Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:297 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 9 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBZWB:2026:297•9 februari 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: 24/8473, 24/8474 en 25/6068
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 februari 2026 in de zaken tussen
1 1. [eiser 1] , uit [woonplaats 1] ;
**2. [eisers 1] ,**uit [woonplaats 2] ;
**3. [eisers 2] ,**uit [woonplaats 2] ;
**4. [eiser 2] ,**uit [woonplaats 2] ,
(gemachtigde: [gemachtigde 1] ),
samen, eisers 1,
en,
1 Exploitatie - en Ontwikkelingsmaatschappij "De Kaashoeve B.V", uit Middelburg;
- **Ontwikkelmaatschappij DRZ B.V.**uit Arnhem;
- **Dormio Leisure Development B.V.**uit Arnhem;
- **Dormio Holidays B.V.**uit Arnhem;
- **Dormio Investment B.V.**uit Arhem;
- Sagro Aannemingsmaatschappij Zeeland B.V. uit 's-Heerenbroek;
- **Bouwbedrijf De Delta B.V.**uit Middelburg;
(gemachtigde: mr. M.H. Blokvoort).
samen, eiseressen 2,
en
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college.
Eisers 1 hebben deelgenomen als derde partij bij de beroepen (24/8474 en 25/6068) van eiseressen 2. Eiseressen 2 hebben deelgenomen als derde partij bij het beroep (24/8473) van eisers 1.
Als derde partij heeft daarnaast aan het geding deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.
Inleiding
Eisers 1 en eiseressen 2 hebben afzonderlijk van elkaar beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 11 juni 2024 (bestreden besluit I), over het intrekken van een omgevingsvergunning die op 25 augustus 2011 was verleend aan Exploitatie - en Ontwikkelingsmaatschappij De Kaashoeve B.V. (hierna: de Kaashoeve). De ingetrokken omgevingsvergunning zag op het realiseren van een hotel aan de [adres 1] . Het beroep van eisers 1 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 24/8473. Eisers 1 hebben de rechtbank ook verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Het beroep van eiseressen 2 is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 24/8474.
Eiseressen 2 hebben daarnaast beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van het college van 11 juni 2024 (bestreden besluit II), over het gedeeltelijk weigeren van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen op het perceel. Dit beroep is door de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/6068.
Het college heeft op 5 februari 2025 de op het beroep van eisers 1 betrekking hebbende stukken ingezonden. Eén document (productie 2) heeft het college zowel geanonimiseerd als volledig ingediend. Ten aanzien van de niet geanonimiseerde versie van het document heeft het college verzocht om geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Bij beslissing van 3 april 2025 heeft de rechtbank bepaald dat beperking van de kennisneming van dit stuk gerechtvaardigd is. Eiseressen 2 en eisers 1 hebben de rechtbank op 12 mei 2025 en 31 juli 2025 toestemming verleend het document te betrekken in de beoordeling van het beroep.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 december 2025 op zitting behandeld. Namens eisers 1 was hun gemachtigde aanwezig. Namens eiseressen 2 waren hun gemachtigde en [gemachtigde 2] aanwezig. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .
Beoordeling door de rechtbank
De Kaashoeve is eigenaar van het perceel aan de [adres 1] (hierna: het perceel).
Eisers 1 wonen aan de [adres 2] (op 1 kilometer afstand), [adres 3] (op 20 meter afstand), [adres 4] (op 20 meter afstand) en [adres 5] (op 1.3 kilometer afstand).
1.1 Feiten bestreden besluit I
Op 25 augustus 2011 heeft het college aan de Kaashoeve een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een hotel op een perceel aan de [adres 1] (hierna: het perceel). De omgevingsvergunning had betrekking op het bouwen van het hotel, het afwijken van het bestemmingsplan en het maken van een uitweg.
Eisers 1 hebben het college verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning.
Het college heeft in een brief van 30 juli 2021 aan de Kaashoeve medegedeeld voornemens te zijn om de omgevingsvergunning in te trekken. Naar aanleiding van dat voornemen hebben eiseressen 2 op 27 augustus 2021 een zienswijze naar voren gebracht. Eisers 1 hebben ook een zienswijze naar voren gebracht.
Bij besluit van 4 oktober 2021 (primair besluit I) heeft het college de omgevingsvergunning van 25 augustus 2011 ingetrokken, op grond van artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo.
Eiseressen 2 hebben op 9 november 2021 bezwaar gemaakt tegen primair besluit I.
Op 13 december 2021 is een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente Veere en de Kaashoeve over de ontwikkeling van het perceel. Tussen partijen is overeenstemming bereikt over een alternatief bouwplan. In de overeenkomst zijn afspraken gemaakt over de wijze waarop dit alternatieve bouwplan van een omgevingsrechtelijke basis zal worden voorzien en over vergoeding door de gemeente van de financiële schade voor de initiatiefnemers van de omzetting van het oorspronkelijke bouwplan naar het alternatieve bouwplan.
Eisers 1 hebben op 22 november 2022 beroep ingesteld tegen het door het college niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseressen 2 tegen primair besluit I. De rechtbank heeft dat beroep geregistreerd onder zaaknummer 22/5452 en op 10 maart 2023 op zitting behandeld.[1] In een uitspraak van 24 maart 2023 heeft de rechtbank het beroep van eisers 1 niet-ontvankelijk verklaard. Eisers 1 hebben daar hoger beroep tegen ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling).
Bij bestreden besluit I heeft het college het bezwaar van eiseressen 2 tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Het college is er daarbij vanuit gegaan dat de omgevingsvergunning uit 2011 is ingetrokken op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet (Ow).
Eiseressen 2 hebben in een brief van 18 juli 2024 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I bij deze rechtbank. De rechtbank heeft dit beroepschrift geregistreerd onder zaaknummer 24/5989. De rechtbank heeft dit beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling op 22 augustus 2024.
