Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:1043 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 20 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2026:104320 februari 2026

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1836
(gemachtigde: mr. R. Wouters),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Middelburg, het college.
  1. Deze uitspraak gaat over de beslissing op bezwaar van 6 februari 2026 (bestreden besluit) waarin het college het bezwaar van eisers ongegrond heeft verklaard. Het bezwaar was gericht tegen het besluit van 22 augustus 2024 (primaire besluit) waarin het college een door eisers ingediende aanvraag voor een tegemoetkoming in planschade (planschadeverzoek) heeft afgewezen. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

Procesverloop

  1. Op 20 april 2023 hebben eisers een planschadeverzoek ingediend. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen. Met het bestreden besluit heeft het college de afwijzing in stand gelaten.
2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en [naam] . Namens het college waren aanwezig [vertegenwoordiger] en mr. I.M.A.M. de Looij (SAOZ).[1]
2.3. Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht zes weken later uitspraak te doen.

Beoordeling door de rechtbank

De feiten
  1. Eisers zijn vanaf 1 september 2011 eigenaars van de woning en bijbehorende percelen aan de [adres 1] (de woning). Op 3 december 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor een gezondheidscentrum op het naast de woning gelegen perceel aan de [adres 2] (het gezondheidscentrum). Deze omgevingsvergunning is op 31 januari 2020 onherroepelijk geworden. Het perceel van eisers ligt direct naast de parkeerplaats van het gezondheidscentrum.
3.1. De gemeenteraad heeft het perceel waarop het gezondheidscentrum uiteindelijk is gerealiseerd, op 18 januari 2010 nog aangewezen als 'reservelocatie woningbouw' in de 'Kwaliteitsatlas gemeente Middelburg 2010' (Kwaliteitsatlas). Dit is vervolgens verder uitgewerkt in de gebiedsoptimalisatie 'Middelburg Ramsburg' (Gebiedsoptimalisatie) van 7 februari 2011. Hieruit blijkt dat vijf woonkavels met een oppervlak van 700 m² waren uitgedacht.
3.2. Bij het planschadeverzoek hebben eisers een Rapport Planschade en een Taxatierapport meegestuurd dat is opgesteld door [naam] op 12 april 2023 (Rapport [naam] ).
3.3. Met het primaire besluit heeft het college het verzoek om vergoeding van planschade afgewezen omdat eisers door de realisatie van het gezondheidscentrum niet in een nadeligere positie zijn gekomen. Daarbij heeft het college het advies van de SAOZ van 14 mei 2024 overgenomen. Tegen dit besluit hebben eisers een bezwaarschrift ingediend.
Het bestreden besluit
  1. Het college heeft het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing van het planschadeverzoek in stand gelaten. Omdat de ontwikkeling voor vijf woningen in de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie meer omvattender is dan het oude bestemmingsplan en de beheersverordening, vindt het college dat de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie moeten worden vergeleken met de omgevingsvergunning voor het gezondheidscentrum. Uit de vergelijking tussen deze ontwikkelingen blijkt vervolgens dat eisers niet in een planologisch nadeligere situatie zijn gekomen na het verrekenen van de gunstige en ongunstige factoren. Het college heeft hierbij grotendeels het advies van de SAOZ gevolgd.
Toetsingskader
  1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet (Ow) en de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in werking getreden. In artikel 4.18 van de Iw Ow heeft de wetgever regels van overgangsrecht gegeven voor een verzoek om vergoeding van schade die is geleden door de inwerkingtreding van een besluit als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid onder c, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro). In het derde lid is bepaald dat het oude recht van toepassing blijft op het verzoek om schadevergoeding tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Het verzoek is van 20 april 2023. Dit betekent dat de Wro van toepassing blijft.
