere aardwarmtepomp en boiler is geïnstalleerd dan partijen zijn overeengekomen en dat de oorspronkelijk overeengekomen typen bovendien niet met elkaar kunnen worden gecombineerd. Dit betekent dat de huidige aardwarmtepomp en boiler moeten worden vervangen door andere exemplaren. Partijen zijn het er op zich over eens dat de door [firma] geoffreerde typen aardwarmtepomp en boiler een passend alternatief vormen. Niet is gesteld of gebleken dat deze offerte niet aansluit bij hetgeen partijen zijn overeengekomen. Desondanks zijn de betreffende onderdelen nog niet besteld.
4.54. [partij 1] hebben ter zitting toegelicht dat de offerte van [firma] nog niet is opgevolgd omdat enkel een aardwarmtepomp volgens hen onvoldoende koeling kan leveren. Daarnaast stellen zij dat plaatsing van een nieuwe aardwarmtepomp en boiler pas mogelijk is nadat de WTW-installatie is aangepast. Het Bouwbedrijf betwist dit en voert aan dat de werkzaamheden aan de WTW-installatie los staan van het vervangen van de aardwarmtepomp en boiler. De rechtbank volgt dit standpunt van het Bouwbedrijf . [partij 1] hebben op geen enkele wijze onderbouwd dat de vervanging van de warmtepomp en boiler afhankelijk zou zijn van aanpassingen aan de WTW-installatie. Nu die afhankelijkheid niet aannemelijk is geworden, moet worden aangenomen dat de offerte van [firma] zonder belemmeringen had kunnen worden uitgevoerd.
4.55. De enige reden dat nog geen uitvoering is gegeven aan de offerte, is dat [partij 1] vasthouden aan hun standpunt dat een aardwarmtepomp op zichzelf onvoldoende koeling biedt en dat het Bouwbedrijf hen had moeten waarschuwen dat het architectonisch ontwerp – met grote glaspartijen op het zuiden en hoge plafonds – zou leiden tot oververhitting en de noodzaak van aanvullende airco's. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Partijen zijn niet overeengekomen welk specifiek koelresultaat met uitsluitend aardwarmte moest worden bereikt. Evenmin rustte op het Bouwbedrijf een waarschuwingsplicht van de door [partij 1] voorgestane omvang.
4.56. De in artikel 7:754 BW neergelegde plicht van de aannemer tot waarschuwing ziet op onjuistheden in de opdracht of op gebrekkige zaken van de opdrachtgever, voor zover de aannemer deze kende of redelijkerwijs behoorde te kennen. Van een aannemer kan niet worden verlangd dat hij louter op basis van de architectonische keuzes zelfstandig beoordeelt of een aardwarmtepomp voldoende comfort biedt of dat de woning in de zomer extra koeling nodig heeft. De waarschuwingsplicht van een aannemer strekt niet zo ver, zeker niet nu een aardwarmtepomp van nature slechts passieve koeling biedt, de BENG-berekening bevestigt dat hiermee aan de relevante normen wordt voldaan en ook het energielabel uitgaat van enkel bodemkoeling.
4.57. Aangenomen mag worden dat de gestelde warmteproblematiek voortvloeit uit ontwerpkeuzes van de woning. Het had dan ook eerder op de weg van de architect gelegen om [partij 1] op eventuele risico's van oververhitting te wijzen. Het is niet aan een aannemer om een ontwerp van een architect op klimaat - en comfortaspecten door te rekenen. Een aannemer mag er immers op vertrouwen dat in het ontwerp met de warmtelast rekening is gehouden. Het feit dat [partij 1] méér koeling wensen dan een aardwarmtepomp kan bieden, vormt dan ook geen tekortkoming van het Bouwbedrijf en evenmin een schending van een waarschuwingsplicht.
4.58. Nu het Bouwbedrijf sinds januari 2024 een deugdelijk herstelvoorstel gereed heeft liggen en bereid is dit uit te voeren, maar [partij 1] de uitvoering daarvan weigeren totdat kosteloos airco's worden geplaatst en/of eerst de WTW wordt aangepast, is sprake van schuldeisersverzuim aan de zijde van [partij 1] Een schuldeiser die zonder rechtsgeldige grond weigert mee te werken aan de nakoming, verhindert de uitvoering van de verbintenis en kan de schuldenaar niet tegenwerpen dat deze niet presteert.
4.59. De rechtbank gaat ervan uit dat het Bouwbedrijf tot uitvoering van het herstel zal overgaan zodra [partij 1] hun medewerking verlenen aan het uitvoeren van de offerte van [firma] . Nu het uitblijven van die uitvoering uitsluitend het gevolg is van het door [partij 1] ingenomen standpunt, ontbreekt de grondslag om het Bouwbedrijf op dit moment tot herstel te veroordelen. Om dezelfde redenen is ook de (meer) subsidiair gevorderde veroordeling tot betaling van € 28.996,50 aan herstelkosten niet toewijsbaar.
Dakconstructie en lekkages
      __:__
      gebreken 21, 33, 35, 40, 41, 49, 51, 52,  61 en 62
4.60. [partij 1] stellen dat het om de volgende gebreken gaat:
– De dakgoot/gevelafwerking is onvoldoende afgewerkt en afgedicht (gebrek 21).
– Het afschot van de zinken dakrand loopt over een lengte van een halve meter naar binnen en dus verkeerd om af (gebrek 61).
– Het kitwerk bij het zinkwerk is al verweerd (gebrek 62) en moet worden hersteld om gevolgschade door lekkages te voorkomen.
– Op diverse plekken van het dak zijn pannen 'los' gekomen (gebrek 35).
– Er is een lekkage op de ouderslaapkamer (gebrek 33), er zijn diverse vochtplekken op het hellend dak (gebrek 40) en op de muur van een slaapkamer (gebrek 41). Het Bouwbedrijf moet de vochtplekken alsmede de achterliggende oorzaak herstellen en (gevolg)schade vergoeden.
– De spouw is niet geventileerd uitgevoerd (gebrek 52) met vochtplekken in de keuken en buitenmuur tot gevolg.
– De isolatie is niet tot boven in de nok aangebracht conform bestektekening (gebrek 49).
– De dakbedekking van het platte dak vertoont luchtbellen (gebrek 51).
4.61. Ter onderbouwing van gebrek 21 (dakgoot/gevelafwerking) verwijzen [partij 1] naar het rapport van TechnoConsult . Op pagina 32 van dit rapport[54] staat vermeld dat de ruimte onder de dakgoot niet is geïsoleerd, waardoor lucht in deze ruimte kan afkoelen en indringen in de constructie. TechnoConsult merkt verder op dat de wijze waarop de goot is uitgevoerd gevoelig is voor het optreden van condensatie tegen de onderkant van de goot, met lekkage van het condenswater tot gevolg. Bouwstad schrijft over de dakgoot op pagina 38 van haar rapport[55] het volgende:
"(…) De aansluiting van de goot op de dakplaten is niet juist. De naden van de platen zijn niet, of niet voldoende dichtgezet. Ventilatiepannen ontbreken. De onderste panlat verhindert dat water achter de pannen in de goot kan komen, waardoor lekkages ontstaan. Bij de kilgoot ontbreekt dampremmende folie, waardoor de gootconstructie nat wordt. Het kitwerk bij het zink is verweerd. De naad tussen dakplaten en binnenmuur (gevel) is niet luchtdicht. (…)"
4.62. Het Bouwbedrijf betwist dat hieruit kan worden afgeleid dat zij tekortgeschoten is in de nakoming van enige verbintenis en dat sprake is van een gebrek. Volgens het Bouwbedrijf is de dakgoot uitgevoerd conform de bouwtekeningen van de architect en kan eventueel daaruit voortvloeiende gevoeligheid voor condensatie niet aan haar worden toegerekend.
4.63. Niet gebleken is dat de dakgoot niet conform de bestektekening is uitgevoerd. [partij 1] stellen wel dat de dakgoot anders zou zijn uitgevoerd omdat daaronder een plateau is gemaakt waar vocht zich onder zou kunnen ophopen, maar zij hebben dit niet onderbouwd en dit blijkt ook niet uit de rapporten van TechnoConsult of Bouwstad . De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de dakgoot conform de bestektekening is uitgevoerd. Nu niet is toegelicht dat sprake was van een zodanig voorzienbaar ontwerpgebrek dat het Bouwbedrijf dit had moeten signaleren, is de rechtbank van oordeel dat eventuele nadelige gevolgen van de uitvoering van de dakgoot conform tekening niet aan het Bouwbedrijf kunnen worden toegerekend. Het gebrek wordt derhalve niet aangenomen.
4.64. [partij 1] stellen dat de zinken dakrand over een lengte van een halve meter verkeerd af loopt (gebrek 61). Het Bouwbedrijf betwist dat. Volgens haar is het zeer onwaarschijnlijk dat de gehele zinken dakrand juist geplaatst is, behalve een halve meter terwijl bovendien nergens uit blijkt dat en waar dit zich zou voordoen. [partij 1] verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar punt 3.3. van het rapport van Bouwstad , maar daaruit blijkt niet dat de zinken dakrand over een halve meter verkeerd afloopt. Bij gebreke van een nadere onderbouwing staat naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet vast dat op dit punt sprake is van een gebrek, zodat het Bouwbedrijf niet tot herstel zal worden veroordeeld.
4.65. Bouwstad schrijft in haar rapport dat het kitwerk bij het zink is verweerd (gebrek 62). Volgens [partij 1] kan het verweerde kitwerk tot vocht en lekkages leiden. Het Bouwbedrijf betwist dit, stellende dat uit de overgelegde rapporten niet blijkt wat de oorzaak is of de gevolgen zijn van het verweerde kitwerk en dit ook een puur esthetische afwijking kan zijn. De rechtbank merkt op dat Bouwstad onder het kopje 'te ondernemen actie' niet heeft opgenomen dat het kitwerk moet worden hersteld. De rechtbank ziet dan ook geen reden om het Bouwbedrijf daartoe te veroordelen.
4.66. Ten aanzien van losgekomen dakpannen (gebrek 35) heeft het Bouwbedrijf aangevoerd dat dit als akkoord op de opleverlijst genoteerd stond en begin 2023 al hersteld is. [partij 1] hebben dit niet weersproken. De rechtbank neemt daarom aan dat dit inmiddels opgelost is en beschouwt dit gebrek als hersteld.
4.67. [partij 1] stellen dat sprake is van vochtplekken op een aantal slaapkamers (gebreken 33, 40 en 41). Het gaat om de kamers 1.03 (ouderslaapkamer), 1.05 en 1.08. TechnoConsult heeft die vochtplekken ook geconstateerd. Zij schrijft daarover in haar rapport[56] op pagina 32 het volgende:
"(…) Bedacht moet worden dat gedurende een periode van zeker een jaar nog veel vocht in de woning aanwezig kan zijn vanuit de bouw. Hier dient bij het beoordelen van de thermografische beelden rekening mee te worden gehouden. Mogelijk heeft ook de aanwezigheid van vocht invloed op het temperatuurbeeld. In verband met de hoogte van de plafonds is het meten en beoordelen van vocht niet uitgevoerd. Aan de plaatsing van de dakpannen zijn geen gebreken aangetroffen en lekkage bij neerslag wordt door de bewoners ook niet gemeld.
Uitgaande van de inspectiebevindingen is het dak klaarblijkelijk niet waterdicht en luchtdicht uitgevoerd waardoor vocht via de plaatnaden zijn weg naar binnen kan vinden. Dat de plaatnaden niet volledig zijn gevuld is tijdens de inspectie vastgesteld.
In secundaire zin kan mogelijk de beperkte ventilatie onder de pannen van invloed zijn op vochtindringing. Ter plaatse van de dakvoet ligt de onderste panlat strak tegen de goot aan en sluit de vlakke onderzijde van de pannen aan op de panlat. Er is aan de onderrand van het dak geen opening voor luchttoevoer onder de pannen. Aan de bovenrand van het dak zijn ook geen openingen aanwezig die ventilatie mogelijk maken. Zeker bij vlakke pannen is het van belang dat in het ontwerp en bij de uitvoering aandacht wordt geschonken aan voldoende ventilatie door het aanbrengen van ventilatiepannen op circa 0,8 à 1 m onder de nok en het toepassen van een onderste panlat met ventilatieopeningen. (…)"
4.68. Voor zover [partij 1] stellen dat de vochtplekken zijn ontstaan doordat de dakplaten in strijd met de voorschriften in vochtige weersomstandigheden zijn opgeslagen en vervolgens nat of vochtig op de woning zijn aangebracht – ter onderbouwing waarvan zij slechts enkele foto's[57] hebben overgelegd – volgt de rechtbank hen daarin niet. Het Bouwbedrijf heeft immers aangevoerd dat op de betreffende foto's een dekzeil zichtbaar is, dat de foto's zijn gemaakt ten tijde van de plaatsing van de dakplaten en dat daaruit niet valt af te leiden dat de dakplaten vochtig waren. Het Bouwbedrijf betwist dan ook gemotiveerd dat de dakplaten vochtig zijn verwerkt.
4.69. Ook uit het rapport van TechnoConsult volgt niet dat verkeerd opslaan of verwerken van vochtige dakplaten een plausibele oorzaak van de vochtplekken is. Wat TechnoConsult wél als mogelijke verklaring aandraagt, is dat in nieuwbouwwoningen gebruikelijk nog zeker een jaar sprake is van veel bouwvocht. Daarnaast stelt TechnoConsult dat het dak klaarblijkelijk niet volledig water - en luchtdicht zou zijn uitgevoerd, omdat de naden tussen de dakplaten niet overal volledig met purschuim zouden zijn afgedicht waardoor vocht via de plaatnaden zou kunnen binnendringen. De rechtbank volgt het Bouwbedrijf in haar betoog dat deze laatste veronderstelling van TechnoConsult moeilijk te rijmen valt met haar eigen constatering dat aan de plaatsing van de dakpannen geen gebreken zijn aangetroffen en dat er bij neerslag evenmin lekkages optreden. Indien immers geen gebreken bestaan aan de plaatsing van de dakpannen en zich bij regenval geen lekkages voordoen, valt niet in te zien hoe water onder de pannen zou kunnen komen op een wijze die tot de gestelde vochtindringing leidt.
4.70. De enige resterende oorzaak die TechnoConsult in secundaire zin noemt, betreft een mogelijk beperkte ventilatie onder de dakpannen. TechnoConsult schrijft in haar rapport dat bij vlakke pannen in het ontwerp en bij de uitvoering aandacht moet worden geschonken aan voldoende ventilatie door het aanbrengen van ventilatiepannen onder de nok en het toepassen van een onderste panlat met ventilatieopeningen. Het Bouwbedrijf betwist dat van onvoldoende ventilatie sprake is wijst er op dat alle horizontale panlatten zijn aangebracht op verticale tengels, zodat een ventilatieruimte is gewaarborgd. Deze uitleg lijkt steun te vinden in het rapport van Bouwstad , die op pagina 32 vermeldt dat op basis van berekeningen geen inwendige condensatie in het schuine dak optreedt. Anders dan TechnoConsult heeft Bouwstad wél daadwerkelijk vochtmetingen en - beoordelingen uitgevoerd.
4.71. Maar zelfs indien zou worden aangenomen dat tussen de dakpannen en het dakbeschot onvoldoende ventilatie aanwezig is doordat ventilatiepannen onder de nok en onderste panlatten met ventilatieopeningen ontbreken, dan volgt daaruit nog niet zonder meer dat sprake is van een gebrek waarvoor het Bouwbedrijf herstelplichtig is. Voor het aannemen van een tekortkoming is vereist dat óf vaststaat dat het aanbrengen van ventilatiepannen tot de overeengekomen werkzaamheden behoorde óf dat het Bouwbedrijf gehouden was [partij 1] te wijzen op de noodzaak daarvan. Geen van beide omstandigheden zijn gesteld of gebleken. [partij 1] hebben niet aangevoerd dat het plaatsen van ventilatiepannen onderdeel uitmaakte van de opdracht, noch dat op het Bouwbedrijf de verplichting rustte hen te wijzen op de noodzaak van aanvullende ventilatie die (kennelijk) in het ontwerp ontbrak. Reeds hierom kan het ontbreken van ventilatiepannen niet worden aangemerkt als een toerekenbare tekortkoming van het Bouwbedrijf .
4.72. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet, althans onvoldoende, is komen vast te staan dat de vochtplekken het gevolg zijn van ondeugdelijk werk van het Bouwbedrijf . De vochtplekken zijn na oplevering ontstaan en kunnen – zoals ook TechnoConsult als mogelijke verklaring noemt – evenzeer zijn veroorzaakt door normaal bouwvocht dat in een nieuwbouwwoning aanwezig is. Gesteld noch gebleken is dat de vochtplekken in de daaropvolgende jaren zijn toegenomen, hetgeen wél te verwachten is indien sprake zou zijn van voortdurende vochtindringing van buitenaf. Bij deze stand van zaken zal het gevorderde herstel van de gestelde gebreken 33, 40 en 41 worden afgewezen.
4.73. Op 17 november 2023 hebben [partij 1] een nieuwe lekkage gemeld in de muur van de keuken die zich uit op de buitengevel. Zij stellen dat dit het gevolg is van het ontbreken van spouwmuurventilatie (gebrek 52). MBI, de leverancier van de gevelstenen, heeft de muur op 11 december 2023 onderzocht en schrijft hierover in een e-mail[58]:
"(…) De witte vlekken op de stenen wijzen op kalkuitloei en dit wordt geïnitieerd door vocht of water. Bij het gevelfragment ter plaatse van de garage is ook te zien dat de gevel op plekken nat is. Mijn advies is om in dit en andere gevelsegmenten, te zorgen voor ventilatieopeningen. Hierdoor kan het vocht dat nu in de spouw, achter de steen, zit op natuurlijke wijze weg. (…)"
4.74. Anders dan [partij 1] lijken te betogen volgt uit deze e-mail niet dat de spouwconstructie ondeugdelijk of onzorgvuldig is uitgevoerd, noch dat er (in het geheel) geen spouwventilatie aanwezig zou zijn. MBI constateert enkel de aanwezigheid van vocht in de spouw als verklaring voor kalkuitbloei en adviseert ventilatieopeningen te realiseren. Dat advies impliceert nog niet dat ten aanzien van de spouwmuur sprake is van een bouwkundig gebrek.
4.75. Naar aanleiding van het bezoek van MBI heeft het Bouwbedrijf vervolgens op enkele plaatsen proefsgewijs ventilatieopeningen aangebracht. [partij 1] stellen dat hierdoor stenen en voegen zijn beschadigd en dat mondeling is overeengekomen dat een nadere beoordeling pas plaatsvindt nadat gebrek 44 (muffe geur begane grond) is verholpen. Het bouwbedrijf betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt en dat sprake is van beschadigingen. Er is sprake van schuldeisersverzuim nu [partij 1] weigeren mee te werken aan het plaatsen van ventilatieopeningen, aldus het Bouwbedrijf .
4.76. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gesteld dat het aanbrengen van (aanvullende) ventilatieopeningen – conform het advies van MBI – geen deugdelijk of toereikend herstel zou opleveren. Evenmin is gesteld of gebleken dat de muur op dit moment nog steeds nat is of dat sprake is van voortgaande (vocht)schade. Uit het door [partij 1] ingenomen standpunt blijkt bovendien dat zij op dit moment geen verdere ventilatieopeningen wensen omdat zij vinden dat de bij het proefsgewijs aanbrengen van bijenbekjes stenen zijn beschadigd en zij eerst gebrek 44 opgelost willen zien. Daarmee blijft onduidelijk welk concreet herstel zij thans van het Bouwbedrijf verlangen.
4.77. Nu [partij 1] niet duidelijk hebben gemaakt welke herstelmaatregel zij op dit moment van het Bouwbedrijf vorderen en evenmin is gebleken dat het voorgestelde herstel dat het Bouwbedrijf bereid is uit te voeren ondeugdelijk zou zijn terwijl [partij 1] de uitvoering daarvan verhinderen, zal het gevorderde herstel van gebrek 52 worden afgewezen.
4.78. [partij 1] voeren verder aan dat, in afwijking van de bestektekeningen, geen isolatie is aangebracht tot bovenin de nok van het dak (gebrek 49). Het Bouwbedrijf betwist dit en stelt dat de isolatie wél conform tekening tot in de nok is aangebracht. [partij 1] hebben hun stelling op geen enkele wijze onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van een deskundigenrapport of andere objectieve bewijsmiddelen waaruit zou blijken dat de isolatie niet tot in de nok is aangebracht. Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt, is het gestelde gebrek niet komen vast te staan. Het Bouwbedrijf zal dan ook niet worden veroordeeld tot herstel van dit beweerdelijke gebrek.
4.79. [partij 1] hebben op 15 november 2023 geklaagd over luchtbellen in de dakbedekking van het platte dak (gebrek 51) en herstel daarvan door het Bouwbedrijf gevorderd. Ter onderbouwing hebben [partij 1] aangevoerd dat zij, gelet op de ernst van het gestelde probleem, het bedrijf Trition hebben ingeschakeld.
4.80. Op grond van artikel 150 Rv ligt het op de weg van [partij 1] om de aanwezigheid en ernst van het gestelde gebrek voldoende te onderbouwen. [partij 1] hebben evenwel geen objectief bewijs overgelegd, zoals een deskundigenrapport, foto's met toelichting of andere verifieerbare gegevens, waaruit kan worden afgeleid dat daadwerkelijk sprake is van een gebrek dat herstel noodzakelijk maakt. Nu een dergelijke onderbouwing ontbreekt, is niet komen vast te staan dat het werk op dit punt gebrekkig is uitgevoerd. Reeds om die reden kan het Bouwbedrijf niet worden verplicht tot herstel.
Luchtlekkages en daarmee verband houdende stank - en geluidsoverlast: gebreken 23, 24, 44, 53, 57 en 59
4.81. [partij 1] stellen dat het om de volgende gebreken gaat:
– Valdorpels bij de voor - en achterdeur ontbraken . Deze zijn door het Bouwbedrijf gemonteerd en later is nog een scharnier bijgesteld, maar de voor - en achterdeur tochten nog steeds en moeten tochtdicht worden gemaakt (gebrek 23). Het Bouwbedrijf laat na de deuren tochtvrij op te leveren en met een deugdelijke oplossing te komen.
– Ook de garagedeur tocht en moet tochtdicht worden gemaakt (gebrek 24). Het Bouwbedrijf heeft tochtprofielen aangebracht maar dit heeft de tocht niet weggenomen.
– Sinds juni 2023 is er een muffe geur over de gehele begane grond (gebrek 44) die veroorzaakt wordt door vochtige lucht die via luchtlekkages vanuit de kruipruimte de woning penetreert.
– Na plaatsing van de tweede WTW op zolder is tocht/lucht op de eerste verdieping/zolder ontstaan (gebrek 53).
– Er is veel geluidsoverlast in de woning van geluid en wind van buitenaf (gebrek 57).
– Er zijn diverse luchtlekkages bij metselplinten en in/aan het gevelstucwerk in alle gevels (gebrek 59).
4.82. Nadat [partij 1] bij dagvaarding hadden geklaagd over de tocht bij de voor-, achter - en garagedeur (gebreken 23 en 24), heeft het Bouwbedrijf bij conclusie van antwoord aangevoerd dat op 12 januari 2024 alle deuren voor zover mogelijk tochtvrij zijn gemaakt. Het Bouwbedrijf heeft daarbij opgemerkt dat het vanwege de door [partij 1] gekozen type deuren niet mogelijk is om deze 100% tochtvrij te maken. De deuren zijn bekleed met dezelfde gevelbekleding als de muren. Daardoor zou de deur veel te dik worden, als een normale deurdikte zou worden gehanteerd. Vandaar dat met een zeer dunne deur wordt gewerkt. Inherent daaraan is dat er minder mogelijkheden zijn om die tochtdicht te maken, aldus het Bouwbedrijf . [partij 1] hebben dit verweer onvoldoende weersproken. Bij conclusie na comparitie hebben zij alleen betwist dat zij het type deur hebben gekozen en verder aangevoerd dat de deuren nog steeds niet voldoen aan de luchtdichtheidseisen. Daarbij hebben zij verwezen naar TechnoConsult , BlowerTechnic en Drillpro , die volgens [partij 1] duidelijk verslag hebben gedaan over de voor-, achter - en garagedeur, zonder te verwijzen naar de passages in de rapporten waar daarvan verslag wordt gedaan. Daarmee is onvoldoende onderbouwd dat de tocht veroorzaakt wordt door het type deur en dus alleen verholpen kan worden door de deuren te vervangen, zoals [partij 1] stellen. Om die reden zal de vordering tot herstel worden afgewezen.
4.83. Op 7 juli 2023 hebben [partij 1] een nieuw gebrek aan het Bouwbedrijf gemeld, te weten een muffe lucht op de begane grond (gebrek 44). [partij 1] hebben vervolgens Trition ingeschakeld om de stankoverlast die zij ondervinden nader te onderzoeken. Trition schrijft in een rapport[59] het volgende:
"(…) Op basis van de uitgevoerde onderzoeken concluderen wij dat de stankoverlast wordt veroorzaakt door vochtige lucht die vanaf de kruipruimte tot in de woning penetreert ter plaatse van de doorvoeren die zich in de begane grondvloer bevinden.
Dit verklaart ook dat de stank het meest wordt waargenomen rondom het bijkeuken/toilet en het atelier.
Wij adviseren u om het volgende te verbeteren:
Het aanbrengen van kruipruimte ventilatie vanaf de buitengevels (middels roosters).
Hoewel de kruipruimte gecompartimenteerd is, zal ventilatie van de kruipruimte de situatie enigszins verbeteren.
Het luchtdicht afwerken van de verschillende doorvoeren in de begane grondvloer waardoor er geen lucht vanuit de kruipruimte tot de begane grondvloer kan doordringen. (…)"
Trition heeft ook luchtvochtigheidmetingen uitgevoerd en schrijft daarover in haar rapport het volgende:
"(…) Voor de verblijfsruimtes geldt dat de gemeten waarden zich gedurende de meetperiode zich grotendeels binnen de 'normale' meetwaarden bevinden die men kan verwachten in deze periode van het jaar. Echter de meetwaarden in de kruipruimte (pag. 13) laten zien dat er sprake is van een volledig verzadigde lucht (luchtvochtigheid 100%!). Dit is wellicht een gevolg dat in de kruipruimte de ventilatie ontbreekt e.e.a. zoals ook is verklaard door bewoners.
Dit betekent dat er onder omstandigheden vochtige (muffe) lucht vanuit de kruipruimte tot in de woning penetreert. Het risico hierop bestaat wanneer als gevolg van een (lichte) onderdruk in de woning t.o.v. de kruipruimte, lucht via de doorvoeren in de begane grondvloer tot in de woning doordring. Dit verklaart ook waarom de stank niet constant wordt waargenomen. (…)"
4.84. Ook Drillpro is ingeschakeld om de stank te beoordelen. Zij schrijft daarover in een rapport van 16 december 2023[60]:
"(…)
1. Tijdens inspectie is er geen stank overlast geconstateerd.
2. Staand water van circa 20 cm in kruipruimte bij voordeur. Wanden kruipruimte vochtig. Condens tegen begane grondvloer.
x overige compartimenten niet begaanbaar
x in zomer geen staand water
(…) De kruipruimte heeft staand water met natte wanden en condens vorming. Water heeft een hogere dampdruk waardoor dit makkelijk door luchtlekken in de vloer naar de woning kan migreren. Het lijkt of de stank uit de bodem komt en minder waarneembaar is als het wordt afgedekt door staand water. Echter als dit het geval is, mengt de stank ook in het water en zal de dampdruk ook nu de stank naar boven migreren. Echter was in de kruipruimte ook bij het openen van het luik geen stank waarneembaar.
Wij sluiten een stank probleem niet uit. Maar ons vermoeden is dat de stank niet uit de kruipruimte komt of anders gezegd niet door de kruipruimte wordt geproduceerd.
Zo loopt er een steenmarter rond. Hoe weet je dat je een steenmarter hebt? dit wordt vaak ontdekt door stank overlast geproduceerd door dode kadavers en uitwerpselen. (…)
Ook kan de stank worden geproduceerd van uit bouwmaterialen door resente bouw, uit niet drogend stucwerk, of chemische verbinding die verf aangaat met de muur.
De metingen in extern rapport hebben ook invloed op de voorgaand genoemde problemen. Luchtverplaatsing en luchtvochtigheid door lucht lekken kan een reactie van verfoverlast of bouwmaterialen opwekken. Stank van een steenmarter kan in de woning raken.
Door al deze factoren kunnen wij geen unaniem antwoord vormen door het geringe onderzoek wat is gedaan. Pas als de stank is opgelost door uitsluiting. Kunnen we daadwerkelijk de bron aanwijzen.
Echter is kruipruimte ventilatie wel verstandig gezien het vocht in de kruipruimte. Maar geeft waarschijnlijk niet de directe oplossing voor de stank overlast.
Drillpro adviseert om op de door haar in het rapport gemarkeerde plekken kruipruimteventilatie te plaatsen, een rooktest uit te laten voeren om luchtlekken op te sporen en te dichten en een marterverjager aan te schaffen.
4.85. Op 21 en 22 februari 2024 heeft het Bouwbedrijf kruipruimteventilatie aangebracht. In maart 2024 heeft vervolgens Bosch, althans Drillpro , een rooktest uitgevoerd en de stankoverlast nader onderzocht. In haar rapport van 24 maart 2024 schrijft zij daarover het volgende[61]:
"(…) Vocht verlaat de kruipruimte via de kruipruimte ventilatie. Echter verlaat deze vochtige lucht ook de kruipruimte via de spouwmuur. En door kieren in de buitenmuur. (…)
BEVINDINGEN FUNDERING
Vloerdelen liggen koud op de fundering hier door ontstaat er een open verbinding naar de spouwmuur. Zo ontstaan er koude luchtstromen en vocht in de spouwmuur. (…)
BEVINDINGEN BINNENMUUR
Alleen horizontaal is aangesmeerd. Verticale lijnen zijn open. En waar niet afgestuct maakt dit een directe doorgang voor lucht nasr de woning. (…)
Het dichten van luchtlekken is gezien de omvang niet direct mogelijk.
