Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:1054 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 23 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:105423 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/4151 t/m 24/4154

[belanghebbende] , uit [woonplaats] (Frankrijk), belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2019 tot en met 2021 en de voorlopige aanslag IB/PVV over het jaar 2022 met dagtekening 4 februari 2024.
1.1. De rechtbank heeft de beroepen op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank verklaart de beroepen wegens het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 niet-ontvankelijk, omdat de verzoeken vallen onder de 'massaal bezwaar plus'-procedure. De rechtbank verklaart het beroep wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 niet-ontvankelijk, omdat inmiddels op het verzoek is beslist en de definitieve aanslag onherroepelijk vaststaat. Het beroep wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Aanslagen IB/PVV 2019 en 2020
  1. Belanghebbende heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020, vanwege het vastgestelde belastbaar inkomen uit sparen en beleggen en de verschuldigde inkomstenbelasting over box 3. Bij besluit[1] heeft de Staatssecretaris van Financiën de daarin nader omschreven verzoeken om ambtshalve vermindering van aanslagen IB/PVV voor de jaren 2017 tot en met 2020 waarbij sprake is van belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3) aangemerkt als massaal bezwaar.
3.1. De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken van 4 februari 2024 over de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 vallen onder de 'massaal bezwaar plus'-procedure. Belanghebbende heeft in de verzoeken immers verzocht om rechtsherstel voor box 3 in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021.[2] De termijn om te beslissen op bezwaren waarvoor de aanwijzing massaal bezwaar geldt, wordt opgeschort tot en met de dag voorafgaande aan de dag waarop de collectieve uitspraak wordt gedaan.[3] Er is nog geen collectieve uitspraak gedaan. De beslistermijn is dus nog niet verstreken, en dus is de inspecteur niet te laat met het nemen van een beslissing. De beroepen wegens niet tijdig beslissen zijn in zoverre niet-ontvankelijk.
Aanslag IB/PVV 2021
  1. Het verzoek van belanghebbende van 4 februari 2024 ziet ook op de aanslag IB/PVV 2021. Over deze aanslag loopt een procedure bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.[4] De inspecteur stelt dat het verzoek om ambtshalve vermindering onderdeel uitmaakt van het hoger beroep. Het is volgens de inspecteur niet mogelijk een verzoek te doen om ambtshalve vermindering zolang de uitspraak van de rechtbank (nog) niet onherroepelijk vaststaat.
4.1. Voordat beroep wegens niet tijdig beslissen kan worden ingesteld, moet de inspecteur in gebreke zijn gesteld. In dit geval hoefde belanghebbende de inspecteur echter niet in gebreke te stellen, omdat uit de ontvangstbevestiging van 21 maart 2024 blijkt dat de inspecteur niet van plan is om te beslissen. Het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering is daarom ontvankelijk. Dit betekent dat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep en het verzoek van belanghebbende.
4.2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 slaagt. Vast staat dat door de inspecteur niet is beslist op het verzoek om ambtshalve vermindering. Artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 bevat bijzondere regels voor ambtshalve verminderingen. Dit artikel noch enige andere bepaling geeft enige beperking aan de mogelijkheid om te verzoeken om ambtshalve vermindering. De omstandigheid dat er ten tijde van het verzoek een procedure liep bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch vormt daarom geen belemmering voor het in behandeling nemen van het verzoek.
4.3. Het verzoek is op 9 februari 2024 door de inspecteur ontvangen. De inspecteur moet op een aanvraag in de zin van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 binnen acht weken beslissen. De inspecteur had dus uiterlijk op 22 maart 2024 moeten beslissen. De termijn waarbinnen de inspecteur moet beslissen is daarom voorbij. Het beroep voor zover het ziet op het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 is gegrond.
Voorlopige aanslag IB/PVV 2022
  1. De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat op het verzoek om ambtshalve vermindering van de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 is beslist en ook een definitieve aanslag is opgelegd. De definitieve aanslag is inmiddels onherroepelijk. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het beroep wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 niet-ontvankelijk is.
Verzoek om schadevergoeding
  1. Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding, omdat hij door onevenredig hoge belastingaanslagen gedwongen was zijn appartement te verkopen. De rechtbank overweegt dat de beroepen van belanghebbende zich nu enkel richten tegen het niet tijdig beslissen van de inspecteur. De rechtbank dient in deze procedure dan ook enkel de vraag te beantwoorden of de inspecteur op de verzoeken om ambtshalve vermindering had moeten beslissen. Een verzoek om schadevergoeding kan alleen worden toegewezen als de rechtbank van oordeel is dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslagen onrechtmatig heeft gehandeld. Hiervan kan pas sprake zijn als de rechtbank van oordeel zou zijn dat de aanslagen naar te hoge bedragen zijn opgelegd. Deze vraag vormt geen onderdeel van een beroep niet tijdig beslissen. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.
Proceskosten
  1. Omdat het beroep wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. Belanghebbende heeft verzocht om de vergoeding van € 270, - aan reis - en verblijfkosten voor het bijwonen van de zitting. De inspecteur stelt dat de reis - en verblijfkosten, gelet op de persoonlijke betrekkingen van belanghebbende in Nederland, ook deels privékosten zijn.
7.1. De rechtbank overweegt dat belanghebbende de mogelijkheid is geboden om digitaal deel te nemen aan de zitting. Belanghebbende heeft ervoor gekozen om toch fysiek te verschijnen en heeft verklaard rondom de zitting in Rotterdam te verblijven. De rechtbank zal de reiskosten dan ook berekenen van de rechtbank naar Rotterdam. De proceskostenvergoeding is in totaal € 24,80.

Conclusie en gevolgen

  1. De beroepen wegens het uitblijven van een beslissing op de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2019 en 2020 en de voorlopige aanslag IB/PVV 2022 zijn niet-ontvankelijk. Het beroep wegens het uitblijven van een beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2021 is gegrond.
8.1. Omdat het beroep gegrond is, moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 24,80, omdat belanghebbende reiskosten heeft gemaakt om ter zitting te verschijnen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H.W. Steijn, rechter, in aanwezigheid van mr.W. Dekkers, griffier, op 23 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Besluit Staatssecretaris van Financiën 25 januari 2023, nr. 2023-1194, Stcrt. 2023, 2860.
ECLI:NL:HR:2021:1963.
Artikel 25c, derde lid van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.
zaaknummer BK-SHE 24/476. - - - ## Voetnoten
Besluit Staatssecretaris van Financiën 25 januari 2023, nr. 2023-1194, Stcrt. 2023, 2860.
ECLI:NL:HR:2021:1963.
Artikel 25c, derde lid van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen.
zaaknummer BK-SHE 24/476.