In een uitspraak van 30 oktober 2024 heeft de Afdeling[2] het beroep van eisers 1 tegen de uitspraak van de rechtbank van 24 maart 2023 gegrond verklaard. De Afdeling heeft de uitspraak vernietigd. Gelet op artikel 6:20, derde lid, en artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) had het hoger beroep ook betrekking op het bestreden besluit I. De Afdeling heeft het beroep van eisers 1 tegen bestreden besluit I terugverwezen naar deze rechtbank. Dit beroep is vervolgens bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 24/8473. De Afdeling heeft ook het beroep van eiseressen 2 tegen bestreden besluit I teruggestuurd naar deze rechtbank. Dit beroep is vervolgens bij deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 24/8474.
1.2 Feiten bestreden besluit II
Op 28 juli 2021 heeft de Kaashoeve een omgevingsvergunning voor het kappen van 30 bomen op het perceel aangevraagd.
Bij besluit van 27 oktober 2021 (primair besluit II) heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 18 van de 30 bomen.
Eiseressen 2 hebben op 7 december 2021 bezwaar gemaakt tegen primair besluit II.
Bij bestreden besluit II heeft het college het bezwaar van eiseressen 2 tegen primair besluit II ongegrond verklaard.
Eiseressen 2 hebben in een brief van 18 juli 2024 beroep ingesteld tegen bestreden besluit II bij deze rechtbank. De rechtbank heeft dit beroepschrift geregistreerd onder zaaknummer 24/5991. De rechtbank heeft dit beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling op 22 augustus 2024.
De Afdeling heeft het beroep tegen bestreden besluit II op 4 september 2024 teruggestuurd naar de rechtbank. Dit beroep is vervolgens door deze rechtbank geregistreerd onder zaaknummer 25/6068.
2. Wettelijk kader
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
3. Ontvankelijkheid beroepen
3.1 De rechtbank heeft – ambtshalve en naar aanleiding van door partijen ingenomen standpunten – beoordeeld of de beroepen van eisers ontvankelijk zijn. De rechtbank heeft beoordeeld of eisers procesbelang hebben en of zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij bestreden besluiten I en II.
Procesbelang
3.2 Procesbelang is het belang dat een belanghebbende heeft bij de uitkomst van een procedure. Daarbij gaat het erom of het doel dat de belanghebbende voor ogen staat, met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de belanghebbende van feitelijke betekenis is. In beginsel heeft een belanghebbende die opkomt tegen een besluit, belang bij een beoordeling van zijn beroep, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure is komen te vervallen. In dat geval is de bestuursrechter niet geroepen uitspraak te doen uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan.[3]
3.3 De rechtbank is van oordeel dat uit rechtsoverweging 3 van de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 – en de daarin opgenomen terugverwijzing van het beroep naar deze rechtbank – volgt dat eisers 1 procesbelang hebben bij hun beroep tegen de beslissing op bezwaar over de intrekking van de omgevingsvergunning (bestreden besluit I). Eiseressen 2 hebben ook procesbelang bij hun beroep tegen bestreden besluit I. Door het sluiten van een anterieure overeenkomst op 13 december 2021 over een alternatief bouwplan is het procesbelang van eiseressen 2 bij dit beroep niet komen te vervallen. Als het alternatieve plan geen doorgang vindt, wensen eiseressen 2 alsnog uitvoering te geven aan het in 2011 vergunde plan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat eiseressen 2 procesbelang hebben bij hun beroep tegen de beslissing op bezwaar over de omgevingsvergunning voor het kappen van bomen, omdat zij door middel van die procedure proberen te bereiken om toestemming te krijgen voor het kappen van meer dan 18 bomen.
Belanghebbendheid eisers bij bestreden besluiten I en II
3.4 In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.[4]
3.5 Eiseressen 2 hebben beroep ingesteld tegen beslissingen van het college op hun bezwaarschriften. Als geadresseerde van die bestreden besluiten kunnen zij worden aangemerkt als belanghebbende bij die besluiten. Eisers 1 hebben onder andere aangevoerd dat het college het bezwaarschrift van een deel van eiseressen 2 niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat zij geen belanghebbenden zijn bij primair besluit I. De rechtbank beoordeelt die beroepsgrond in overweging 6.5.5 van deze uitspraak.
3.6 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen eisers 1, met uitzondering van [eiser 1] (hierna: [eiser 1] ), worden aangemerkt als belanghebbende bij bestreden besluit I. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
3.7 Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, is in beginsel belanghebbende bij een omgevingsrechtelijk besluit. Het criterium "gevolgen van enige betekenis" van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef - of bedrijfssituatie van iemand zijn, wordt in vaste rechtspraak van de Afdeling[5] gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Die factoren worden zo nodig in onderlinge samenhang bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
3.8 [eisers 1] en [eisers 2] kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij bestreden besluit I. De rechtbank acht aannemelijk dat zij gevolgen van enige betekenis kunnen ervaren, omdat zij op ongeveer 20 meter afstand van de [adres 1] wonen. De rechtbank acht ook aannemelijk dat [eiser 2] dergelijke gevolgen kan ervaren, omdat op zitting onbetwist is gesteld dat hij percelen in eigendom heeft die grenzen aan de [adres 1] . Naar het oordeel van de rechtbank kan [eiser 1] niet worden aangemerkt belanghebbende bij bestreden besluit I, omdat hij aan de [adres 5] woont en daarom op één kilometer afstand van de [adres 1] . Gelet daarop acht de rechtbank niet aannemelijk dat hij gevolgen van enige betekenis zal ervaren van bestreden besluit I.
3.9 De rechtbank zal het beroep van eisers 1 daarom niet-ontvankelijk verklaren, voor zover het is ingediend door [eiser 1] .[6] Dat betekent ook dat de rechtbank ervan uit gaat dat [eiser 1] niet als derde partij heeft deelgenomen aan de beroepen van eiseressen 2. Wanneer de rechtbank hierna spreekt over 'eisers 1', bedoelt de rechtbank: [eisers 1] , [eisers 2] en [eiser 2] samen.
