Terug naar bibliotheek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2025:9194 - Rechtbank Zeeland-West-Brabant - 19 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBZWB:2025:919419 december 2025

Uitspraak inhoud

Familie - en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/434976 / FA RK 25-2280
Datum uitspraak: 19 december 2025
Beschikking over gezagsbeëindiging
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige], geboren te [geboorteplaats 1] ( [land] ) op [geboortedag 1] 2011,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
op dit moment verblijvende op een onbekend adres in Somalië;
[de broer],
hierna te noemen: de broer,
en
[de zus],
hierna te noemen: de zus,
beiden wonende in [plaats] ,
hun beider advocaat: mr. I. Lamou in [plaats] ,
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

1 Het verloop van de procedure

1.1. De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
1.2. Op 5 december 2025 heeft de rechtbank het verzoek behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij zijn aanwezig en gehoord: - de broer en zus, bijgestaan door hun advocaat en een tolk in de Somalische taal; - twee medewerksters namens de Raad; - twee vertegenwoordigers van de GI.
1.3. Hoewel daartoe correct opgeroepen in de Staatscourant, is de moeder niet bij de zitting verschenen. De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat de oproeping in de Staatscourant van 10 oktober 2025 niet is geschied volgens de aanbevolen oproepingstermijn van drie maanden. De rechtbank beschouwt dit echter niet als een foutieve oproeping en neemt daarbij in aanmerking dat de oproeping alsnog is geweest ruim anderhalve maand voor de zitting. De termijn van anderhalve maand acht de rechtbank in deze zaak redelijk. Daarbij overweegt de rechtbank dat de moeder alsnog een aanvaardbare periode de gelegenheid heeft gehad om kennis te nemen van de zitting en om naar Nederland af te reizen. Door de gehanteerde oproeptermijn de moeder naar het oordeel van de rechtbank niet in haar procesbelang geschaad. Daarbij komt bovendien dat de rechtbank niet verwacht dat de moeder wel bij de zitting aanwezig was geweest op het moment dat de rechtbank de aanbevolen oproeptermijn van drie maanden had gehanteerd. Immers, uit de overlegde stukken is gebleken dat er met de moeder al geruime tijd geen contact meer is geweest en zij zich niet betrokken heeft getoond.
1.4. Gelet op de nauwe samenhang tussen dit verzoek van de Raad en het verzoek van broer en zus in de zaak met kenmerk C/02/425124 / FA RK 24-3528, zijn deze zaken op zitting gelijktijdig behandeld. In beide zaken wordt bij aparte beschikking van heden beslist.

2 De feiten

2.1. De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2. De vader van [minderjarige] is overleden.
2.3. [minderjarige] verblijft bij de broer en zus te [plaats] .
2.4. De moeder verblijft in Somalië op een onbekend adres.
2.5. De moeder en [minderjarige] hebben de Somalische nationaliteit.
2.6. Bij beschikking van 18 februari 2025 (in de zaak met kenmerk C/02/432061 / FA RK 25-839) heeft de rechtbank – naar aanleiding van het mondelinge verzoek van de Raad - de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] .
2.7. Bij beschikking van 4 maart 2025 (in de zaak met kenmerk C/02/425124 / FA RK 24-3528) heeft de rechtbank het verzoek van broer en zus om hen tot tijdelijke voogd over [minderjarige] te benoemen afgewezen, en de behandeling van de zaak aangehouden met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 5.8 van die beschikking is overwogen.

3 Het verzoek

3.1. De Raad verzoekt om het gezag van de moeder te beëindigen en [naam] (de rechtbank begrijpt: [de zus] ), zijnde de zus, te belasten met de voogdij over de [minderjarige] .
3.2. De Raad verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 Het standpunt van de Raad