Volledig volspuiten van spouwmuur is als enige mogelijkheid om alle luchtlekken te dichten. Maar kan ook diverse vocht problemen veroorzaken. Daarom niet direct aan te raden: zonder goedkeuring isolatie specialist, En verder onderzoek spouw en vocht in spouw.
FEITEN:
1. Kruipruimte staat in lucht verbinding met spouwmuur.
2. Spouwmuur staat in verbinding met buiten en binnen woning.
(…) WAAR KOMT STANK VANDAAN?
Dit kan overal vandaan komen omdat alles in verbinding staat.
Via kruipruimte, spouw naar binnen.
Maar ook door buitenmuur nasr spouw naar binnen.
Het ruikt naar oude paarden stal. Maar de bron is niet direct gevonden. Dit steld dat één weg naar binnen afdichten geen garantie voor succes zal zal zijn.
ERNST STANK?
Stank is na meerdere bezoeken waargenomen. En als zeer ernstig bevonden. (…)
ADVIES:
      *Bouw patholoog inschakelen om struktuur van bouw te inspecteren. Mogelijkheden te bekijken en plan van aanpak maken. (…)"*
4.86. Daarop hebben [partij 1] Bouwstad ingeschakeld, die op pagina 22 en verder van haar rapport over stankoverlast in combinatie met luchtdichtheid het volgende schrijft[62]:
"(…) In de woning is een aanhoudende stank waarneembaar. Om de oorzaak te achterhalen is een rooktest uitgevoerd door het bedrijf Drillpro Nederland en is er een blowertest uitgevoerd door BlowerTechnic . Daarnaast heeft TechnoConsult een blowerdoortest uitgevoerd.
De eerste blowerdoortest is uitgevoerd begin 2023 door TechnoConsult . hieruit kwam een berekende infiltratiewaarde van 1,21 dm³/s per m2. In de BENG berekening is uitgegaan van een ontwerpwaarde van 0,4 dm³/s per m2. De gemeten waarde is 3 x hoger dan de ontwerpwaarde. Tevens is deze waarde hoger dan de bouwbesluiteis klasse 1 (basis) van 1,0 dm³/s per m2.
Op 3 januari 2024 is opnieuw een blowerdoortest uitgevoerd door BlowerTechnic . Uit deze test kwam een berekende infiltratiewaarde van 0,99 dm³/s per m2. Het is aannemelijk dat de verbetering van de resultaten komt door de maatregelen die zijn genomen om luchtstromen te reduceren (…). Met deze meetwaarde voldoet de woning net aan het bouwbesluit , maar nog steeds niet aan het ontwerp (ontwerpwaarde BENG van dm³/s per m2 ). (…)"
Bouwstad schrijft in haar rapport dat op meerdere locaties luchtlekken zijn gevonden met name bij kozijnen, enkele deuren en vanuit de kruipruimte. Met betrekking tot de kruipruimte en de stankoverlast schrijft Bouwstad het volgende:
"(…) Bij de rooktest is rook in de kruipruimte geblazen en is de druk constant gehouden. Vervolgens is gekeken waar rook zichtbaar was in de woning. De meest opvallende plekken waar rook uitkwam zijn:
(…) De vele luchtlekken die in de woning gevonden zijn betreffen vaak luchtlekken vanuit de spouw naar de woning.
In de gevel zijn veel plaatsen gevonden waar muizen en andere kleine dieren hun weg kunnen vinden naar de spouw. Indien er een potlood in een dergelijke opening past, dan kan er een muis doorheen. Dieren die in de spouw komen en doodgaan veroorzaken een penetrante geur die veelal weken aanhoudt. De in de woning geroken lucht komt hiermee overeen. Ook is er een grondlucht uit de kruipruimte waar te nemen. De lucht van dode dieren en grond kan door de vele openingen op vele plekken de woning binnenkomen. (…)
Ofschoon artikel 3.21 lid 4[rechtbank: Bouwbesluit 2012]ziet op de beperking van toevoer van lucht uit de kruipruimte vanwege ongewenste toevoer van lucht met een verhoogde luchtvochtigheid, is de gestelde eis aan de toegestane luchtvolumestroom relevant. (…) Kortom, afgezien van het kruipluik dient er vanuit de kruipruimte (vrijwel) geen luchtstroom te zijn een woning in.
Het is evident dat aan deze eis niet voldaan wordt als er diverse luchtstromen naar het interieur van de woning mogelijk zijn via de aansluiting van fundering op de begane grondvloer en de wanden van de ruimtes. In het geval dat de binnenkomende luchtstroom een onaangename geur heeft, is duidelijk dat dit niet alleen in strijd is met de eisen uit het oogpunt van gezondheid, maar tevens direct leidt tot een aantasting van wooncomfort. (...)
Bouwstad komt tot de conclusie dat stank de woning kan indringen doordat er een open verbinding is tussen de spouw en de kruipruimte, doorvoeringen in de begane grondvloer niet zijn gedicht, de spouwmuur niet luchtdicht is en doordat ongedierte in de spouw kan komen. Verder merkt Bouwstad op dat de aansluitingen van alle kozijnen niet luchtdicht zijn. Bouwstad adviseert naden tussen de begane grondvloer en de fundering vanuit de kruipruimte dicht te zetten, alle openingen waardoor ongedierte in de spouw kan dicht te zetten, aansluitingen bij kozijnen luchtdicht te maken en doorvoeringen in de begane grondvloer luchtdicht te maken.
4.87. Vooropgesteld wordt dat bij een luchtdichtheidsmeting vrijwel iedere woning in meer of mindere mate luchtlekken zal vertonen. Het enkele bestaan van luchtlekken betekent dan ook niet zonder meer dat sprake is van een gebrek waarvoor de aannemer aansprakelijk is. Evenmin leidt het enkele feit dat de gemeten luchtdoorlatendheid hoger is dan de in de BENG-berekening gehanteerde ontwerpwaarde tot de conclusie dat sprake is van een gebrek, nu niet is gesteld noch gebleken dat partijen zijn overeengekomen dat de in de BENG-berekening opgenomen waarden als gegarandeerde prestaties hebben te gelden.
4.88. Daar staat tegenover dat het feit dat de gemeten waarde voldoet aan de in het Bouwbesluit voorgeschreven grenswaarde niet zonder meer meebrengt dat de geconstateerde luchtlekkages niet als gebrek kunnen worden aangemerkt. Ook indien wordt voldaan aan publiekrechtelijke minimumeisen, kan immers sprake zijn van een dermate aantasting van het gebruiksgenot van een woning dat sprake is van een gebrek.
4.89. In dit geval hebben [partij 1] voldoende onderbouwd dat de geconstateerde luchtlekkages, in samenhang met de open verbindingen in de gevel - en vloerconstructie en openingen waardoor ongedierte de woning kan binnendringen, leiden tot structurele stankoverlast. De rechtbank is van oordeel dat hierdoor het wooncomfort dermate wordt aangetast dat sprake is van een gebrek.
4.90. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het Bouwbedrijf gehouden is maatregelen te treffen om stankoverlast vanuit de kruipruimte (gebrek 44) te verhelpen. Dit herstel dient te bestaan uit het dichten van de luchtlekkages die deze overlast veroorzaken, alsmede het afsluiten van openingen waardoor ongedierte toegang tot de spouw kan krijgen. Dit herstel omvat echter niet het verhelpen van de bij de kozijnen geconstateerde luchtlekkages. Het Bouwbedrijf heeft onweersproken gesteld dat de kozijnen niet door haar zijn geplaatst, maar dat [partij 1] deze werkzaamheden door een derde hebben laten uitvoeren. Onder deze omstandigheden kan niet worden vastgesteld dat het Bouwbedrijf voor deze luchtlekkages aansprakelijk is, nog daargelaten de vraag of deze luchtlekkages de stankoverlast überhaupt (mede) veroorzaken. Voor zover het gevorderde herstel van gebrek 44 mede ziet op het herstellen van luchtlekkages bij de kozijnen, zal dit daarom worden afgewezen.
4.91. [partij 1] stellen voorts dat na plaatsing van de tweede WTW-installatie op zolder tocht en luchtstromen vanachter de binnenmuren worden waargenomen (gebrek 53). Zij voeren aan dat het Bouwbedrijf op 20 december 2023 een opening heeft gedicht, maar dat zij nadien hebben geconstateerd dat zich ook op zolder tocht voordoet. Volgens [partij 1] heeft het Bouwbedrijf dit erkend, terwijl onduidelijk is gebleven hoe dit gebrek is ontstaan en waaraan dit precies is toe te schrijven. Wel zou dit leiden tot aanzienlijke tocht en geluidsoverlast in de woning.
4.92. Het Bouwbedrijf heeft gemotiveerd betwist dat sprake is van tocht achter de binnenmuren of van hard geluid en heeft tevens betwist dat zij een dergelijk gebrek heeft erkend. Het Bouwbedrijf wijst er daarbij op dat ook TechnoConsult in haar rapportage geen melding maakt van lucht - of tochtlekkages op de eerste verdieping of zolder.
4.93. De rechtbank is met het Bouwbedrijf van oordeel dat onvoldoende duidelijk is geworden wat de aard en oorzaak is van dit gestelde gebrek en welke herstelmaatregelen van het Bouwbedrijf worden verlangd. Nu niet is komen vast te staan dat er sprake is van een gebrek, zal de vordering tot herstel van het vermeende gebrek 53 worden afgewezen.