4. [stichting]
4.1 In een brief van 30 juli 2024 heeft [gemachtigde 1] verzocht om de [stichting] aan te merken als derde partij bij de beroepen van eiseres 2 tegen bestreden besluit I en II.
4.2 De rechtbank heeft de stichting niet aangemerkt als derde partij bij die beroepen, omdat [gemachtigde 1] niet uiterlijk op de dag van de zitting een machtiging heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij door de stichting is gemachtigd om namens haar op te treden als derde partij. Op zitting heeft [gemachtigde 1] toegelicht dat hij over die machtiging beschikte en dat hij die op 5 december 2025 nog via Zivver aan de rechtbank zou toezenden. [gemachtigde 1] heeft de rechtbank per e-mail vervolgens op die dag medegedeeld dat hij zich had vergist en dat hij nog niet over een machtiging beschikte. De rechtbank is niet ingegaan op het aanbod van [gemachtigde 1] om de machtiging alsnog binnen enkele dagen na de zitting op te laten stellen, omdat de termijn voor het indienen van de machtiging inmiddels was verstreken en het onderzoek ter zitting was gesloten.
5. Verzoek om schadevergoeding eisers 1
5.1 In artikel 8:88 van de Awb staat dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
5.2 In de uitspraak van de Afdeling van 30 oktober 2024 heeft de Afdeling[7] het beroep van eisers 1 tegen bestreden besluit I o.a. terugverwezen naar deze rechtbank, omdat de rechtbank nader onderzoek moet verrichten naar door eisers 1 gestelde schade.
5.3 De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift van eisers 1 geen verzoek om schadevergoeding bevat als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb. Op zitting hebben eisers 1 dat bevestigd. Eisers 1 hebben toegelicht dat het gestelde schadebedrag hoger is dan € 25.000, - . Uit artikel 8:89, tweede lid, van de Awb volgt dat de bestuursrechter in dat geval niet bevoegd is om te oordelen over een eventueel verzoek om schadevergoeding.
6. De intrekking van de omgevingsvergunning (bestreden besluit I)
6.1 Bestreden besluit I ziet op de intrekking van een aan de Kaashoeve verleende omgevingsvergunning van 25 augustus 2011, waarin toestemming is verleend voor het bouwen van een hotel op het perceel.
6.2 Het college heeft de omgevingsvergunning ingetrokken, omdat sinds 2011 geen gebruik was gemaakt van de vergunning. Volgens het college had de Kaashoeve ook niet
aannemelijk gemaakt dat de omgevingsvergunning op korte termijn benut zou worden. Door verloop van tijd en veranderende inzichten, regelingen en voorschriften, kan het vergunde bouwplan ook niet meer worden uitgevoerd. Voor de kap van bomen op het perceel is een kapvergunning vereist, die voor tien bomen niet kan worden verleend. Daarnaast is voor de ontsluiting naar de [weg] een vergunning vereist op grond van de [naam 2] en zal het waterschap daar niet aan meewerken. Het gemeentelijk rioolstelsel kan daarnaast de opvang van het vuilwater niet aan.
6.3 Gronden
6.3.1 Eisers 1 hebben tegen bestreden besluit I aangevoerd dat het college het bezwaarschrift van eiseressen 2 niet-ontvankelijk had moeten verklaren. Volgens hen kan alleen de Kaashoeve worden aangemerkt als belanghebbende bij de intrekking van de omgevingsvergunning. De overigen eiseressen 2 hebben een afgeleid belang. Het college had het bezwaarschrift van alle eiseressen 2 daarnaast niet-ontvankelijk moeten verklaren, omdat de bezwaargronden niet tijdig zijn ingediend. Eisers 1 hebben daarnaast aangevoerd dat niet alle stukken op grond van artikel 7:4, tweede lid, van de Awb ter inzage zijn gelegd. Verder moet volgens hen onderzocht worden of het door hen gestelde tijdrekken bij het nemen van een besluit op bezwaar is toe te schrijven aan de financiële risico's die het college wellicht volgens eisers 1 over zich had afgeroepen. In een reactie op de beroepsgronden van eiseressen 2 hebben eisers 1 ook aangevoerd dat het college bestreden besluit I niet heeft mogen baseren op de Ow.
6.3.2 Eiseressen 2 hebben tegen bestreden besluit I aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte heeft ingetrokken. Het college heeft de omgevingsvergunning volgens hen in strijd met het vertrouwensbeginsel ingetrokken. Volgens eiseressen 2 had het college toegezegd dat de omgevingsvergunning niet ingetrokken zou worden. Dit blijkt ook uit een memo van het college aan de raad van 4 maart 2021.
Daarnaast heeft het college de omgevingsvergunning volgens eiseressen 2 niet mogen intrekken omdat het evident was dat op korte termijn gebruik gemaakt zou gaan worden van de omgevingsvergunning. De voorbereidingen voor de bouw waren in volle gang. In een brief van 8 december 2020 hebben zij ook aan het college laten weten dat besloten was om het hotel te realiseren. Het college onderschreef ook steeds dat zij het bouwplan op basis van de onherroepelijke vergunning konden realiseren en bevestigde meermaals de geldigheid van de vergunning. Wel werd aangegeven dat het college wenste na te gaan of het bouwwerk nog altijd aan de wettelijke eisen voldeed, zodat kon worden bezien of mogelijk bepaalde nadere eisen moesten worden gesteld. Als het voor het college niet aannemelijk was geweest dat eiseressen 2 zouden gaan bouwen, was dit onderzoek vanzelfsprekend niet verricht. In de eerdergenoemde memo is ook bevestigd dat eiseressen 2 met de bouw zouden starten.
Daarnaast hebben eiseressen 2 aangevoerd dat geen sprake is van de door het college genoemde belemmeringen voor het bouwplan. Volgens hen had het college de omgevingsvergunning voor het kappen van de bomen niet gedeeltelijk mogen weigeren.