4.1. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de Raad, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is in 2022 vanuit Somalië met de moeder naar Nederland gekomen. Zij verbleven toen samen met de broer en de zus in dezelfde woning. In juli 2023 is de moeder teruggegaan naar Somalië om daar de zorg te dragen voor haar zieke vader. [minderjarige] bleef bij de broer en de zus die de zorg over [minderjarige] hebben overgenomen. Dit is een affectieve en warme omgeving. De zorg over [minderjarige] is zwaar, echter de broer en zus zijn nauw betrokken en zetten zich in om hem datgene te bieden wat hij nodig heeft. [minderjarige] heeft spastische cerebrale parese. Zijn taalbegripsleeftijd wordt geschat op 28 maanden oud. De mate van verstandelijke beperking van [minderjarige] is nog onduidelijk, omdat hij in Somalië geen onderwijs heeft gevolgd en hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Op dit moment laat [minderjarige] een positieve groei zien wat betreft schoolse vaardigheden. Hij weet zich in Nederland goed te ontwikkelen en bloeit zichtbaar op.
4.2. Met het vertrek van de moeder naar Somalië is zij ineens uit het leven van [minderjarige] verdwenen. Zij is vertrokken zonder te regelen wie beslissingen over [minderjarige] neemt. De moeder heeft zich emotioneel, fysiek en ook juridisch volledig onttrokken aan haar ouderlijke verantwoordelijkheden. Er is dan ook een gezagsvacuüm ontstaan, waardoor de Raad eerder genoodzaakt was om te verzoeken om de GI met de voorlopige voogdij over [minderjarige] te belasten. Vanaf 30 maart 2025 heeft de moeder op geen enkele manier contact opgenomen met haar kinderen. Ook voor de Raad en de GI is de moeder onbereikbaar. De Raad heeft geen contact kunnen krijgen met de moeder. Zij is op verschillende manier geprobeerd te bereiken (gebeld/sms). Volgens de broer en de zus verblijft de moeder in een zeer landelijk gebied van Somalië waar er slecht bereik is gezien de slechte telefonische verbinding en afwezigheid van internet. De onbereikbaarheid van de moeder en het gebrek aan betrokkenheid maakt communiceren en het voorleggen van gezagsbeslissingen aan haar niet mogelijk. Daarbij komt dat de moeder geen concreet beeld heeft van de (medische) situatie van [minderjarige] . Volgens de broer en de zus heeft de moeder aangegeven dat zij moeite heeft met het klimaat in Nederland en daar ook fysiek last van heeft. Zodoende kan zij niet met zekerheid aangeven of zij nog terug zal keren om in Nederland te verblijven om de opvoeding en verzorging van [minderjarige] weer te hervatten.
4.3. Het voorgaande maakt dat de Raad verzoekt om het gezag van de moeder te beëindigen. Er is sprake van ernstige nalatigheid. Vanuit de moeder is er geen sprake van verantwoorde continuïteit in de zorg, hetgeen in strijd is met artikel 1:247 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De moeder heeft onttrokken aan haar ouderlijke verantwoordelijkheden. Er bestaat bovendien onduidelijkheid over de rol die de moeder (nog) vervult in het leven van [minderjarige] . Voor [minderjarige] bestaat er totale onduidelijkheid over zijn toekomstperspectief. De aardbare termijn is, gezien de kwetsbaarheid van [minderjarige] , dan ook verstreken. Een gezagsbeëindigende maatregel is het meest in het belang van [minderjarige] . De Raad merkt daarbij nog op dat, anders dan in het verzoekschrift is vermeld, een beroep wordt gedaan op artikel 1:266 BW sub a BW.
4.4. Vervolgens heeft de Raad bekeken bij wie de voogdij moet komen te liggen. Volgens de GI is hun betrokkenheid overbodig, omdat de broer en zus feitelijk alles zelf regelen. Zij voelen en tonen zich beiden verantwoordelijk voor [minderjarige] . De Raad volgt de GI in hun visie dat langere betrokkenheid van de GI niet nodig is en de voortzetting van de voogdijmaatregel geen meerwaarde heeft. De broer en zus kunnen zich er beiden in vinden als alleen de zus als voogd over [minderjarige] zou worden benoemd. De Raad heeft vernomen en in het verzoek meegewogen dat een dergelijke maatregel [minderjarige] ook een verblijfsrecht in Nederland oplevert.

5 Het standpunt van belanghebbenden

5.1. Door en namens de broer en zus is, samengevat, aangevoerd dat zij het raadsrapport onderschrijven. Zij verzetten zich dan ook niet tegen het verzoek van de Raad. Ook beamen zij dat het moeilijk is om met de moeder te communiceren. Het enige wat zij over [minderjarige] weet, is dat hij bij de broer en zus is. Zij vraagt niet hoe het met hem gaat, heeft hem zelf niet meer gesproken en weet niets van de juridische procedures die er in Nederland spelen. De laatste keer dat de moeder is gesproken, was tijdens het laatste Suikerfeest.
5.2. Ook de GI is akkoord met het verzoek van de Raad. De GI beaamt dat de voogd in de afgelopen periode niets heeft hoeven doen. De broer en zus kunnen [minderjarige] bieden wat hij nodig heeft.

