Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2025:9306 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 22 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBZWB:2025:9306•22 december 2025
Uitspraak inhoud
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Belastingrecht
zaaknummer: BRE 25/99 WOZ
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 december 2025 in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Tilburg, de heffingsambtenaar.
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 4 december 2024.
1.1. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] (de woning) op 1 januari 2023 (de waardepeildatum) vastgesteld op € 370.000 (de beschikking). Met deze waardevaststelling is aan belanghebbende ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Tilburg voor het jaar 2024 opgelegd (de aanslag).
1.2. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de woning verlaagd naar € 355.000.
1.3. De rechtbank heeft het beroep op 10 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende en namens de heffingsambtenaar [naam 1] , [naam 2] .
Beoordeling door de rechtbank
- Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikking over het jaar 2023. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van zijn bezwaar een taxatierapport ingebracht, ondertekend door [taxateur] , taxateur, verbonden aan Woning Waarderingsmeesters (het taxatierapport).
2.1. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar gegrond verklaard en de WOZ-waarde verminderd. Tevens heeft de heffingsambtenaar een kostenvergoeding toegekend. Volgens de uitspraak op bezwaar bedraagt deze vergoeding € 156 voor het indienen van het bezwaarschrift en € 52 voor het taxatierapport.
De kosten van het taxatierapport
- Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat voor het taxatierapport een vergoeding moet worden toegekend voor twee uur tegen een tarief van € 53 per uur vermeerderd met de btw.
3.1. De heffingsambtenaar stelt dat het taxatierapport geen volwaardig rapport is, maar een grotendeels geautomatiseerd product. Het rapport bevat voornamelijk standaardpassages en automatisch gegenereerde tekst. Referentieobjecten zijn geautomatiseerd geselecteerd zonder individuele KOUDV-correcties. Bijgebouwen zijn niet afzonderlijk beschreven en er is geen opname ter plaatse uitgevoerd. Het proportionaliteitsbeginsel verlangt dat de vergoeding in verhouding staat tot de inspanning en inhoudelijke meerwaarde. Daarnaast wijst de heffingsambtenaar erop dat het gaat om een landelijk opererend WOZ-bureau dat op grote schaal taxatierapporten produceert en indient, waardoor een hoge tijdclaim niet aannemelijk is.
3.2. De rechtbank overweegt als volgt. Het ligt op de weg van belanghebbende om over de hoogte van de gemaakte kosten en/of over de tijdbesteding voldoende gegevens aan te dragen, omdat hij de vergoeding voor de kosten vraagt en de hoogte van de gestelde kosten gemotiveerd is betwist door de heffingsambtenaar. Naar aanleiding van de gemotiveerde betwisting door de heffingsambtenaar heeft belanghebbende echter geen onderbouwing gegeven waarom een vergoeding van € 128,26 voor het taxatierapport redelijk zou zijn. Belanghebbende heeft niet onderbouwd hoe het taxatierapport tot stand is gekomen, hoeveel tijd hieraan is besteed en wat de deskundigheid is van degenen die aan het rapport hebben gewerkt. De rechtbank oordeelt daarom dat het aannemelijk is dat een vergoeding voor het taxatierapport van twee uur maal € 53 in dit geval leidt tot een disproportionele vergoeding zoals bedoeld in het Richtsnoer 2024.[1] De rechtbank is van oordeel dat een vergoeding van € 52 voor de kosten van het taxatierapport redelijk is.
De schriftelijke hoorzitting
- Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend voor de schriftelijke hoorzitting.
4.1. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar terecht geen vergoeding heeft toegekend voor de schriftelijke hoorzitting. In de bijlage van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn de proceshandelingen opgesomd waarvoor een proceskostenvergoeding kan worden toegekend. Het indienen van een geschrift met nadere gronden dat in de plaats komt van een hoorzitting is daarin niet als proceshandeling genoemd.[2]
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de uitspraak op bezwaar, de beschikking en de aanslag in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.J.A. Miseré, griffier, op 22 december 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.
Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024. Zie Gerechtshof 's-Hertogenbosch 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 maart 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:1843. - - - ## Voetnoten