4.94. Ten aanzien van de luchtlekkages stellen [partij 1] voorts dat zij daardoor geluidsoverlast van buitenaf ondervinden (gebrek 57). Ter onderbouwing hebben [partij 1] evenwel niet naar specifieke rapportages of meetgegevens verwezen, maar hebben zij in algemene zin gesteld dat deze overlast het gevolg is van luchtlekkages. De rechtbank is met het Bouwbedrijf van oordeel dat hiermee onvoldoende is onderbouwd waardoor deze geluidsoverlast wordt veroorzaakt, dat de geluidsoverlast zodanig ernstig is dat zij als een gebrek kan worden aangemerkt en dat het Bouwbedrijf daarvoor aansprakelijk kan worden gehouden. Het gevorderde herstel van gebrek 57 zal daarom worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank op dat aannemelijk is dat eventuele geluidsoverlast zal afnemen door het herstel van gebrek 44. Voor zover de overlast wordt veroorzaakt door luchtlekkages ter plaatse van de kozijnen, is reeds geoordeeld dat het Bouwbedrijf daarvoor niet aansprakelijk is.
4.95. Het laatste met luchtlekkages samenhangende gebrek betreft gebrek 59. [partij 1] stellen dat zich bij de metselplinten en in en aan het gevelstucwerk van alle gevels diverse luchtlekkages voordoen. Ter onderbouwing verwijzen zij naar rapportages van BlowerTechnic en Drillpro . Beide deskundigen hebben deze luchtlekkages evenwel niet betrokken in hun herstelvoorstellen, omdat zij hebben aangegeven dat dit bijna niet te herstellen is. Volgens [partij 1] zal dit nog verder uitgezocht moeten worden.
4.96. De rechtbank is met het Bouwbedrijf van oordeel dat deze enkele stellingname onvoldoende is om het Bouwbedrijf tot herstel van gebrek 59 te veroordelen. Indien deskundigen expliciet aangeven dat herstel praktisch niet mogelijk is, kan niet worden vastgesteld welke prestatie redelijkerwijs nog van het Bouwbedrijf kan worden verlangd. Daar komt bij dat [partij 1] niet hebben geconcretiseerd in welke mate deze luchtlekkages bijdragen aan de door hen gestelde overlast en leiden tot een zodanige aantasting van het wooncomfort dat zij kunnen worden aangemerkt als een gebrek. Onder deze omstandigheden is het gevorderde herstel van gebrek 59 niet toewijsbaar.
Ontbrekende As Built tekeningen van [installatiebureau]
      __: g__
      ebrek 58
4.97. [partij 1] stellen dat de 'As Built tekeningen' van [installatiebureau] ontbreken en dat dit een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst oplevert. Het Bouwbedrijf betwist dat. Volgens het Bouwbedrijf volgt uit productie 130 van [partij 1] dat zij wel tekeningen van [installatiebureau] hebben ontvangen. Bovendien hebben [partij 1] daarbij alleen belang voor zover zij een derde zouden inschakelen om de werkzaamheden te laten verrichten, aldus het Bouwbedrijf .
4.98. De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of [partij 1] al dan niet (correcte) As Built tekeningen van [installatiebureau] ontvangen hebben. Het ontbreken van deze tekeningen kan immers alleen dan een tekortkoming in de nakoming van de aannemingsovereenkomst opleveren indien de verstrekking daarvan tussen partijen is overeengekomen. Niet gebleken is dat verstrekking van tekeningen onderdeel uitmaakt van de aannemingsovereenkomst, zodat op dat punt geen sprake kan zijn van een tekortkoming zijdens het Bouwbedrijf . De vorderdingen die strekken tot het leveren dan wel het laten opstellen van ontbrekende As Built tekeningen zullen dan ook worden afgewezen.
Herstelkosten risaliet: gebrek 65
4.99. Tot slot vorderen [partij 1] een bedrag van € 1.655,11 aan kosten die zij zelf hebben gemaakt om het hout van het risaliet te laten verwijderen en het risaliet te herstellen. Deze vordering zal worden afgewezen. Het risaliet diende nog afgewerkt te worden met staal. Het hout van het risaliet is gaan rotten doordat [partij 1] er voor hebben gekozen het risaliet na de oplevering niet verder te (laten) afwerken in afwachting van herstel van een aantal van de door hen gestelde gebreken, waaronder de luchtlekkages. Door het risaliet twee en half jaar lang onafgewerkt te laten en daarmee bloot te stellen aan weersinvloeden hebben [partij 1] hun verplichting tot schadebeperking geschonden. De als gevolg daarvan veroorzaakte kosten komen daarom niet voor vergoeding in aanmerking.
Conclusie te herstellen gebreken
4.100. Uit voorgaande rechtsoverwegingen volgt dat het Bouwbedrijf op een aantal onderdelen toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de aannemingsovereenkomst en gehouden is de vastgestelde gebreken binnen een redelijke termijn te herstellen naar eisen van goed en deugdelijk werk. De rechtbank zal het Bouwbedrijf veroordelen om:
Beroep op opschorting/verrekening
4.101. Het Bouwbedrijf stelt dat voor zover op haar de verplichting zou rusten om enige herstelwerkzaamheden te verrichten, zij zich op opschorting beroept en subsidiair op verrekening. Op dit moment dienen [partij 1] namelijk nog een bedrag van
€ 109.940,72 te betalen, aldus het Bouwbedrijf .
4.102. Het is de rechtbank niet geheel duidelijk wat het Bouwbedrijf met dit beroep op opschorting dan wel verrekening beoogt te bereiken. Zoals hiervoor onder 4.100. is overwogen, zal het Bouwbedrijf worden veroordeeld tot herstel van een aantal gebreken. Zij kan zich in verband met de daaruit voortvloeiende herstelverplichting niet op opschorting beroepen. Mochten [partij 1] nog een bedrag aan het Bouwbedrijf verschuldigd zijn in verband met de resterende aanneemsom, dan zullen zij daartoe in reconventie worden veroordeeld. Er is voor het Bouwbedrijf geen reden om zich op opschorting van haar herstelverplichting te beroepen totdat die resterende aanneemsom is betaald. Voor wat betreft het beroep op verrekening geldt dat voor zover [partij 1] in reconventie mochten worden veroordeeld tot betaling van enig geldbedrag, het Bouwbedrijf bevoegd is deze vordering op [partij 1] te verrekenen met enig bedrag dat zij in conventie nog aan [partij 1] verschuldigd is.
Hersteltermijn
4.103. De door [partij 1] gevorderde hersteltermijn van vier weken acht de rechtbank, gelet op de omvang van het aantal te herstellen gebreken, de daarvoor benodigde planning en te bestellen materialen, te kort. De rechtbank zal het Bouwbedrijf daarom een hersteltermijn van vier maanden gunnen. Dat sluit aan bij de termijn die het Bouwbedrijf in haar conclusie van antwoord heeft genoemd.
Dwangsom en machtiging
4.104. [partij 1] hebben in de eerste plaats herstel gevorderd, versterkt met een dwangsom, en daarnaast verzocht om hen te machtigen het herstel door derde(n) te laten uitvoeren op kosten van het Bouwbedrijf , zulks binnen 4 weken nadat het Bouwbedrijf in verzuim is. Deze vorderingen sluiten elkaar niet uit, maar dienen wel in onderlinge samenhang te worden beoordeeld.
4.105. Een dwangsom is bedoeld als prikkel tot nakoming. Indien aannemelijk is dat het Bouwbedrijf tot herstel zal overgaan, kan een dwangsom bijdragen aan tijdige en volledige uitvoering. In dat geval is toewijzing van een dwangsom in beginsel toelaatbaar.
4.106. De machtiging tot herstel door derden (artikel 3:299 BW) heeft ten doel [partij 1] in staat te stellen het herstel zelf te laten uitvoeren indien het Bouwbedrijf in gebreke blijft, waarbij de kosten voor rekening van het Bouwbedrijf komen.
4.107. Nu de rechtbank het Bouwbedrijf tot herstel zal veroordelen en niet aannemelijk is dat het Bouwbedrijf aan deze veroordeling geen gevolg zal geven, acht de rechtbank het opleggen van een dwangsom als prikkel tot nakoming passend. De rechtbank ziet aanleiding de gevorderde dwangsom te beperken en te maximeren zoals in het dictum vermeld.
4.108. Anders dan het Bouwbedrijf lijkt te veronderstellen, is bij het opleggen van een herstelverplichting of dwangsom niet vereist dat in detail vast staat welke technische handelingen de aannemer moet verrichten. Voorop staat het resultaat van het herstel. De aannemer heeft in beginsel de vrijheid om het herstel op een door hem gekozen wijze uit te voeren, zolang het eindresultaat voldoet aan de contractuele en functionele eigenschappen, dat wil zeggen aan de algemene eisen van goed en deugdelijk werk. De rechtbank merkt voorts op dat de wijze waarop de vordering is ingesteld – herstel naar de eisen van goed en deugdelijk werk – weliswaar tot discussie tussen partijen kan leiden over de concrete uitvoering, maar dit maakt een veroordeling tot herstel of het opleggen van een dwangsom niet onmogelijk.
4.109. De rechtbank ziet geen reden om naast de opgelegde dwangsom ook de gevorderde machtiging toe te wijzen. Een dergelijk ingrijpend executiemiddel is in beginsel slechts aangewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet vrijwillig tot nakoming zal overgaan of indien spoedeisende omstandigheden onmiddellijke vervangende uitvoering rechtvaardigen. Van dergelijke omstandigheden is in dit geval niet gebleken. Nu het Bouwbedrijf tot herstel wordt veroordeeld en deze veroordeling wordt versterkt met een dwangsom, acht de rechtbank de nakoming voldoende gewaarborgd.
Deskundigenkosten
4.110. [partij 1] vorderen onder 3.3. van hun petitum een bedrag van € 19.873,20 plus rente wegens gemaakte onderzoekskosten. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:
4.111. Het Bouwbedrijf heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van deze kosten. Het Bouwbedrijf stelt dat het inschakelen van meerdere deskundigen niet volledig noodzakelijk was, dat Bouwstad de bevindingen van TechnoConsult grotendeels heeft overgenomen, en dat het Bouwbedrijf ondanks verzoeken daartoe niet bij de beoordelingen betrokken is geweest.
4.112. De rechtbank stelt voorop dat [partij 1] op grond van artikel 6:96 BW recht hebben op vergoeding van redelijke en noodzakelijke onderzoekskosten ter vaststelling van gebreken. De rechtbank acht het inschakelen van meerdere deskundigen noodzakelijk om de diverse gebreken objectief vast te laten stellen. Tegelijkertijd is duidelijk dat Bouwstad grotendeels de bevindingen van TechnoConsult heeft overgenomen, waardoor sprake is van gedeeltelijke dubbeltelling in kosten. Dit rechtvaardigt een matiging van de kosten voor TechnoConsult en Bouwstad . Dat het Bouwbedrijf mogelijk onvoldoende bij het onderzoeksproces betrokken is geweest, weegt bij de beoordeling mee, maar sluit de vergoeding van onderzoekskosten niet uit. Alles overwegende zal de rechtbank de onderzoekskosten als volgt toewijzen. De kosten van [adviesbureau] en Triton zullen volledig worden toegewezen. De kosten van TechnoConsult en Bouwstad zullen voor 50% worden toegewezen. Daarmee wordt uitgekomen op het door de rechtbank redelijk geachte bedrag van in totaal van € 11.270,10.
4.113. [partij 1] vorderen wettelijke rente over de onderzoekskosten vanaf de datum van oplevering of de datum van melding van de gebreken, althans vanaf een in goede justitie te bepalen datum. De rechtbank overweegt dat de wettelijke rente slechts verschuldigd is vanaf het moment waarop de onderzoekskosten feitelijk zijn gemaakt en opeisbaar zijn. Bij oplevering en bij de melding van de gebreken bestond er nog geen vordering tot vergoeding van onderzoekskosten. De vordering kan derhalve niet met terugwerkende kracht vanaf die data worden verhoogd met rente. Gelet hierop zal de rechtbank de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 2 april 2025, de datum van de conclusie na comparitie waarbij aanspraak op de totale onderzoekskosten is gemaakt.
Overige (gevolg)schade
4.114. [partij 1] vorderen onder 3.1 en 3.2 van hun petitum ten titel van schadevergoeding een bedrag van € 3.320,19 plus rente. Zij verwijzen daarbij naar randnummers 146 en 157-159 van de dagvaarding. Blijkens die randnummers is dit bedrag als volgt opgebouwd:
4.115. Het gevorderde bedrag van € 1.411,67 wegens dakdroogkosten is op geen enkele wijze onderbouwd. Er is geen inzicht gegeven in de omvang van de schade en de aansprakelijkheid van het Bouwbedrijf . Hetzelfde geldt voor de gevorderde opstookkosten van € 972,00. De verwijzing naar een enkel e-mailbericht kan hiervoor geen grondslag vormen. Deze vordering zal daarom worden afgewezen.
4.116. Ook de gevorderde elektricienkosten van € 181,50 worden afgewezen. [partij 1] hebben onvoldoende gesteld, laat staan onderbouwd, dat het aansluiten van de aardwarmtepomp op krachtstroom noodzakelijk was en op welke grondslag deze kosten voor rekening van het Bouwbedrijf zouden moeten komen. [partij 1] stellen wel hogere stroomkosten te hebben gehad doordat de WTW-installatie en aardwarmtepomp niet goed functioneerden, maar deze schade is niet concreet gespecificeerd en onderbouwd.
4.117. Ter onderbouwing van de kosten voor gordijnen stellen [partij 1] dat het afwerken van het stucwerk en het schoonmaken van de muur nodig was om de screens te kunnen plaatsen. Het Bouwbedrijf betwist dit. Nu niet is komen vast te staan dat het plaatsen van screens daarvan afhankelijk was, [partij 1] er ook voor hadden kunnen kiezen deze werkzaamheden zelf te laten uitvoeren en het Bouwbedrijf bovendien heeft aangevoerd dat de gordijnen niet tijdelijk waren daar deze reeds vóór oplevering zijn aangeschaft, wordt de vordering afgewezen.
Onverschuldigde betaling
4.118. [partij 1] vorderen een verklaring voor recht dat zij € 10.875,00 te veel aan het Bouwbedrijf hebben betaald en vorderen terugbetaling van dat bedrag. [partij 1] stellen dat dit bedrag betrekking heeft op kosten van uitvoering/ werkvoorbereiding die zij voornamelijk zelf hebben moeten verrichten doordat het Bouwbedrijf deze werkzaamheden zou hebben nagelaten en dat uit de overgelegde correspondentie en bijgevoegde producties duidelijk wordt dat zij deze werkzaamheden zelf hebben uitgevoerd.
4.119. De rechtbank is van oordeel dat de vordering niet toewijsbaar is. Allereerst is op geen enkele wijze onderbouwd dat en welke werkzaamheden daadwerkelijk door [partij 1] zouden zijn verricht en in hoeverre het gevorderde bedrag van €10.875,00 daarop betrekking heeft. Een enkele verwijzing naar de overgelegde correspondentie en bijgevoegde producties, zonder daarbij aan te geven welke correspondentie en producties, kan niet als een deugdelijke onderbouwing van de vordering worden beschouwd. Daarbij komt dat er een contractuele grondslag voor betaling bestond, namelijk de aannemingsovereenkomst. Ook als [partij 1] zelf werkzaamheden zouden hebben verricht, kan een betaling niet zonder meer als onverschuldigd worden aangemerkt. Gelet hierop zal de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht en terugbetaling niet toewijzen.
Buitengerechtelijke kosten
4.120. [partij 1] vorderen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub c BW een bedrag van € 3.198,76 incl. btw aan buitengerechtelijke kosten. Het Bouwbedrijf betwist deze vordering.
4.121. Ingevolge artikel 6:96 lid 2 sub c BW komen redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking. Buitengerechtelijke kosten als bedoeld in deze bepaling komen alleen voor vergoeding in aanmerking indien deze de dubbele redelijkheidtoets kunnen doorstaan. Vereist is dat, in de gegeven omstandigheden, de kosten redelijk zijn en de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren. Beoordeeld dient dan ook te worden of de kosten qua omvang binnen redelijke grenzen zijn gebleven en of het redelijk is geweest om in gegeven omstandigheden de betreffende kosten te maken. De buitengerechtelijke kosten dienen geen betrekking te hebben op verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237 en 239 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.
4.122. [partij 1] dienen te stellen en te specificeren dat kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in de artikelen 237 en 239 Rv bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing is het de rechtbank niet duidelijk voor welke verrichtingen [partij 1] een vergoeding vordert. Om die reden zal de vordering worden afgewezen.
Immateriële schadevergoeding en schade van opgenomen vrije dagen
4.123. [partij 1] vorderen een bedrag van € 30.000,00 aan immateriële schade. Daarnaast vorderen zij in verband met opgenomen vakantiedagen een bedrag van
€ 10.497,86 als vermogensschade.
4.124. De rechtbank is met het Bouwbedrijf van oordeel dat deze vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd. In ons rechtssysteem worden vorderingen tot vergoeding van immateriële schade of persoonlijke tijdsinvestering slechts in zeer uitzonderlijke gevallen toegewezen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het ongemak dat de situatie voor [partij 1] heeft veroorzaakt, hebben zij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door de tekortkomingen van het Bouwbedrijf zodanig emotioneel of persoonlijk zijn geraakt dat een immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd is, laat staan voor het gevorderde bedrag. Voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor de opgenomen vakantiedagen geldt dat de daardoor geleden inkomstenvermindering als gevolg van het opnemen van extra vakantiedagen voor vergoeding in aanneming kan komen, als die aan de schadeveroorzakende gebeurtenis kan worden toegerekend. [partij 1] stellen dat zij diverse vakantiedagen hebben moeten opnemen om het Bouwbedrijf bepaalde gebreken te kunnen laten beoordelen en herstellen en voor de deskundigen. Onder verwijzing naar productie 67 stellen zij dat het om 40 vrije dagen gaat. De rechtbank is van oordeel dat [partij 1] onvoldoende hebben onderbouwd dat de afspraken/werkzaamheden waarvoor zij stellen vrij te hebben genomen niet konden worden gepland op dagen waarop vrij waren. Verder hebben zij onvoldoende onderbouwd dat het opnemen van deze dagen volledig kan worden toegerekend aan de tekortkoming van het Bouwbedrijf .
Proceskosten in conventie
4.125. Hoewel de vorderingen van [partij 1] niet op alle onderdelen worden toegewezen, is een substantieel gedeelte van het gevorderde wel toewijsbaar gebleken. De rechtbank is daarom van oordeel dat [partij 1] als de in overwegende mate in het gelijk gestelde partij hebben te gelden.
Dit brengt mee dat het Bouwbedrijf als de in conventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij de proceskosten (inclusief nakosten) moet betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
4.126. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.127. Het Bouwbedrijf stelt dat [partij 1] per datum oplevering (7 september 2022) het resterende bedrag van de aanneemsom verschuldigd zijn van € 109.940,72. Dit bedrag is gefactureerd middels drie facturen[63]. Het Bouwbedrijf gaat daarbij uit van een aanneemsom van € 483.164,30, overeengekomen meerwerk ten bedrage van € 7.973,30 en € 45.255,21 aan minderwerk. [partij 1] hebben € 355.941,67 betaald zodat nog een te betalen bedrag van € 109.940,72 resteert. [partij 1] schieten tekort in de nakoming van de op hen rustende betalingsverplichting en beroepen zich ten onrechte op opschorting, aldus het Bouwbedrijf .
4.128. [partij 1] stellen zich primair op het standpunt dat [factuurnummer 2] , met omschrijving restant aanneemsom inclusief verrekening meer - en minderwerk, pas op 16 juli 2024 verzonden is zodat de betalingstermijn ten tijde van het indienen van de eis in reconventie nog niet verstreken was. Er is derhalve geen opeisbare vordering zodat de reconventie moet worden afgewezen.