6 De beoordeling

Belanghebbenden
6.1. Allereerst zal de rechtbank, zoals tijdens de zitting is besproken, de broer en de zus in deze zaak aanmerken als belanghebbenden. In eerste instantie heeft rechtbank de broer en zus per abuis als informant aangemerkt en opgeroepen. Dit is echter, gezien de feitelijke situatie, onjuist. Niet alleen zijn zij al ruim twee jaar de opvoeders van [minderjarige] , maar ook wordt de zus door de Raad als voogd van [minderjarige] aangedragen. De rechtbank herstelt dan ook haar eerdere fout en zal de broer en de zus in deze procedure als belanghebbende aanmerken. Dit betekent feitelijk dat zullen beschikken over alle overgelegde stukken, zij de in deze zaak gegeven beschikking ontvangen en zij de mogelijkheid hebben om daartegen hoger beroep in te stellen.
Bevoegdheid en toepasselijk recht
6.2. Deze zaak heeft een internationaal karakter, omdat zowel de moeder, [minderjarige] , de broer en zus de Somalische nationaliteit bezitten. Daarom moet de rechtbank eerst de vraag beantwoorden of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om deze zaak te behandelen, en, zo ja, welk recht van toepassing is.
6.3. Het verzoek ziet op de verantwoordelijkheid van de moeder voor [minderjarige] , ook wel het gezagsrecht, en valt als zodanig binnen het materiële toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter) die op 1 augustus 2022 in werking is getreden. Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 Brussel II-ter zijn in zaken die gaan over de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarigen hun gewone verblijfplaats hebben op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. [minderjarige] heeft zijn gewone verblijfplaats in Nederland en dat betekent dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is.
6.4. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is om op het verzoek van de Raad te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht worden toegepast op het verzoek.
Gezagsbeëindigende maatregel – wat zegt de wet?
6.5. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezag van een ouder beëindigen, indien:
a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of
b. de ouder het gezag misbruikt.
Inhoudelijke beoordeling
6.6. De rechtbank zal het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de moeder toewijzen. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
6.7. Uit de overgelegde stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de moeder sinds haar vertrek naar Somalië, in juli 2023, niet meer bij [minderjarige] betrokken. Zij heeft niet naar hem geïnformeerd, is niet bereikbaar voor de broer, de zus, de voogd en de Raad en heeft zich onttrokken aan haar ouderlijke verantwoordelijkheden. Zowel fysiek, emotioneel als juridisch heeft de moeder zich afzijdig gehouden. Haar vertrek, waarover zij betrokken hulpverlening en instanties niet heeft geïnformeerd, heeft ertoe geleid dat [minderjarige] in het ongewisse is over zijn toekomst. De moeder heeft hem achtergelaten bij de broer en zus, terwijl [minderjarige] gelet op zijn een grote zorgbehoefte heeft. De rechtbank acht dit, evenals de Raad, onverantwoord. De moeder heeft na haar vertrek uit Nederland op geen enkel moment haar verantwoordelijkheid gepakt. [minderjarige] verkeert in een bijzonder kwetsbare positie en heeft recht op bescherming, stabiliteit en een veilige en liefdevolle leefomgeving. De moeder kan dit niet bieden.
6.8. Niet is komen vast te staan wanneer en of de moeder überhaupt terug naar Nederland zal keren. De broer en zus verwachten dat de moeder in Somalië zal blijven, omdat zij problemen ervaart van het klimaat in Nederland. Samen met de Raad is de rechtbank van oordeel dat [minderjarige] die onzekerheid niet langer kan dragen. De rechtbank volgt de Raad in het standpunt dat de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] is verstreken. Gelet op zijn zorgbehoefte is hij gebaat bij duidelijkheid over zijn toekomstperspectief. Ook voor zijn verdere ontwikkeling is het van cruciaal belang dat [minderjarige] niet langer in onzekerheid blijft over zijn toekomst. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt geschaad als de moeder haar gezag behoudt.
6.9. In de tussentijd wordt gezien dat de boer en zus de ouderlijke verantwoordelijkheden feilloos van de moeder hebben overgenomen. Zij voorzien in alle behoeften van [minderjarige] . Hij kan hierdoor veilig opgroeien en opbloeien. De GI beaamt, ondanks dat zij als voogd in de afgelopen periode betrokken waren, niet nodig zijn geweest; de broer en zus hebben alles zelf geregeld. De rechtbank complimenteert de broer en zus hiervoor.
6.10. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat voldaan is aan artikel 1:266 lid 1 sub a BW.
Voogdij
6.11. Omdat de beëindiging van het gezag van de moeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid, BW een voogd over hem te benoemen. Daarbij geldt op grond van artikel 1:275, derde lid BW, dat bij voorkeur tot voogd benoemd dient te worden degene(n), die de minderjarige ten minste een jaar als behorende tot het gezin heeft verzorgd en opgevoed.
6.12. Over de benoeming van de voogdij kan de rechtbank kort zijn. De rechtbank volgt de Raad in zijn verzoek om de zus tot voogd over [minderjarige] te benoemen. Hoewel zij beiden zich de afgelopen jaren hebben bewezen als toegewijde verzorgers in staat te zijn deze verantwoordelijkheid voort te zetten, zijn zij het erover eens dat alleen de zus als voogd over [minderjarige] wordt benoemd. Voor hen is doorslaggevend dat de zus meer beschikbaar is voor [minderjarige] . De rechtbank heeft zich ervan vergewist dat de GI dit ondersteunt.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.13. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Gezagsregister
6.14. De rechtbank zal de griffier verzoeken om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
6.15. Al het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

7 De beslissing

De rechtbank:
7.1. beëindigt het ouderlijk gezag van [de moeder], geboren op [geboortedag 2] 1962 in [geboorteplaats 1] ( [land] ) over de minderjarige: - [minderjarige], geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ( [land] ),
7.2. benoemt tot voogdes over genoemde minderjarige:
[de zus], geboren op [geboortedag 3] 1988 te [geboorteplaats 2] ( [land] );
7.3. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
7.4. verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2025 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen: