Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:15 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 6 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBZWB:2026:15•6 januari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/4351 V
[opposante], uit [plaats], opposante,
Tegen de uitspraak van de rechtbank van 4 november 2025 in het geding tussen
opposante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
- Opposante heeft beroep ingesteld omdat het UWV volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 10 maart 2025.
1.1. Bij uitspraak van 4 november 2025[1] heeft de rechtbank dat beroep kennelijk gegrond geacht en het UWV opgedragen om binnen vier maanden alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat het UWV niet op tijd heeft beslist.
1.2. Opposante heeft tegen de opgelegde nadere beslistermijn in deze uitspraak verzet ingesteld.
1.3. Opposante heeft niet verzocht om op een zitting te worden gehoord. De rechtbank heeft daarvoor ook geen aanleiding gezien, zodat een zitting achterwege is gebleven.
Beoordeling door de rechtbank van het verzet
- De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat.
- De verzetrechter stelt vast dat het verzet niet gericht is tegen de gegrondverklaring van het beroep, maar tegen de opgelegde nadere beslistermijn van vier maanden.
- In deze verzetzaak dient dan ook uitsluitend te worden beoordeeld of de rechtbank in de uitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat in afwijking van de hoofdregel een langere beslistermijn van vier maanden moet worden bepaald.
- Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de bestuursrechter indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven. Volgens vaste jurisprudentie moet die andere termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op de aanvraag te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.
- Opposante voert tegen de uitspraak van de rechtbank aan dat het honoreren van het verzoek van het UWV, om de beslistermijn van twee weken te verlengen naar vier maanden, naar haar inziens onrechtvaardig en de omgekeerde wereld is. De interne problemen bij het UWV moeten niet op het bord van opposante komen. Er is een wettelijke beslistermijn en als deze niet wordt gehaald, wordt de beslistermijn verlengd en komt de consequentie bij opposante te liggen. Volgens opposante zou het recht doen wanneer de nieuw gestelde beslistermijn van vier maanden in zou gaan op 6 mei 2025, de datum waarop het UWV had moeten beslissen. Het UWV heeft nu een jaar de tijd gekregen in plaats van de acht weken die oorspronkelijk voor haar aanvraag wettelijk zijn gesteld.
- De verzetrechter overweegt dat de gronden van verzet die opposante aanvoert onverlet laten dat dat de situatie momenteel – hoe ongewenst ook – een gegeven is waarmee rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de op te leggen beslistermijn. Er is geen beslistermijn van twee weken aan het UWV opgelegd, omdat er op voorhand al duidelijk is dat deze termijn niet gehaald gaat worden. Bovendien noopt de naleving van een ander wettelijk voorschrift tot bepaling van een afwijkende termijn zoals bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De door opposante ingediende aanvraag dient immers (mede) door een verzekeringsarts te worden behandeld.
[2]
7.1. Opposante vraagt in haar verzetschrift om de beslistermijn van vier maanden in te laten gaan op 6 mei 2025, aangezien het UWV op deze datum had moeten beslissen. De rechtbank overweegt dat dit niet mogelijk is, omdat het UWV dan niet de mogelijkheid heeft om alsnog binnen de opgelegde rechterlijke termijn te beslissen op de aanvraag. De beslistermijn zal dan al zijn verstreken ten tijde van de uitspraak.
7.2. De door de rechtbank opgelegde termijn van vier maanden doet naar oordeel van de verzetrechter recht aan de reële mogelijkheid om op de aanvraag te beslissen en aan het belang van opposante om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen.
7.3. De verzetrechter begrijpt dat opposante eerder duidelijkheid zou willen over haar aanvraag, maar zoals hiervoor overwogen is dat op dit moment niet reëel. De verzetrechter gaat ervan uit dat het UWV wel alles in het werk stelt om indien mogelijk eerder op de aanvraag te beslissen.
Conclusie en gevolgen
- In wat opposante heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 4 november 2025. Het verzet is ongegrond. Dit betekent dat de uitspraak in stand blijft.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Ponds, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 6 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
ECLI:NL:RBZWB:2025:7702.
Artikel 2, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. - - - ## Voetnoten