4.129. De rechtbank volgt [partij 1] niet in hun redenering. Dat de betalingstermijn van [factuurnummer 2] ten tijde van het instellen van de reconventionele vordering nog niet verstreken was, betekent alleen dat er nog geen sprake was van verzuim. Dit brengt mee dat wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar zijn over de periode vóór het verstrijken van de betalingstermijn. Dit leidt er niet toe dat de reconventionele vorderingen voor afwijzing gereed liggen. De rechtbank komt aan een inhoudelijke beoordeling toe.
4.130. Partijen zijn het erover eens dat tussen hen een aanneemovereenkomst is gesloten voor een bedrag van € 483.164,30. Eveneens staat vast dat partijen meerwerk zijn overeengekomen ter hoogte van in ieder geval € 7.973,30. Daarmee bedraagt het uitgangspunt voor de eindafrekening € 491.137,60.
4.131. Partijen verschillen van mening over de omvang van het minderwerk. Het Bouwbedrijf stelt dat sprake is van overeengekomen minderwerk ter hoogte van € 45.255,21, zodat de aangepaste aanneemsom (€ 483.164,30 + € 7.973,30 - € 45.255,21 = ) € 445.882,39 bedraagt. [partij 1] stellen dat het minderwerk aanzienlijk hoger is en dat na verrekening van meer - en minderwerk de aangepaste aanneemsom € 405.191,75 bedraagt.
4.132. Vaststaat dat door [partij 1] een bedrag van € 335.941,67 is voldaan.
4.133. Volgens het Bouwbedrijf moeten [partij 1] nog een resterende aanneemsom van (€ 445.882,39 - € 335.941,67 = ) € 109.940,72 betalen. Volgens [partij 1] moeten zij nog € 58.779,58 betalen. [partij 1] stelt dat dit het verschil is tussen de nieuwe aanneemsom van € 405.191,75 en de betaalde facturen van € 335.941,67. [partij 1] doen met betrekking tot dit door hen erkende bedrag een beroep op opschorting en verrekening met de herstelkosten.
4.134. Het is de rechtbank niet duidelijk hoe [partij 1] tot het bedrag van € 405.191,75 komen. De berekening die zij daaraan bij conclusie na comparitie ten grondslag leggen is onnavolgbaar. Dit geldt te meer, nu [partij 1] ten tijde van de mondelinge behandeling nog uitgingen van een aangepaste aanneemsom van € 400.272,55. De berekening daarvan hadden zij verwerkt in productie 91. Ter zitting hebben zij ter toelichting op deze aangepaste aanneemsom van € 400.272,55 aangegeven dat zij tot dit bedrag zijn gekomen door het minderwerk uit randnummers 144 en 147 van de dagvaarding in mindering te brengen op de overeengekomen aanneemsom van € 483.164,30. Bij akte wijzing eis is randnummer 144 aangevuld met nog een aantal andere posten aan minderwerk. Het Bouwbedrijf kan deze nieuwe aanneemsom van € 400.272,55 nog factureren. Er is al een bedrag van € 358.781,25 gefactureerd. Dat betekent dat nog een bedrag van € 41.491,29 gefactureerd kan worden. [partij 1] moeten dit bedrag dus nog betalen en niet het in de dagvaarding genoemde bedrag van € 17.632,11, aldus [partij 1] Ook in deze redenering kon de rechtbank [partij 1] niet volgen. De overeengekomen aanneemsom van € 483.164,30 - / - minderwerk € 66.790,04 - / - minderwerk € 10.875,00 = € 405.499,26 en niet € 400.272,55. Bovendien moeten [partij 1] niet alleen de restant aanneemsom van € 41.491,29 betalen maar ook nog de openstaande facturen van € 22.839,58.
4.135. De rechtbank stelt vast dat [partij 1] in hun berekening verschillende posten door elkaar hanteren, waaronder (i) de contractuele eindafrekening, (ii) de stand van facturering en betaling, en (iii) een beroep op opschorting en verrekening. Deze posten dienen echter van elkaar te worden onderscheiden.
Juiste aanneemsom na verrekening van meer - en minderwerk
4.136. De rechtbank stelt voorop dat eerst dient te worden vastgesteld wat de juiste aanneemsom na verrekening van meer - en minderwerk bedraagt. Pas daarna kan worden beoordeeld welk bedrag, gelet op de reeds verrichte betalingen, nog verschuldigd is. Een beroep op opschorting en verrekening komt eerst in beeld nadat is vastgesteld dát en hoeveel [partij 1] nog dienen te betalen.
4.137. Indien wordt uitgegaan van het door [partij 1] gestelde bedrag van € 405.191,75 als aangepaste aanneemsom en het vaststaande reeds betaalde bedrag van € 335.941,67 daarop in mindering wordt gebracht, resteert een bedrag van € 69.250,08, en niet een bedrag van € 58.779,58, zoals [partij 1] stellen. [partij 1] hebben niet inzichtelijk gemaakt hoe zij tot dit bedrag komen.
4.138. Wat wel duidelijk uit de berekening van [partij 1] blijkt, is dat zij zich beroepen op een aanzienlijk hogere post aan minderwerk dan door het Bouwbedrijf is erkend. Daarmee rust op [partij 1] de stelplicht en bewijslast van dit gestelde minderwerk. Daaraan hebben zij niet voldaan. De enkele verwijzing naar een opsomming van posten die volgens [partij 1] door hen zelf zouden zijn uitgevoerd, dan wel op 4 maart 2022 als minderwerk zouden zijn overeengekomen met het Bouwbedrijf , is daartoe – gelet op de gemotiveerde betwisting van het Bouwbedrijf – onvoldoende. De door hen gegeven opsommingen en berekeningen maken niet inzichtelijk welke aanvullende werkzaamheden concreet zijn vervallen, op welke wijze deze zijn gewaardeerd en op welk moment en op welke grondslag deze als minderwerk tussen partijen zouden zijn overeengekomen.
4.139. Nu het bestaan en de omvang van minderwerk boven het door het Bouwbedrijf erkende bedrag van € 45.255,21 niet is komen vast te staan, gaat de rechtbank uit van dit bedrag van € 45.255,21 bij de vaststelling van de eindafrekening tussen partijen.
4.140. Dit betekent dat [partij 1] aan het Bouwbedrijf nog een restant aanneemsom van € 109.940,72 verschuldigd zijn. Dit bedrag is door het Bouwbedrijf gefactureerd bij facturen met nummers [factuurnummer 1] , [factuurnummer 3] en [factuurnummer 2] . Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het door [partij 1] gevoerde verweer van opschorting en verrekening. [partij 1] stellen dat zij betaling van (een deel van) het openstaande bedrag mogen opschorten wegens niet uitgevoerd herstel en dit mogen verrekenen met door hen gestelde herstelkosten wegens tekortkomingen in het uitgevoerde werk.
Beroep op opschorting en verrekening
4.141. De rechtbank stelt voorop dat een beroep op opschorting en verrekening slechts kan slagen indien vaststaat dat [partij 1] een opeisbare en voldoende bepaalbare tegenvordering hebben, die in zodanig verband staat met de betalingsverplichting dat opschorting gerechtvaardigd is. Het is aan [partij 1] om feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, te bewijzen waaruit het bestaan en de omvang van een dergelijke tegenvordering volgt.
[factuurnummer 1]
4.142. Ten aanzien [factuurnummer 1] van 12 juli 2022, de laatste termijn van de gevelstukadoor, voeren [partij 1] aan dat zij deze factuur niet hebben betaald omdat zij geklaagd hebben over de kwaliteit van het stucwerk en de steenstrips (gebreken 3 en 6). [partij 1] stellen dat deze gebreken eerst moeten worden hersteld voordat betaling verschuldigd is.
4.143. De rechtbank heeft in conventie geoordeeld dat ten aanzien van het stucwerk en de steenstrips geen sprake is van een gebrek. Nu de vermeende gebreken niet zijn komen vast te staan, ontbreekt de grondslag voor de opschorting van de betaling van deze factuur. Het beroep op opschorting faalt daarom.
[factuurnummer 3]
4.144. [factuurnummer 3] heeft betrekking op de door [installatiebureau] geleverde en geplaatste aardwarmtepomp. [partij 1] stellen dat zij betaling van deze factuur mogen opschorten wegens non-conformiteit.
4.145. De rechtbank volgt [partij 1] niet in hun standpunt. Weliswaar is in kort geding geoordeeld dat de huidige aardwarmtepomp niet aan de overeenkomst beantwoordt, maar het Bouwbedrijf is bereid dit te herstellen door levering en montage van een nieuwe aardwarmtepomp. Daartoe ligt reeds geruime tijd een uitvoerbaar herstelplan gereed. De uitvoering van dit plan wordt thans, zoals in conventie is overwogen, door [partij 1] verhinderd.
4.146. De rechtbank gaat ervan uit dat het Bouwbedrijf zal overgaan tot herstel van de aardwarmtepomp, zodra [partij 1] daaraan hun medewerking verlenen. Zolang zij hun medewerking daaraan niet verlenen, is er sprake van schuldeisersverzuim en zijn zij niet bevoegd om hun betalingsverplichting op te schorten. Dat betekent dat [partij 1] gehouden zijn om de factuur te voldoen.
[factuurnummer 2]
4.147. [factuurnummer 2] ten bedrage van € 87.101,14 heeft als omschrijving 'restant aanneemsom inclusief verrekening meer - en minderwerk'. De juistheid van deze factuur wordt door [partij 1] betwist. Uit de processtukken van het Bouwbedrijf , in onderlinge samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen over de aanneemsom, het overeengekomen meer - en minderwerk en de reeds door [partij 1] verrichte betalingen, blijkt voldoende hoe het Bouwbedrijf tot dit restantbedrag is gekomen. De rechtbank acht de factuur derhalve voldoende gespecificeerd en het daarin genoemde bedrag in beginsel toewijsbaar.
4.148. [partij 1] voeren echter als verweer aan dat betaling van deze factuur kan worden opgeschort dan wel verrekend omdat de gebreken nog niet zijn hersteld en de begrote herstelkosten minimaal € 260.000,00 zouden bedragen. Dit verweer faalt.
