Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:1076 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 20 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:107620 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/6745

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep dat eiser heeft ingesteld, omdat het UWV volgens hem niet op tijd heeft beslist op het bezwaar tegen het besluit van 2 juli 2025 over een wijziging van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van eiser.
1.1. Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

  1. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaarschrift, kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de betrokkene beroep instellen.[1]
Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
  1. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. Eiser heeft het UWV op
23 december 2025 een ingebrekestelling gestuurd, welke op 5 januari 2026 door het UWV is ontvangen. Eiser heeft op 25 december 2025 een beroepschrift ingediend. Eiser is te vroeg in beroep gegaan. De termijn die uit de ingebrekestelling volgde was namelijk nog niet voorbij toen eiser het beroep indiende. Die termijn is namelijk twee weken en eiser heeft al na twee dagen beroep ingesteld. De hoofdregel is dan dat het beroep niet-ontvankelijk is. De rechtbank acht in dit geval het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. De termijn voor het UWV is inmiddels wel verstreken en er is nog steeds geen besluit genomen.
Welke beslistermijn wordt aan het UWV opgelegd?
  1. Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat het UWV dit alsnog moet doen.
4.1. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het UWV dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen of als dit vanwege een wettelijk voorschrift nodig is, kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2. Het UWV heeft in het verweerschrift van 4 februari 2026 aangegeven dat de reden van het overschrijden van de beslistermijn het tekort aan verzekeringsartsen is en de daarmee gepaard gaande grote werkvoorraden. Hierdoor heeft er nog geen fysiek spreekuur kunnen plaatsvinden. Daarna is mogelijk nog onderzoek door een arbeidsdeskundige noodzakelijk. Het UWV geeft aan dat een besluit gelet hierop de eerstkomende maanden nog niet aan de orde lijkt.
4.3. Naar het oordeel van de rechtbank moet een termijn recht doen aan de reële mogelijkheden om op het bezwaar te beslissen, maar ook aan het belang om binnen afzienbare tijd een beslissing te ontvangen. Een langere termijn dan twee weken acht de rechtbank in dit geval aangewezen vanwege het belang van een zorgvuldige besluitvorming. In dit geval acht de rechtbank het redelijk dat het UWV vier maanden de tijd krijgt om alsnog te beslissen op het bezwaar.
Welke dwangsom wordt aan het UWV opgelegd?
  1. De rechtbank bepaalt dat het UWV een dwangsom van € 100, - moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door het UWV. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000,-.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, het UWV de onder 4.3. genoemde termijn krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan het UWV de onder 5. genoemde dwangsom wordt opgelegd.
6.1. Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft geen proceskosten gemaakt die volgens de wet vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank: - bepaalt dat het UWV aan eiser een dwangsom van € 100, - moet betalen voor elke dag waarmee het UWV de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, - ; - bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 53, - aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.J.M. de Weert, rechter, in aanwezigheid van
I. Ambachtsheer, griffier, op 20 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb. - - - ## Voetnoten
Dit staat (onder andere) in artikel 6:12 van de Awb.