Verder is het onjuist om te stellen dat het waterschap geen vergunning op grond van de [naam 2] zal verlenen voor een uitweg aan de [weg] . Een inrit voor enkel calamiteiten is wel mogelijk. Bovendien is het bouwplan ook met één hoofdontsluiting aan de [adres 1] uitvoerbaar en dwingt het bestemmingsplan niet tot het aanleggen van twee in - en uitritten. Daarnaast staat in primair besluit I dat eventuele opvangproblemen in het rioolstelsel kunnen worden opgelost. De Kustvisie staat ook niet aan een recreatieve ontwikkeling op de locatie in de weg. Als al sprake zou zijn van één van de opgevoerde belemmeringen, hadden eiseressen 2 in de gelegenheid moeten worden gesteld om dit op te lossen.
De intrekking is volgens eiseressen 2 daarnaast in strijd met het evenredigheidsbeginsel en ook heeft het college misbruik gemaakt van de aan haar toekomende bevoegdheid tot intrekking.
6.4 Toetsingskader
6.4.1 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is de intrekking van een omgevingsvergunning geen verplichting, maar een bevoegdheid. Bij de toepassing van die bevoegdheid komt het college beleidsruimte toe. Bij toepassing van deze bevoegdheid moeten alle relevante belangen worden geïnventariseerd en afgewogen. Daartoe behoren ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij mag in aanmerking worden genomen of het niet tijdig gebruik maken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. De enkele omstandigheid dat de houder van een omgevingsvergunning niet aannemelijk weet te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten, is voldoende om de intrekking van een ongebruikte omgevingsvergunning te rechtvaardigen.[8]
6.4.2 De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning in overeenstemming is met het recht. Bij de beoordeling of het intrekkingsbesluit in overeenstemming is met het recht, kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het intrekkingsbesluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het intrekkingsbesluit te dienen doelen.[9]
6.5 Beoordeling
6.5.1 De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaarschrift van een deel van eiseressen 2 ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in bestreden besluit I. Daarnaast heeft het college de intrekking van de omgevingsvergunning in bestreden besluit I ten onrechte gebaseerd op de Ow. Het college heeft in bestreden besluit I ook onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van gerechtvaardigd gewekt vertrouwen dat gehonoreerd had moeten worden.
6.5.2 Gelet op deze gebreken zal de rechtbank de beroepen van eisers 1 en eiseressen 2 tegen bestreden besluit I gegrond verklaren. De rechtbank zal bestreden besluit I vernietigen. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
Ontvankelijkheid bezwaarschrift eiseressen 2
6.5.3 De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaarschrift van eiseressen 2 ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, voor zover het is ingediend door Ontwikkelmaatschappij DRZ B.V., Dormio Leisure Development B.V., Dormio Holidays B.V., Dormio Investment B.V., Sagro Aannemingsmaatschappij Zeeland B.V. en Bouwbedrijf De Delta B.V.. De rechtbank is van oordeel dat deze rechtspersonen niet kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij primair besluit I, waarin is besloten tot intrekking van de aan de Kaashoeve verleende omgevingsvergunning.
6.5.4 In overweging 3.5 van deze uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat iemand een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang moet hebben, om aangemerkt te kunnen worden als belanghebbende. Aan het criterium rechtstreeks belang wordt niet voldaan wanneer uitsluitend sprake is van een afgeleid belang. Een afgeleid belang wordt in de regel aangenomen als iemand slechts indirect wordt getroffen in een belang dat parallel is aan dat van de geadresseerde van het besluit. In dat geval ligt het op de weg van de geadresseerde van het besluit om voor die belangen op te komen. In sommige gevallen bestaat aanleiding om een betrokkene niet tegen te werpen dat hij een afgeleid belang heeft en geen rechtstreeks belanghebbende is omdat zijn belang indirect wordt getroffen. Dat is onder meer het geval als de betrokkenheid van zijn recht - of belangpositie een zelfstandige aanspraak op rechtsbescherming rechtvaardigt.[10]
6.5.5 De rechtbank is van oordeel dat het college de bezwaarschriften van Ontwikkelmaatschappij DRZ B.V., Dormio Leisure Development B.V., Dormio Holidays B.V., Dormio Investment B.V., Sagro Aannemingsmaatschappij Zeeland B.V. en Bouwbedrijf De Delta B.V. ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in bestreden besluit I, omdat zij slechts een afgeleid belang hebben bij de intrekking van de omgevingsvergunning.
Uit de stukken leidt de rechtbank af dat de Kaashoeve het perceel – inclusief de omgevingsvergunningen – wilde verkopen aan de Dormio BV's. Zij worden dus slechts indirect – via een eventuele koopovereenkomst – getroffen in hun belang. Datzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor het aannemers - en bouwbedrijf. Zij worden slechts indirect – via een opdrachtovereenkomst – in hun belangen geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die maken dat deze rechtspersonen niet kan worden tegengeworpen dat zij een afgeleid belang hebben. Door middel van het bezwaar en beroep van de Kaashoeve wordt indirect namelijk ook voor de belangen van deze rechtspersonen opgekomen.
6.5.6 De rechtbank is van oordeel dat het college het bezwaarschrift van de Kaashoeve tegen primair besluit I in bestreden besluit I terecht ontvankelijk heeft verklaard. De Kaashoeve is als eigenaar van het perceel en geadresseerde van het besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning uit 2011 belanghebbende bij dat besluit. Uit de stukken blijkt dat de Kaashoeve het bezwaarschrift en de bezwaargronden ook niet te laat heeft ingediend, zoals eisers 1 stellen. De Kaashoeve heeft op 9 november 2021 tijdig pro forma bezwaar gemaakt tegen primair besluit I.[11] Op grond van artikel 6:5, eerste lid, onder d, van de Awb moet een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar bevatten. Het bezwaar kan niet-ontvankelijk worden verklaard wanneer daar niet aan is voldaan, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Uit het verweerschrift en de stukken, blijkt dat het bezwaar is aangehouden tot 15 januari 2024. Vervolgens heeft het college eiseressen 2 in een brief van 16 januari 2024 in de gelegenheid gesteld om de bezwaargronden uiterlijk 13 februari 2024 in te dienen. Het dossier bevat ook een e-mailbericht waarin die termijn is verlengd tot 20 februari 2024. Vervolgens zijn de bezwaargronden bij brief van 19 februari 2024 – en daarom tijdig – ingediend.
