Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2025:9266 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 17 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBZWB:2025:9266•17 december 2025
Uitspraak inhoud
Familie - en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/442275 / JE RK 25-2086
Datum uitspraak: 17 december 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging van de ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[ouder 1],
en
[ouder 2],
hierna te noemen de ouders,
beiden wonende in [plaats] .
1 Het verloop van de procedure
1.1. De kinderrechter neemt het volgende stuk mee in de beoordeling: - het verzoekschrift van 5 november 2025 met bijlagen.
1.2. De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 december 2025. Daarbij waren aanwezig: - twee vertegenwoordigers van de GI.
Opgeroepen, maar niet verschenen zijn: - de ouders.
2 De feiten
2.1. De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2. Bij beschikking van de kinderrechter van 26 januari 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 januari 2022 en tot 26 januari 2023.
2.3. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 3 januari 2023 deze ondertoezichtstelling verlengd met ingang van 26 januari 2023 en tot 26 januari 2024.
2.4. Bij beschikking van de kinderrechter van 13 juli 2023 is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 13 juli 2023 en tot 26 januari 2024.
2.5. Bij beschikking van 27 december 2023 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 26 januari 2024 tot 27 december 2024. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 27 december 2023 en tot 27 december 2024.
2.6. Bij beschikking van 20 december 2024 heeft de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 27 december 2024 tot 27 december 2025. Tevens is bij deze beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 27 december 2023 en tot 27 juni 2025. Het restant van het verzoek is aangehouden.
2.7. Bij beschikking van 17 juni 2025 is het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing afgewezen.
3 Het verzoek
3.1. De GI heeft verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verzocht voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De standpunten
4.1. De GI handhaaft het verzoek. [minderjarige] zit beter in zijn vel nu hij weer terug thuis bij de ouders woont. Wel is gebleken dat hij zoekt naar zijn plekje in het gezin en dat hij op zoek is naar duidelijkheid en veiligheid, omdat hij dit thuis niet voldoende krijgt. [minderjarige] vindt het lastig om op een gepaste manier te reageren op leeftijdsgenoten. Hij kan makkelijk meegaan als anderen iets voorstellen of kan anderen uitlokken door ongepast gedrag. Ook reageert hij sterk op prikkels en heeft hij behoefte aan structuur en duidelijke grenzen. De laatste periode komt [minderjarige] op school niet tot leren, omdat hij snel is afgeleid en erg bewegelijk is. Wel sluit hij goed aan bij kinderen die hij kan helpen. Hiernaast is in de afgelopen periode gebleken dat de moeder emotioneel niet beschikbaar is voor [minderjarige] en dat de vader overvraagd wordt. Het lukt de moeder hiernaast niet om de duidelijkheid en structuur te bieden die [minderjarige] nodig heeft. Ze laat de vader het oplossen. In het rapport van Goed genoeg Ouderschap werd dit ook benoemd, maar het lukt de moeder niet om hier iets mee te doen. Hiernaast kunnen de ouders geen weerstand bieden aan [minderjarige] ; de moeder krijgt hem bijvoorbeeld niet op tijd klaar voor school en geeft het op na herhaaldelijk proberen. De ouders uiten naar [minderjarige] dat als hij doorgaat met bepaald gedrag, hij niet bij hen kan blijven wonen. De ouders maken het daarna wel weer goed met [minderjarige] . Daarnaast wijzen de ouders [minderjarige] af door bijvoorbeeld niet te komen kijken bij de voetbal als dit wel beloofd is. De moeder geeft echter bij de GI aan dat het goed gaat en ze laat de hulpverlening dan ook wisselend toe. Hierbij heeft de vader bepaalde verwachtingen van de moeder die ze niet kan waarmaken wat leidt tot spanningen tussen de ouders. Als de ouders ruzie hebben lukt het hen niet om met elkaar te communiceren. Alles tegen elkaar afwegend is echter te zien dat [minderjarige] momenteel voldoende veilig is bij de ouders, maar de GI heeft wel zorgen op de lange termijn. Momenteel wordt er gekeken of [minderjarige] terecht kan bij een zorgboerderij of eventueel in een weekendpleeggezin. Tot slot heeft de GI meegedeeld te hebben gehoord dat er zorgen zijn over het seksuele gedrag dat [minderjarige] (en zijn [broertje] ) vertonen. Dit baart de GI dan ook enorme zorgen.
5 De beoordeling
Wettelijk kader verlenging ondertoezichtstelling
5.1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
5.2. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
5.3. Uit de stukken en tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de doelen van de ondertoezichtstelling niet zijn behaald en dat, ondanks dat [minderjarige] beter in zijn vel zit nu hij weer thuis woont, er zorgen aanwezig zijn. Gebleken is onder meer dat het de ouders niet lukt om [minderjarige] weerstand, structuur en veiligheid te bieden, dat de moeder emotioneel niet beschikbaar is, dat de vader overvraagd wordt en dat er regelmatig spanningen zijn tussen de ouders. Ook is er sprake van afwijzing van [minderjarige] door de ouders. Echter lijken de ouders niet leerbaar en lijken zij niet in te zien dat er zorgen zijn, waardoor ze de hulpverlening met regelmaat afwijzen. Hierbij komt nu ook nog de zorg naar voren dat er zorgen zijn over het gedrag van [minderjarige] op seksueel gebied, dat tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift van de GI omtrent [broertje] aan het licht kwam. Alles tegen elkaar afwegend vindt de kinderrechter dat [minderjarige] op dit moment nog voldoende veilig is bij de ouders, maar hij vraagt zich net als de GI af of dit houdbaar is op de langere termijn. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] dan ook verlengen voor zes maanden, onder aanhouding van het restant, om een vinger aan de pols te houden. De kinderrechter verwacht tegen die tijd een update van de GI over hoe de afgelopen periode is verlopen, zodat er tijdens de mondelinge behandeling gericht zaken kunnen worden besproken. In de komende zes maanden moet er gewerkt blijven worden aan de doelen, maar er moet ook onderzocht worden waar het afwijkende seksuele gedrag bij [minderjarige] vandaan komt en er moeten, indien dat nodig blijkt te zijn, verdere maatregelen ingezet worden.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.4. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6 De beslissing
De kinderrechter:
6.1. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van zes maanden, te weten met ingang van 27 december 2025 en tot 27 juni 2026;
6.2. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.3. houdt iedere verdere beslissing over de verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] aan tot een nader te bepalen zittingsdatum **in de eerste helft van de [maand] 2026,**een en ander in afwachting van de update van de GI over de afgelopen periode.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025 door mr. Duinhof, kinderrechter, in aanwezigheid van drs. Swint als griffier, en op schrift gesteld op 29 december 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.