Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2025:9271 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 23 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2025:927123 december 2025

Uitspraak inhoud

Familie - en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/442279 / JE RK 25-2089
Datum uitspraak: 23 december 2025
Beschikking over een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg.
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2020 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats 2] .
[de pleegouders],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende in [plaats 3] .

1 Het verloop van de procedure

1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: - het verzoek van de GI met bijlagen van 24 november 2025.
1.2. Op 23 december 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig: - de pleegouders; - een vertegenwoordigster van de GI.
Opgeroepen, maar niet verschenen zijn:
  1. De feiten
2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. Bij beschikking van 31 juli 2024 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht
gesteld, met ingang van 31 juli 2024 en tot 31 juli 2025. Ook heeft de kinderrechter een
machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin, te weten het huidige pleeggezin, verleend,
met ingang van 31 juli 2024 en tot 31 januari 2025. Het restant van het verzoek van de Raad
heeft de kinderrechter aangehouden.
2.3. Bij beschikking van 8 januari 2025 heeft de kinderrechter het resterende deel van
het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verlengd tot 30 april 2025.
2.4. Bij beschikking van 15 april 2025 heeft de kinderrechter het resterende deel van
het verzoek machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin verlengd tot 31 juli 2025.
2.5. Bij beschikking van 25 juli 2025 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, met ingang van 31 juli 2025 en tot 31 juli 2026. Hiernaast is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd, te weten het huidige pleeggezin, met ingang van 31 juli 2025 tot 31 januari 2025.
2.6. [minderjarige] verblijft op basis van voornoemde beschikking in het pleeggezin.

3 Het verzoek

3.1. De GI verzoekt de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

4.1. De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] doet het goed in het pleeggezin en ook de ouders zien dat hij het hier goed heeft. Hij ontwikkelt zich positief en er is sprake van een veilige en stabiele omgeving waarin hij tot rust kan komen. Wel kan hij ook verdrietig en boos zijn en veel nabijheid zoeken. De [observatiegroep] constateert hiernaast dat [minderjarige] snel overprikkeld raakt en moeite heeft met regulatie. Hij heeft een volwassene nodig die hem helpt om weer tot rust te komen. Nu [minderjarige] in een kleinere klas zit, gaat het beter met hem op school. De bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] verlopen niet goed. Sinds mei 2025 heeft de moeder de bezoeken afgezegd en in september heeft ze aangegeven dat ze tot na sinterklaas niet op bezoek komt vanwege haar therapie. De moeder heeft bij de GI aangegeven dat ze zich momenteel alleen maar slechter voelt door haar therapie, maar ze gaat wel door met haar behandeling. Dat er geen bezoeken zijn, heeft een grote impact op [minderjarige] , juist omdat hij geniet van de contacten met de moeder. Er is dan ook afgesproken om te videobellen, maar de moeder heeft dit videobelmoment afgezegd. Ook is in de afgelopen periode geprobeerd om het contact tussen [minderjarige] en de vader te herstellen. Er is eind augustus 2025 een gesprek met de vader geweest, waarin ook de zorgen over zijn opvoedstijl zijn besproken. Echter herkent de vader de zorgen niet. Inmiddels hebben er twee door [begeleiding] begeleide bezoeken plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] . Deze zijn goed verlopen, maar de vader heeft ook één van de bezoeken opnieuw afgezegd. Na vier bezoeken kan er een evaluatie plaatsvinden. Wat ook zorgelijk is, is dat de vader geen toestemming wilde geven voor hulpverlening voor [minderjarige] . Hij wilde [minderjarige] eerst zien en wilde dan pas toestemming geven. Nadat er een schriftelijke aanwijzing is gegeven, heeft de vader na maanden eindelijk toestemming verleend. In de komende periode is het voor [minderjarige] belangrijk dat hij duidelijkheid krijgt dat hij bij de pleegouders kan opgroeien. De ouders zijn het hiermee eens, maar het moet nog wel officieel worden gemaakt.
4.2. Door de pleegouders is gesteld dat het redelijk goed gaat met [minderjarige] bij hen thuis. Hij heeft in het begin erg moeten wennen, maar inmiddels is hij gestabiliseerd en hij begint zich te hechten aan de pleegouders. Wel is te merken dat hij erg druk is in zijn hoofd. Ook gaat het op school niet goed, omdat hij met z'n (negatieve) gedrag de hele klas beïnvloedt. Hiernaast vraagt [minderjarige] bij de pleegouders dagelijks om zijn moeder. Ze proberen de moeder in het leven van [minderjarige] te betrekken, maar dit is lastig, omdat de moeder niet altijd antwoordt of afspraken niet nakomt. De pleegouders zijn perspectief biedend, dus [minderjarige] kan bij hen opgroeien.

5 De beoordeling

Wettelijk kader verlenging machtiging uithuisplaatsing
5.1. Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.2. De kinderrechter stelt vast dat het noodzakelijk is dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt verlengd voor de duur van de ondertoezichtstelling. Hij zal hieronder uitleggen waarom.
5.3. Het gaat over het algemeen goed met [minderjarige] in het pleeggezin. Hij ontwikkelt zich positief, komt tot rust en is zich aan het hechten aan de pleegouders. Wel is hij snel overprikkeld, laat hij zien dat hij verdriet en boosheid ervaart, heeft hij een ander nodig om zijn emoties te kunnen reguleren en zoekt hij nabijheid van de pleegouders. Gebleken is dat [minderjarige] erg van de bezoeken met zijn moeder geniet en dat hij dan ook vaak naar zijn moeder vraagt. Omdat de bezoekafspraken tussen de moeder en [minderjarige] al lange tijd niet van de grond komen en er inmiddels al een aantal maanden geen contact meer is tussen de moeder en [minderjarige] , wil de kinderrechter dat de GI onderzoekt of er een schriftelijke aanwijzing voor wat betreft de bezoekregeling aan de moeder kan worden gegeven. [minderjarige] heeft namelijk behoefte aan contact met allebei zijn ouders en zijn onrust omtrent de bezoeken moet (zo goed als) weg worden genomen. Hiernaast vindt de kinderrechter het belangrijk dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over waar hij mag gaan opgroeien. Er is geen sprake van goed genoeg ouderschap bij de ouders; de opvoedcapaciteiten zijn onvoldoende in balans met de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] . Het is dan ook belangrijk dat er in de komende periode een perspectiefbesluit wordt genomen.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.4. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.

6 De beslissing

De kinderrechter:
6.1. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] gedurende dag en nacht in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 31 januari 2025 en tot 31 juli 2026;
6.2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.