Wettelijke grondslag bestreden besluit I
6.5.7 Uit primair besluit I blijkt dat de intrekking is gebaseerd op artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo. Uit het bestreden besluit I blijkt dat de intrekking na de heroverweging in bezwaar is gebaseerd op artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Ow.
6.5.8 De rechtbank is van oordeel dat het college de intrekking van de omgevingsvergunning in bestreden besluit I ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Ow. Uit de stukken blijkt dat eisers 1 het college hebben verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning. Omdat primair besluit I dateert van vóór 2024, hebben eisers 1 daar ook vóór de inwerkingtreding van de Ow om verzocht.
Als een verzoek om een omgevingsvergunning in te trekken is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.[12] Gelet daarop heeft het college de intrekking van de omgevingsvergunning ten onrechte gebaseerd op de Ow.
Vertrouwensbeginsel
6.5.9 Eiseressen 2 hebben aangevoerd dat het college in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld, doordat het college de omgevingsvergunning heeft ingetrokken nadat is toegezegd dat dat niet zou gebeuren. Dat wordt volgens hen bevestigd in een memo van het college aan de gemeenteraad van 4 maart 2021 (hierna: memo).
6.5.10 Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel moeten drie stappen worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Doorgaans zal de uitlating en/of gedraging door een ambtenaar worden gedaan of worden verricht, maar dit kan ook gebeuren door anderen, bijvoorbeeld een wethouder of derden die door het bestuursorgaan worden ingeschakeld. Kan die uitlating en/of gedraging worden gekwalificeerd als een toezegging? Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Als beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid.[13]
6.5.11 De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat het college voorafgaand aan het primair besluit aan eiseressen 2 heeft toegezegd dat de omgevingsvergunning niet zou worden ingetrokken. Ter zitting is toegelicht dat de memo een openbaar stuk is, waar eiseressen 2 kennis van hebben kunnen nemen. Op pagina 5 van een memo van het college aan de gemeenteraad staat: 'Wij zijn van mening dat een intrekking van de onherroepelijke omgevingsvergunning thans niet aan de orde kan zijn. De ontwikkelaar heeft aangegeven op korte/aanzienbare tijd te willen beginnen met de bouwwerkzaamheden'. Naar het oordeel van de rechtbank konden eiseressen 2 aan die memo het gerechtvaardigd vertrouwen verlenen dat de omgevingsvergunning niet op korte termijn na 4 maart 2021 zou worden ingetrokken.
6.5.12 Uit jurisprudentie van de Afdeling[14] volgt dat het vertrouwensbeginsel niet met zich brengt dat gerechtvaardigde verwachtingen altijd moeten worden gehonoreerd. Daartoe is vereist dat bij afweging van de betrokken belangen, waarbij het belang van degene bij wie de gerechtvaardigde verwachtingen zijn gewekt zwaar weegt, geen zwaarder wegende belangen aan het honoreren van de verwachtingen in de weg staan. Die zwaarder wegende belangen kunnen zijn gelegen in strijd met de wet, het algemeen belang en meer specifiek, veel voorkomend in het omgevingsrecht, belangen van derden. Indien er zwaarder wegende belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de schade die er zonder het vertrouwen niet geweest zou zijn te vergoeden als onderdeel van diezelfde besluitvorming.
6.5.13 In het kader van de beoordeling of de omgevingsvergunning kon worden ingetrokken heeft het college in bestreden besluit I een belangenafweging gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kan die belangenafweging niet dienen ter onderbouwing van het niet honoreren van het gewekte vertrouwen. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
6.5.14 Volgens het college weegt het belang bij intrekking van het bestreden besluit zwaarder dan het belang van verzoeker bij het behouden van de omgevingsvergunning. Het college heeft daarbij verwezen naar haar VTH-beleid. Bij die belangenafweging heeft het college in aanmerking genomen dat niet aannemelijk was dat de Kaashoeve de omgevingsvergunning op korte termijn zou gaan benutten. Daarnaast heeft het college meegewogen dat verschillende belemmeringen bestaan voor de realisatie van het oorspronkelijke bouwplan. Uit het primair en bestreden besluit blijkt dat het college vindt dat het (financieel) belang van verzoeker onvoldoende kenbaar is gemaakt en dat de Kaashoeve zelf het risico heeft genomen om gedurende tien jaar geen gebruik te maken van de omgevingsvergunning.
6.5.15 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in het bestreden besluit I onvoldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk was dat de Kaashoeve de omgevingsvergunning op korte termijn zou gaan benutten. In een brief van 8 december 2020 heeft de Kaashoeve expliciet aan de gemeente medegedeeld dat ze besloten hadden om het bouwplan op korte termijn te gaan realiseren. Uit de memo blijkt dat het college daarvan ook op de hoogte was, omdat het college daarin schreef: "De ontwikkelaar heeft aangegeven op korte/aanzienbare tijd te willen beginnen met de bouwwerkzaamheden". Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college uit aanvragen voor omgevingsvergunningen voor alternatieve bouwplannen redelijkerwijs niet kunnen afleiden dat niet langer aannemelijk was dat de Kaashoeve de omgevingsvergunning op korte termijn zou gaan benutten. Voor die alternatieve bouwplannen was namelijk nog geen onherroepelijke omgevingsvergunning verleend, waardoor redelijkerwijs niet vaststond dat de Kaashoeve de wel onherroepelijke omgevingsvergunning niet meer zou benutten. Dat de Kaashoeve de realisering vergunde omgevingsvergunning in afwachting van de legalisering van het alternatieve bouwplan tijdelijk heeft gepauzeerd, kan haar redelijkerwijs niet worden verweten.
