Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2025:9292 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 19 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2025:929219 december 2025

Uitspraak inhoud

Familie - en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/441432 / FA RK 25-5598
Datum uitspraak: 19 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over de tijdelijke voogdij
in de zaak van
De Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] te [geboorteland] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
de gecertificeerde instelling**Jeugdbescherming Brabant,**locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt mee in de beoordeling: - het verzoek van de Raad met bijlagen, ontvangen op 29 oktober 2025.
1.2. De zitting heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
Er was voor de moeder geen tolk in de Poolse taal aanwezig op de zitting, omdat de Raad niet de verwachting had dat moeder zou verschijnen. Er is tevergeefs geprobeerd een telefonische tolk te regelen. In overleg met de moeder, die beperkt Nederlands spreekt, is de zitting zonder de tolk voortgezet.
1.3. De kinderrechter heeft [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening te geven over het verzoek. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2 De feiten

2.1. De moeder draagt het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 21 augustus 2025 is de GI (met spoed) belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] met ingang van 21 augustus 2025 tot 4 september 2025.
2.3. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 28 augustus 2025 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] met ingang van 4 september 2025 tot 21 november 2025.
2.4. [minderjarige] verblijft in (de omgeving van) [woonplaats] .
2.5. [minderjarige] en de moeder hebben de Poolse nationaliteit.

3 Het verzoek

3.1. De Raad verzoekt de GI te belasten met de tijdelijke voogdij over [minderjarige] en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De beoordeling

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
4.1. Aangezien de moeder en [minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben, heeft het verzoek een internationaal karakter en dient eerst de vraag beantwoord te worden of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is en zo ja, welk recht van toepassing is op het verzoek.
4.2. Het verzoek betreft een geschil over het gezag en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (Brussel IIter). Op grond van artikel 7, eerste lid, Brussel IIter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. [minderjarige] heeft zijn gewone verblijfplaats in Nederland. Daarom is de Nederlandse rechter bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
4.3. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Beoordeling van de kinderrechter
4.4. Uit het verzoekschrift is gebleken dat de moeder naar Polen is vertrokken en [minderjarige] sindsdien geen tot weinig contact met haar heeft. Hij heeft aangegeven dat zijn moeder in Polen in een psychiatrische inrichting verblijft. Het bestaan of de verblijfplaats van de moeder is dus onbekend. De vader van [minderjarige] is nooit in beeld geweest en heeft geen gezag. De Raad stelt dat het noodzakelijk is om nog langer in de voogdij over [minderjarige] te voorzien om de belangrijke beslissingen over [minderjarige] te nemen, zoals over zijn huisvesting, de financiën en de hulpverlening voor hem. De GI, die al de voorlopige voogdij draagt, is bereid de (tijdelijke) voogdij over [minderjarige] op zich te nemen.
4.5. De moeder was tijdens de zitting aanwezig. Zij heeft aangegeven dat zij gedwongen opgenomen is geweest in Polen, maar sinds ongeveer een maand weer terug is in Nederland. Zij heeft via whatsapp contact met [minderjarige] .
4.6. De Raad heeft gepersisteerd bij het verzoek, ondanks dat de moeder weer in Nederland verblijft. De Raad heeft aangegeven dat er een aanvullend onderzoek nodig is, omdat de GI zorgen heeft over de situatie van [minderjarige] . De Raad heeft verzocht om het verzoek daarvoor aan te houden.
4.7. De GI heeft naar voren gebracht dat de moeder weliswaar terug in Nederland is, maar dat haar rol als gezaghebbende ouder over [minderjarige] beperkt is. De GI heeft geen contact kunnen hebben met de moeder. In dat kader is het passend dat de GI nog de voorlopige voogdij over [minderjarige] draagt. De GI heeft zorgen over [minderjarige] en over het feit dat de moeder niet op de hoogte is van wat er in het leven van [minderjarige] speelt. De GI vreest dat de voor [minderjarige] geregelde zorg wegvalt als er geen voorziening wordt getroffen.
4.8. De kinderrechter stelt vast dat het gezag van de moeder op het moment dat zij (op een onbekende plek) in Polen verbleef en vrijwel niet bereikbaar was, was geschorst op grond van artikel 1:253r eerste lid BW, omdat haar verblijfplaats onbekend was en zij in die periode in de onmogelijkheid was haar gezag over [minderjarige] uit te oefenen. Op dat moment was het op grond van artikel 1:253r tweede lid jo 1:253q eerste lid onder b BW terecht dat de GI de voorlopige voogdij over [minderjarige] had. Ten tijde van de indiening van onderhavig verzoek door de Raad was er nog sprake van deze situatie. De Raad is daarom ontvankelijk in het verzoek.
4.9. De kinderrechter kan door het feit dat de moeder inmiddels weer (op een bekende verblijfplaats) in Nederland verblijft echter niet anders dan vaststellen dat van deze situatie geen sprake meer is. Er is geen sprake meer van een schorsing van het gezag van de moeder van rechtswege. Aangezien de moeder het gezag over [minderjarige] dus (weer) draagt, is er geen wettelijke grondslag meer om een (tijdelijke) voogd over hem te benoemen.
4.10. Gezien deze juridische situatie is een aanhouding van het verzoek niet passend. De kinderrechter zal het verzoek van de Raad afwijzen.
4.11. Tijdens de zitting is gebleken dat de GI zorgen heeft over [minderjarige] en over de (wijze en mate van) gezagsuitoefening door de moeder. Het is aan de GI en de RvdK om samen te bezien of een andere kinderbeschermingsmaatregel hiervoor noodzakelijk is en daartoe dan de nodige stappen te zetten.
Samenvatting voor de moeder
4.12. De kinderrechter wil aan de moeder uitleggen wat haar beslissing is.
De moeder was opgenomen in Polen. Daardoor was niet bekend waar zij was en kon zij er niet voor [minderjarige] zijn. De moeder had toen even geen gezag over [minderjarige] op grond van de Nederlandse wet. Jeugdbescherming Brabant heeft daarom toen van de rechter de voogdij over [minderjarige] gekregen. Zij mochten beslissingen over [minderjarige] nemen en dingen voor hem regelen. De moeder is nu weer terug in Nederland. Zij heeft daardoor (weer) het gezag over [minderjarige] . Het is dus niet meer nodig dat Jeugdbescherming Brabant de voogdij over [minderjarige] heeft. De kinderrechter wijst daarom het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming hierover af. Jeugdbescherming Brabant en de Raad voor de Kinderbescherming hebben wel veel zorgen over [minderjarige] . Zij gaan daarom nog wel bekijken of een andere kinderbeschermingsmaatregel nodig is.

5 De beslissing

De kinderrechter:
5.1. wijst het verzoek af.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: