Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:1190 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 17 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBZWB:2026:1190•17 februari 2026
Uitspraak inhoud
Familie - en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/443406 / JE RK 25-2302
Datum uitspraak: 17 februari 2026
beschikking van de meervoudige kamer over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats 1] (België),
advocaat mr. M. Gruiters te Nieuwegein,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. Q. van Mossevelde te Terneuzen,
De rechtbank merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg.
1 Het verloop van de procedure
1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Het verzoek van de Raad is door de meervoudige kamer van deze rechtbank tijdens deze zitting behandeld gelijktijdig met de verzoeken van de moeder omtrent wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (zaaknr. C/02/433845 / FA RK 25-1738). Daarbij waren aanwezig: - de vader bijgestaan door mr. Mossevelde; - de moeder bijgestaan door mr. Gruiters; - een tweetal vertegenwoordigsters van de Raad; - een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
1.3. De rechtbank heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben hier geen gebruik van gemaakt.
1.4. Ten aanzien van de verzoeken die voorliggen in de gezag - en omgangprocedure zal bij separate beschikking worden beslist.
2 De feiten
2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijf bij de vader. Zij verblijven doordeweeks bij de grootouders vaderszijde.
3 Het verzoek
3.1. De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen, te weten bij grootouders vaderszijde zijnde de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] , voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
4.1. De Raad heeft gedurende zijn onderzoek moeten concluderen dat de ontwikkeling van de kinderen ernstig wordt bedreigd. Er is sprake van een verstoorde verhouding tussen de ouders onderling en tussen de moeder en de grootouders vaderszijde, die een groot deel van de zorgtaak van de vader overnemen. De kinderen zitten klem in de situatie waarin zij afhankelijk zijn van de verschillende volwassenen om hen heen en waarvan zij weten dat zij het niet met elkaar eens zijn. Daarnaast moeten zij laveren tussen de drie opvoedsituaties, waar vanuit zij geen onbelast contact kunnen onderhouden met hun beide ouders. De rollen van ouders en grootouders zijn voor de kinderen niet duidelijk en het schept onzekerheid over hun toekomst. Vrijwillige hulpverlening om de situatie te kunnen verbeteren komt niet van de grond. Het is volgens de Raad noodzakelijk dat een onafhankelijke derde vanuit een gedwongen kader betrokken raakt die de regie gaat voeren, met ouders afspraken gaat maken en die ervoor zorgdraagt dat er zicht komt op de kinderen en hun perspectief. De Raad is zich er van bewust dat de woonplaats van moeder in België de situatie gecompliceerd maakt en enige creativiteit vergt, nu de inzet van hulpverlening vanuit Nederland in België niet mogelijk is. De Raad is er wel van overtuigd dat met de handelingsmogelijkheden van de GI en de bereidwilligheid van de moeder hiervoor mogelijkheden gevonden moeten kunnen worden. De complexiteit van de problematiek vergt volgens de Raad een ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden. Naar aanleiding van het verweer van de moeder ten aanzien van de uithuisplaatsing benadrukt de Raad dat het verzoek tot uithuisplaatsing bedoeld is om de huidige situatie te bevriezen om zodoende daar vanuit te onderzoeken wat het beste voor de kinderen is. Op het moment dat er sprake is van een ondertoezichtstelling en de kinderen niet bij één van hun ouders verblijven, kan de Raad niet anders dan een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken. De Raad vindt het noodzakelijk dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt over het perspectief van de kinderen en dat hier voorts op een zo kort mogelijke termijn naar toe gewerkt wordt. De vader geeft aan dat hij de zorg voor de kinderen niet aankan. Om te kunnen beoordelen of het perspectief van de kinderen bij de moeder kan liggen, is het noodzakelijk dat er zicht komt op de opvoedsituatie van de moeder en de zorgen die in dit kader zijn geuit en die de Raad niet in zijn onderzoek heeft kunnen uitsluiten. De situatie van de kinderen bij de grootouders is voor nu goed en moet totdat de duidelijkheid is verkregen geborgd blijven. Voorkomen moet worden dat de kinderen opnieuw in een situatie terecht komen die voor hen niet veilig is. De Raad handhaaft daarom ook zijn verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing.