6.5.16 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in bestreden besluit I ook onvoldoende gemotiveerd dat de door het college gestelde belemmeringen in de weg staan aan het realiseren van het vergunde bouwplan. In overweging 7.5.4 e.v. van deze uitspraak zal de rechtbank overwegen dat en waarom het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen omgevingsvergunning kan worden verleend voor het kappen van alle daarvoor benodigde bomen op het perceel. Daarnaast heeft het college alleen gesteld, maar niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat het waterschap Scheldestromen niet mee zal werken aan een eventueel op grond van de [naam 2] benodigde vergunning. Dat eventuele aanpassingen in het rioolstelsel zodanig zouden zijn dat het bouwplan niet op de vergunde wijze kan worden gerealiseerd, acht de rechtbank ook onvoldoende gemotiveerd. In primair besluit I stond nog dat oplossingen voor de gestelde rioolproblemen mogelijk waren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college ook onvoldoende gemotiveerd dat het vergunde bouwplan in strijd is met de in 2017 vastgestelde Zeeuwse Kustvisie. Uit de daarbij behorende kaarten leidt de rechtbank af dat het perceel is gelegen binnen 'Agrarisch landschap'. Op pagina 23 van de Visie staat dat nieuwe verblijfsrecreatieve ontwikkelingen binnen dat landschap worden uitgesloten. Het college heeft echter onvoldoende gemotiveerd waarom een al vergunde ontwikkeling ook als 'nieuwe ontwikkeling' als bedoeld in de Visie moet worden aangemerkt.
6.5.17 De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de financiële belangen van eiseressen 2 onvoldoende kenbaar waren ten tijde van bestreden besluit I. De rechtbank acht niet aannemelijk dat het college geen enkel inzicht had in de financiële belangen van eiseressen 2. Uit de anterieure overeenkomst van 13 december 2021 blijkt namelijk dat is onderhandeld tussen de gemeente en eiseressen 2 over een vergoeding door de gemeente van de financiële schade voor de initiatiefnemers van de omzetting van het oorspronkelijke bouwplan naar het alternatieve bouwplan. Gelet daarop had het college ook de financiële belangen van eiseressen 2 redelijkerwijs mee moeten wegen bij de beoordeling van het verzoek om intrekking van de omgevingsvergunning.
6.6 Conclusie beroepen tegen bestreden besluit I
6.6.1 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de beroepen van eisers 1 (24/8473) en eiseressen 2 (24/8474) tegen bestreden besluit I gegrond verklaren. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking. De rechtbank zal bestreden besluit I vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van bestreden besluit I in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan het college is om opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.
6.6.2 Omdat de beroepen gegrond worden verklaard, bepaalt de rechtbank dat het college aan eisers 1 en eiseressen 2 het door hen betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Dat griffierecht is door eisers 1 en eiseressen 2 aan het begin van de procedure voldaan, toen de beroepen nog procedurenummers 22/5452 en 24/5989 hadden.
6.6.3 Daarnaast zal het college worden veroordeeld in de door eisers 1 gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934, - en wegingsfactor 1).
6.6.4 Het college zal ook worden veroordeeld in de door eiseressen 2 gemaakte proceskosten. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934, - en wegingsfactor 1).
7. Omgevingsvergunning voor het kappen van bomen (bestreden besluit II)
7.1 Bestreden besluit II ziet op het gedeeltelijk weigeren van een omgevingsvergunning voor het kappen van bomen op het perceel.
7.2 Bestreden besluit II is gebaseerd op de Wabo. Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet blijft het oude recht van toepassing op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag om een omgevingsvergunning is in deze zaak door vergunninghoudster ingediend vóór 1 januari 2024. Dat betekent dat in dit geval het oude recht van toepassing blijft.
7.3 De gedeeltelijke weigering van de omgevingsvergunning
7.3.1 Het college heeft aan De Kaashoeve een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 18 bomen (primair besluit II). Het college heeft die omgevingsvergunning verleend op grond van artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo in samenhang met artikel 5, tweede lid, van de Bomenverordening Veere 2022 (hierna: Bomenverordening). Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd voor het kappen van de bomen met boomnummers: [boomnummers] (m.u.v. de schuin gegroeide stam van de wilg) en [boomnummer] (voor zover het de essen betreft).
7.3.2 Het college heeft geweigerd om toestemming voor het kappen van die bomen te verlenen, in het belang van de landschappelijke waarden, natuurwaarden en waarden voor de leefbaarheid. Ter onderbouwing van die weigering heeft het college verwezen naar het advies 'Toetsing Bomenkap op voormalig terrein [naam terrein] ' van [naam 1] en het advies 'Advies activiteit kappen' van de afdeling Openbare Ruimte van de gemeente Veere.
7.4 Gronden
Eiseressen 2 hebben aangevoerd dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte gedeeltelijk heeft geweigerd. Volgens hen heeft het college die gedeeltelijke weigering onvoldoende gemotiveerd. Het gaat om een overgangsgebied tussen open poelgronden en dichtere gebieden. Gelet daarop valt volgens eiseressen 2 niet in te zien welke aspecten uit de Bomenverordening in de weg staan aan verlening van de kapvergunning. Uit een Quickscan flora en fauna blijkt meer specifiek dat de gestelde natuurwaarden zich niet voordoen, omdat jaarrond beschermde nestplaatsen voor vogels worden uitgesloten. Daarnaast worden ten behoeve van het realiseren van het hotel veel nieuwe bomen gepland, die meer CO2 zullen vastleggen dan de relatief oude populieren. Over de gestelde landschappelijke waarden merken eiseressen 2 op dat het college enerzijds een beeld nastreeft van open poelgronden zonder opgaande beplanting, terwijl anderzijds als onderbouwing voor het weigeren van de kapvergunning wordt aangedragen dat deze bomen behouden moeten blijven vanwege de illusie van een boslandschap. Het landschappelijk beleid is dus niet eenduidig en vormt geen grond voor het gedeeltelijk weigeren van de kapvergunning.