5.1. Artikel 6.1, eerste lid van de Wro bepaalt dat het college degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toekent, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd. Artikel 6.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wro wijst onder andere aan een besluit inhoudende een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
5.2. Indien een bestuursorgaan bevoegd is een besluit te nemen over een aanvraag om tegemoetkoming in planschade en is voldaan aan de vereisten voor het in behandeling nemen van deze aanvraag, wordt nagegaan of de gestelde schadeoorzaak een oorzaak is als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro. Zo ja, dan wordt vervolgens beoordeeld of de aanvrager als gevolg daarvan in vergelijking met het voorafgaande planologische regime in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren, of hij ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden en of aanleiding bestaat voor het toekennen van een tegemoetkoming in deze schade. In dat laatste kader wordt onder meer onderzocht of en zo ja in hoeverre de aanvrager het risico op de schade heeft aanvaard, of en zo ja in hoeverre de schade binnen het normale maatschappelijke risico blijft en of en zo ja in hoeverre de tegemoetkoming anderszins is verzekerd.[3]
Niet in geschil
  1. Tussen partijen is niet in geschil dat de gestelde schadeoorzaak – namelijk de omgevingsvergunning van 3 december 2019 – een oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, onder c van de Wro is. Partijen zijn het eens dat dit het nieuwe planologische regime is. Ook is geen discussie dat het oude planologische regime wordt gevormd door het bestemmingsplan 'Nieuw Middelburg ' van 19 december 2011 en de beheersverordening 'Rijksweg N57' van 24 juni 2013.
6.1. Partijen zijn het verder eens over de interpretatie van de SAOZ van het plan in de Gebiedsoptimalisatie. Zij hebben immers allebei als uitgangspunt genomen dat uit de Gebiedsoptimalisatie de bedoeling volgt om vijf vrijstaande woningen te realiseren met een hoogte van 7,25 meter (twee bouwlagen), waarbij de dichtstbijzijnde woning zou komen op een afstand van 25 meter van de woning van eisers.
Mocht het college volstaan met de planologische vergelijking in het advies van de SAOZ?
  1. Eiseres heeft tijdens de zitting het standpunt ingenomen dat het college ten onrechte een planologische vergelijking heeft gemaakt tussen de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie aan de ene kant en de omgevingsvergunning aan de andere kant. De Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie zijn namelijk niet het oude regime. Pas na de vergelijking tussen het oude regime en het nieuwe regime kan het college toekomen aan de beoordeling van de voorzienbaarheid.
7.1. Tijdens de zitting heeft de vertegenwoordiger van de SAOZ verduidelijkt dat de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie in haar advies niet zijn aangemerkt als het oude planologische regime, maar als de voorzienbare ontwikkeling ten tijde van de aankoop.[4] In zoverre klopt dus niet wat in het door het college overgenomen advies van de bezwaarschriftencommissie staat over dat de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie samen zijn aangemerkt als het oude planologische regime. De SAOZ heeft geen vergelijking gemaakt tussen het oude planologische regime en het nieuwe planologische regime. Het college betoogt dat in dit geval geen planologische vergelijking hoeft te worden gemaakt tussen het oorspronkelijke planologische regime dat wordt gevormd door het bestemmingsplan van 19 december 2011 en de beheersverordening van 24 juni 2013 en het nieuwe planologische regime, omdat in dit geval sprake is van een nadeligere voorzienbare ontwikkeling die bestond vóór het oorspronkelijke planologische regime. Die nadeligere voorzienbare ontwikkeling is het plan voor de bouw van vijf woningen in de Kwaliteitsatlas en de Gebiedsoptimalisatie. Het college verwijst hierbij naar twee uitspraken van de ABRvS van 5 juni 2013 en 29 april 2015.[5]
  1. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid het advies van de SAOZ heeft mogen overnemen waarin de SAOZ de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie als de voorzienbare ontwikkeling heeft vergeleken met de omgevingsvergunning als het nieuwe planologische regime. In dit geval kan het college in redelijkheid met deze vergelijking volstaan en hoefde het college niet ook een vergelijking te maken tussen het oude planologische regime en het nieuwe planologische regime.