4.149. Voor het beroep op verrekening geldt dat er geen herstelkosten zijn gevorderd, zodat er geen bestaande en opeisbare vordering is waarmee het restant van de aanneemsom kan worden verrekend. [partij 1] vorderen immers geen vervangende schadevergoeding, maar nakoming in de zin van herstel van gebreken. Zolang een dergelijke vordering niet is omgezet in een geldvordering, ontbreekt een rechtsgrond voor verrekening.
4.150. Voor het beroep op opschorting geldt dat opschorting leidt tot uitstel van betaling en niet tot het vervallen van de betalingsverplichting. [partij 1] hebben hun betalingsverplichting opgeschort, zo begrijpt de rechtbank, totdat de gebreken zijn hersteld. Nu in conventie is vastgesteld welke gebreken moeten worden hersteld en het Bouwbedrijf daartoe in conventie zal worden veroordeeld, is er voor [partij 1] geen reden meer om zich op opschorting te blijven beroepen. Dit geldt temeer nu aan het Bouwbedrijf in conventie tevens een dwangsom zal worden opgelegd, voor het geval zij niet aan de veroordeling zal voldoen. De slotsom is dan ook dat [partij 1] zullen worden veroordeeld tot het betalen van het restant van de aanneemsom ten bedrage van € 87.101,14.
Wettelijke rente en incassokosten
4.151. Uit het voorgaande volgt dat [partij 1] gehouden zijn de drie openstaande facturen te voldoen. Deze belopen gezamenlijk een bedrag van € 109.940,72. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen met ingang van de datum van dit vonnis. Er is namelijk niet toegelicht waarom de rente met ingang van de gevorderde ingangsdatum, zijnde de dag waarop een sommatiebrief verzonden is, verschuldigd is.
4.152. Het Bouwbedrijf vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Daartegen is geen inhoudelijk verweer gevoerd. De aanmaning voldoet aan de eisen zoals neergelegd in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en artikel 6:96 lid 6 BW, zodat ook dit deel van de vordering toewijsbaar is. Daarom zal een bedrag van € 1.874,41 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen met ingang van de datum van dit vonnis.
Proceskosten in reconventie
4.153. [partij 1] zijn in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van het Bouwbedrijf worden begroot op:
4.154. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5 De beslissing

De rechtbank
in conventie
5.1. veroordeelt het Bouwbedrijf om de in rechtsoverweging 4.100. genoemde gebreken binnen een termijn van vier maanden na datum van dit vonnis te herstellen naar eisen van goed en deugdelijk werk,
5.2. veroordeelt het Bouwbedrijf tot betaling van een dwangsom van
€ 500,00 per dag (of gedeelte daarvan) dat het Bouwbedrijf in gebreke blijft aan de veroordeling onder 5.1. te voldoen, met een maximum van € 50.000,00,
5.3. veroordeelt het Bouwbedrijf om aan [partij 1] te betalen een bedrag van
€ 11.270,10 aan onderzoekskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf 2 april 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.4. veroordeelt het Bouwbedrijf in de proceskosten van € 3.172,55, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als het Bouwebedrijf niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5. veroordeelt het Bouwbedrijf in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.7. wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.8. veroordeelt [partij 1] om aan het Bouwbedrijf te betalen een bedrag van € 109.940,72, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.9. veroordeelt [partij 1] om aan het Bouwbedrijf te betalen een bedrag van
€ 1.874,41 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.10. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.11. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
Productie 1 en 2 dagvaarding
Productie 13 conclusie van antwoord zijdens [partij 2]
Productie 4 dagvaarding
Productie 5 dagvaarding
Productie 5 dagvaarding
Productie 9 dagvaarding, rapport van 17 mei 2022
Productie 10 dagvaarding, rapport van 17 juni 2022
Productie 11 dagvaarding
Productie 2 conclusie van antwoord
Productie 16 dagvaarding
Productie 19 dagvaarding, rapport Lekdectiecentrale
Productie 20 dagvaarding, rapport van Trition
Productie 17 dagvaarding
Productie 24 dagvaarding
Productie 25 dagvaarding
Producties 29 en 30 dagvaarding
Productie 40 dagvaarding, rapport TechnoConsult d.d. 24 mei 2023
Productie 34 dagvaarding
Productie 35 dagvaarding, rapport van [deskundige] van 9 juni 2023
Productie 36 dagvaarding
Productie 56 dagvaarding, rapport van Trition B.V. van 13 oktober 2023
Productie 58 dagvaarding en productie 108 zijdens [partij 1]
Productie 152 conclusie na comparitie zijdens [partij 1]
Productie 113 zijdens [partij 1]
Productie 114 zijdens [partij 1]
Productie 116 zijdens [partij 1]
Productie 117 zijdens [partij 1]
Productie 134 zijdens [partij 1]
Facturen [factuurnummer 1] , [factuurnummer 3] en [factuurnummer 2] , producties 15, 14 en 1 bij conclusie van antwoord
Productie 124 conclusie van antwoord in reconventie
Productie 106 bij conclusie na comparatie zijdens [partij 1]
Productie 40 dagvaarding
Pagina 28 van productie 40 bij dagvaarding
Pagina 13 productie 134 bij dagvaarding
Productie 40 bij dagvaarding
Productie 9 bij dagvaarding
Productie 134 bij conclusie na comparitie
Productie 40 bij dagvaarding
Productie 6 conclusie van antwoord
Productie 40 bij dagvaarding
Productie 134 bij conclusie na comparitie
Productie 40 bij dagvaarding
Pagina 33 van productie 40 bij dagvaarding
Pagina 6 van productie 134 bij conclusie na comparitie
Pagina 8 van productie 35 bij dagvaarding
Pagina 24 van productie 134 en productie 116 zijdens [partij 1]
Productie 35 p. 10 en verder
Productie 108 zijdens [partij 1]
Productie 134 conclusie na comparitie
Productie 9 van het Bouwbedrijf
Productie 10 van het Bouwbedrijf
Productie 139 zijdens [partij 1]
Productie 146 zijdens [partij 1]
Productie 40 zijdens [partij 1]
Productie 134 zijdens [partij 1]
Productie 40 zijdens [partij 1]
Productie 48 zijdens [partij 1]
Productie 61 zijdens [partij 1]
Productie 56 bij dagvaarding.
Productie 114 zijdens [partij 1]
Productie 117 zijdens [partij 1]
Productie 134 zijdens [partij 1]
[factuurnummer 1] de dato 12-07-2022 ten bedrage van € 10.437,08 (productie 15 zijdens het Bouwbedrijf ), [factuurnummer 3] de dato 17-02-2023 ten bedrage van € 12.402,50 (productie 14 zijdens het Bouwbedrijf ) en [factuurnummer 2] de dato 16-07-2024 ten bedrage van € 87.101,14 (productie 1 zijdens het Bouwbedrijf ). - - - ## Voetnoten
Productie 1 en 2 dagvaarding
Productie 13 conclusie van antwoord zijdens [partij 2]
Productie 4 dagvaarding
Productie 5 dagvaarding
Productie 5 dagvaarding
Productie 9 dagvaarding, rapport van 17 mei 2022
Productie 10 dagvaarding, rapport van 17 juni 2022
Productie 11 dagvaarding
Productie 2 conclusie van antwoord
Productie 16 dagvaarding
Productie 19 dagvaarding, rapport Lekdectiecentrale
Productie 20 dagvaarding, rapport van Trition
Productie 17 dagvaarding
Productie 24 dagvaarding
Productie 25 dagvaarding
Producties 29 en 30 dagvaarding
Productie 40 dagvaarding, rapport TechnoConsult d.d. 24 mei 2023
Productie 34 dagvaarding
Productie 35 dagvaarding, rapport van [deskundige] van 9 juni 2023
Productie 36 dagvaarding
Productie 56 dagvaarding, rapport van Trition B.V. van 13 oktober 2023
Productie 58 dagvaarding en productie 108 zijdens [partij 1]
Productie 152 conclusie na comparitie zijdens [partij 1]
Productie 113 zijdens [partij 1]
Productie 114 zijdens [partij 1]
Productie 116 zijdens [partij 1]
Productie 117 zijdens [partij 1]
Productie 134 zijdens [partij 1]
Facturen [factuurnummer 1] , [factuurnummer 3] en [factuurnummer 2] , producties 15, 14 en 1 bij conclusie van antwoord
Productie 124 conclusie van antwoord in reconventie
Productie 106 bij conclusie na comparatie zijdens [partij 1]
Productie 40 dagvaarding
Pagina 28 van productie 40 bij dagvaarding
Pagina 13 productie 134 bij dagvaarding
Productie 40 bij dagvaarding
Productie 9 bij dagvaarding
Productie 134 bij conclusie na comparitie
Productie 40 bij dagvaarding
Productie 6 conclusie van antwoord
Productie 40 bij dagvaarding
Productie 134 bij conclusie na comparitie
Productie 40 bij dagvaarding
Pagina 33 van productie 40 bij dagvaarding
Pagina 6 van productie 134 bij conclusie na comparitie
Pagina 8 van productie 35 bij dagvaarding
Pagina 24 van productie 134 en productie 116 zijdens [partij 1]
Productie 35 p. 10 en verder
Productie 108 zijdens [partij 1]
Productie 134 conclusie na comparitie
Productie 9 van het Bouwbedrijf
Productie 10 van het Bouwbedrijf
Productie 139 zijdens [partij 1]
Productie 146 zijdens [partij 1]
Productie 40 zijdens [partij 1]
Productie 134 zijdens [partij 1]
Productie 40 zijdens [partij 1]
Productie 48 zijdens [partij 1]
Productie 61 zijdens [partij 1]
Productie 56 bij dagvaarding.
Productie 114 zijdens [partij 1]
Productie 117 zijdens [partij 1]
Productie 134 zijdens [partij 1]
[factuurnummer 1] de dato 12-07-2022 ten bedrage van € 10.437,08 (productie 15 zijdens het Bouwbedrijf ), [factuurnummer 3] de dato 17-02-2023 ten bedrage van € 12.402,50 (productie 14 zijdens het Bouwbedrijf ) en [factuurnummer 2] de dato 16-07-2024 ten bedrage van € 87.101,14 (productie 1 zijdens het Bouwbedrijf ).