7.5 Beoordeling
7.5.1 Op grond van de Wabo[15] was het verboden om een houtopstand te vellen zonder omgevingsvergunning, wanneer daar in een verordening een ontheffing voor was vereist. Uit de Bomenverordening Veere 2022[16] bleek dat het verboden was bomen met een stamdiameter van meer dan 30 cm (gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld) en staande buiten de bebouwde kom te vellen of te doen vellen.[17]
7.5.2 Tussen partijen is niet in geschil dat een dergelijke omgevingsvergunning is vereist voor het kappen van de bomen op het perceel.
7.5.3 Het college weigerde dan wel verleende een omgevingsvergunning voor de kap van een boom dikker dan 30 centimeter buiten de bebouwde kom in het belang van onder meer:[18]
7.5.4 De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de omgevingsvergunning gedeeltelijk geweigerd moest worden, in het belang van de landschappelijke waarden, natuurwaarden en waarden voor de leefbaarheid. De rechtbank licht dit oordeel hierna toe.
7.5.5 Het college heeft in bestreden besluit II onvoldoende gemotiveerd dat de omgevingsvergunning in het belang van de natuurwaarden geweigerd moest worden. In het advies van [naam 1] wordt geconcludeerd dat alle bomen waarvoor de omgevingsvergunning was aangevraagd een grote natuurwaarde hebben. De bomen zijn volgens deze ecologisch deskundige vitaal en zorgen voor een grote biodiversiteit. Het college heeft vervolgens ten aanzien van een deel van deze bomen toestemming verleend voor het kappen van de bomen en voor een deel van de bomen toestemming geweigerd. Het college stelt – door te verwijzen naar het advies van de afdeling Openbare Ruimte – dat de door [naam 1] vastgestelde natuurwaarde uitsluitend aanwezig is bij de bomen waarvoor de omgevingsvergunning wordt geweigerd. Het college heeft op geen enkele wijze gemotiveerd of onderbouwd welk verschil er tussen die bomen zit en waarom de natuurwaarde van de niet vergunde bomen groter en dermate groot is dat daarvoor geen omgevingsvergunning voor het kappen wordt verleend.
7.5.6 De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het weigeren van de omgevingsvergunning voor het kappen van een deel van de bomen is vereist in het belang van de leefbaarheid. In het advies van [naam 1] wordt geconcludeerd dat de bomen een grote hoeveelheid fijnstof opvangen. In het advies van de afdeling Openbare Ruimte staat dat de bomen 'in algemene zin' een oplossing bieden voor klimaatproblemen als CO2, hittestress, droogte en biodiversiteit (leefbaarheid). Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college met die motivering niet aannemelijk gemaakt dat het belang van de leefbaarheid in de weg staat aan het kappen van alle bomen. Het college heeft ook ten aanzien van dit aspect op geen enkele wijze onderbouwd waarom dat argument wel geldt voor de bomen waarvoor de omgevingsvergunning is geweigerd en niet geldt voor de bomen waarvoor wél toestemming is verleend. Daarnaast wijzen eiseressen 2 er terecht op dat er een herplantplicht geldt. De rechtbank acht aannemelijk dat de te herplanten bomen de functie voor de leefbaarheid kunnen overnemen die de te kappen bomen op dit moment vertegenwoordigen voor de leefbaarheid.
7.5.7 Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat het weigeren van de omgevingsvergunning voor het kappen van een deel van de bomen is vereist in het belang van de landschappelijke waarden. Het college heeft ter onderbouwing van dat standpunt niet kunnen verwijzen naar het advies van [naam 1] , omdat die persoon een ecoloog is en nergens uit blijkt dat die persoon ook een landschapsdeskundige is. Ter onderbouwing van deze weigeringsgrond heeft het college ook niet kunnen verwijzen naar het advies van de afdeling Openbare Ruimte, omdat ook nergens uit blijkt of dit advies is opgesteld door een landschapsdeskundige. Het advies bevat geen naam of functie van degene die het heeft opgesteld. Dat aan het einde van het advies wordt geadviseerd om een Boom Effect Analyse uit te laten voeren door een gecertificeerd boomdeskundige duidt er juist op dat die interne afdeling van de gemeente niet over de benodigde deskundigheid beschikt om hier een oordeel over te geven.
7.6 Conclusie
7.6.1 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep van eiseressen 2 tegen bestreden besluit II (25/6068) gegrond verklaren. De rechtbank zal bestreden besluit II vernietigen, voor zover daarin is geweigerd om een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van de bomen met boomnummers: [boomnummers] (m.u.v. de schuin gegroeide stam van de wilg) en [boomnummer] (voor zover het de essen betreft). De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van dat deel van bestreden besluit II in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan het college is om opnieuw te beslissen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden.
7.6.2 Omdat de beroepen gegrond worden verklaard, bepaalt de rechtbank dat het college aan eiseressen 2 het door hen betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Dat griffierecht is aan het begin van de procedure voldaan, toen het beroep nog procedurenummer 24/5991 had.
7.6.3 Het college zal worden veroordeeld in de door eiseressen 2 gemaakte proceskosten ten aanzien van dit beroep. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934, - en wegingsfactor 1). De rechtbank kent geen afzonderlijk punt toe voor het verschijnen ter zitting, omdat dit beroep op dezelfde zitting is behandeld als de beroepen tegen bestreden besluit I en daar al een punt voor is toegekend in overweging 6.6.4.
8. Schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn
8.1 Eisers 1 hebben als belanghebbenden bij het beroep van eiseressen 2 tegen bestreden besluit I verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
8.2 Op grond van vaste rechtspraak is een redelijke termijn voor de afhandeling van bezwaar en beroep als uitgangspunt twee jaar.[19] Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. De redelijke termijn vangt aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen.[20]
8.3 Gerekend van (de ontvangst van) het bezwaarschrift op 9 november 2021 tot de datum van deze uitspraak (9 februari 2026) zijn vier jaar en drie maanden verstreken. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn met twee jaar en drie maanden (27 maanden) is overschreden.