8.1. De rechtbank constateert dat het college niet de voorzienbaarheid van de schadeoorzaak zelf bedoelt, maar de voorzienbaarheid van een concept plan dat bestond vóór de schadeoorzaak dat was uitgewerkt in de Kwaliteitsatlas en de Gebiedsoptimalisatie. De rechtbank volgt het college dat zowel de Kwaliteitsatlas als de Gebiedsoptimalisatie voor eisers voorzienbaar waren. De Kwaliteitsatlas is immers voor een ieder gepubliceerd. Uit de stukken en uit het dossier en gelet op wat tijdens de zitting is besproken blijkt dat eisers in deze planschadeprocedure zelf hebben gewezen op het plan voor vijf woningen.
8.2. In dit concrete geval acht de rechtbank de vergelijking tussen de voorzienbare ontwikkeling en het nieuwe planologische regime praktisch en pragmatisch. Het college heeft namelijk toegelicht dat het plan in de Kwaliteitsatlas en de Gebiedsoptimalisatie nadeliger is dan de mogelijkheden van het oude planologische regime en de rechtbank volgt dit. Eisers hebben hiertegen alleen aangevoerd dat woningbouw (op deze locatie) geen negatieve effecten heeft en juist waarde verhogend werkt omdat dit beter zou aansluiten op de bestaande bouw. De rechtbank gaat hier niet in mee, aangezien planschadeverzoeken tegen woningbouw niet ongebruikelijk zijn en bij deze verzoeken spelen bijvoorbeeld de (mogelijk) nadelige gevolgen voor uitzicht, schaduw, karakter van de bestemming, privacy en hinder.[6] Omdat is gebleken dat de voorzienbare ontwikkeling nadeliger is dan het oude planologische regime, zal een vergelijking tussen het oude planologische regime en het nieuwe planologische regime geen inhoudelijk verschil maken voor de beoordeling van het planschadeverzoek. Bovendien constateert de rechtbank dat eisers het feitelijk ermee eens zijn dat het college de voorzienbare ontwikkeling heeft vergeleken met het nieuwe planologische regime, maar dat zij vinden dat deze vergelijking alleen mogelijk is nadat het oude en nieuwe planologische regime eerst met elkaar zijn vergeleken. Tijdens de zitting heeft de adviseur van eisers immers verklaard blij te zijn dat de vergelijking tussen de woningbouw en het nieuwe planologische regime is gemaakt in het rapport van de SAOZ. Ook zijn eisers in de beroepsfase steeds uitgegaan van een vergelijking van de Kwaliteitsatlas en Gebiedsoptimalisatie met de omgevingsvergunning.
Ten slotte ziet de rechtbank in de door het college aangehaalde uitspraak van de ABRvS uit 2013 ook een bevestiging van deze aanpak. Anders dan het college stelt, staat in de uitspraken van de ABRvS van 5 juni 2013 en 29 april 2015 echter niet ondubbelzinnig dat een vergelijking tussen het oude planologische regime en het nieuwe planologische regime achterwege kan worden gelaten als sprake is van een voorzienbare ontwikkeling die nadeliger is dan het oude planologische regime. Toch leest de rechtbank in uitspraak van 5 juni 2013 dat de ABRvS uitgaat van een vergelijking tussen de voorzienbare ontwikkeling (namelijk de aanduiding van het bouwperceel als uitbreidingsgebied voor nieuw woon-, werk - of voorzieningengebied in de 'Structuurschets 1991') en de schadeoorzaak (namelijk de bouwvergunning voor de bouw van een school en gymzaal). De waardevermindering als gevolg hiervan kon in dit geval voor vergoeding in aanmerking komen.[7] De rechtbank volgt de verwijzing van het college naar deze uitspraak uit 2013 in zoverre dat hieruit volgt dat voor het vaststellen voor de waardevermindering een vergelijking tussen de voorzienbare ontwikkeling en het nieuwe planologische regime is toegestaan.
Kon het college beslissen dat eisers niet in een nadeligere positie zijn gekomen?
  1. Eisers zijn het niet eens met de planologische vergelijking in hoofdstuk zeven van het rapport van de SAOZ. Zij kunnen zich niet vinden in de conclusie dat de woningbouw nadeliger zou zijn dan het gezondheidscentrum en de daaruit voortvloeiende conclusie dat eisers door de omgevingsvergunning niet in een nadeligere positie terecht zijn gekomen. In de eerste plaats concludeert [naam] dat het bouwen van woningen juist een waardevermeerdering oplevert. Vijf woonkavels verhogen de waarde van de omgeving vergeleken met een parkeerterrein met aankomende en vertrekkende auto's in de nachtelijke uren. Bovendien liggen tegen het perceel van eisers in het oosten, westen en zuiden al woningen, waardoor de woningen aan de noordkant een logische ontwikkeling zijn en weinig problemen opleveren. Woningbouw heeft dus geen negatieve gevolgen terwijl eisers nadeel hebben van het zorgcentrum. Ten tweede zijn de (geluids)overlast van de parkeerplaats van het gezondheidscentrum en de privacy inbreuk onvoldoende meegewogen. De parkeerplaats ligt direct naast het perceel van eisers en is dag en nacht toegankelijk voor bezoekers. Het standpunt van SAOZ dat een woning met twee lagen meer inbreuk zou opleveren dan het gezondheidscentrum en het parkeerterrein, kunnen eisers niet volgen.
  1. Deze grond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat niet is gebleken van concrete aanknopingspunten waardoor aan de juistheid van het advies van de SAOZ moest worden getwijfeld en dus dat het college op grond van het advies van de SAOZ in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat eisers niet in een nadeligere positie terecht zijn gekomen.
10.1. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS geldt dat als uit een advies van een door een bestuursorgaan ingeschakelde deskundige op objectieve en onpartijdige wijze blijkt welke feiten en omstandigheden aan de conclusies ervan ten grondslag zijn gelegd en deze conclusies niet onbegrijpelijk zijn, dat bestuursorgaan bij het nemen van een besluit op een verzoek om tegemoetkoming in planschade van dat advies mag uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan naar voren zijn gebracht.[8] Op de aanvrager rust in beginsel de bewijslast als hij een op een advies van een onafhankelijke en onpartijdige deskundige gebaseerd oordeel van het bestuursorgaan omtrent het bestaan (of ontbreken) van schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wro bestrijdt. Op het college rust in beginsel de bewijslast voor de feiten op grond waarvan geoordeeld wordt dat de schade redelijkerwijs, geheel of gedeeltelijk, voor rekening van de aanvrager behoort te blijven, of op grond waarvan geoordeeld wordt dat de tegemoetkoming voldoende anderszins verzekerd is.
10.2. De rechtbank stelt gelet op de behandeling van de zitting vast dat partijen het eens zijn over dat het advies van de SAOZ volledig is met betrekking tot welke aspecten zijn meegewogen. Getoetst is aan: het karakter van de bestemming, hinder, uitzicht, privacy en schaduw. Partijen verschillen wel van mening in hoe zwaar de aspecten (geluids)overlast en privacy zijn meegewogen. De rechtbank erkent dat eisers nadeel ondervinden van het gezondheidscentrum en het parkeerterrein. Het college heeft echter op grond van het advies van de SAOZ in redelijkheid kunnen stellen dat deze negatieve effecten worden gecompenseerd na verrekening met de positieve effecten waardoor per saldo geen sprake is van negatieve effecten. Het gezondheidscentrum staat op een afstand van 44 meter vanaf de woning van eisers en dus op een grotere afstand dan de vijf woningen die er zouden komen volgens de Kwaliteitsatlas en de Gebiedsoptimalisatie waardoor minder sprake is van de aantasting van de privacy als gevolg van zicht op het perceel van eisers. De rechtbank is ook met het college van mening dat het parkeerterrein gelet op de impact op privacy en overlast niet nadeliger is dan het plan voor de vijf woningen. Hoewel een parkeerterrein toegankelijk is voor meer mensen dan een woning, volgt uit (de ruimtelijke onderbouwing van) de omgevingsvergunning dat het parkeerterrein alleen overdag in gebruik is voor bezoekers van het gezondheidscentrum en dat het gedeelte van het parkeerterrein dat ligt langs de woning van eisers in de nacht wordt afgesloten met een slagboom. Alleen overlast die inherent is aan het planologisch gebruik kan worden meegewogen.[9] Overlast als gevolg van het niet naleven van wettelijke voorschriften of mogelijke uitwassen komt ook niet in aanmerking.[10]
  1. Eisers hebben ten slotte gesteld dat sprake is van een waardevermindering van € 90.000, - als gevolg van de nieuwe planologische situatie. De rechtbank komt niet toe aan een bespreking van het gestelde schadebedrag omdat volgens SAOZ en het college geen sprake is van een nadeligere positie.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. de Kraker, griffier op 20 februari 2026 en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet - en regelgeving

Wet ruimtelijke ordening
Artikel 6.1 van de Wro
[…]
Bestemmingsplan 'Nieuw Middelburg '
4.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Bedrijf (B) aangewezen gronden zijn bestemd voor:
4.2 Bouwregels
4.2.1 Toelaatbaarheid van bouwwerken
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
a. op deze gronden worden gebouwd:1. ter plaatse van het bouwvlak: a. gebouwen;
b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;2. buiten het bouwvlak: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens bedraagt ten minste 1 m, tenzij het gebouw in de perceelsgrens wordt gebouwd;
de onderlinge afstand van niet-aaneengebouwde gebouwen bedraagt ten minste 1 m.
4.2.2 Maatvoering
De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en / of de inhoud van een gebouw of bouwwerk, geen gebouwen zijnde, bedragen ten hoogste de volgende aangegeven maten:
[…]

Artikel 15 Waarde - Archeologie – 3

15.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden (WR-A-3) - bij wijze van dubbelbestemming - bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische verwachtingswaarden.
15.1 Bestemmingsomschrijving
De voor Waarde - Archeologie - 3 aangewezen gronden (WR-A-3) - bij wijze van dubbelbestemming - bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische verwachtingswaarden.
15.2 Bouwregels
Voor het bouwen gelden de volgende regels:
  1. het bevoegd gezag beschikt over een verklaring van de archeologische deskundige waaruit blijkt dat het opstellen van een rapport met daarin een beschrijving van de archeologische waarden van de betrokken locatie niet nodig is;
  1. niet is voldaan aan het bepaalde onder 1:
a. de aanvrager van de omgevingsvergunning voor bouwen een rapport heeft overlegd waarin de archeologische waarde van de betrokken locatie naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld;
b. de betrokken archeologische waarden, gelet op het onder a genoemde rapport, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor bouwen regels te verbinden, gericht op het behoud van de archeologische resten in de bodem, het doen van opgravingen dan wel het begeleiden van de bouwactiviteiten door de archeologische deskundige;
het bepaalde in dit lid onder b is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op een of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
  1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;
  1. een bouwwerk met een oppervlakte van ten hoogste 500 m²;
  1. een bouwwerk dat niet dieper wordt gebouwd dan 40 cm beneden het peil;
  1. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 cm beneden het peil kan worden geplaatst;
  1. een bouwwerk dat zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.
[…]

Artikel 19 Algemene aanduidingsregels

19.1 Vrijwaringszone – molenbiotoop
a. Ter plaatse van de gebiedsaanduiding "vrijwaringszone - molenbiotoop" gelden de volgende regels:
  1. binnen een afstand van 100 m tot het middelpunt van de molen wordt geen nieuwe bebouwing opgericht hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;
  1. binnen een afstand van 100 tot 400 m tot het middelpunt van de molen wordt geen bebouwing opgericht met een hoogte die meer bedraagt dan, de uitkomst van de volgende formule H(x) = x /75 +(0,2*18,35), met dien verstande dat de uitkomst H(x) niet minder bedraagt dan het onderste punt van de verticaal staande wiek;
Het bepaalde onder a is niet van toepassing op:
  1. een bouwwerk dat, gezien vanuit de molen, aan de achterzijde van bebouwing wordt opgericht en waarbij de hoogte en de breedte blijft binnen de hoogte en breedte van de bestaande bebouwing waarachter het bedoelde bouwwerk wordt opgericht;
  1. een bouwwerk ter vervanging van bestaande bebouwing dat voldoet aan het bepaalde op de verbeelding en in hoofdstuk 2.
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a, indien de belangen van de molen niet onevenredig worden geschaad, zij wegen daarbij de belangen van de nieuw op te richten bebouwing af tegen de molenbelangen; alvorens de afwijking van het bestemmingsplan toe te passen vraagt het bevoegd gezag schriftelijk advies bij de molendeskundige (Vereniging Zeeuwse Molen).
Indien op grond van hoofdstuk 2 een lagere maximale bouwhoogte geldt dan de maximaal toelaatbare bouwhoogte ingevolge lid a, prevaleert de maximaal toelaatbare bouwhoogte van hoofdstuk 2.
Beheersverordening 'Rijksweg N57'

Artikel 2 N57

2.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken
2.2 Aanvulling op lid 2.1 ten aanzien van het BOUWEN en GEBRUIK
In aanvulling op lid 2.1 gelden ten aanzien van het bouwen en gebruik de voorschriften en kaarten zoals opgenomen in bijlage 1 en 2.
[…]

Bijlage 2 – Regels N57

Artikel 5 Verkeersdoeleinden (V)

[…]
Bouwvoorschriften
  1. Op deze gronden mogen ten behoeve van de bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd, met dien verstande dat hieronder ook worden verstaan kunstwerken zoals bruggen, viaducten, aquaducten en bijbehorende pompgebouwen alsmede geluidsafschermende voorzieningen.
[…]

Artikel 12 Molenbeschermingszone

Doeleindenomschrijving
  1. De gronden op de kaart aangewezen voor Molenbeschermingszone zijn mede bestemd voor het behoud en / of herstel van de aanwezige landschappelijke en / of cultuurhistorische waarden van een molen.
Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken.
Volgens het advies van de SAOZ was nog sprake van gering voordeel.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 4.
Verwijzing naar: ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1864, r.o. 6 en ABRvS 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2575 r.o. 4.
Verwijzing naar: ABRvS 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2026, r.o. 6 en ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1375, r.o. 6.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:432.
ABRvS 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2026, r.o. 6.2.
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, r.o. 8.3.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 37.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 38. - - - ## Voetnoten
Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 4.
Verwijzing naar: ABRvS 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1864, r.o. 6 en ABRvS 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2575 r.o. 4.
Verwijzing naar: ABRvS 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2026, r.o. 6 en ABRvS 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1375, r.o. 6.
Zie bijvoorbeeld: ABRvS 5 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:432.
ABRvS 5 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2026, r.o. 6.2.
ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, r.o. 8.3.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 37.
ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3690, r.o. 38.