Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2025:9412 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 24 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBZWB:2025:9412•24 december 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/3627
[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roosendaal.
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van het college in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het college op drie verzoeken (aanvragen) in het kader van de Wet open overheid (Woo). Hij heeft het beroep ingetrokken, omdat het college op alsnog op zijn verzoeken heeft beslist.
1.1. De rechtbank heeft het college in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het college heeft de rechtbank meegedeeld dat het college bereid is om de proceskosten te betalen. Het college is echter niet akkoord met de verletkosten welke door verzoeker worden genoemd op het formulier proceskosten.
1.2. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[1]
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
- Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
[2]
Is het college aan verzoeker tegemoetgekomen?
- De rechtbank moet dus beoordelen of het college geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1. Op 22 juli 2025 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn verzoeken. Het college heeft op 2 september 2025 alsnog beslist op de verzoeken van verzoeker. Hiermee is het college tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
Moet het college de proceskosten van verzoeker vergoeden?
- Het college is weliswaar tegemoet gekomen aan het beroep van verzoeker, maar toch bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af.
Krijgt verzoeker een vergoeding van het griffierecht?
- De rechtbank wijst erop dat het college verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194, - te vergoeden.
[3] Verzoeker moet zich hiervoor dan ook tot het college wenden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van L.J. Sijtsma, griffier, op 24 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. - - - ## Voetnoten