Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:1059 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 23 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:105923 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/1985

[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende

en

de ontvanger van de Belastingdienst, de ontvanger.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van belanghebbende tegen de bestreden uitspraak op bezwaar van de ontvanger van 4 april 2025. Het beroep ziet op de in rekening gebrachte invorderingsrente bij de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2021 met aanslagnummer [aanslagnummer] H.16.01.
1.1. Omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat belanghebbende geen procesbelang heeft. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
2.1. Belanghebbende komt in beroep, omdat hij vindt dat er nog invorderingsrente aan hem vergoed moet worden en dat de ontvanger te laat is met terugbetalen.
2.2. De rechtbank stelt voorop dat zij alleen kan oordelen over de uitspraak op bezwaar die voorligt en niet kan oordelen over andere jaren. Belanghebbende kan voor wat betreft de in rekening gebrachte invorderingsrente niet meer in een gunstigere positie komen. De ontvanger heeft immers beslist om deze rente te verminderen tot € 0,-. Een beroep moet niet-ontvankelijk worden verklaard als de indiener van het beroep geen belang daarbij heeft. Belanghebbende heeft geen te betalen bedrag aan invorderingsrente en dat betekent dat deze beroepszaak niet meer tot een voor belanghebbende gunstiger resultaat kan leiden.[1] Dit betekent dat er geen procesbelang meer is. De rechtbank verklaart daarom het door belanghebbende ingestelde beroep wegens gebrek aan belang kennelijk niet-ontvankelijk.
2.3. Voor zover het beroep van belanghebbende ziet op het vergoeden van invorderingsrente is de rechtbank onbevoegd. De belastingrechter is als uitgangspunt niet bevoegd te oordelen over beslissingen van de ontvanger op grond van de Invorderingswet.[2] Voor bepaalde besluiten is in de regelgeving een uitzondering gemaakt. De terugbetaling van bedragen valt niet onder een van de uitzonderingen. Dit geschil kan worden voorgelegd aan de burgerlijke rechter.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van
mr. W. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Vgl. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43.
Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd. - - - ## Voetnoten
Vgl. Hoge Raad 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:43.
Dit volgt uit artikel 8:5 van de Awb en artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak die behoort bij de Awb. In dat artikel 1 wordt de Invorderingswet 1990 genoemd.