4.2. De moeder heeft er veel moeite mee dat de vader de zorg over de kinderen grotendeels uitbesteedt aan zijn ouders. De moeder vindt dat deze taak toebehoort aan één van de ouders. Als de vader zich hiertoe niet in staat acht, vindt de moeder dat de kinderen bij haar moeten opgroeien. De moeder maakt zich zorgen over de uitspraken die de kinderen over de grootouders vaderszijde hebben gedaan en is er niet gerust op dat het goed is voor de kinderen om langer bij hen te verblijven. De vader heeft de moeder eerder co-ouderschap voorgesteld, hetgeen bevestigt dat de vader geen twijfels heeft over de opvoedvaardigheden van de moeder. De angst van de vader zit hem meer in de verhuizing van de kinderen naar België. Volgens de moeder zijn de kinderen echter goed bekend met België en het leersysteem dat hier geldt. Volgens de moeder is er geen reden om de kinderen met de aanwezige loyaliteitsproblemen langer in onzekerheid te laten, mede gezien de twijfels van de GI of de inzet van hulpverlening in België gaat lukken. Het zou zelfs beter zijn omdat de kinderen niet langer in deze situatie mogen blijven zitten, dat zou beschadigend zijn voor hen. Als de kinderen bij haar mogen komen wonen, is een ondertoezichtstelling niet nodig, al heeft zij geen bezwaar er tegen als het verzoek hiertoe wordt toegewezen. De maatregel zou dan eventueel omgezet kunnen worden naar België. Het verzoek ten aanzien van de uithuisplaatsing dient te worden afgewezen, nu dit niet in verhouding staat tot de ernst van de problematiek. Niet is gebleken dat de moeder niet in staat is om voor de kinderen te zorgen en dat de uithuisplaatsing in het belang van de opvoeding en verzorging van de kinderen noodzakelijk is. Anders zou een korte uithuisplaatsing kunnen waarbij wordt toegewerkt naar een verhuizing van de kinderen naar haar rond Pasen zodat zij na de Paasvakantie in België naar school kunnen.
4.3. De vader kan zich vinden in de verzochte ondertoezichtstelling. Ook is hij het eens met een voortzetting van het verblijf van de kinderen bij de grootouders en de verzochte machtiging om dit verblijf te borgen. De vader vindt dat hij niet 24/7 voor zijn kinderen kan zorgen en heeft alle vertrouwen in de grootouders. De kinderen ervaren bij de grootouders rust en regelmaat, hetgeen hen zichtbaar goed doet. Hij ziet dan ook geen aanleiding om deze situatie te veranderen. Een verhuizing naar de moeder zal een grote impact hebben op de kinderen, omdat zij dan in België gaan wonen en moeten wisselen van school, leersysteem, sport etc. De vader acht dit niet in hun belang. Daarnaast heeft hij zorgen over het gedrag van de moeder. Dat deze zorgen volgens de moeder achterhaald zijn, is volgens de vader onjuist gezien de uitspraken die de kinderen gedurende het raadsonderzoek hebben gedaan. Deze uitspraken geven de vader ook zorgen over de rol van de grootouders moederszijde, in het bijzonder opa [naam 3] , in het contact met de kinderen. De vader is van mening dat de moeder de zorg voor drie kinderen moeilijk kan dragen en verwacht dat zij daarbij in hoge mate een beroep zal doen op haar netwerk, in dit geval dus ook haar ouders. De vader acht dit, gezien zijn zorgen over de grootouders moederszijde, niet in het belang van de kinderen. Binnen het kader van de ondertoezichtstelling kunnen de opvoedmogelijkheden van beide ouders en het perspectief van de kinderen nader onderzocht worden.
4.4. De GI heeft sterke twijfels over de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de ondertoezichtstelling. Het is voor de GI namelijk niet mogelijk om vanuit Nederland bij de moeder in België hulpverlening in te zetten. Het is daardoor ook niet mogelijk om zicht te krijgen op de situatie van de moeder en op de vraag of er sprake is van goed genoeg ouderschap. Om de onderlinge verhouding tussen de ouders te verbeteren, zou wel bijvoorbeeld familiaire bemiddeling ingezet kunnen worden, maar ook dit is lastig uit te voeren vanwege de fysieke afstand tussen de ouders. Volgens de GI is het overdragen van de ondertoezichtstelling naar België geen optie. Dit moet via de Centrale Autoriteiten aangevraagd worden en betreft een langdurig en complex traject gezien de verschillende wetgevingen in beide landen. Indien de ondertoezichtstelling toch wordt verleend, weet de GI niet of er direct een jeugdbeschermer beschikbaar is die de maatregel kan gaan oppakken.
5 De beoordeling
5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een
minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die
minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de
minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen
binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te
achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de
uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige
gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de
verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of
lichamelijke gesteldheid.
5.3. De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een
ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is een uithuisplaatsing van de kinderen naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. Beide verzoeken zullen worden toegewezen. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.4. De rechtbank concludeert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling. Uit het huwelijk van de ouders zijn drie kinderen geboren. De vader heeft na de scheiding de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor zijn rekening genomen en de moeder voor [minderjarige 3] . De ouders voeren strijd over het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat de moeder het er niet mee eens is dat de vader zijn zorgtaak grotendeels uitbesteedt aan zijn ouders. De kinderen wonen doordeweeks bij de grootouders vaderszijde en in het weekend bij één van de ouders. De rechtbank deelt de zorgen van de Raad over de rollen van beide ouders en de grootouders vaderszijde in het leven van de kinderen. Er is sprake van een verstoorde verhouding tussen de ouders onderling en tussen de moeder en de grootouders. De kinderen krijgen hier veel van mee. De indruk bestaat dat het systeem rondom ouders van grote invloed is op de ouders en de kinderen. De kinderen worden belast met de strijd en dit leidt tot loyaliteitsproblemen en het niet kunnen hebben van een onbelast contact met hun beide ouders. Als dit niet verandert, kan dit op termijn leiden tot een situatie waarin de kinderen gaan kiezen voor één ouder en het contact met de andere ouder gaan afhouden. Dit moet voorkomen worden. Onder eigen verantwoordelijkheid lukt het de ouders niet om tot afspraken te komen en deze situatie te keren. Naar het oordeel van de rechtbank is het in het belang van de kinderen daarom noodzakelijk dat een onafhankelijke jeugdbeschermer vanuit een gedwongen kader betrokken raakt die de ouders gaat begeleiden en gaat onderzoeken wat nodig is om de situatie van de kinderen te verbeteren en waar zij vervolgens het beste kunnen opgroeien. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling verlenen voor de duur van een jaar. Zij beseft dat de uitvoering van deze maatregel in België complex zal zijn, maar verwacht van de GI dat zij samen met de moeder in het belang van de minderjarigen creatief en welwillend zal zoeken naar mogelijkheden om ook vanuit België hulpverlening voor ouders samen te organiseren alsmede om zicht te verkrijgen op haar thuissituatie en opvoedvaardigheden. Van de moeder wordt verwacht dat zij ook haar verantwoordelijkheid hierin zal nemen en zal meewerken aan de ondertoezichtstelling en hetgeen dat door de GI in dit kader noodzakelijk wordt geacht. Om te kunnen beoordelen waar het perspectief van de kinderen ligt, is het dus van belang dat er ook zicht komt op de situatie van de moeder in België. De moeder moet, in verband met haar verzoek om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar te bepalen, daarom gaan laten zien dat haar situatie goed genoeg is en tegemoet komt aan de belangen en behoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank wil de moeder deze kans geven. Tot dat de gewenste duidelijkheid is verkregen acht de rechtbank het meest in het belang van de kinderen dat de huidige situatie van de kinderen wordt bevroren en dus ongewijzigd blijft. Omdat er sprake is van een ondertoezichtstelling en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] grotendeels bij de grootouders vaderszijde wonen en niet bij één van de gezaghebbende ouders, dient dit verblijf middels een daartoe strekkende machtiging geborgd te worden. De rechtbank zal daarom de machtiging voor het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de grootouders vaderszijde verlenen en zoals verzocht voor de duur van zes maanden.
5.5. Tot slot vraagt de rechtbank aandacht voor het welbevinden van de kinderen. De rechtbank vindt het belangrijk dat de kinderen met een onafhankelijke persoon kunnen praten bij wie zij in vertrouwen hun verhaal kwijt kunnen. De GI wordt verzocht dit voor hen te organiseren.
5.6. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[1]
5.7. De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6 De beslissing
De rechtbank:
6.1. stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 17 februari 2026 en tot 17 februari 2027;
6.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de grootouders vaderszijde, zijnde heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] , met ingang van 17 februari 2026 en tot 17 augustus 2026;
6.3. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, kinderrechter tevens voorzitter, en mrs. Dijkman en Hendriks, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026 in tegenwoordigheid van Bakker-Maljers, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 2 Besluit gezagsregisters. - - - ## Voetnoten