8.4 Er bestaat recht op schadevergoeding van € 500, - per overschrijding van een half jaar of een deel daarvan. Dat betekent dat eisers 1 recht hebben op een schadevergoeding van in totaal € 2.500,-. De rechtbank ziet aanleiding om het bedrag te matigen, in die zin dat het bedrag aan schadevergoeding wordt gedeeld door het aantal eisers dat gezamenlijk procedeert. De rechtbank stelt vast dat dit drie ontvankelijke eisers zijn: [eisers 1] (1), [eisers 2] (2) en, [eiser 2] (3). Dit betekent dat per eiser een bedrag van € 833,33 moet worden toegekend. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling[21] blijkt dat deze matiging redelijk wordt geacht, vanwege de matigende invloed die het samen deelnemen als partij in het voorliggende geval heeft gehad op de mate van stress, ongemak en onzekerheid die zij hebben ondervonden door de te lang durende procedure.
8.5 De bezwaarfase heeft ongeveer (naar boven afgerond) twee jaar en zeven maanden (31 maanden) geduurd en daarmee 25 maanden te lang. De beroepsfase heeft, gerekend vanaf de ontvangst van het beroepschrift van eiseressen 2 (in die zaak hebben eisers 1 verzocht om schadevergoeding) op 18 juli 2024 (naar boven afgerond) één jaar en acht maanden geduurd en daarmee twee maanden te lang. Gelet daarop komt 25/27e deel (dus € 2314,81) voor rekening van het college en de rest (€ 185,19) voor rekening van de Staat.
8.6 Omdat de overschrijding van de redelijke termijn aan zowel het college als de Staat zijn toe te rekenen bestaat aanleiding hen te veroordelen in de proceskosten van eisers 1 in verband met het indienen van het verzoek om schadevergoeding vanwege deze overschrijding. Deze kosten worden begroot op € 467 (0,5 punt met een waarde per punt van € 934,-). [22] Zowel het college als de Staat dient hiervan de helft (€ 233,50) te betalen.
De beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. N. van Asten, griffier, op 9 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Wettelijk kader
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.33, tweede lid, onder a, van de Wabo
Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover: gedurende drie jaar, dan wel indien de vergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a onderscheidenlijk b of g, gedurende 26 weken onderscheidenlijk de in de vergunning bepaalde termijn, geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning.
Artikel 2.2, tweede lid, onder g, van de Wabo
Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om: houtopstand te vellen of te doen vellen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.
Artikel 2.18 van de Wabo
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.
Bomenverordening Veere 2022 (Bomenverordening 2022)
Artikel 3, tweede lid, van de Bomenverordening 2022
Het is verboden om bomen met een stamdiameter van meer dan 30 cm (gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld) en staande buiten de bebouwde kom te vellen of te doen vellen, met inbegrip van verplanten, alsmede handelingen, zowel het boven - als ondergronds te verrichten, die de dood of ernstige beschadiging van deze houtopstanden ten gevolge kunnen hebben.
Artikel 5, tweede en derde lid, van de Bomenverordening 2022
- Het college weigert dan wel verleent onder voorwaarden de kap van een boom dikker dan 30 centimeter (gemeten op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld) buiten de bebouwde kom in het belang van onder meer:
a. natuur - en milieuwaarden;
b. cultuurhistorische - en landschappelijke waarden;
c. waarden van stads - en dorpsschoon;
d. waarden voor recreatie en leefbaarheid;
e. realisatie van infrastructurele werken.
- Het bevoegd gezag kan bij het weigeren of onder voorschriften verlenen van een vergunning, tevens de boomwaarden als motivering hanteren. Het bevoegd gezag verwijst daarbij zoveel mogelijk naar gemeentelijke bestemmings-, groen-, bomen - of landschapsplannen.
Artikel 17, vierde lid, van de Bomenverordening 2022
Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag om vergunning op grond van de in artikel 15 genoemde verordening wordt beslist met toepassing van deze Bomenverordening Veere 2022.
Rechtbank Zeeland West Brabant 24 maart 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2023.
ABRvS 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4361.
ABRvS 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5005, r.o. 3.1 en ABRvS 10 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2301, r.o. 6.1.
ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:778, r.o. 11.1.
ABRvS 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1087, r.o. 4.2.
Uitsluitend eiseressen 2 hebben bezwaar gemaakt tegen de intrekking van de omgevingsvergunning (primair besluit I). Gelet daarop is niet sprake van de situatie dat het college het bezwaar van [eiser 1] ten onrechte ontvankelijk heeft geacht. Artikel 6:13 van de Awb staat niet in de weg aan een beroep van de overige eisers 1, omdat hen niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen een door hen gewenste intrekking van de omgevingsvergunning.
ABRvS 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4361.
ABRvS 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:69, r.o. 6.1.
ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5332, r.o. 5.1.
ABRvS 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:778, r.o. 11.2 en 11.3.
Artikel 6:7 en 6:8 van de Awb.
ABRvS 8 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4812, r.o. 1.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.2.
ABRvS 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694, r.o. 11.4.
Artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo.
Van toepassing op grond van artikel 17, vierde lid, van de Bomenverordening 2022 en gelet op het ex nunc beginsel dat geldt in bezwaar. Afdeling 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571, r.o. 6.2.3.
Artikel 3, tweede lid, van de Bomenverordening 2022.
Artikel 2.18 van de Wabo in samenhang met artikel 5, tweede lid, van de Bomenverordening 2022.
ABRvS 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.3.
ABRvS 10 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4325, r.o. 8.1 en ABRvS 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1630, r.o. 14.1.
ABRvS 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4091, r.o. 11.
5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5294. - - - ## Voetnoten